In de schaduw van de Jaguar.

31 okt 2013 · 0 keer gelezen · 0 keer geliket

 

"Mijn volk is verspreid en verdwenen; als ik roep, hoor ik mijn stem in het hart van het woud, maar er weerklinkt geen stem ten antwoord - slechts de stilte omringt mij." KOLONEL COBB VAN DE CHOCTAW

 

Hoofdstuk 1: Dromen naar meer                                                                                      

Nog 2 uur te gaan. Nog 120 minuten en ik weet of ik erbij ben.

De laatste weken heb ik aan niets anders kunnen denken. Hoelang moet een commissie eigenlijk over zoiets beslissen? Ach … die mensen hebben vast zo weinig te doen dat ze er genoegen mee nemen om zenuwachtige types zoals mezelf te tergen. Rek het maar zo lang je kan, dat maakt het des te spannender!

Ik en 9 andere laatstejaars biologie wachten al 2 maanden op de uitslag. 2 maanden kan je het geloven? Nu goed, ik moet misschien eerst eens uitleggen waarover ik het heb. Het gaat over een fantastisch project. Wel ja, een heel uitdagend project voor biologen gespecialiseerd in mammologie. Een project dat misschien mijn toekomst zal veranderen, tenminste als ik gekozen word. Het is de bedoeling dat de commissie één laatstejaars naar Brazilië stuurt om veldwerk te verrichten tussen de nazaten van de Yanomami!

Ik hoor je al denken: "Wat heeft dat te maken met mammologie of zelfs biologie. Is dat niet meer iets voor antropologen?" Ha! Absoluut niet want hier komt het fantastische gedeelte van het volledige project! De Yanomami - indianen zijn uiteraard aangepast aan onze hedendaagse Westerse beschaving. Ze lopen er gekleed bij als wij, gebruiken gesofisticeerde voorwerpen, je noemt maar op. Maar wat wel zo gebleven is doorheen hun vele jaren van ontwikkeling is hun liefde en respect voor dieren. Uiteraard ook zoogdieren. En dit is de link: de uitgekozene student mag een jaar lang veldonderzoek gaan doen naar de bijna uitgestorven Panthera onca palustris. Gemakkelijker gezegd: de jaguar

Saai? Absoluut niet! Dit is waar ik al mijn hele korte leventje lang van droom! Het gaat hier om iets buitengewoons dat ik gewoon niet kan of wil missen. Ik moet er bij zijn. Positief denken is het kernwoord niet waar? Zolang je er maar in gelooft?

Nog 1 uur en 45 minuten. Ik ben op weg naar Brussel. Ik haat Brussel. Het is voor mij een grootstad waar persoonlijk contact niet langer een must is. Je bent niet langer een uniek individu maar gewoon één van de velen die daar rondlopen. Ik ben opgegroeid in Gent en ik kan je naar waarheid zeggen dat Gent werkelijk alles heeft zonder eigenlijk echt uit zijn voegen te barsten. Nu goed, als je niet aan de overbevolking door de studenten denkt. In vergelijking met Brussel is Gent toch veel beter? En als je in Gent studeert, waarom dan een commissie in Brussel? Het antwoord blijft voor mij alleszins een raadsel.

Hoe is het eigenlijk mogelijk dat de tijd nu voorbij kruipt? Dit heb ik nog nooit meegemaakt. Integendeel zelf. Mijn studies waren bijvoorbeeld in een flits voorbij. Ik heb het niet echt moeilijk gehad. Ik wist eigenlijk al heel vroeg dat ik me wou aansluiten bij een organisatie die voor de verandering eens niet uit was op winst. Een non – profitorganisatie dus. Ik heb te veel en te vaak gezien hoe het milieu lijdt onder de vraatzuchtige mens.

Mijn vastbeslotenheid heb ik te danken aan mijn vader. Mensen zeggen vaak dat we 2 druppels water zijn. Misschien is dat één van de redenen waarom ik voor een studie biologie koos. Als je nu denkt dat mijn vader bioloog is dan heb je het goed mis. Je had de bal niet verder kunnen slaan. Hij is en ik citeer “ een investeerder in grootschalige logistieke projecten”. Ha! Een grote slokop wat natuur betreft , dat is hij! Hij gaat steeds op zoek naar unieke onbebouwde gronden en “cultiveert” het land dan door het te ontdoen van hun grootste schatten. De natuur en zijn originele inwoners. Ik heb het niet alleen over dieren. Neen, ook indianen, Bedoeïen, Toearegs, … Je begrijpt het plaatje wel.

Ik wil het tegenovergestelde realiseren. Ik wil dieren en hun leefomgeving leren kennen, mensen ontmoeten die wel nog respect hebben voor hun omgeving. Ik herinner me nog het gezicht dat mijn vader opzette toen ik hem vertelde dat ik biologe wou worden. Hij keek heel neutraal. Ik vond dat hij zich eigenlijk heel goed hield. Hij vroeg met een uitgestreken gezicht: “en wat wil je daarmee bereiken? Je weet dat de geldkraan vanaf je 25ste dicht gaat hé. Je moet iets studeren waarmee je jouw eigen boontjes kan doppen.” Ik haat het als hij het over geld heeft, alsof ik alleen maar met hem spreek omdat hij geld heeft. Alsof alles wat ik zeg en doe direct of indirect de bedoeling heeft hem te pluimen. Nu goed, ik hield me kranig, trok me er niets van aan en zei “ik wil me inzetten voor dieren die me nodig hebben. Ik wil hen observeren en beschermen. Ik wil geen bureaujob, maar veldwerk.” Ik zag zijn antwoord net voor hij zich zonder één woord te zeggen omdraaide. Een knalrood gezicht. Ik vergeet het nooit! Daar had ik hem goed te pakken! Hij denkt vast dat ik het deed om hem te sarren. Misschien had hij gelijk. Maar vanaf dat moment ben ik vastbesloten om van mijn droom iets te maken. Ik was er niet langer op uit om alleen maar anders te zijn dan mijn vader en dat te tonen aan de hele wereld. Nee, ik was er op uit om mezelf te bewijzen in de maatschappij die aan mijn vaders voeten lag. een maatschappij die geen respect had of heeft voor hetgeen waar ik me voor wou inzetten.

Ik wil mijn eigen ding doen. Ik wil niet gezien worden als mijn vaders dochter. Ik wil een eigen persoonlijkheid hebben, een eigen naam die voor zich spreekt. En dit ga ik op mijn eigen manier proberen te verwezenlijken. Iets wat hij trouwens zelf nooit gedaan heeft. Hij heeft het bedrijf van mijn grootvader, zijn vader, overgenomen. Gemakkelijk? Zeker niet, naar de pijpen van iemand dansen is nooit gemakkelijk. Maar het is niet wat ik wil. Ik heb een idealistischer beeld. En toen, op dat moment, besefte ik dat.

