Lezen

In het bos van Oeterwaele

    Koning Frost is een hufter en hij weet het. Het is hier rustig in het bos van Oeterwaele. Het geurt naar den, naar prikkelende moed. Katja heeft sandalen voor het zachtste strand. In wit ondergoed loopt ze over al die naalden naar de beek. De fakir zit in het brandpunt van de ochtendzon. Hij speelt er met het vuur waarmee Tanguy de onschuld straks in vlammen zet. Tanguy moet ver weg blijven. Uit onze gedachten. Katja's ogen zijn al minder blauw en als ze terugkomt van de Oeterwaelse Kreek, sijpelen kwieke druppels van haar kin. Alles is om op te vangen. Vallende nachtvlinders, zonnestralen die zich door de kruinen wagen en Katja wil weldra in mijn armen liggen. Ik hoop het en zo mag het worden. Zo mag het elke dag zijn. En toch. Voor je het weet, slaapt er een grauwe hemel aan je voeten, staat de lochting weer eens vol met zurkel. Ook het mos groeit sneller dan je denkt. Het vult al rap je longen. Gauw ben je gestikt. Op een lichtgroen bedje kom je dan te liggen, dood en uitgeleefd, tenzij je azijn bent blijven drinken. Met regelmaat, af en toe een slok en hey! Ik ben niet meer bang, juicht het eekhoorntje. Het staat op zijn achterpootjes, lust de brokken brood. Katja wil dat ik morgen bakker word. Voor de beestjes in dit woud, voor de honger van haar tederheid, de kriebels in haar buik. Of om harde korsten naar de kop van Koning Frost te gooien, zeg ik. Staat er hier een ijscoventer achter elke stam? Katja tilt de schouders op en ze hoeft het niet te weten, dat ik hem meermaals uitschold aan de telefoon, dat ik naar die Roi Gelé gejouwd heb dat ik geen diepvriezer heb, dat hij aan het Zuidervaartje moet zijn, bij Tanguy. Die heeft een ijskast voor wel zeven lijken. Katja lacht altijd, als ik vertel over de Koningen van het Leefbeterland. Die met hun winkeltjes, met hun camionetten vol sausijzen, bitterballen, ham en burgers voor alle bewoners van de Kwik-en-Flupkestraat. Het vlees zit vast, verkleumd in zakjes, erwten, spruiten heel dicht bij elkaar. Likkedingen zijn er voor het kind en ik doe een ijskardeuntje na. Noëlla aan de tennisclub. Eén hoorntje, drie bollen en ze plakt er aan de zijkant nog een joekel van een hostie tegenaan. Tegen het vallen, tegen het wegglijden. Het is glad op de stam van de omgevallen beuk. Ik houd Katja vast, steun haar billen, geef een hand. Hier smelt de tijd bijna. Toch woont er in dit bos geen Salvador Dali. De dieren leven heel gewoon. De langpootmuggen blijven ongeschilderd en er rijdt geen onraad op de rug van onze pony. Sjamajee en Sarie Marais. Ek weet niet hoekom daar 'n lied uit Suid-Afrika in my ore lui. Stil! Want alle bevers hebben hier een ukulele. Dit moet wel een sprookje zijn. Alle blauw is verdwenen uit het gezicht van Katja. Alle vorst in mijn hart is gedooid. Ik denk dat ik nu echt alles gevonden heb, het bos van Oeterwaele, weerklank van een eeuwigfrisse dauw en die berusting, Katja is voorgoed van mij en ik voel het. Ik ben. Dat zerp verleden kwijt.     uit 'Residu', door Betty verzameld uit de nalatenschap van Bernd Vanderbilt

