Hij ontwaakte met luid gebonk in zijn hoofd en de eerste gedachte die bij hem opkwam was er een van pijn. In een reflex legde hij beide handen beschermend op zijn oren. Zijn vingers wisten zijn oorlellen onmiddellijk te vinden, geroutineerd als ze waren om schade tot een minimum te beperken. Of schande, hij kende niet zo goed het verschil.
Niet dat hij veel klappen verdiende, absoluut niet, hij was een gehoorzaam kind, hij kende zijn plaats, meestal een klein hoekje ergens achterin. De kans om niet gezien te worden was immers het grootst als hij zichzelf tot een minimum herleidde.
Geslagen worden was eerder het toevallig gevolg van een kortsluiting tussen twee mensen. En meestal stond Jordy daar, met de verkeerde genen van zijn vader, wat ongelukkig tussenin.
Zijn vader, Danny Dingens, een ziekelijke mens, een sloef, een onnozelaar, een stom varken, een voetveeg, een vent zonder smaak, een lelijk mens, een man zonder ballen.
Zo leerde Jordy zijn vader kennen door de ogen van zijn moeder. In zijn vaders blauwe ogen zag Jordy een wijde vredige zee, donkere schaduwen in het buitenste deel van de irissen en hoopjes vrolijk licht in het midden. Jordy vond troost in zijn vaders ogen, voor elk stukje verdriet vond hij wel een strook verlichting. En zoals elk kind ontving Jordy wat hij voorgeschoteld kreeg, een boterham, een knuffel, een verhuis, een sterfgeval, een klap. Het leven raakte hem zonder veel woorden. Een moeilijke start voor een leven in kinderschoenen.
Sentimentele praatjes had zijn moeder zich nooit gepermitteerd, gesprekken moesten altijd ergens toe leiden, alleen was het soms moeilijk te weten tot wat of tot wat niet. Ergens zomaar woorden aan vuil maken deed zijn moeder niet, haar taal kwam, vooral als ze een discussie met zijn vader had, recht uit een woordenboek vuilbekkerij. En alles wat Jordy tot hier toe over het leven wist, was wat hij thuis had opgestoken en dat was niet zo veel. Zijn korte leven beperkte zich tot de plek waar hij woonde. Eerder zelden kwam hij de deur uit, eens per week mee naar de winkel, af en toe naar de frituur, een zeldzame keer naar het speelplein in het park.
Het adres van de familie Dingens veranderde geregeld, maar dat maakte weinig verschil, het interieur verhuisde gewoon mee met de drie vaste bewoners, zodat een andere locatie altijd minder opviel dan dat saaie alledaagse leven dat een eentonig spoor door Jordy’s leven trok. Zo at hij al zes jaar aan dezelfde kleine wankele tafel, met het bebloemde tafelzeil waarvan de afhangende randen kleurrijker waren dan de tulpen op het tafelblad.
Jordy had de leeftijd waarop de dingen er gewoon zijn en feiten mekaar opvolgen, onafwendbaar en onherroepelijk, voorvalletjes waar zijn moeder haar handen aan vol had. Zo zei ze toch. En terwijl de levens van anderen voortkabbelden onder fonkelende sterren, leek de levenswandel van de familie Dingens meer op een gammele pelgrimstocht tussen verdrietige stoplichten.
Jordy’s moeder wilde hem klaarstomen om de wrede klappen van het leven op te vangen, daarom asfalteerde ze zijn huid met laagjes geestelijk eelt. Ze dacht dat dit het beste was voor haar zoon, beter dan alles wat zij, als kind, ooit had gekregen. Warmte zou hem week maken of zwak, daarom schonk zij haar liefde uit in een ijskoude beker.
Die dag in september was het gebonk geen klap, het was het stommelen van zijn moeder in de kleine keuken van hun nieuwe appartement.
‘Verdomme’, kletterde ze met luide stem en rammelend metaal, ‘ik kan niks terugvinden.’
‘Opstaan. Jordy. Je moet naar school. Uit je nest’.