Ik ben nu 23. Ik sta bijna op mijn eigen benen en sta te popelen om de wereld in te springen. Springen, niet stappen, wandelen of slenteren, neen! Springen. Ik wil dingen echt beleven, doordringen tot wat het leven te bieden heeft en wat ik het leven kan bieden. Alles wat ik heb in de strijd gooien om de wereld te veranderen. En dat moet nu beginnen.

Ik kijk naast mij. Mijn moeder zit daar. Mijn mooie mama. Alhoewel ze al 50 is, ziet ze er maar 40 uit. Toch zie je dat haar gezicht droefheid uitstraalt. Droefheid maar ook liefde. Ze probeert mij moedig te houden voor de uitkomst straks. Ze neemt mijn hand vast en knijpt er lichtjes in. Ze staart in mijn ogen en probeert me te kalmeren met een blik waardoor ik me op slag de meest geliefde persoon op aarde voel. Ze merkt altijd wanneer ik aan het piekeren ben. Ze denkt vast dat het over de commissie gaat. Ze is altijd zo bezorgd.

Mijn moeder is zowat het tegenovergestelde van mijn vader. Ze is zo lief. Ze heeft eigenlijk altijd onder de sloef gelegen. Neen, niet onder één schoen, maar onder de hele Brantano. Ze heeft nooit kunnen doen wat ze wou. Ze is vroeg getrouwd en dat heeft haar letterlijk getraumatiseerd. Verbaal, fysiek en emotioneel. Niets heeft hij heel gelaten. Op termijn is ze gevoelloos geworden tegenover hem. Ze negeert hem. Ze spreekt hem niet tegen als hij ergens zijn zinnen op gezet heeft, maar spreekt ook niet meer tegen hem als ze akkoord is. Wat eigenlijk toch nooit zou gebeuren. Die twee zijn letterlijk dag en nacht voor elkaar. Aarde en vuur. Wat eigenlijk een goede vergelijking is. Hoe hard het vuur ook raast. De aarde zal zwart kleuren, maar blijven bestaan.

Ik ben de enige die er echt toe doet.. Het enige waar ze voor zal opkomen. Ze is er altijd geweest voor mij. Ik denk trouwens dat ze bij mijn vader is gebleven omdat ze angst had om mij te verliezen. Ze weet dat er niets opkan tegen de macht van zijn geld en zijn ijskoninginnen / advocaten. Ik denk dat ze gelijk heeft. Hoewel mijn vader weinig / niets? om mij geeft zou hij het niet kunnen verdragen dat zij mij zou opvoeden. Hij zou zich verslagen voelen en juist daarom zou hij haar willen verpletteren. En wat zou de buitenwereld wel denken? Dat is al reden genoeg om alles op alles te zetten om het enige wat ze heeft af te nemen. Mijn moeder heeft gedaan wat zij kon om haar grootste schat te behouden. Verduren. Aanpassen. Camouflagetechnieken toepassen.

Dat is misschien eigenlijk ook wel een deel van de reden dat ik mijn vader zijn “raad” gedeeltelijk heb gevolgd. Ik ga op mijn eigen benen staan en zal nooit toestaan dat ik zo behandeld word. Geen man is dat waard.

Ik schrik op uit mijn gedachten. De auto stopt! We staan voor de deur van één van die commissieleden. Oké … uitstappen en vooral blijven ademen.

Ik stap uit de auto en voel me duizelig worden. De uitslag is nu opeens zo dicht bij. Alles wordt werkelijkheid. Of juist niet. Ik zie mijn dromen al aan diggelen liggen. Wat ga ik doen als ik niet aanvaard ben? Hoe kan ik dan zin geven aan mijn leven? Heb ik ergens in de hoekjes van mijn ziel nog een ander verlangen? Neen … Ik voel mijn hartslag versnellen, zie de grond onder mijn voeten bewegen alsof ik in snelstromend water beland ben, ik krijg het koud.

Mijn moeder die ondertussen uitgestapt is ziet mij naar de grond staren. Ze beseft dat ik in de war ben. Ze weet hoe erg ik naar een uitweg heb verlangd. Ze verlangt mee met mij. Als ik ga, gaat er een deeltje van haar mee. Een deeltje dat dan toch vrijheid krijgt na al die jaren. Ze slaat haar arm rondom mij en duwt me lichtjes vooruit. “Weet je? Ik ben gisteren naar de kapper gegaan en daar ben ik Jenny tegen het lijf gelopen.” Ik kijk haar verbaasd aan. Wat doet ze nu? Over koetjes en kalfjes beginnen? Ach ja, ze probeert me af te leiden. Ik glimlach en speel mee. “Is ze opnieuw verdikt?” Mama beseft dat ze mijn aandacht heeft en begint ronduit te vertellen. “Ja! Ontzettend. Toen ze 25 jaar was had ze een maatje 36. Maar, dat weet je hé. Na haar bevalling is ze de extra kilootjes nooit meer kwijt geraakt en kon ze zich amper nog in een maatje 40 proppen. Maar nu! Een 46! Je gelooft het nooit. Ik kon de verbazing en afschuw amper van mijn gezicht houden toen ik haar zag. Hoe heeft ze zich ooit zo kunnen laten gaan? Ons figuur is toch het enige wat wij onderdrukte vrouwen hebben? We moeten ze niet alle voldoening geven. Toch?” Ze wacht mijn antwoord niet af maar brabbelt door over Jenny en haar figuur. Ik bekijk mijn moeder stiekem. Ze heeft inderdaad nog altijd een prachtig figuur. Ik wist niet dat ze haar figuur zag als haar laatste restje trots tegenover mijn vader. “Clara?” Oh? Ik kijk op uit mijn overpeinzingen en zie dat mijn moeder bedenkelijk naar me kijkt.

Door een blik om me heen zie ik dat we in de wachtzaal gekomen zijn. De wachtzaal is zeer klassiek ingericht. Lang de randen staan een aantal Sheffieldzetels opgesteld waarin mijn medestudenten zitten. Normaal gezien zorgen dat soort zetels voor een rustige atmosfeer. Nu niet. Iedereen zit stijfjes in de lederen zetels. Hun rug raakt de leuning niet. Lijkbleek, wallen onder hun ogen. Weinig slaap gehad deze nacht? Join the club!

Ik knik vriendelijk. Ik ontvang enkele knikjes terug en zie dat die blijk van erkenning het enige is wat ik van hen zal krijgen. Hun ogen vertellen me dat hun gedachten mijlenver aan het razen zijn. Wat een doods boeltje. Je zou denken dat het hier gaat om een wake. De aanblik van mijn medestudenten veroorzaakt een klik in mezelf. Welke uitkomst de commissie ook klaar heeft. Ik zal hem aanvaarden en niet bij de pakken blijven zitten. Ik heb te hard gewerkt voor mijn toekomst. Als dit mijn uitweg niet is, dan staat er een volgende kans om de hoek te wachten.

