Lezen

Het leven is me er eentje

Het kan niet alle dagen feest zijn, maar als het dan geen feest is, dan kan het leven behoorlijk vervelend worden. Ik had deze morgen gerust vrede kunnen nemen met de laatste korsten van mijn brood tot ik ontdekte dat de muizen die de spouwen van mijn ongeïsoleerde bestaan bewonen zich er al te goed aan deden. Als dank kreeg ik een handvol hagelslag cadeau, zo vriendelijk zijn ze wel. Toch bedank ik liever voor dit ontbijt. Heel even nog probeerde mijn koelkast mij te verleiden op zoek te gaan naar de benodigde boter. Met een verwelkomend gebaar strekte ze haar deur zo ver mogelijk open als een kind dat wil tonen dat het weldegelijk zijn tanden had gepoetst. Daar wist toch het kleinste kind al hoe je daar onderuit kan geraken. Je mag je niet laten vangen, een mens houdt ze maar beter in de gaten.  Gelukkig wist ik ook die muizenissen van mij af te schudden. De gang en het vooruitzicht van de razende buitenwereld die zich kenbaar maakt als het verblindend licht door de ruit van mijn voordeur priemt, voelden aan als een zucht van bevrijding. Het geklungel met de veters van mijn schoenen gijzelt mijn vingers en de wisselende druk op mijn borst ontneemt mij meteen weer vrij te ademen. Ik klungel wat aan alsof ik niet meer wet hoe mijn veters te strikken. ‘Doe eens kalm’ wilde ik mezelf niet zeggen en toch hoorde ik het de hele tijd gonzen als een hartslag in mijn oren. Het pompen hoort eerder als een verbrijzelen. Eindelijk zongen mijn voeten en in twee stappen zwaaide de poort van het licht open.  Met een ronde bocht zo groot als zijn draaicirkel, draai ik mijn lichtgrijze Taunus tussen de Fiesta en de Ibiza uit het baanvak op. De linker raam gaat met een piepend geluid in het ritme van mijn draaiende handbeweging naar beneden tot ze zich te slapen legt in mijn portier. De radio kraakt wat maar valt dan midden in een nummer dat bluer than velvet were her eyes kreunt over deze walgelijke ochtendblues. Zo blauw als mijn Taunus, de ogen van mijn siamese kater en de lucht op deze zonovergoten ochtend. Waar zat dat rotbeest eigenlijk? Kon ik dan niet een ding van hem verwachten? Nee zo is het leven.  Inmiddels sta ik op de parking van de supermarkt. In de achteruitspiegel zie ik brave burgers zoeken naar dat inmiddels zeldzaam geworden muntstuk. De sleutel die ons toegang geeft tot onze trouwe charettes altijd klaar om uw toekomstig afval mee te zeulen door de winkel. Eenmaal de rollende slachtbank gepasseerd, scheiden de wegen opnieuw. Eerder onverschillig nu ik het zo bekijk. Ik wacht even tot die halve gare zijn oude gebruikte kar kan slijten aan een nieuwe klant,  maar het duurt even. De hoofdjes van het verse koopvee knikken braaf voorover om elke sociale interactie te kunnen vermijden. Ook andere sociale funerarium technieken worden toegepast. Iemand doet of hij iets zoekt in zijn zakken, een ander begint te bellen met zichzelf, een ander verzint de halfbakken smoes dat ie geen wisselgeld heeft.  Nog even en het wordt irritant. Ik kan niet uitstappen anders verlies ik mijn onverschillige pose. Ik heb altijd wat voorradig om zulke aanstellers te omzeilen, maar nog meer verkies ik te doen alsof het niet bestaat. Beter verdient zulk gespuis eenvoudigweg niet. Je riekt zulke humanisten, ja want dat zijn het, al van ver. Dat heb je dan als je met open ramen van het leven wilt genieten, de geur van zelfvoldane goedzakken want ook zij zijn het waard. Ze rieken naar zeemzoet geloof in een met honing overgoten wereld waar kinderen zichzelf wel zullen opvoeden, een geloof in de mens ontdaan van al haar onaardigheden in het leven. Zoals muizen die je ontbijt verkloten of een huiskater die niet thuis geeft wanneer zijn enige raison d’être zijn opwachting maakt, maar de jacht hem niet roept.  Mijn blik verglijdt naar de zijspiegel op rechts. Een stel lange benen die je kunnen uitbenen vanop het trottoir aan de overkant, kliefde doorheen mijn gezichtsveld als was het door de boter die ik zou gaan halen in de supermarkt. Als omkijk zie nog net een rietenhoed en een witteblouse verdwijnen. Snel frutsel ik een kauwgom of drie uit het potje voor mijn handrem en gooi mijn deur open. Plots was ik op jacht naar de rest van de benen. De deur slaat dicht als ik reeds voorbij mijn kofferbak ben, maar ik zie niet meteen een verschijning die beantwoordt aan de driftigheid waarmee ik mijn Taunus ongesloten achterliet.  Dat is een zeldzaamheid. Ik sta stil en kijk even rond. Als betrapt moet ik lachen al weet ik eigenlijk niet goed om wat dan precies. Toch heb ik iets mispeutert, ik heb alle bloemen uitgetrokken en ik maakte het veel te grof. Zo vroeg op de ochtend en opnieuw laat ik mij mijn onschuld ontnemen. In mijn gedachten vliegen de benen nog verschillende keren door de lucht als concordes in de bovenste lagen van het luchtruim terwijl ik mijn weg naar binnen neem. Ik vergeet de kar en been rechtstreeks naar de gang met drank. Net als ik de textuur van haar blouse weet te ontrafelen, zie ik dat mijn voeten tegen elkaar voor het rek staan met speciaal bieren.  Twee halve liters stout vervoegen mijn handen en fluitend loop ik naar de kassa. Als een slag bij heldere hemel opende het gouden uur zich. In plaats van een brood, hagelslag en boter, had ik nu de oplossing gevonden in boterhammen waar niet op te knabbelen valt.  Opnieuw voelt het leven weer als een deugeniet aan, een kwajongensstreek waar om gelachen kan worden, maar nog steeds heeft het me liggen.   