En nog voor zijn moeder zijn kamer bereikte, stond Jordy al in de badkamer, plaste in de grauwe toiletpot en zag dan dat er nieuwe kleren voor hem klaarlagen. Dit vervulde hem met een lichte blijdschap.
In de keuken had zijn moeder ondertussen een mes in een van de dozen gevonden en smeerde twee sandwiches met hesp, voor in zijn nieuwe brooddoos.
Tot enkele dagen geleden was het meestal zijn vader die zijn boterhammen klaarmaakte. Daar dacht Jordy aan en hij voelde zich woordeloos verdrietig.
Hij wist niet waar zijn vader was nu, hij leek opgelost in de duisternis van verloren dingen, meegenomen door een man die hij niet had gezien.
Tien avonden was zijn vader al niet meer op zijn bed komen zitten en elke nacht had Jordy één vinger meer geplooid. Zijn vingers waren op nu en zijn vader was nog altijd niet terug. Hij dacht aan hem, hoe hij met zijn linkerhand aan de punt van zijn snor draaide, hoe hij met zijn rechterhand een kruisje met ‘goedenacht’ op zijn voorhoofd aaide. Hij zag hem rondlopen in de tuin, zijn handen in zijn zakken, de armen een beetje wijd, net of er in die tussenruimte nog iets te dragen viel. Vaak keken zijn vader en hij troostend naar elkaar als hetzelfde verdriet veroorzaakt door dezelfde vrouw een van beiden te beurt viel. Haar blik vol opgehoopte woede had dezelfde sporen op hun gezichten nagelaten, rimpels vol onmacht bij de vader, fronsen van angst bij de zoon en in die stille afstand tussen beiden vonden hun ogen elkaar, twee vertrapte mannen, twee verbleekte persoonlijkheden, twee uitmuntende zwijgers. Zijn vader keek altijd wijselijk naar de tuin in de verte, naar een hoger doel dat Jordy niet kon zien.
Jordy hield van die zwijgzame vader en zijn vader hield van hem. Waar hij aan de liefde van zijn moeder vaak twijfelde, stond die van zijn vader als een paal boven het troebele water waarin hij de rondjes van zijn kinderjaren zwom.
Maar zijn vader was weg en met het tellen van de dagen begon zijn beeld al stilletjes te vervagen.
De begrafenis was op een vrijdag, de verhuis op een zaterdag, er volgde een saaie rommelige zondag en op maandag moest hij naar school.
Jordy duizelde van deze veranderingen, die anders waren dan de vorige, akeliger en stiller en ijzingwekkend somber. Hij durfde niets vragen over zijn papa. Sinds de dood hem was komen halen, had Jordy zijn vader niet meer gezien. Ook de dood was hij niet tegengekomen, toen hij om zijn vader kwam. Jordy was nochtans thuis, hij keek tv, heel erg lang. Vader was achter in de tuin, bij het hout of bij zijn oude Mazda. Moest Jordy die dag met de dood kunnen overdoen, dan was hij bij zijn vader gebleven, de hele namiddag lang.
Dan had hij de dood zeker gezien, daar bij zijn vader, en wat die met zijn vader had gedaan. De dood was vast heel stil geweest en de tv stond luid. Moeder zeurde ook altijd dat hij het geluid veel te hard zette en toen ze die dag thuiskwam, was ze daar boos om, en ook om de kruimels en de rommel. Ze was naar buiten gelopen met van die stappen, veel te groot voor een kleine tuin en ze opende de piepende deur van de garage en haar stem werd hoog en anders, precies of ze zong maar dat deed ze nooit. Dus ging hij aan het raam staan en zag zijn papa, naast de auto. Er was wat met zijn hoofd, blauwig en zo scheef en zijn blik, vooral die blik. En dat touw, dat touw waarmee zijn vader bomen neerhaalde, dat was er ook, tot op de grond. En toen zag hij zijn papa’s broek. Hij keek ernaar, naar de donkere vlek die tot aan de knie van zijn rechterbroekspijp reikte. Hij was verbijsterd, geschokt. Vader had in zijn broek geplast en dat mag niet als je al groot bent.