Bernd Vanderbilt
4 0

Méhari

    Méhari zou een Armeens geitenras kunnen zijn, maar dat is het bij lange niet. Het autootje van Katja staat gereed. Het is een geinig karretje en ik weet dat het veert als een dronken waterbed. We zullen vertrekken. Zonneogen durven immers aan de noordkant bloeien, zelfs in de schaduw van gisteren en Tanguy is weg. Hij is op zakenreis, de levereter, hij wil aan zijdeboeren reut, azijn en glinstering verkopen, ginds ver weg, in dorpen waar de muren mat zijn en het fruit te zoet. Daar in kelders vol konfijt en zuiverheid worden meisjes opgesloten, maar Tanguy, het is een leperik. Hij zal ze uit hun hol lokken. Met geuren van kaneelroos en de zwoele meug. Hij moet, hij zal ze naaien, slagen, één voor één. Het is een zwijn dat truffels ruikt in onderbroeken van de groene jeugd. Katja ademt weer, schudt zich de polsen los. Ze start, ze stuurt haar Méhari de fraaie wereld in. Geluk nog dat haar krullen alle bochten kennen en de bergpas zal ons straks vertellen hoeveel ijle lucht van diepzeeduiken houdt. Zo rekken de uren. De gesprekken die we voeren, zijn zo vol van zachte onzin en ik voel het zinderen wanneer ze proeft. Mijn merg is het, dat ze raken kan met het puntje van haar tong, terwijl we daar staan, ergens op een parking en je kan er tanken. Super, diesel, antigel en tijdverlies. Shell is niet altijd een schelp. Maar zonder twijfel, Katja blijft een parel. Haast onvindbaar, bijster schaars zijn zielen van die aard en als je naar de glans van liefde zoekt, word je verzengd door zon, ellendig ver. Zo is het. We kunnen een lang broodje kopen. Met twee uiteindes. Morgen, vroeg en elders, als de zon weer honger krijgt. We zijn het eens en wachten kan. Ik streel haar toch. Niemand weet waar en Katja fluistert dat, als ik ooit een wortel weggeef aan een link konijn, ik ijlings blind word van verlangen. We zijn nog lang niet in het bos van Oeterwale. Ik wil rusten in haar lies. De einder bloedt reeds als een ondergang en we willen het echt. Straks. Als twee domme herdertjes, samen sterren tellen en intussen maar beweren dat we nog het meest van beukennootjes houden. Soms zijn ze leeg en het is de Méhari. Het ding stopt. Om zich de banden schoon te likken. Nacht wil het worden. Ik wrijf over wangen die inslapen, pluk een wimper. Ik berg ze op, in het handschoenkastje, een schaduw die geen zwarte bodem vond, twee doofstomme echo's en geitjes, alsjeblieft, wees stil! Mijn Katja slaapt. Ik ben te moe. Om volle dagen leeg te melken.     uit 'Residu', door Betty verzameld uit de nalatenschap van Bernd Vanderbilt  

Bernd Vanderbilt
2 0

Doe-het-zelf Noël De Beule

    Alle bomen langs de wegen zijn verminkt. De onderste en zelfs de hogere zijtakken, alles afgezaagd, tot op een metertje of vier. Voor de kamions. Meest nog lijden beuken. Ze zijn hun rokken kwijt. De schors barst in de zon. Langs de Gulden Vlieslaan zijn ze allemaal gerooid. Nonkel Noël heeft daar zijn doe-het-zelfzaak en het asfalt wordt vernieuwd. De rainuren zijn te diep geworden. Alles smelt in juli en Tanguy heb ik uit zijn villa gesleept. Plakband rond zijn enkels, rond zijn polsen. Zijn muil is dichtgeplakt, zijn kop slaagt rood. Touw heb ik gebruikt. Een meter of vijf aan zijn polsen, evenveel aan zijn voeten en hij staat er, de pletwals. De sleutel steekt altijd onder de motorkap. Dat weet je. De koorden zijn lang genoeg om gans de baan te overspannen. Hij ligt daar, opgespannen tussen twee lantaarnpalen, Tanguy, directeur van een azijnfabriek. Enkel nog de schemer twijfelt, tussen grijs en zwart. Ik niet meer. Ik start. Ik rijd. Ik hoor de keien kraken, voel de walsen rollen in de richting van zijn lijf. Het wordt de oude kerselaar die straks een donkerpaarse vlek onder zijn kruin moet dulden. Waarom? Omdat het moet en ik doe het in twee keer. Zijn kop, zijn romp, die zal ik sparen. Ik rijd hem eerst de armen af en dan zijn benen plat. Ik fluister daarna zachtjes in zijn oor. Tanguy, mijn vriend, kijk goed. Zie je handen rusten, hoe ze onbewogen aan het asfalt kleven. Weet waarom de eksters komen. Gauw loeien sirenes. Voor een koppel platgereden egels en ze komt een kijkje nemen, Katja? Neen. Helaas nooit meer. Toch zie ik haar blik. Een schijnsel op het water. Schat, waar is het zakje brood? Ze willen zelfs de droge kortsen van de dood. Hoor hoe koleriek ze kwetteren die zwanen en ik stap, voorbij nonkel Noël, allangs zijn doe-het-zelf. Morgen is hij open. Extra lang. Voor aceton, een fles wc-azijn, twee bijltjes of een zak cement.     uit 'Residu', door Betty verzameld uit de nalatenschap van Bernd Vanderbilt

