Lezen

Wanneer is dat?

We zijn het binnen zitten beu en zetten een stapje in onze kleine buitenwereld. Aan het marktplein duiken de witte wintertenten op. Ze waren bedoeld om in de barre wintermaanden nog een veilig terrasje te doen. Het lijkt alsof we over een festivalterrein lopen waar iedereen naar huis is. Een kennis in het café met de Parijse terrastafels vertelde me eind september dat ze hem aan Calais deden denken. Terwijl hij het vertelde, zag ik opnieuw de beelden van de Noord-Franse havenstad. Mensen op de vlucht die in afwachting van een kanaalovertocht in witte tenten verbleven. “Ik ben er nooit geweest”, antwoordde ik. “Alleen gepasseerd.” “Iemand koffie?” Het is onze jongste die het vraagt. Hij gaat ze samen met mijn vrouw bestellen in het koffiehuis. Ik wacht buiten, aan de overkant van de straat. Het is er druk met wachtenden. Bij het buitenkomen lijkt het alsof hij het op een dansen zet. Hij huppelt van de ene voet op de andere, terwijl het toch zijn handen zijn die het te verduren hebben met de warme koffiebekers. “Geen servetten meer”, zegt hij. Stappen met een beker koffie in je hand is niet vanzelfsprekend. Tegelijkertijd wandelen en drinken lukt niet. Ik stop om te drinken. “Hoe doen ze dat in Amerika?”, vraag ik. “Daar loopt iedereen al koffie drinkend op straat. “De Amerikanen zijn dat gewoon hè pa”, zegt hij, van zijn koffie genietend terwijl hij verder stapt. Hij is er precies mee weg. Omdat de bekers gloeiend warm blijven, wikkel ik er mijn mondmasker rond. Ook een tijdsbeeld. “Och, straks wordt het allemaal beter”, zeg ik. Meteen moet ik denken aan de vraag van onze mannen toen ze nog klein waren, als we vertelden dat we straks naar de speeltuin zouden gaan. Of frietjes eten. “Wanneer is dat? Wanneer is straks?”

Rudi Lavreysen
16 0

Twee frietjes

De mevrouw voor me bij de frituur bestelt een ‘groot en een klein frietje.’ Vooral in het horecagebeuren lijkt het alsof de producten alsmaar kleiner worden. Bestel ergens twee pinten en u krijgt van de garçon gegarandeerd als bevestiging "twee pintjes". Hetzelfde bij een cola (colaatje) en een koffie (koffieke). "Met drie melkskes" hoorde ik ooit. Dat is bijna een halve fles. Nog een voorbeeld. Het ding is zo groot dat het amper op een bord past, maar toch is het een 'pannenkoekske'. Helemaal erg is op tv. De kandidaten werken zich in het zweet voor een viergangenmenu (een van de kandidaten draagt zelfs een zweetband), maar toch zegt een jurylid dat ze een aangenaam 'gerechje' op tafel toveren. Waarom de 't' verdwijnt is weer een andere vraag. Sommige woorden verdienen wel een verkleinwoord. Zoals een ‘tuinhuisje’. Let wel, geen bijbouw met winterterras en zomerkeuken, maar een klassieke houten chalet met een groen dak en een geruit gordijn voor het klapraam dat altijd klemt. Zo hadden wij er thuis ook eentje. Het ziet er ook uit als een ‘huisje’. De afgedankte spullen van het grote huis krijgen er een tweede leven. Zo stond er een oude kast van de woonkamer, met daarin een badmintonset, de frisbee, het croquetspel en enkele Jommekesboeken. Een huis op kindermaat. Onze oudste was onlangs op bezoek bij een vriend die zich een huis met tuinhuisje had aangeschaft. “Het rook in het huisje helemaal zoals in dat van oma”, zei hij. Een ietwat vochtige geur, maar ook de geur van vroeger. “Ja jongen”, zeg ik. “Niets grift zo diep in het geheugen als de geur”. Geen zin van mezelf, maar het klopt. Ondertussen is het in de frituur mijn beurt om te bestellen. “Voor mij twee frietjes Lex”, hoor ik mezelf zeggen.

