Ze wacht
met open ogen
waarin de nacht gretig zand strooit,
haar bed,
een eiland zonder anker,
verdwijnt
voor het geboren wordt.
Hij komt, graaiend,
een glazen scheepsbel in de hand,
doden op weg naar morgen drijven
in zijn voetsporen.
Ze wacht,
de vissersdochter zonder ruggengraat.
Hij loeit om haar lichaam,
geselt haar
om haar zoute tranen
en verbrijzelt haar afbrokkelend korset,
een orkest zonder dirigent
genadeloos als het laatste oordeel.
Hou je vluchtkleren aan,
het water beukt en kolkt
verlangt naar meer slachtoffers
meer angst
meer pijn
meer verlangen.
Sapienta, geef de nacht geen extra armen,
strooi herinneringen voor morgen in die lege ogen.
Zij
wacht.
TESTEREP SPETTERE