“Clara?” Ik richt mijn blik op mijn moeder, de vastberadenheid staat zeker op mijn gezicht te lezen want ze lacht. “Dat is de Clara die ik ken. Heb steeds vertrouwen in jezelf. Positief denken is al de helft van de te overwinnen moeilijkheid.” Ze kijkt even naar de grond. Ik besef dat ze ook nerveus is. Ze neemt mijn handen, kijkt me aan met een blik die wil onderzoeken welke gevoelens er diep binnenin me borrelen en begint te fluisteren. “Clara, je weet dat ik 100 % achter je sta. Ik heb eigenlijk bijna geen twijfels over de uitslag van de commissie.” Ik onderbreek haar ogenblikkelijk “Je bent zeker van de uitslag? Wat bedoel je daarmee?Wat …”Ze zwaait met haar hand de kwestie weg. “Clara, doe jezelf niet dommer voor dan je bent. Denk goed na en je ontdekt het antwoord dat diep binnen in je verscholen ligt. Dit gaat over iets anders. Wanneer je vertrekt naar Brazilië, vertrek ik ook.”

Mijn geest krijgt opeens meerdere alarmerende gedachten te verwerken. Verschillende sirenes gaan tegelijker tijd af en even weet ik niet op welke gedachte ik me eerst moet richten. Zoals altijd komen ze allemaal tegelijk uit mijn mond. “Vertrekken? Waarheen? Samen met mij? Bedoel je dat ik je hiermee pijn doe?” Voor ik met nog enkele vragen op de proppen kan komen onderbreekt ze me opnieuw. “ Neen, neen, dit heeft niets met jou te maken. Of misschien toch.” Ze stopt even met praten en probeert haar gedachten te ordenen. Ze begint opnieuw. “Je weet dat ik van je hou. Zielsveel. Je bent mijn alles. Mijn hele leven. Correctie: jij bent mijn leven. Onthoud goed dat je altijd het voornaamste zal zijn in mijn leven. Maar, nu je vertrekt is dat niet meer voldoende. Ik wil meer van mijn leven.” Ze wacht even voor ze doorgaat. Ik kijk haar verwachtingsvol aan. Wat gaat ze nu doen?

Het antwoord komt. Het is zowel schokkerend als verlossend. Zowel logisch als volledig onverwacht. “Ik ga je vader verlaten.” Ik open mijn mond, maar ze legt er een vinger op. “Neen Clara, laat mee uitspreken. Ik verlaat je vader. Ik heb voldoende verdragen. Ik ga proberen om het laatste wat er van mezelf rest een nieuwe toekomst te geven. Ik ga mijn kans grijpen nu jij de jouwe grijpt. Ik wil nog zoveel beleven, er zijn nog zoveel dingen waarvan ik droom. Ik kan dit gevoel niet negeren zonder het laatste dat rest van mezelf te doden. Begrijp je dat?” Ze zwijgt en wacht op mijn antwoord.

Ik overpeins mijn antwoord. Op het moment dat ik het doe besef ik dat ik niet handel als mijn gewone ik. Maar ja, bepaalde situaties vragen nu eenmaal om een andere aanpak. Ik denk na over mijn antwoord. Ik denk na! Ik weeg de gevolgen af. Mijn gedachten gaan naar mijn vader. De uitbarsting die hij zal hebben wanneer hij beseft dat dit het einde is. Het effect dat deze wenteling op zijn leven zal hebben. Hij zal dit niet te boven komen. Verbitterd zal hij iedereen laten boeten die iets verkeerd doet. Ik denk ook aan mijn moeder haar leven tot nu toe, het leven dat ze voor zich zal hebben als niets onderneemt en het “nieuwe leven” dat ze nu wil leiden. Het leven dat ze tot nu toe alleen geleid heeft in haar dromen Ik orden mijn gedachten en wil haar antwoorden.

De dubbele deur op het einde van de wachtzaal gaat plotseling open. Iedereen springt recht uit de Sheffields als gestoken van een hele zwerm bijen. De gedelegeerde van de commissie komt naar buiten. Het is een oude man met een brilletje op. Stanley Bronson. Ik heb hem vaak op de campus zien rondlopen. Wat een muggenzifter. Steeds op zoek naar zaken waarover hij kon klagen. “Piept die deur nu nog steeds? Mogen die studenten daar eigenlijk wel rondhangen? Ik kan me niet voorstellen dat een zelfrespecterende campus zoiets toestaat!”

Stanley is van middelbare leeftijd en woont nog steeds bij zijn moeder. Dat is toch de roddel die rondgaat op campus. Nu goed, hij komt de wachtzaal binnen, duidelijk genietend van de aandacht die hij krijgt. Gebogen alsof hij een zware last draagt legt hij de laatste stappen af tot hij tussenin de kandidaten staat. Grappig eigenlijk. Hij draagt de last van alle zenuwachtige mensen hier in de zaal. De enveloppe trekt mijn aandacht. Deze enveloppe bevat mijn toekomst. En die van mijn moeder. Ik besef dat ik haar nu niet kan antwoorden. Of wel? Ik beantwoord haar besluit met een glimlach. Een glimlach waarin ik al mijn liefde voor haar leg. Een glimlach die vertelt dat ik achter haar sta.

De afgevaardigde schraapt zijn keel. Mijn aandacht gaat plotseling volledig naar hem uit. Weg zijn de gedachten aan mijn moeder, vader, toekomst. Alleen dit moment bestaat. Nu gaat het gebeuren. De man kijkt even observerend rondom hem. “De uitslag van de commissie is bekend. Eén van jullie gaat naar Brazilië om daar onderzoekend veldwerk te verrichten naar de leefpatronen van de Panthera onca palustris.” De man mijmert door over wat er allemaal dient te worden onderzocht, geobserveerd, genoteerd, … Wie had gedacht dat hij de uitslag nog eens zolang zou uitstellen? Ik voel de neiging op terug in de fauteuil te ploffen. Die commissieleden kunnen er iets van!

“Clara Jansens.” Ik schrik op. Wat? Kan die man gedachten lezen? Heeft hij gemerkt dat ik niet luisterde? Tikt hij me op de vingers? “Proficiat, dame, ik hoop dat je goed werk verricht.” Och! Mijn God! Ongelofelijk! De last die ik de voorbije weken op mijn schouders heb meegedragen valt in één keer volledig weg. Ik zou wel kunnen dansen. Ah, wat maakt het ook uit. Die valse strebers kunnen hier wat van leren. Lesje expressie. “ Jihaaaaa! Ik ben gekozen!” Uit mijn ooghoeken zie ik iedereen verrast kijken naar mijn heel uitbundige imitatie van de befaamde Jackons moonwalk.