Bernd Vanderbilt
11 0

Koning Kikker

De koning stapte zonder hulp van zijn lijfwachten de vergulde sierkoets uit. De stromende regen had van de boulevard een bruine rivier gemaakt. Duizenden kikkers sprongen op en neer uit de kolkende modder. De zichtbaar heldhaftige vorst sloeg helpende handen om zich heen weg en gebaarde geen paraplu of regenjas nodig te hebben. De afstand tussen de sierkoets, die ondertussen al een meter of tien was weggedragen door de modderstroom, en het podium bedroeg zo’n slordige honderd meter. Met zijn onderlichaam volledig verdwenen in de modderstroom, baande hij zich met de grootste moeite naar de overkant. Honderden kikkers sprongen rond hem heen; in zijn nek, over zijn schouders en tegen zijn kruis, maar de koning wou niet weten van opgeven. Half kruipend worstelde hij zich op het podium waar de pers gestationeerd stond in groepjes van twee. Een blonde stagiaire, die overigens totaal niet gekleed was op dit soort evenementen, duwde trillend en rood van opwinding een microfoon onder de vorst zijn lippen. „Sire! Hoe gaat het met u? Waarom stond u er op de oversteek alleen te maken?“ Het antwoord werd genadeloos overstemt door een donderslag van jewelste. Een leger aan lijfwachten stormde het podium op en hesen hun koning als een verslagen soldaat op een volledig uitklapbare troon uit 19e eeuws houtsnijwerk en zitkussentjes in fluweel. De blonde stagiaire, die er niet alleen belabberd bij liep maar ook nog eens geen Frans kon, stelde wederom dezelfde vraag. „Omdat ik koning ben,“ zei de koning. Het publiek begreep er geen snars van en doorheen het geklater van de regen kon je een speld horen vallen. Uit het borstzakje van zijn pak nam hij met de grootste voorzichtigheid een verschrompeld kikkerlichaampje tevoorschijn. Hij nam het diertje bij de voorpootjes en hield het met uitgestrekte armen voor zich uit. „Ziet u dit?“ riep hij met een gebroken stem. „Dit is mijn lichaam dat voor u -,“ Quinten zapte zuchtend aan sneltempo verder. „Wat de fuck was dat eigenlijk?“ Hij grabbelde een zacht kikkertje uit de snoepzak. Katrien lag languit op de zetel en antwoordde ongeïnteresseerd vanachter haar smartphone. „Geen idee, die kikkers waren best wel schattig.“