Anton Nymand
0 0

Het gat in de sok

Just call me old-fashioned, maar ik kan de nieuwe modeverschijnselen niet altijd volgen. Desalniettemin vind ik de wisseling der kledingdrachten buitengewoon interessant. Je ziet er de tijdsgeest in weerspiegeld. En van spiegels gesproken, als er iets is dat voor fashionistas belangrijk is, is het wel die reflectie van zichzelf. Narcissus heeft veel volgelingen. Maar laat mij aan die spiegel een grondige hekel hebben. “Ik ken hem ergens van”, meen ik dan te denken.Tot daar de filosofie. Ik stel voor om even naar het voetbalspel te kijken. Daar gebeurt iets op modegebied.  Een eerste hype is het gat in de sok. Hebben jullie dat gezien? Sommige spelers hebben aan de achterzijde van hun voetbalsok een scheur gemaakt. Het zou de bloedsomloop verbeteren en het kan helpen bij het voorkomen van krampen en blessures. Mochten we vroeger een scheur in onze voetbalkousen hebben gemaakt, de voorzitter zou ons persoonlijk met diezelfde sok een draai rond de oren hebben gegeven. Een ander fenomeen is het oprollen van hun korte broek. Het dient werkelijk nergens toe. Het zou wat extra ventilatie geven aan hetgeen zich daar bevindt, maar het is vooral ijdelheid. 'Streek', zou onze trainer hebben gezegd. Tot slot, de derde hype. De roze voetbalschoenen die je nu overal op het WK voetbal ziet. Het contrasteert met het groene gras, zodat spelers opvallen, maar als ze allemaal dezelfde kleuren dragen, valt er niemand op. Daar hebben ze bij de grote merken wellicht niet aan gedacht. Ik droeg vroeger zwarte voetbalschoenen van het merk 'Quick', met een sierlijke Q als logo. Ik dacht dat ik er nog sneller mee kon lopen. Ik was – niet gelogen en verleden tijd – nogal een rappe. Maar je ziet die schoenen nog zelden. Het is de tijdsgeest zeker? Af en toe geeft die een laatste zucht.  (illustratie: Dirk Van Bun)

Rudi Lavreysen
0 0

hoe een pvda er denkt.