Hoofdstuk 2: Een hobbelig begin                                                                                      

“Cookies, pretzels or peanuts?” Half in slaap kijk ik op naar de stewardess. Ze heeft een komisch blauw hoedje aan. Ik geloof dat de ontwerper van haar uniform terug wou grijpen naar de jaren 60. Jaren 60 aan de zee, want ik moet even met mijn ogen knipperen tegen al het overtollige helblauw. Schattig eigenlijk. De omschrijving schattig telt wel enkel en alleen voor haar uniform. Terwijl mijn blik van haar hoedje naar haar gezicht glijdt, besef ik dat jaren in de lucht een rampzalig effect gehad hebben op haar huid. Deze vrouw heeft duidelijk dringend nood aan een gelaatsverzorging. Misschien zelf iets drastischer. Botox? Lijkt me dweilen met de kraan wagenwijd open. Facelift? Check! De dag van vandaag is zoiets toch algemeen aanvaard? Niets om je voor te schamen. Minder reden alleszins dan om met zo’n gehavend gezicht rond te lopen.

Ik roep mezelf tot de orde. Wat een slechte gedachte! Terwijl ze zo lief naar me kijkt. Ze wacht geduldig tot ik haar vraag beantwoord. Oja … haar vraag. Wat was die alweer? Waarschijnlijk is de verwarring op mijn gezicht te lezen want ze vraagt opnieuw: “Cookies, pretzels or peanuts?”. “Cookies” Natuurlijk! Geen reden om mijn dagelijkse suikershot te weigeren. De vrouw geeft me mijn speculaaskoekjes en duwt haar karretje naar de rij achter mij. Ik hoor haar zeker nog 10 keer dezelfde vraag stellen voor ze uit het gehoorsafstand is.

Terwijl ik de koekjes opeet gaan mijn gedachten terug naar deze gisteren. De momenten na de uitslag van de commissie zijn eigenlijk behoorlijk wazig. Het enige wat ik me nog herinner zijn de jaloerse blikken van mijn medestudenten. Ze probeerden beleefd te knikken vooraleer ze het teleurgesteld afdropen. Een proficiat kon niemand van de 11 studenten over zijn lippen krijgen. Lelijke karakters. Daarom noem ik ze ook medestudenten en geen vrienden. Vrienden heb ik eigenlijk niet gemaakt op campus. Ik moet wel eerlijk toegeven dat ik niet zo’n sociaal type ben. Ik heb het vaak moeilijk om het eerste contact te leggen. Eenmaal die drempel gepasseerd is kan ik wel heel humoristisch zijn. Ik heb wel de lelijke karaktereigenschap dat ik behoorlijk veeleisend kan zijn. Ik sta bijvoorbeeld niet toe dat mijn vrienden me laten staan in moeilijke tijden, roddelen, geniepig zijn, geheimen hebben, niet te vertrouwen zijn, geen inhoud hebben, een laag intelligentieniveau hebben, … Ja, ik denk dat je het plaatje wel begrijpt. Moeilijk is een omschrijving die je wel op mij kan plakken. Maar hé! Als ik het zelf reeds besef is ’t al goed zeker? Zelfkennis is de eerste stap naar wijsheid.

Om het beeld dat je nu van me hebt iets te verzachten moet ik dit wel vermelden. Eenmaal ik een vriendschap heb, ga ik er volledig voor. Ik geloof dat de uitdrukking door het vuur gaan voor iemand echt niet misstaat.

Het afscheid van mama herinner ik me wel. Zij is eigenlijk mijn beste vriendin. Iemand die je nooit in de steek laat en er altijd voor je is. Onvoorwaardelijk. Ze was ondersteboven van geluk. Verrast was ze zeker niet. Ze wist dat “that one Lucky Bastard” zou zijn. Ze was er zelf zo zeker van dat ze alle plannen rondom haar vertrek al gemaakt had. Op dit moment is ze waarschijnlijk al bezig met haar spulletjes weer uit te pakken samen met Anne, haar beste vriendin. Anne en ik komen redelijk goed overeen. Het belangrijkste is dat ze van mijn moeder houdt. Ze komt steeds voor haar op. Mijn moeder heeft haar zelf eens moeten tegen houden. Ze ging het fysiek opnemen tegenover mijn vader! Stel je voor. Dat kleine tengere vrouwtje tegenover een boom van een vent. Ze zou zelf zijn ogen niet kunnen uitkrabben want die liggen volledig buiten haar bereik. Haar strijdvaardigheid en trouw tegenover mijn moeder is de reden waarom ik Anne aanvaard. Niet omdat ze zo buitengewoon is, maar omdat ze de beste vriendin van mijn moeder is. Punt! Voor altijd. Zulke mensen vinden in je leven is zeldzaam. Je moet ze vasthouden.

Mijn moeder had ook mijn bagage al ingepakt. De stiekemerd! Niets hoefde ik nog te doen. Gewoon genieten van mijn laatste avond in België. Het zal welgeteld één jaar duren vooraleer ik terugkeer. En dan zal alles anders zijn. Misschien keer ik wel niet terug. Wie weet? Een wereldreisje misschien? Hallo? Aarde aan Clara … een wereldreis met welk geld? Typisch voor mij. Ik droom altijd over van alles en nog wat. Realistisch is echter nooit geen kernwoord. Belachelijk eigenlijk, maar toch doe ik het graag. Ik betrap mezelf heel vaak op dagdromen. Over reizen, mannen, ontdekkingen, avontuur, …

Op het perron waar we afscheid namen, sloeg mama haar armen om me heen. Ze drukte me zo hard tegen zich aan dat ik het gevoel had dat ik breekbaar was. De tranen stroomden over onze wangen. Wat hebben we gezegd? Eigenlijk niets. Er was niets te vertellen. We wisten dat er geen contact mogelijk was. Geen internet. Geen brieven. Niets. Beiden waren we ervan overtuigd dat we elkaar ontzettend gingen missen. Ik bijvoorbeeld wist dat er heel veel nachten in de toekomst zouden zijn dat mijn tranen het hoofdkussen in een klein poeltje zouden veranderen. Maar ja, in je leven moet je soms vooruit. Ik denk dat mijn moeder trouwens altijd al geweten heeft dat ik niet bij de pakken zou blijven zitten. Als kind kon ik het niet en ik zal er nu zeker niet aan beginnen.

Ze liet me uiteindelijk ontsnappen uit haar omhelzing. Nog één keer streelde ze over mijn wang, drukte een cadeautje in mijn hand en vertrok. Ze is niet blijven wachten tot de trein kwam. Ik begrijp haar. Het was te moeilijk. Ze heeft ons beiden veel pijn bespaard.

