4
Klokslag zeven uur stond hij voor de glazen pui van het gebouw. Even later stapte John uit de lift en kwam naar de uitgang. “Goed je weer te zien, Lars. Hoe gaat het?”
“Zoals ik je schreef, het kan beter.”
“Laten we direct gaan eten, ik weet een goed Japans restaurant in de buurt. Over anderhalf uur moet ik terug zijn op kantoor.”
“Ga je hierna weer aan het werk?” vroeg Lars verbaasd.
“Ik moet wel, het is vreselijk druk. Tegenwoordig ben ik elke avond aan het werk, zelfs op zaterdag.”
Het restaurant was gevestigd aan 51st street, ruim opgezet met louter Japanse gasten. De toegewezen tafel naast de deur was niet wat John voor ogen had. In vloeiend Japans sprak hij de gastvrouw aan, met als gevolg dat er snel een betere plek werd aangeboden. Lars glimlachte, dat gedoe had hij vaker meegemaakt. Altijd was er wel een issue en altijd wist John de aandacht op zich te vestigen. Wellicht omdat hij iets luider sprak dan de gemiddelde Amerikaan, licht raspend met dat typisch New Yorkse accent. Hij wenkte de serveerster en schakelde over op het Japans. Even later werden er een schaaltje edemame, sake en twee glazen water geserveerd. Lars keek naar zijn kameraad die zich direct op de sojaboontjes stortte en ondertussen de Nederlandse politiek ter sprake bracht. Zelfs in Amerika hield John zich op de hoogte door regelmatig de website van NRC Handelsblad te lezen. Het laatste restje haar dat hij nog had, was gemillimeterd. Ze waren even oud, achter in de veertig. Buiten zijn nagenoeg kale hoofd en grijs haar vertoonde John nog geen trekken van ouderdom. Slank van postuur en een glad bijna jongensachtig gezicht. Anders dan ik, dacht Lars, met wallen onder mijn ogen en een beginnend buikje. Alsof John zijn gedachten kon lezen, vroeg hij plots: “Hoe kan het dat jij al je haar nog hebt?”
“De genen van mijn opa. Die was op zijn zeventigste nog niet kaal.”
“Lucky man,” zei John terwijl hij een slok water nam.
“Valt wel mee, ik heb geen cent te makken. Dit jaar...”
“Gelul,” riep John, “je hebt al jaren een eigen bedrijf, je kan je een trip naar New York veroorloven.”
“Dat is het ’m nou juist. De zaak loopt voor geen meter. Het is al september en ik heb nog geen zesduizend euro omzet. Twee keer per week moet ik bijklussen als koerier voor DHL.”
“Maar wel even naar New York.”
“Betaald met mijn credit card, de klap komt later,” zuchtte Lars.
John zweeg en gooide een boontje terug in het schaaltje. “Weet je, ik ben blij dat ik drie jaar geleden ben teruggegaan naar de States.”
“Alsof het hier zo goed gaat.”
Hij fronste zijn wenkbrauwen: “You know Lars...” Als hij zo van wal stak dan volgde er een betoog. Minutenlang zou John aan het woord zijn en uitleggen dat, in dit geval, Amerika zich veel beter door de crisis sloeg dan Europa. De kans werd hem ontnomen door de serveerster die de bestelling kwam opnemen. Zonder de menukaart te bekijken, somde John een aantal gerechten op. De jonge dame noteerde het vluchtig en verdween geruisloos.
“Nice face but a little too skinny.” Geen enkele vrouw ontsnapte aan zijn oordeel.
“Hoe gaat het met Majimi?”
“We zien elkaar nauwelijks, maar ze is goed voor me. Beter dan mijn ex in elk geval. Hoe gaat het met jouw gezin eigenlijk?”
Lars pakte zijn telefoon en toonde foto's van zijn dochtertje.
John glimlachte: “Hoe oud is ze is nu?”
“Zeven. De tijd vliegt.”
“Waar blijft nummer twee?”
“We zouden wel willen, maar je hebt geen idee wat een kind kost.”
“Elena studeert nog steeds?”
“Yep, ze is zelfs aan een nieuwe studie begonnen. Rechten, dat brengt dus ook niks in het laatje.”
John tikte met zijn vinger op de tafel. “She will, in time.”
“Weet ik, alleen heb ik daar nu geen zak aan. Het water staat me tot aan de lippen.”
“...tot aan mijn lippen,” herhaalde John. “Waarom zit het Nederlands vol met vreemde uitdrukkingen en gezegden.”
“The ship is going down, John, om het in het Engels te houden.”
“Cut the crap, Lars. You are here on a mission.”
“Ik weet het, maar als het met die app niet lukt dan ben ik echt de lul.” Lars pakte een kannetje sake en schonk voor beiden in. De serveerster kwam na enkele minuten met de eerste gerechten. Met stokjes eten was geen probleem voor hem, een gegrilde vis fileren met dat gereedschap was van een andere orde. Zijn vriend had het vel teruggeslagen en gebruikte zijn gerei om stukjes vis van het kraakbeen te scheiden.
“Dus morgen ga je naar MobileWeek?” vroeg John.