Ik had het er een paar jaar geleden over met een oud-Amadees, nu een PVDA'er. Ik zei tegen hem: "Jullie weten niet hoe een arbeider denkt." Hij was in zijn gat gebeten, zoals dat heet. Hij vond dat ik juist niet wist hoe een arbeider denkt. Hij wist het zogezegd wel, omdat hij een tijdje in een fabriek was gaan werken.Ik daarentegen ben op mijn 14e in een fabriek beginnen te werken. Vanaf mijn 21e als vrachtwagenchauffeur. Op mijn 29e maakte ik mijn eerste kunstwerk: een alternatieve ontmoetingsplaats voor de lgbtqia+-gemeenschap. Na tien jaar, op mijn 39e, ben ik weer op de camion gesprongen tot aan mijn pensioen.Volgens de PVDA'er was ik een anarchist en wist ik niet hoe een arbeider denkt. Daar stopte het gesprek. En toen ontvriendde hij mij. Toen ik zestien was en al twee jaar als arbeider in een fabriek werkte, hadden de Amadezen mij gevonden in de jeugdclub die ik destijds bezocht. Ze stelden me voor om deur aan deur te gaan om de voordelen van de revolutie met andere arbeiders te delen. Zo stond ik op een bepaald moment voor een arbeider die zijn auto stond te wassen voor zijn sociale woning. De student, een vurige Amadees, was met me meegekomen. Later vermoedde ik dat hij me moest controleren. Opeens begreep ik het. Die student was opgegroeid in een groter, vrijstaand huis met een enorme tuin eromheen. Hij werd rondgereden in een veel grotere auto, waar hij de opvoedingsregels van zijn ouders moest volgen. Misschien haatte hij hen wel. Ik ben het geklaag over het 'monster' dat kapitalisme heet grondig beu. Men blijkt te vergeten dat de emancipatie van de lgbtqia+ gemeenschap is begonnen in het meest kapitalistische land ter wereld. Ook de aanzet tot natuurbescherming vond daar plaats. Zelfs de armoede is wereldwijd massaal verminderd. Zo kelderde de armoede in China pas nadat het land het kapitalisme invoerde. Wat Cuba betreft, is het bijna misdadig dat men nog altijd weigert toe te geven dat het systeem daar totaal mislukt is. Maar volgens de aanhangers ligt dat niet aan hun eigen systeem, maar aan hun grote, kapitalistische buurman. Hoe blind kun je zijn? Iedere Amerikaan herinnert zich nog hoe ze leerden te schuilen onder de tafel bij een atoomaanval, toen Cuba Russische atoomraketten stationeerde. Misschien vergeven, maar niet vergeten. LEEF  In de oudheid had de mens angst voor de natuur. Hij aanbad die natuur zelfs. Tijdens de industriële revolutie wilde de mens de natuur echter overheersen. Nu weten we dat we geen angst hoeven te hebben, maar ook dat we de natuur niet kunnen controleren. Dus zullen we ermee moeten leren leven.   **************************** FOTO GALLERY verf ed https://www.2dehands.be/q/verf+ed+altaar+de+culturen/ Rond 1995 heb ik dat werk gemaakt. Ik noem het "altaar der culturen." Links ziet men een tv, onze gemeenschappelijke identiteit valt van het - silicium - glas - zand.De gemeenschappelijke informatiebronnen zijn verdwenen.De wijzen van vroeger opgevolgd door radio en uiteindelijk als laatste de tv die een ongeveer gemeenschappelijke boodschap uitdragen, ons collectief geheugen, is niet meer.De informatie is versplinterd.Rechts ziet men een gietijzeren kandelaar daar in een mensenhoofd in papier. Stukken teksten. Krantenpapier "De encyclopedische mens".Gietijzer = nationalistenKandelaar = religieIn het midden staat de hedendaagse mens. Opgesloten. "de encyclopedische mens".Dit deel is gemaakt van een reclame voor lippenstift.Regeneratie KosmetikIn de dubbele wand gaan luchtbellen in het water de hoogte in.In die dubbel - transparantie - plexiglas zit diezelfde "encyclopedische mens".Het geheel staat op dunne platen, glas = chips = zand = silicium.Het geheel steunt op een gietijzeren pilaar = industriële cultuur.De gietijzeren plaat staat op de grond = landbouwcultuur.HET ALTAAR DER CULTUREN. Ik woonde toen in de Aalmoezenierstraat in Antwerpen. De jaren 90 tig. http://www.anamorfose.be/verf/misc-images/verf-t-i-r-e  

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser. BIO.
57 0

Boot in B.