Het cadeautje ligt nu in mijn hand. Er hangt een klein kaartje aan. Ik doe het open. Ik zie in een oogopslag dat overduidelijke handschrift van mijn moeder. Op sommige plaatsen zijn de letters wat uitgelopen. Haar tranen hebben haar kaartje bijna onleesbaar gemaakt. Ik streel met mijn vinger over de letters. Zo attent. Een heimelijke glimlach streelt mijn gezicht, tijdens het uitpakken van haar bagage zal ze ook een briefje vinden. Ze zal blij zijn en het in haar portefeuille bewaren. Ik richt mijn aandacht opnieuw op het kaartje, verzamel mijn moed en begin te lezen.

 

Lieve hartendief

Ik geef je dit kaartje mee zodat je een 3 kleine deeltjes van mezelf bij jou hebt. Een deeltje dat jou zal steunen als je verdrietig bent, een deeltje dat in jouw geluk zal delen op zalige momenten en een deeltje dat alle momenten die jij beleeft ook wil ervaren. Ik hoop dat je een fantastische tijd beleeft, dat je groeit en evolueert. Maar vooral dat je een nieuwe manier van leven ontdekt. Ik hoop dat dit de eerste stap is naar een leven vol avontuur en bovenal vrijheid.

Weet dat je altijd in mijn gedachten bent. Mama.

Ik sluit het kaartje met prikkende ogen. Ik knipper eens om de tranen naar achter te duwen en steek het kaartje in mijn portefeuille. Haar attentie doet me denken aan jaren geleden. Aan één van de vele keren dat mijn vader een poging ondernam om de relatie tussen mezelf en mijn moeder af te zwakken. Hij stuurde me op internaat. Elke zondagavond ging ik met mijn valiesje de deur uit. Maar niet zonder een zijden sjaaltje van mama met een beetje parfum van haar. Mama had alweer een uitweg gevonden. We waren verbonden.

Het geschenkje in mijn handen ziet er zo koddig uit. Ik maak het heel voorzichtig open. Zonder iets te scheuren. Er zit een vierkant, paars doosje in. Ik til het dekseltje voorzichtig op. Een glimlach verspreidt zich over mijn gezicht. Het is een dromenvanger. Op de achterkant van het dekseltje heeft mama geschreven “Sweet dreams”. Hoe is het toch mogelijk dat ze me zo goed kent. Soms vraag ik me af of ik ooit iets zou kunnen doen wat ze niet verwacht.

Ik neem het hangertje uit het doosje en bevestig het rond mijn hals. Zachtjes speel ik er mee tot mijn gedachten overgaan in een diepe slaap. Ik loop in een bos. Het bos lijkt geenszins op onze Belgische bossen. Het is er zo kleurrijk. Exotische bloemen. watervangend planten. Ze groeien aan de grond, maar ook in de lucht op takken van gigantische bomen. Ze bewegen zachtjes heen en weer op een licht briesje. De geur is ook heel specifiek. Vol met allerlei aroma’s van planten, dieren en bomen. Er is mist. Ik zie heel weinig, alleen mijn directe omgeving. Ik voel een drang om voorruit te lopen. Al strompelend beweeg ik me door de dichte begroeiing. Mijn voeten stoten voordurend op van alles en nog wat. De mist aan mijn voeten is te dik om een poging te doen om de begroeiing te ontwijken.

Nog voor ik de verandering kan zien in de omgeving, ruik ik ze in de geur van het woud. Een metaalachtige geur drijft naar me toe. Een kille luchtstroom doet de haartjes op mijn armen rechtstaan.

Een meer strekt zich voor me uit. Of eerder een moeras. Dorst, zo’n dorst heb ik. Ik hurk neer. Maak van mijn handen een kommetje en wil wat water opscheppen. Ik schrik plotseling op door een innemend gegrom of gespin? Mijn ogen speuren de mistige omgeving af. Een kat zit op nog geen 6 meter van mij. Wat zeg ik? Een kat? Absoluut niet, een gigantische beest is een betere omschrijving. Het beest is gitzwart en vast bijna 2 meter lang. Ze zit gehurkt net als ik. Al denk ik dat ze met die positie een heel ander doel heeft dan water scheppen.

Heel voorzichtig beweeg ik me naar het water toe. Mijn hart klopt in mijn keel. Het water is mijn enige uitweg. Ja, ik weet het. Katten kunnen zwemmen. Er hangt echter een tak in het water waaraan ik me kan optrekken. Ik koester één wens: hopelijk kan dat beest niet springen terwijl het zwemt. Want dan zal mijn ontsnappingspoging op niets uitdraaien. De daad bij het woord zettend, beweeg ik zachtjes naar voren. De kat gromt luider en sluipt dezelfde afstand dichterbij. Oei, oei, oei dit gaat verkeerd. Plan B. Ik schiet recht met de grootste snelheid die ik bijeen kan rapen en spurt het water in op zoek naar veiligheid. Ik zie uit mijn ooghoeken dat de kat in actie schiet. Voor ik met mijn ogen kan detecteren waar de het beest zich precies bevindt, voel ik een verplaatsende windvlaag mij voorbijgaan. Met één sprong staat ze opeens 2 meter verder dan mij in het water. Het moeraswater bereikt bijna haar schofthoogte. Ik kom met een ruk tot stilstand. In paniek zoek ik naar een andere uitweg. Ik voel mijn benen hevig trillen, heb moeite me te concentreren en uiterlijk kalm te blijven. Voor ik de uitweg gevonden heb zie ik dat de kat niet langer naar mij kijkt. Ze zit opnieuw in een gehurkte pose met haar rug naar me toe. Ze sluipt stilletjes achteruit. Opeens gaat mijn blik naar hetgeen wat de kat al veel langer moet opgemerkt hebben. Een alligator! Oh Shit! Ik draai me om en probeer vliegensvlug te strompelen. Mijn voeten worden bij iedere stap in de modder vastgezogen. Ik oefen steeds meer kracht uit en verlies daarbij een schoen. Ik negeer de uitstekende schoen die lichtjes dieper zinkt in het moeras en verdubbel mijn inspanningen. Het moeras uit!

De stem van de piloot schalt door de microfoon. “Fasten your seatbelt and prepare for landing.” Ik moet in slaap gedommeld zijn. Mijn droom hangt nog vers in mijn geheugen. Ik voel de haartjes op mijn armen rechtstaan, een huivering loopt doorheen mijn lichaam. Wat een vreemde droom. Onmiddellijk denk ik aan het verklarende dromenboek dat op mams nachtkastje ligt. Mijn vingers tintelen om de droom op te zoeken en nader te verklaren. Wat natuurlijk niet kan omdat ik het boek simpelweg niet bij me heb. Uiterst jammer. Dat is trouwens nog zo’n eigenschap die mijn vader de stuipen op het lijf jaagt. Meneer “eerst zien en dan geloven”. Al dat spirituele gedoe kan hem gestolen worden. Een glimlachje glijdt over mijn gezicht. Mams vertelde me dat hij in de begintijd van hun huwelijk haar dromenboek altijd verstopte. Het gaf hem rillingen te denken dat zijn dromen enige betekenis konden hebben. Kreeg ik daarnet ook geen rillingen? Misschien lijkt ik toch meer op hem dan mijn hart lief is?