Raphaël Aziza
6 1
Tip

Sanguisorba

    Ik zou U meerdere misdaden kunnen bekennen. Echte. Voor de geloofwaardigheid van het verhaal. Mijn jeugd was medeplichtig. Aan de beuldaden van mijn vader. Ik was er meestal bij. Ook bij de slachting van Loulou. Onze pony. Ik werd geroepen maar hanteerde niet de varkenshamer. Omduwen! Helpen! Niet bij het in stukken snijden. Ik liep weg, ook van vriendschappen. Ik sloeg scheef. Meestal in donkere winkels. Nooit grote kapitalen en ik heb geschoten. Met een loodjesgeweer op het plastiek van caravans, op het portret van mijn vader die ik heb doodgewaand. Nooit met volledig succes. Met de jaren wordt het minder erg, zo dacht ik en ik ging voor de kleinigheden. Vergetelheid marchanderen in de ziekste centra. Zaden, aardbeienplanten, stekjes sanguisorba ging ik stelen in de tuinen van fatsoen en welvaart. Of ik ging er kotsen. Ik doolde rond, op percelen bouwgrond, onverkocht omdat er veel, te lang, lijken hadden gelegen. Vraag me niet hoe ik dat weet. Veel wordt evident, eenmaal daarin verzeild geraakt en de oplossing is snel een wandaad, baldadigheid of wrede afrekening.  Net zo in juli van het jaar 2016. Katja was een jaar daarvoor gestorven naast een diepvriezer en als je aan het kruispunt bij de Bloedput komt uit de richting van het Waggelwater, dan kan je rechtdoor naar de tunnel onder Het Zand. Je kan er ook linksaf, richting Ezelpoort en het is daar, waar de straat een zachte bocht maakt, dat het gebeurde.     uit 'Residu', door Betty verzameld uit de nalatenschap van Bernd Vanderbilt

Bernd Vanderbilt
53 3

De ter dood veroordeelde

Ik ben waanzinnig geworden. Voor ik een dodelijke injectie krijg, beschrijf ik de laatste dagen van mijn miserabel maar fantastisch leven.  De slapeloze tijd maakt me gek. Ik heb binnen deze vier muren gehuild als een zieke hond, geroepen en getierd. Mijn stem is weg en dat beangstigt me. Ik wil een vrolijk liedje kunnen zingen zoals je dat zou doen in een nachtelijke café, maar dat lukt me niet. Mijn mond produceert veel te veel zoet speeksel. Ik spuw het regelmatig uit op deze vieze vloer, maar het blijft komen. Op mijn stinkende matras liggen lukt niet. Stilzitten lukt niet. Nadenken lukt niet. Hoe ga ik van dit levend leven naar mijn dood? Ben ik angstig? Eerder waanzinnig.  Mijn bestaan is door de bliksem getroffen. Ik zou willen kunnen nadenken. Helaas ben ik er doodgewoon niet meer toe instaat. Soms probeer ik mijn ogen te sluiten, want zelfs in deze donkere, kleine cel is het licht te fel. Is het dag of nacht? Ik verlang naar rust, maar die is er niet. De cipier is een invalide.  cipier: ‘Goed geslapen?’ t.d.v.: ‘Uitstekend!’ cipier: ‘Het is een zonnige dag vandaag. Morgen gaat het regenen.’ t.d.v.: ‘Uitstekend!’ Helder denken is erg lang geleden. Ik heb getracht Spinoza te lezen. Alle ideeën van ruimte en rede zijn weg. Ik moet weer spugen. Heb ik spijt? Geen idee.  Waarom hangt er geen spiegel tegen deze grijze muur? Dan kan ik een poging doen mezelf en dit leven te bekijken. Misschien wordt alles dan weer overzichtelijk. Of zou ik de nutteloosheid van mijn leed waarnemen? Mijn zwakke ogen tranen. Ik zou steeds in die spiegel blijven kijken. Oefenen. De cel en de dood zie ik in die spiegel niet. Ik zie de waanzin. t.d.v.: ‘Ik moet oefenen.’ spiegelbeeld: ‘Wat moet je oefenen?’ t.d.v.: ‘Doodgaan.’ spiegelbeeld: ‘Sterven kan je niet oefenen.’ t.d.v.: ‘Jawel. Zeker.’ spiegelbeeld: ‘Misschien.’ t.d.v.: ‘Zeker.’ Ik probeer regelmatig te ademen, maar dat is moeilijk. Het piepende lawaai van mijn dwaze ademhaling klinkt als een versleten, slecht geoliede machine. Ik wil muziek; een pianoconcerto in C van Mozart. Ik ben gek. Het is intens. Gaan mijn schedel en borstkas nog barsten? Ik ben niet moe. Ik kan er niet meer tegen. Ik ben het isolement en de vensterloosheid van mijn bestaan beu. Morgen ben ik dood. Er zullen geen geliefden achterblijven.