Met mijn penseel een tafereel kliederen, dat kan ik zeker, en met de hulp van gekleurde woorden wil het misschien wel een schilderij worden. Eerst teken ik de lucht met helder blauwe verf, veeg met wit de wolken. Bomen zijn groen dus kies ik het groen dat bij het huidige seizoen past; het zomert in het natuurgebied waar ik mijn ezel heb gezet. Om de vegetatie geloofwaardig neer te zetten, kijk ik in opengelegde natuurbladen, en focus op de vormen van verschillende bladeren. Er zijn enorme gekrulde bladeren bij waar een baby in past, de kleinere zijn rond en puntvormig, de tinten frisgroen of rijper groen met een donkere zoom. Ik denk steeds aan de kijkers die mijn tentoongestelde werk zullen beoordelen. Ze zullen als stammen bij de opgehangen canvassen staan met in hun ogen het verlangen naar de boot. Iemand zal zich indentificeren met de knaap, een man in wording die dat ene meisje in bikini heeft aangemoedigd haar jurk uit te doen. Het water schilderen lukt me aardig, er is geen tumult dus geen storm, de bootinzittenden eisen evenwel precisiewerk, ik neem een fijn penseel voor het kastanjebruine haar van de jonge mannen. Blonde lokken worden opgestoken door een vrouwelijk figuur, ik laat haar op de rand plaatsnemen vooraleer ze zich in de plas laat glijden. Ik herinner me nog goed hoe ik als beginnend schilder luid vloekte in mijn atelier omdat het maar niet wilde lukken; verf mengen tot de huidskleur van een Europeaan was tijdrovend en frustreerde me dagen lang. Tot op een dag dat de melanine me enig succes leek te gunnen! De torso zowel als de ledematen van de staande jongeman doopte ik tot Nederlander. Met meerdere verfuithalen liet ik hem aan het roer staan. Waarom zou ik het tafereel niet in het Nationaal park tot leven wekken? Zes mensen in een motorboot, zo had ik het in mijn hoofd. Om het meisje in bikini te laten bewegen diende ik een pen ter hand te nemen, ik moest schrijven wat haar overkwam in het ondiepe water dat niet zo waadbaar bleek te zijn. Ze had nog gevraagd: kan je er met de voeten bij de bodem?

Ingrid Strobbe
4 0

Een relaxed ongeluk.

In Drimmelen lopen we door een smalle straat. Klopt dat? In het historisch Drimmelen lopen we door een smalle steeg. Nee, dat klopt niet helemaal. We zijn in Nederland om zijn nakende pensioen te vieren. In Drimmelen overnachten we in een nieuw hotel met zicht op de jachthaven. Dat klopt! Als je het ontslag dat hij gaf als zijn pensioen kan zien, klopt het volledig. We willen het vieren in het Nationaal park de Biesbosch waar we ooit een bootsafari deden, waar we erg van hadden genoten, waarom niet? Waarom niet volop genieten nu we nog jong zijn én fit? In de smalle steeg loop ik achter hem aan maar niet als een hond, als zijn vrouw wandel ik in schaduw maar niet in het donkere gedeelte van mijn persoonlijkheid, ik kuier ontspannen want niets ergert mij. Ik voel me licht en blij en zie wat ik moet zien: een zwarte kat! Ze rent de weg over, zo snel rent ze de weg over, ze lijkt te willen dat ik haar (of hem) maar even zie, lang genoeg om te vermoeden dat er geloof mee is gemoeid. Ik ben jouw bijgeloof. Ik ben zwart, en wil geen affectie! Dat lijkt de kat te willen zeggen. 'Iemand die bijgelovig is, zou dit oversteken interpreteren als een ongeluk', zeg ik. Hij reageert niet. Ongeveer een uur later bereiken we het museum dat in het groen verscholen ligt. Er ligt een pak mos op het dak. We smeren ons in, trekken de veters strak aan. Ergens op de met gras omzoomde weg is een onzichtbaar putje waar mijn voet in terecht komt. Ik raak uit evenwicht, en val terwijl ik vloek. Mijn hele linkerbeen is geschaafd, het bloed druppelt uit de wonde, een buil manifesteert zich.  Wanneer we na tien kilometers stappen bij de auto zijn, is de buil verdwenen en het bloed droog. Ik wrijf over de wonde, voel iets zacht in mijn hand. Ik kijk maar zie niets dat mij verrast. In het restaurant is het moeilijk kiezen, we kunnen toch niet elke keer een slaatje eten met deze hitte? Hij vraagt hoe het met mijn been gaat. Goed, zeg ik. Zijn hand gaat onder tafel, grijpt naar mijn gekwetste knie, streelt de pels die daar als een relaxed ongeluk groeide. Klopt dat?