Ik kijk rond me. De lichtjes, die aangeven dat we onze veiligheidsgordel moeten aandoen, flikkeren. Het bekende tintelende gevoel in mijn buik vertelt me dat het vliegtuig net een duik omlaag heeft genomen. Ik grijp naar de twee uiteinden van de gordel en merk dat de dromenvanger nog steeds op mijn schoot ligt. Hoe ironisch. Moet die niet voor goede dromen zorgen? Voorzichtig berg ik hem op en wacht ongeduldig tot ik mijn eerste stapjes kan zetten naar mijn nieuwe leven. Misschien niet zo spectaculaire stapjes als Neil Armstrong, maar wel grensverleggend voor mijn eigen leefwereld. En op dit moment is dat ruim voldoende.

Terwijl ik dit doe zwermen de instructies van Stanley Bronson door mijn gedachten. “ Je zal landen in de staat Roraima. De luchthaven is gebouwd nabij de hoofdstad Boa Vista. Roraima grenst aan Venezuela in het noorden. In het zuiden ligt jouw doelgebied. De Amazone. Je weet trouwens toch waarvan de naam Boa Vista is afgeleid?” Hij neemt me kritisch op. Ik knik gretig en zet een gezicht op alsof hij een domme vraag stelt. Natuurlijk weet ik dat … niet! Gewoon knikken. Niets laten merken.

Hij gaat door met zijn uitleg “ In Boa Vista moet je overstappen. Het volgende vliegtuig neemt je mee naar het zuidelijke gelegen Manaus. Hier begint het avontuur. Neem een taxi naar meest het zuidelijk punt van de stad. Hier vind je Travessia Manaus. Vanuit deze kleine aanlegplaats vertrekken een aantal boten. Het is niet, en ik herhaal niet, de bedoeling dat je één van deze boten neemt. Je moet echter op zoek gaan naar deze man.” Stanley duwt me een foto in de hand. Er staat een klein, bruin mannetje op. Ik kan niets noemenswaardig opsommen om dit dwergje te omschrijven. Er valt me gewoon niets op. Klein en rond. Behalve zijn ogen. Ze glinsteren van plezier. Je zou bijna zeggen dat deze foto voor een geliefde bedoeld is. De ogen brengen een liefde over waarvan ik even moet slikken. Stel je voor dat mijn vader ooit zo naar mijn moeder gekeken heeft. Een gevoel van verlatenheid overvalt me. Onwaarschijnlijk. Echte liefde is er nooit geweest. Nu ik er over nadenk heb ik nog nooit gezien dat een man onvoorwaardelijk van een vrouw hield. Jane Austen zat er goed naast. Ze leefde in een liefdeloze omgeving en zocht dan maar naar een uitweg via haar boeken. Had ze beter niet gedaan. Nu leven wij nog steeds in een maatschappij van vrouwen die naar liefde snakken en mannen die daar gretig gebruik van maken en zo nu en dan de stoelendans uitproberen.

“Jack, is zijn naam.” Mijn aandacht keert terug naar Stanley. “Jack? Dat lijkt me geen natuurlijke naam voor een native.” Stanley kijkt aan met zoveel minachting dat ik me letterlijk 3 centimeter kleiner voel worden. Wat heb ik nu miszegt? Met een zucht besluit hij toch te antwoorden op mijn duidelijk uiterst idiote vraag. “De namen van de Yanomani zijn taboe. Ze worden niet luidop uitgesproken. Zeker niet bij vreemdelingen. Vandaar dat deze Yanomaniman zichzelf Jack heeft genoemd.” Hij bekijkt me alsof ik een uk ben van 3 jaar. Heeft hij het ultramoeilijke verschijnsel voldoende duidelijk uitgelegd? Hij heeft zeker al spijt dat ze mij uitkozen. Ik besluit het onbehaaglijke gevoel van me af te schudden. Ze kunnen immers toch niet meer terug. Ik geef hem een triomfantelijke glimlach. Hij knikt. “Goed, Jack dus. Hij zal je opwachten bij Travessia Manaus. Van daaruit brengt hij je met zijn boot naar zijn contactpersoon die je zal voor stellen aan een Yanomani stam die verder op langs de Rio Negro leeft.”

Hij knippert met zijn ogen. Een bedachtzame blik glijdt over zijn gezicht. “Ik denk dat ik je hierbij voldoende informatie heb gegeven. Misschien nog enkele tips. Neem een kaart mee van het gebied, zorg dat je wat gelezen hebt over de Yanomani zodat je niet te veel flaters slaat en ons in slecht daglicht brengt. Vergeet je veldapparatuur niet zonder kan je immers geen goed werk verrichten.” Met een laatste knikje en een bijna onhoorbaar “Clara” draait Bronson zich om en schrijdt met langzame stappen de wachtzaal uit.

Een enorme knal brengt me tot de werkelijkheid. Verschrikt kijk ik om me heen. De vrouw naast lacht minzaam. Zal ik daar maar uit afleiden dat er niets is misgelopen? Opeens stijgt er een daverend applaus op vanuit het vliegtuig. Een applaus? De vrouw naast me heeft haar minzaam lachje vervangen door een geërgerde blik. Ze geeft me een stoot en sist “Het is beleefd om de piloot te bedanken. Hij heeft ons veilig aan de grond gezet!” De grond? Ah! De grond. Brazilïe! Yanomani! Panthera! Here I come. Bedachtzaam doe ik mee met de kudde. Ik applaudisseer.

De weg doorheen de luchthaven leg ik vlug af. Verdwalen doe ik niet. Volg gewoon de mensenmassa en je komt automatisch bij de bagageclaim, de uitgang en achtereenvolgens bij een taxi die je afzet waar je ook maar wil. De taxi is geel. Net zoals in de films. Ik trek de deur van de eerste taxi in de lijn open en plof me neer op de achterzetel. “Adondé?” De chauffeur kijkt me vragend aan. Wat vraagt hij nu in hemelsnaam? Mijn brein zoekt naar mogelijke oplossingen in de paar secondes die voorbij gaan. Mijn gezicht klaart op bij het vinden van een mogelijkheid. Als een bezetene begin ik mijn rugzak overhoop te halen. Typisch. Als je wat moet hebben zit het altijd volledig onderaan. Tegen de tijd dat ik alles uit mijn rugzak gehaald heb en de broodnodige “Spaans voor Dummies” gevonden heb tikt de bestuurder geërgerd op de kilometerteller/ tijdteller van zijn taxi. God, wat een ongeduldige man. Ik haast me bijna dood en dan nog zegt hij me op duidelijk verstaanbare wijze dat de tijd en dus ook de prijs vooruit loopt. Nu goed, ik schud mijn ergernis van me af en probeer me het woord te herinneren waarmee hij me aansprak. Die inspanning heeft duidelijk niet veel zin want niets springt me te binnen. Nieuwe poging dan maar. Ik zoek woord voor woord de zin op die ik probeer te vertalen. “Quiero ir Travessia Manaus.” Nu maar hopen dat hij mijn letterlijk vertaalde zinnetje begrijpt en ik zo toch in Travessia Manaus beland. De chauffeur kantelt even zijn hoofd opzij met een bedenkelijke expressie op zijn gezicht en knikt dan. Hij draait zijn sleutel om in het contact en geeft gas.