Hubert Grimmelt
6 0

Op afstand

"Je weet achteraf nooit hoe je droom begon", hoorde ik een personage in een film zeggen. Het klopt. Je herinnert je alleen een gedeelte bij het wakker worden. Vervolgens zeg je tegen de persoon die naast je ligt, of tegen jezelf: "Wat een rare droom." Zo droomde ik onlangs dat Frank Deboosere naast ons bed stond. Al kon het geen droom zijn, want ik lag amper in bed en was klaarwakker. Toch dacht ik: "Ik droom." "Hoor jij dat ook?", zei ik tegen mijn vrouw. "Frank Deboosere is hier." Ik dacht dat ze ging zeggen: "Vraag eens wat voor weer het morgen wordt, dan weet ik wat aandoen", maar ze sliep rustig verder. Ik wist snel wat er scheelde. De tv was aangesprongen. We hebben een nieuwe Digibox, met natuurlijk een aparte afstandsbediening. Als ik de tv uitzet, en niet de Digibox, springt de tv soms terug aan. Ik kan het niet verklaren, maar het gebeurt. Het is me wat met die afstandsbedieningen. Onze buurvrouw Lisette kan erover meespreken. Naast het kastje van de tv, de Digibox, de tuner, de radio en de thermostaat lag een nieuwe afstandsbediening, maar dat had ze niet gezien. Het lag op de plaats waar normaal dat van de tv lag. Ze drukte blindelings op de aan/uit knop, maar er gebeurde niets. Al meende ze een gezoem te horen. Ze drukte nog een paar keer, maar niets. Plots ging de bel. Het was overbuurman Jos. "Lisette, ik denk dat je een kortsluiting hebt", zei hij. "Inderdaad, de tv doet het niet", antwoordde ze. "En jullie garagepoort blijft maar open en dicht gaan”, zei Jos. "Oei, daar moet ik Frank naar laten kijken. Merci Jos". En ze duwde de deur dicht. "Frank, nondedju”, vloekte ze. “Gij met uw automatische garagepoort. Al die stomme kastjes ook.”  

