Ineens zit je daar voor me.
Alsof ik je niet zag.
Alsof ik de andere kant op keek.
Alsof het ’s nachts gebeurde, ineens….
Ineens zie je er anders uit dan je was. Je klinkt anders.
Je voelt verschillend aan en ik heb het verschil niet zien komen, het stond daar opeens.
Ook je geur is veranderd.
Het is alsof ik je voor het eerst tegen kom, alsof al die verschillen en veranderingen me nu van op een afstand laten kijken, doen bekijken, een apart en nieuw geheel laten zien dat voorheen zo vertrouwd was, misschien te dicht bij stond om echt te kunnen zien.
Lieve jongste zoon van mij, er zit een man in jou te groeien.
Het is verrassend dat te zien en te zien wat het doet met jou.
En ook met mij.
Hoe wij een ander wij zijn nu jij meer jij wordt.
Ik dacht zelfs even dat er bezoek was toen ik op het nippertje werd tegengehouden door de weerklank van een onbekende stem. Anders was ik zo maar sportief geslipt door de huiskamer gehuppeld. Jij was het. Ik had je stem niet herkend.
Jij hebt jezelf uitgenodigd in mijn leven. Er was geen plan.
Maar je kwam.
Onze eerste nacht samen… ik weet er nog alles van.
Mijn lijf was uitgeput. Je lag in een glazen bedje naast me. Mijn ogen wilden zich niet sluiten, al schreeuwde mijn lichaam om slaap.
Ze moesten zien wie je was.
Het leek er zelfs op dat jij al kon zien, zo alert en toch rustig lag je daar, oogjes open en op je hoofdje duizenden haarfijne potloodlijntjes.
En ik die zo vaak had gefantaseerd wat ik allemaal met jou zou doen…. waar ik nooit aan dacht is wat jij met mij zou doen. Hoe je mij zou impregneren met liefde en zorg en verantwoordelijkheid, met onwerkelijk grote vreugde, intensiteit en trots.
Het begon al daar, die eerste nacht, dat we er waren met elkaar.
De tijd bracht je naar volwassenheid.
Wij zijn samen door het leven gegroeid.
We hebben elkaar leren kennen, opgevoed, bijgeschaafd, meegemaakt.
Je klamme kinderhand zal de mijne niet meer zoeken, je zal me niet meer roepen als het onweert. Je zal me, zittend op het aanrecht in de keuken, niet meer omhelzen en zeggen dat ik naar zomer ruik.
‘Hoe ruikt dat dan?’
‘Goed’
We maken geen sneeuwmannen meer en verzinnen niet langer verhalen terwijl we voor de wasmachinetrommel wachten tot je knuffel is uitgezwierd.
We hebben samen geruzied en gereisd, in dubbele sprakeloosheid Auschwitz bezocht. Ik heb je hart zien breken toen zij het uitmaakte en het aan jou moeten overlaten om het te helen.
Ik zie wat het leven met jou doet en jij met het leven.
Jij zal morgen komen, jij zal er zijn.
Het is moeder’s dag.
Ik zal naar je opkijken en beseffen hoe ik me kleiner voel en ouder en de jeugd van jou is en jij groter en sterker en bijna slimmer (grapjeuh!) bent dan ik.
Jij zal een kadootje meebrengen.
Al ben je dat zelf.