In Hollywoodproducties heb ik veel taxichauffeurs gezien. Geen enkele van die bestuurders trekt ook maar in het minst op mijn bestuurder. Een uniek specimen is het. In de achteruitkijkspiegel lijken zijn ogen bijna gitzwart. De pupillen zijn amper te onderscheiden van zijn irissen, zo groot zijn ze. Zijn lange haar dat zijn gezicht omrandt, is in een soort carreetje gesneden. De kleur van zijn huid is zo vergelijkbaar met een lekkere café latte dat het mijn smaakpapillen in gang zet. Had ik maar wat meer gegeten op dat vliegtuig. Of beter nog : de Starbucks op de luchthaven een bezoekje gebracht. Want het eten was ronduit walgelijk. Gewoonweg niet binnen te krijgen. “Spaghetti Bolognèse” noemden ze dat. Het was eerder vergelijkbaar met een platgestapte moes van overrijpe groenten en slecht uitgekookte pasta. Dat is tenminste een vergelijking die mijn ogen en neus opmerkten want ik heb er allerminst van geproefd! Nu goed, de man voor mij is duidelijk een indiaan. Of heeft op zijn minst die genen. Hij behoort duidelijk niet meer tot een stam. Anders zou hij hier niet zijn. Wat me ook opvalt is zijn kledij. De eerste link die ik leg is Ocean eleven. Het uniform dat hij draagt is overduidelijk dat van een croupier. Een wit hemdje met daarboven een ondervestje dat je normalerwijze onder een vest draagt. Het vestje is knalrood. Ik kan nog net zien wat er in zwarte letters op zijn rechterborstkas gestikt is. MHC, Manaus Hotels & Casinos.

De link tussen een taxichauffeur en een croupier is me even bijster. Hoe hard ik er ook over nadenk, ik kan me geen logische verklaring bedenken. Bijjob? Ik open mijn mond om een te vissen naar zijn achtergrond. Bedenk me en haal eerst mijn dagboek en een pen te voorschijn. Ik heb me voorgenomen om al mijn vergaarde kennis op te schrijven. Terwijl ik mijn gedachten neerschrijf gaat de melodie van Iggy pops passenger door mijn hoofd. “I am the passenger and I ride and I ride. I ride through the city's backsides. I see …. “ eenwegbordje in mijn oogveld springen met daarop “010 Acoatiara”. Acoatiara? Geen flauw idee waar dat ligt. Maar één ding weet ik wel! Ik moet helemaal niet naar een andere stad. Met een ruk snok ik mijn rugzak van onder mijn stoel, trek de rits bijna stuk en roefel opnieuw in de rugzak tot ik mijn stafkaart van Brazilïe te pakken heb. Mijn bevende vinger gaat haastig over de vele steden die mijn ogen bijna weigeren te lezen. Opeens zie ik het. Ik moet helemaal niet naar Acoatiara! Dat ligt volledig de andere kant uit. Hij rijdt naar het Westen, terwijl ik naar het Zuiden moet. “Hey! Travessia Manaus is where I am headed. Where are you taking me?” De taxichauffeur zijn ogen blijven vooruit staren. “Hey!” Geen reactie. Mijn hart begint te bonzen. Mijn gedachten razen. Wat te doen? Ik staar naar de deur naast me. Ik ruk aan het portier. Op slot. Opnieuw probeer ik de aandacht van de quasi-indiaan te trekken. Totaal geen respons. Ik weet niet meer wat te doen. Ik begin in paniek naar de voorbij rijdende auto’s te zwaaien. Ze zwaaien terug. Ze zwaaien terug! De idioten. Zien ze dan niet dat ik panikeer en niet de stomme toerist uit hang. Mijn blik gaat opnieuw naar de chauffeur ik kan hem niet aanraken door het raampje dat ons scheidt, maar misschien helpt dit. Ik sla met alle kracht die ik in me heb op het raampje. Niets, nada, nopes. De rit gaat door. De man is zich van geen kwaad bewust. Zo lijkt het toch. Mijn uitbundige zwaaien, tieren, bonzen heeft zich vervangen door af en toe een angstige snik. Troostzoekend streel ik zachtjes over de dromenvanger. Tot ik lichtjes kalmeer. Mijn ademhaling wordt rustiger en mijn oogleden worden zwaar. Uitgeput val ik in slaap.

Ik ben terug. Terug in het mistige, drassige moeras. Niet opnieuw! De rillingen teisteren opnieuw mijn lichaam. Het herinnert zich beter dan ik hoe beangstigend onze vorige ervaring was op deze plek. Ik kijk even rondom me en merk recht voor me meteen de fluoriserende ogen op. Opnieuw een alligator? Hoe dan ook. Ze blijven op een afstand. Ik weet dat het niet verstandig is om een wild dier je rug toe te draaien, maar toch doe ik het. Ik wil zo snel mogelijk een grote afstand tussen mezelf en die ogen scheppen. Weg ermee! Opnieuw voel ik de huivering die door mijn lichaam. Ik krijg het er koud van terwijl de temperatuur zeker oploopt tot 35 graden Celcius. Ik haast me vooruit. Strompel door het lage struikgewas en hoop tegelijkertijd dat ik op geen insecten stoot ter grote van mijn eigen handen. Als er iets is waar ik een nog grondigere hekel aan heb dan fluoriserende, achtervolgende ogen dan zijn het dieren met een teveel aan poten. Noem maar op, het maakt niet uit wat, als het dier meer dan 4 poten heeft dan kan de gedachte alleen al me de stuipen op het lijf jagen. Nu ik het toch over de duivel heb, wil ik even verifiëren of hij me nog aan het bespieden is. Ik draai me stiekem half om en sta op slag stil. Ik loop hier naar mijn eigen tijdgevoel al een halfuur te ploeteren en die ogen zitten nog altijd op precies dezelfde afstand bij me vandaan. Hoe is het mogelijk? Wat kan ik doen om dat beest kwijt te geraken?