Rudi Lavreysen
8 0

het masturbeeridee: verhalen van een dolle mens

Gedachtesprongen, u kent ze wel. Op weg zijn naar het werk. De tijd moet dood. Een of andere fietsostrade strekt zich voor mij uit als een sierlijke zwanenhals. Waarheen ben ik dan onderweg, de bek of de cloaca – een doolhof, dat staat vast? Alleszins, wat u misschien nog niet weet, is dat een fietszadel uitermate geschikt is om te krabben waar het jeukt, maar waar handen niet heen mogen. Wees eens creatief. De gel zwicht voor de buiging die ik maak, een beetje zoals mijn fietsbanden voor de meanders van het eeuwige fietspad. Dat nu eens wiegt als de knotwilg, dan weer als de populier. Storm breekt nek. En nee, het regent niet eens. Het is geen weer van buien, dan wel van fonteinen. Euforica, is dat een woord? Ach ja, zo voelt het wel. En dat lispelde de weerman me gisteren nog toe, als een fluisterwind. Kon de weervrouw me nu maar troosten.  Afleiding ín de vergaderzaal. Het enige wat ik nooit zoek, maar wel altijd vind. Mijn portefeuille is verdwenen, dus ik weet even niet meer wie ik ben. Ik hoop het antwoord te vinden onder mijn hersenschors. Specht in eigen huis. In gedachten ben ik ontsnapt aan de mono-toon, alweer huiswaarts, waar het antwoord op mijn vraag hopelijk op me wacht, als een trouwe hond. Of als diarree na een rijkelijk familiefeest. Ik ga te voet, want zo doet de boswachter het ook wanneer hij zijn perimeter nagaat. Te voet. Ik vraag me af of de loodgieter in tussentijd de leidingen al heeft vervangen. Ik doe mijn broek een beetje naar beneden, want zo zou hij het ook doen. Cultural appropriation. En zo. Mijn koningsblauwe hemd past er perfect bij.  De presentatie is halfweg, dat kan ik ruiken. Ik blijf erbij dat okselzweet naar shoarma ruikt. Of omgekeerd. Misschien zit het gewoon in de poriën van Ivan Heylens werkmens. Soms vraag ik me af of de vogels zweten van al dat gelichtekooi in de bomen en bossen. Mijn fictieve woud blaast net op tijd de mensenwalmen weg. De bomen zijn beuken, hun noten nog net onrijp deze tijd van het jaar. Ik houd van de gladde stam van de boom, van de glans die het woudlicht doorheen het bladerdek op de cortex werpt, terwijl zij de schacht beschermt. Ja, ik ben een beukenman. Ze staan zo mooi op een rij geordend, alsof ze wachten om de hemelpoorten te betreden. Maar hun wortels brengen hen maar zo ver dat hun takken de rol overnemen. Beuken in het bos. Beuken erop los.  Mijn voordeur is van beukenhout vervaardigd. Daaraan word ik herinnerd wanneer ik de metalen deurknop stevig beetgrijp en mijn voorportaal betreed. De vloerbekleding kreunt onder mijn voeten en het rubber van mijn schoenen piept schel. Mijn kat gebruikt mijn knieën als steunpunt om dichter bij mij te kunnen zijn. Wie bezingt de rattenvanger? Ze snakt naar vlees, dat voel ik aan de opdringerigheid van haar begroeting. Maar eerst moet mijn dierlijke drang gestild, of de realiteit zou zichzelf niet overleven. Wat beter om de honger te stillen dan een goed bezoek aan het toilet? Melkwit porselein en een beklijvende stilte. Dat dempt alvast de dorst.  Ik doe wat nodig is om de rust voor eens en voor altijd te beteugelen, te controleren. Ik ga wat ze ook wel ‘snokken’ noemen, maar dat is als sabreren zeggen tegen ontkurken. Ik ging ontkurken. Sauveer de flessenhals. Waarom heb ik in godsnaam een abonnement op een pornosite? Welnu, toen ik achttien was, werd mij een vijfjarenplan aangeboden (door mijn bank, maar dan niet die waar men geld belegt). U hoort het goed, een vijfjarenplan. Sinds vijf jaar ben ik trotse en hondstrouwe klant en spaar ik pornopunten. Korting op een verlenging die er uiteraard niet komt. En zo. (De karmozijnen oortjes kreeg ik er gratis bij, dat kon ik niet laten liggen.) Het is iets met melk. Veel melk. Ik denk dat de melkboeren daar tegenwoordig hun voorraad dumpen. Maar wat er zich op mijn scherm voor me afspeelt, maakt al gauw plaats voor een polsstoksprong. Mentaal meander ik richting mijn illusoire land van melk en honing. In mijn gedachten begint zich een nieuw idee te ontwikkelen. Een geesteskind van vijf jaar pornopunten. Dat moet ik opschrijven. Zonder het te beseffen, met mijn broek op mijn enkels en nog niet ontkurkte fles in de aanslag verlaat ik mijn schuilplaats, de woonkamer in. En op het moment dat ik me aan mijn bureau daar zet, duw ik met mijn elleboog onhandig de oortjes uit het contact van mijn gsm, waarna een luide ‘AAAH’ weerklinkt. Beter had ik het niet kunnen zeggen: het masturbeeridee is geboren.  Wanneer ik ontwaak uit mijn gemijmer, voel ik het hele rondetafelgezelschap naar me kijken. De blikken van al mijn medevergaderaars en collega’s hebben zich gebundeld en boren zich nu in mijn rug (de glazen gangwand is dun), zij en buik tegelijkertijd. Ik voel een climax van gêne ontstaan. Andermaal spreekt de CEO me aan – gepikeerd. Uit mijn hemel gerukt, stamel ik nog wat, maar voor excuses is het te laat. De situatie is overduidelijk. Ik heb zijn vraag gemist. Maar dat is het waard.   

