Mijn lijf ligt bij het grofvuil. Onhoorbaar schreeuw ik alleen in het donker. Bonte kleuren zijn vaalgrijs en mooie klanken doofstom. Mijn woorden onverstaanbaar. En ik hoop. Op genezing. Op dragelijke pijn.
De sluwe koning Sisyfus hield van het leven, maar daagde de Goden uit. Als straf moest hij oneindig een rotsblok de berg opduwen. Mijn rotsblok is een lepel rijstepap. Ik doe verdomd hard mijn best om die naar mijn mond te slepen.
‘Rust nu maar. We zorgen goed voor elkaar. We zien jou graag.’ Onbeholpen nemen geliefden afscheid van de man die ik was. 'Nee, geef me niet op,' schreeuw ik hen toe.
Cinema brengt mijn verwarde geest tot rust. Ik zie. Gierende koters – mijn broers in een zalige jeugd vol kattenkwaad - die achterna gezeten worden door een boze boer. Flits. Ik voel. De eerste kus die Josefientje op mijn mond drukt. Flits. De engel Abaddon opent met zijn sleutel de afgrond en spreidt zijn vleugels.
Een klein zuchtje. Het is mooi geweest.