Opnieuw word ik uit mijn droom gerukt. De taxi is plotseling gestopt. Een gevoel van berusting gaat door me heen. Mijn luchtwegen staan weer wagenwijd open en de zuurstof die ik daardoor binnenkrijg geeft me een boost. Opgelucht kijk ik rondom me. De taxichauffeur kijkt geërgerd naar me terwijl hij met zijn wijsvinger op de taxiteller tikt. De rode digitale cijfers tekenen het getal 432. Wat? 432 real? Hoe is het mogelijk. Die idiote indiaan neemt me mee naar wie weet waar en ik moet betalen? Die man ziet het goed zitten. Ik tuur uit het taxiraampje en zie verschillende mensen rond de taxi lopen. Auto’s toeteren al. “Hoy! Or police.” Vult hij in gebrekkig Engels aan. Dit kan toch niet mogelijk zijn? De man wil werkelijk dat ik het geld ophoest. Moet ik het doen? Als ik betaal, ben ik tenminste van hem af. Ik neem dan gewoon een andere taxi. Terwijl ik naar mijn geld zoek slaat de twijfel toe. Moet ik zo gemakkelijk opgeven? Is dit het gedrag die mijn moeder me toont met haar moedige stap? Het is mijn schuld toch niet dat die man me duidelijk volledig verkeerd verstaan heeft? Hij zou beter eens langsgaan bij het brandweerdepartement! Niets van. Ik betaal niet! Op het moment dat ik dit besluit neem begint mijn hart als vanzelf te bonken. Het klopt zo hard in mijn oren dat ik de voorbijgangers op straat nauwelijks meer kan horen. Voorzichtig blijf ik veinzen op zoek te zijn naar het geld terwijl mijn actieplan bedenk. Ik werp een vlugge blik op mijn rechter zijdeur en zie dat het pinnetje al naar boven wijst. Het slot zal vast opengesprongen zijn bij het afzetten van zijn motor. Ik besluit het op een rennen te zetten. In één beweging scharrel ik mijn trekrugzak mee en gooi de deur open. Wat een geluk dat ik geen koffers bij me heb. Met een explosie van kracht duw ik mezelf af van de auto en probeer zo snel mogelijk bij de taxi vandaan te sprinten.

Uit mijn ooghoeken zie ik de man uit zijn auto strompelen en achter me aan komen. Eenmaal hij op zijn benen staat is hij verassend snel. Naarmate ik verder spurt raken mijn benen vermoeid en de chauffeur lijkt van dat verschijnsel geen last te hebben. In paniek speur ik de omgeving af. Wie kan me helpen? De paniek zinkt door in mijn benen en ik voel ze tegelijkertijd verstijven. Niet nu! Ik ben nooit geen hardloper geweest. Had ik vaderlief toch maar geloofd dat het in bepaalde situaties mijn leven zou kunnen redden. Had ik me toch maar ingeschreven in die vervloekte atletiekclub. Te laat daarvoor. Ik de gebouwen langs me voorbij gaan. Te langzaam. De man is nu minder dan 2 meter van me verwijderd. Hij roept me niet na. Wat me op zich al angst in boezemt. Blaffende honden bijten niet? Ha! Deze hier blaft niet.

Terwijl ik me steeds meer op de man achter me concentreer, verlies ik mijn vluchtweg uit het oog. Ik bots frontaal op een passant. Door de impact beland ik languit op het voetpad. Niet aarzelen nu. Ik probeer alweer recht te krabbelen als mijn arm wordt vastgegrepen. Nee! Wat nu? Verwilderd en tegelijkertijd bevend van angst kijk ik rondom me op zoek naar een mogelijkheid. Hé? Ik zie de taxichauffeur net zwaar ademend halt houden voor mijn neus. Wie? Het is de voorbijganger die mijn arm vastheeft. Hij draagt het uniform van een portier. Volgens zijn naamkaartje heet hij Juan Carlos. Achter hem rijst inderdaad een groot hotel op. El transeunte. De portier heeft een rond gezicht met grote bruine reeachtige ogen. Het boezemt me vertrouwen in. En ik denk dat mijn intuïtie gelijk heeft want zijn houding veranderd van vertrouwenspersoon naar buitenwipper als hij de chauffeur in zich opneemt.

“Whatstheproblem?” euh…? Hij spreekt de woorden zo snel na elkaar uit dat ik er eigenlijk weinig of niets uit kan opmaken. Spaans? Engels? “What the problem?” Herhaalt hij. Hoorbaar laat ik een zucht van verlichting horen. Misschien kan deze man me toch helpen? Ik leg hem het hele verhaal uit. Dit is niet de plaats waar ik hoor te zijn! Charlie hoort mijn verhaal geduldig aan. Het moet wel snel gaan want een eind verder hoor ik het claxoneren van de auto’s steeds luidruchtiger en agressiever worden. Straks wordt er eentje zo kwaad dat hij woest naar ons toe stapt. Tegenwoordig weet je trouwens nooit wat ze op zak hebben. Een kettingzaag? Brr een rilling doorkruist mijn lichaam. Juan interpreteert mijn zichtbare rilling voor angst van de chauffeur en vat de koe bij de horens.

Hij begint een zachtaardige monoloog met de duidelijk gestoorde chauffeur. De monoloog houdt aan. In het begin hoor ik nog af en toe vragende pauzes afkomstig van Juan maar hij geeft het snel op. Uiteindelijk hoor ik dat zijn stem een strenge naklank krijgt. Juan maakt ook een wuivend gebaar waarvan de minachting afdruipt. Meneer vertrouwenspersoon is absoluut vervangen door de held van de dag. Een triomfantelijk gevoel glijdt door mijn lichaam en ik voel dat een glimlach mijn gezicht in tweeën splijt. Gelukt! De bestuurder haalt zijn schouders op en druipt het af. Ik wil Juan omhelzen van geluk! Ik temper mijn uitbundige reactie en geef hem een hartverwarmende glimlach in de plaats. Je weet maar nooit. Ik wil geen twee keer op dezelfde dag in de problemen geraken met deze Braziliaanse mannen.

Juan beantwoord mijn glimlach. Terwijl hij met zijn hand hoog in de lucht wuift, voegt hij eraan toe “ Watch out. Many brazil people addicted.” Ik frons even. Hij probeert zichzelf te verduidelijken “Drugs. Addict.” Het verkeer voor ons rijdt ondertussen alweer vlotjes door. De verslaafde taxichauffeur zal de weg terug gevonden hebben naar zijn auto. Een andere taxi, geroepen door Juan, stopt voor de stoep. Juan Carlos tuurt even bedachtzaam naar het gezicht van deze bestuurder. En knikt uiteindelijk. “Travessia Manaus.” Hij geeft me nog een toegeeflijk glimlachje en buigt zachtjes. En weg ben ik.

Geraakt door deze tekst? Maak het hartje rood of deel de woorden met je vrienden.

Zo geef je mee een stem aan de woorden van deze schrijver.

31 okt 2013 · 0 keer gelezen · 0 keer geliket