Midas
3 1

Te koop

Ik passeer het huis met het bordje ‘Te koop’ voor de deur en wandel door naar het einde van de straat. Pas als ik rechtsomkeer maak, durf ik het aan om het gazon vol kniehoge paardenbloemen voor het huis over te steken, het klinkerpad aan de rechterkant te volgen en aan de achterdeur te voelen. Die is los. Ik ga naar binnen en hoewel ik weet dat er niemand is, sluip ik de trap op naar de eerste verdieping. De woonkamer is hier, dat is ongewoon, maar het biedt wel een prachtig uitzicht. Eerst neem ik een kijkje in de kamers. Overal staat alles nog op zijn plaats en zijn de kasten vol, maar de planten beginnen al te verdorren. Ik kies een wit hemd met rode strepen. Het past net. Terwijl ik de mouwen oprol, wandel ik de badkamer binnen. Het blauwe flesje parfum ruikt het lekkerst. Ik leg mijn haar goed voor de grote spiegel en ga terug naar de woonkamer. Met een borrel uit de goedgevulde drankenkast ga ik languit op de vaalbruine sofa liggen. Terwijl mijn vingers de barstjes in het leer volgen, kijk ik uit op straat.De deurbel maakt een dreunend geluid. Ik ga rechtop zitten en staar drie seconden voor me uit. Dan stuif ik naar beneden en open ik de voordeur zodat ik net mijn hoofd naar buiten kan steken. Twee vrouwen kijken me aan met een brede glimlach. ‘Hallo, zegt de vrouw met het rode haar. ‘We reden voorbij en zagen dat u uw huis verkoopt. Wij zijn best geïnteresseerd.’ Even blijf ik staan zonder iets te zeggen. ‘Als we niet storen, natuurlijk,’ voegt ze eraan toe.  ‘Nee hoor, kom maar binnen’ antwoord ik en zwaai de deur open. Kamer na kamer gids ik hen door het huis.  ‘Zo gezellig!’ merkt de roodharige vrouw op in het midden van de hobbykamer. ‘Weet u zeker dat u het wil verkopen?’ Ik blijf staan en kijk haar even zwijgend in de ogen. De glimlach op haar lippen verdwijnt. 'Ik... We zouden het begrijpen als u toch nog besluit hier te blijven wonen.’ De blonde vrouw plaatst een porseleinen beeldje weer op de vensterbank en beaamt met een knikje. ‘Ik ga er toch nog eens over nadenken,’ zeg ik. Vijf minuten later lig ik opnieuw op de sofa en zie ik door het raam nog net de auto van het koppel in de schemering verdwijnen.