Ingrid Strobbe
0 0

Een echte man

Joost luistert ademloos naar zijn beste vriend Dave. Zijn vriend is al enige tijd fan van influencer Andrew Tate. ‘Je moet je gewoon gedragen als een echte kerel, Joost. De natuur heeft het zo bepaald. Vrouwen willen een leider. Geen watje. Joost heeft een paar dagen geleden een leuk meisje in de bibliotheek ontmoet. Hij heeft de stoute schoenen aangetrokken en haar vervolgens mee uit gevraagd. Ze gaan naar de bioscoop. De adviezen van Dave heeft hij goed in zijn oren geknoopt. Na afloop van de film drinken ze nog een drankje en hij biedt zijn date Estelle aan om voor de veiligheid mee naar haar huis te lopen. De buurt waar ze woont staat niet bepaald bekend als veilig. Eenmaal bij haar huis aangekomen vraagt ze hem spijtig genoeg niet mee naar binnen voor nog een drankje. Joost baalt, maar als echte man laat hij zich niet afschepen. Hij trekt Estelle naar zich toe en steekt zijn tong in haar mond.  Ze duwt hem van zich af. ‘Dit gaat wel erg vlug, Joost. Ik heb een heel gezellige avond gehad, maar ik ga nu naar bed. Ik moet morgen heel vroeg op.’ De woorden van Dave weergalmen in zijn hoofd. Vrouwen willen dat je dominant bent, Joost. Laat je niet afschepen.  Hij trekt Estelle opnieuw naar zich toe. Haar vuistslag treft hem vol op zijn neus. Hij hoort iets kraken. ‘What the fuck. Je hebt mijn neus gebroken, bitch.’ ‘Jij mag blij zijn dat het alleen jouw neus is, loser. En nou oprotten.’ Joost strompelt weg. Hij moet naar de eerste hulp. Als hij voor de ingang van het ziekenhuis staat belt hij zijn moeder. ‘Mama, ik sta bij het ziekenhuis, Ik heb verschrikkelijk veel pijn. Kun je alsjeblieft snel hiernaartoe komen.’  Hij barst in snikken uit. ‘Mama komt eraan, jongen.’    

Elle Hart
14 1

Mijn gezicht

Ik weet proefondervindelijk dat ik geen spontaan lachend gezicht heb.  Opmerkingen als 'Lach toch eens' of 'Kijk niet zo lelijk' komen hard aan, geloof me. Maar hoe krijg je dat, zonder op een uitgebluste clown te gelijken? Het toeval wil dat ik iemand met een uitgesproken lachend gezicht ken. Jeanke. Als hij een café binnenkomt, is hij zoals een magneet. Heel wat mensen toveren spontaan dezelfde lach als die van Jeanke op hun gezicht. “Hoe doe je dat toch?”, vroeg ik hem. “Simpel, de regel van drie”, zei hij. “Kent ge die? Nee, niet die van wiskunde. Wacht, ik zal het je tonen.” Hij kwam naast me staan en nam mijn schouders vast. “Laat je schouders zakken”, zei hij. “Je moet ontspannen, anders krijg je een geforceerde glimlach.” “Doe nu je ogen even dicht”, ging hij verder. “Ja, nu openen en naar mij kijken.” Ik deed wat hij me vroeg. “Zie je wel, je begint automatisch te glimlachen. Je moet op het juiste moment naar iemand kijken.” “Dan de laatste regel. Ook je kin mag niet te stijf staan. Dan kan je oplossen door je tong een beetje op je gehemelte te leggen. Zo gaat je mond wat openstaan en krijg je automatisch een glimlach. Je zal die regels overal terugvinden.” Na ze voor de spiegel te hebben geoefend (mijn huisgenoten hadden ei zo na geestelijke spoedgevallenzorg ingeschakeld) trok ik de straat op. Het liep al snel mis. Mijn buurman vroeg me wat er scheelde. Door de stress had ik regels door elkaar gehaald. Ik wist niet meer wat ik met mijn tong moest doen. Ik had ze ietwat uitgestoken. Mijn schouders had ik opgetrokken en ik had naar hem geknipoogd. Och, ik moet het ermee doen, met dat gezicht van mij. We hebben onszelf niet gemaakt, zei vader altijd.

Rudi Lavreysen
10 1