“Daar moet het gebeuren.” Hij pakte zijn iPhone en liet een paar afbeeldingen zien van de app.
“WordSnake heet het, toch?”
“Ja, een wordgame. Het idee is om een nieuw woord te maken beginnend met de laatste letter van je tegenspeler. Je hebt de keuze uit tien willekeurig gekozen letters. Het heeft iets weg van Scrabble. De puntentelling is hetzelfde. Dus hoe langer het woord, hoe meer punten. Vorm je een woord van zes letters dan verdubbelt de woordwaarde, bij zeven letters drie maal, acht vier maal, en zo verder.”
“Looks nice, dude.”
Lars glimlachte. Voordat hij naar New York was vertrokken had hij een flow chart gemaakt van het spel en ter illustratie een aantal photoshop bestanden. Het enige wat nog ontbrak was een non-disclosure agreement.
“Ik heb een nda voor je opgesteld,” zei John. Uit zijn binnenzak pakte hij een envelop en haalde er een gevouwen vel papier uit. “Alles staat op één blad, makkelijk als je het moet printen of kopiëren.” Hij wees op verschillende open regels. “Jij tekent onder Discloser, degene met je wie onderhandelt onder Participant. Laat die persoon zo veel mogelijk gegevens van zichzelf invullen. En vergeet de datum niet.”
“Dus dit moet genoeg zijn?”
John nam een slok water. “Een nda waarborgt geheimhouding, maar in de praktijk valt dat tegen.”
“Dan heb ik er weinig aan.”
“Juridisch ben je gedekt natuurlijk. Het is meer om aan te geven dat men niet met een sukkel te maken heeft.”
Lars schoot in de lach. “Tuurlijk.”
“Het staat ook als pdf-bestand in je mailbox.”
“Cool.”
De serveerster zette twee houten plateau’s rauwe vis op tafel. Met een lichte buiging zei ze iets wat John wederom leek te negeren. Hij deed zijn handen uiteen: “Sashimi Maguro. Zowel Chu-toro als O-toro en Akami natuurlijk.”
“Mijn Japans is niet meer wat het geweest is, John.”
“Come on, man. You know this. Tuna, the best parts of it.”
“Wat zei die serveerster nou eigenlijk?”
“Het spijt me dat u zo lang heeft moeten wachten.”
“Wachten? We hebben net de yellow tail achter de kiezen.”
“Dat zeggen ze altijd bij het hoofdgerecht.”
De serveerster bracht even later twee kommetjes rijst ter completering van de maaltijd.
“Heb je plannen voor vanavond?” vroeg John.
“Geen idee, misschien kunnen we nog ergens een biertje drinken.”
“Helaas, ik was al blij er even tussenuit te kunnen.” Hij tilde het deksel van zijn kommetje op. Bovenop de dampende rijst lag een rauwe eierdooier. “Nice. Tegenwoordig hoef ik er niet meer om te vragen.”
Lars wilde nog wat sake inschenken. “Dat spul verdampt veel te snel,” zei hij en keek om zich heen of een serveerster hem in de gaten had. John knikte kort met zijn hoofd in de richting van de keuken. Direct kwam een dame aangesneld en posteerde zich voor de tafel. Na een kort ‘Hai’ verdween ze weer. Met jaloersmakend gemak schakelde John van het Engels naar het Japans en terug naar het Nederlands. “Japanse serveersters staan ietsje verder van de tafel af dan hun westerse collega’s. Ze zijn beleefder en lopen niet te eh.. how did you call that, pezen voor hun fooi.”
“Haagse straattaal, John. Dat je dat nog weet.”
“De jongens op kantoor vonden het leuk om zo nu en dan plat Haags te praten.”
Hij volgde het voorbeeld van zijn vriend en roerde de eierdooier door de rijst. De sake werd geserveerd, waarop John het kannetje pakte en alleen Lars’ cupje inschonk. Deze sloeg het direct achterover.
“Bijna drie jaar heb je toch in Japan gewoond?”
“Klopt. ”
“En dan ontmoet je het meisje van je dromen. Waarom ben je daar niet gebleven?”
“Na mijn studie kon ik geen werk vinden, dus zijn we uiteindelijk naar the States gegaan.”
Toen hij voor beiden sake wilde inschenken, hield John zijn hand boven het cupje.
“Wil je echt niet meer?”
“Ik moet zo meteen weer aan het werk.” Hij leunde achterover en legde zijn handen in zijn nek. “Waarom ga je vanavond niet naar Provoc in het meatpacking district? Kan interessant zijn voor je. Er lopen genoeg dudes rond die in de mobile industry zitten.”
“Wat is dat voor tent?
“Cool en hip.”
“Waar zit het precies?”
“Ik schrijf het op.” Hij pakte een visitekaartje uit zijn zak en schreef het adres op de achterkant. “Een van de security guys ken ik goed. Koreaan van origine, klein van stuk, but very tough. Geef hem dit kaartje en hij laat je binnen. Ik ga ervan uit dat hij werkt vanavond, maar de zaak gaat pas om elf uur open.”
Lars bekeek het kaartje. Onder het adres stond: ‘Thx, John’