Felix Sandon
6 0

Nog niet gedaan

Het gebeurt dat ik deze vraag voorgeschoteld krijg: "Wanneer schrijf je over mij een stukje?" Ik herinner me een keer op een feest. Een 50-jarig huwelijk was het. Een verre neef die naast me zat schreeuwde het in mijn oor. De muziek stond luid en de man had al enkele glazen bier achter de kiezen. Eerst verstond ik niet goed wat hij zei. Het woord 'stukje' had ik begrepen, maar omdat hij met een stukje puddingtaart in zijn handen zat, dacht ik dat hij vroeg of ik een 'stukje' taart moest hebben. Ik schudde van 'nee'. Door zijn geschreeuw waren er al enkele kruimels puddingtaart in mijn oor beland. Toen hij met zijn andere hand deed alsof hij iets opschreef, begreep ik pas wat zijn vraag was. "Oh", lachte ik, de kruimels uit mijn oor wrijvend. "Een stukje schrijven. Ja, als ik geen inspiratie heb." Bij deze dus. Nee, de vraag stellen is toch een beetje zoals de zanger die op een feest zijn eigen plaat als verzoeknummer bij de DJ aanvraagt. Al vroeg onze oudste onlangs iets soortgelijks. "Wanneer komen wij er nog eens in?" Tja, anekdotes of gebeurtenissen zijn er in overvloed. Of zelfs gewone zinnen. Zoals deze die hij al uitsprak toen hij nog klein was en aan de eettafel dringend naar het ‘potje’ moest. “Ik heb nog niet gedaan hè”, zei hij dan telkens. Als schrik dat we zijn bord met eten zouden wegdoen. De uitspraak is al die jaren blijven hangen. Als de druk te hoog wordt, belandt het twintig jaar later nog altijd op de eettafel. “Ik heb nog niet gedaan hè.” Het is een zin zoals die in veel huiskamers te horen is. Een inside joke. Een familiegrap. Maar deze staat bij mijn favorieten. In meerdere betekenissen. Nee jongen, doe zo maar verder.  

Rudi Lavreysen
3 0

Vanmorgen heb ik mijn lichaam verleid

Daar stond dan wel dat bord met eten, volgeladen met gezonde en licht verteerbare dingen als zachte geitenkaas, een rijstwafel, een stapeltje komkommerschijfjes, hoummous, plakjes harde geit, een gekookt ei, kopje kruidenthee; maar mijn hele wezen maakte bezwaar tegen de komende invasie. Mijn borstkas was open, gevuld met het zonlicht dat me door de antieke ramen van de eetzaal van het chateau overspoelde, mijn buik bolde en platte zich van adem, mijn hart was vol van vreugdedansjes. Maar mijn maag vernauwde zich tot een hazelnoot, stevig en glad, en weerstond mijn ratio die hem vertelde een eerste hap te nemen. Een aarzelende glimlach verspreidde zich langs mijn mondhoeken en zette mijn handen aan tot arbeid. De rijstwafel kreeg een smeuïge laag roomboter, daarop de plakjes harde geit, een paar komkommerschijfjes, een laagje hoummous, een tomaatje, losgerulde zachte geit en een regen van zwart pepermaalsel uit de molen.   De rijstwafel belandde weer op het bord, de zonnestralen doorschenen de harde geit. Maar mijn hazelnoot bleef in verzet. Dus maar verder arbeiden. Met het ontbijtmes spleet ik het hard gekookte ei en zie! ineens huilden mijn speekselklieren!  De glimlach verbreedde zich, voelde de doorbraak naderen, en liet de zwarte peper snel malen boven het geel. Omdat een eierlepel in geen meter te zien was, wipte het mes het ei tevoorschijn. Zonder verder overleg kreeg de hazelnoot bezoek en liet zich gewillig nemen. Zoals een vrouw die ontvangt, opende de holte zich en liet het zoutzuur borrelen. Losse rulle geit volgde, waarna mijn lichaam zich gewonnen gaf en zich liet meesleuren in de lawine van happen, smakken, slikken en glijden.  Omdat de theezak duurzaam genoten wilde worden, haalde ik een tweede glas kokend water uit de koker. Nu mijn bord leeg was kon het theeglas erop staan. De hitte van het gele vocht smolt de restjes geit en boter, dat een krans van vettigheid vormde rond de voet. Mijn ellebogen steunden op tafel, mijn linkerhand hoog, mijn rechterpols geloken. Ik tilde het glas met rechts, dunkte de zak met links. En ineens doorzag ik de innige verbinding tussen water en zak. In plaats van rechtsom bewoog mijn lichaam zich schokkend linksom. De zak hing stil in de lucht terwijl het glas rees en daalde, rees en daalde, rees en daalde, steeds de natte zak ontvangend en meer essentie eraan onttrekkend. Het water kleurde geleidelijk geler en geler, en een intense geur bereikte mijn neusgaten.

Marc Graetz
30 4