Rudi Lavreysen
22 0
Tip

Het is een soep

Exact op het moment dat de kerkklok halftwee luidt gaat de automatische deur open. Ik kom op bezoek. Als ouders niet meer thuis wonen, valt meteen het woord 'thuis' weg. Het woord 'bezoek' komt in de plaats. Zelf zegt ze na een wandeling of een koffie "Doe me maar naar huis." Of als we op bezoek komen terwijl ze naar een activiteit is, zegt ze achteraf: "Nee, ik was niet thuis." Rond dit uur zit ze meestal te knikkebollen. Na een eerste babbel zetten we de tv aan. Het is buiten te guur voor een wandeling. De nieuwslezeres geeft de samenvatting van enkele onheilspellende berichten. Met opnieuw heel wat cijfers en maatregelen. "Het is me toch wat, met dat dinges, wat zeggen ze er ook weer tegen?" Precies alsof ze het virus niet wil benoemen. Zoals in de boeken over Harry Potter, waarin ze de naam van de boosaard Voldemort niet durven uitspreken. Hij-Die-Niet-Genoemd-Mag-Worden, zeggen ze in de plaats. We kijken samen naar de kookzender. Het is ondertussen een gewoonte. De chef-kok zit aan zee. Hij kan het smakelijk vertellen. Toen we 's avonds nog gelijk naar Dagelijkse Kost konden kijken, zei ze altijd lachend "Maar we kunnen niet proeven hè Jeroen", als hij vertelde dat het lekker was. De tv-kok heeft in de haven zijn ingrediënten bij elkaar gevist. Thuis waren we vroeger geen grote viseters. Tenzij rolmops, kabeljauw en bakharing. Die brachten ze op woensdag soms mee van de markt. De geur van de bakharing bleef nog een tijdje in huis hangen. En het was uitkijken met de visgraten. Chef-kok Johan brengt ondertussen alles in gereedheid voor zijn vissoep. "Hij gaat soep maken", zeg ik. Maar haar ogen zijn niet op de tv gericht. "Ja, het is allemaal een soep", antwoordt ze. Er valt iets voor te zeggen.

Rudi Lavreysen
92 4

het palladium en de paladijnen: verhalen van een dolle mens

Terneergeslagen als de naargeestige ochtendschemering stond ik aan de wastafel in mijn appartement sudoku’s op te lossen. Onderwijl schrobde ik met Oral-B 3D White Luxe Stralende Glans aan mijn dentale carrosserie zoals een gepensioneerde dat met bruine zeep doet tussen zijn huidplooien. Ziet u, de tanden zijn de poort naar de ziel en op de mijne was een beetje eelt komen te staan. Ik trachtte de immense leegte in mezelf te vergeten door lege rasters met getalletjes te vullen. Maar het hielp niet en ik kreeg de rigor vitae ook niet weggepoetst. Geen werk, geen geld. Geen zin, geen lusten om me te doen willen.   Ik was aan de levensbeschouwelijke putten overgeleverd en al wat me nu nog restte was mijn stralende glimlach – de afspiegeling van een oude innerlijke mij. Waarom komen de kansen nooit hiernaartoe? Het was die zin die me hier had gebracht, die verduivelde boutade. En verdomd, God is d… – het beletselteken slikte mijn uitroepteken in toen er gebeld werd. Het was wat laat voor Sinterklaas en wat vroeg voor Driekoningen, dus ik vreesde dat het de deurwaarder was die beslag kwam leggen op de rest van mijn levensbeschouwelijke krediet, omdat ik mijn achterstallige betalingen pleeg te verzaken. Maar er was niets meer dan ongeloof om van me te stelen, dus wat kon het ook. “Hebt u misschien een paar minuten tijd om over GOD te praten?” (De stem had het echt zo gezegd, met de ‘o’ en de ‘d’ ook als hoofdletter.) En ik had tijd! Enfin, een minuut of zeven later mocht ik hen al David en Sylvie noemen en waren we de beste maatjes. Mijn glimlach straalde naar hen en de hunne straalde terug. Ik was helemaal mee met hun verhaal vol (zedige) passie en vuur. Lidkaarten verkochten ze terstond en ik liet me met groot genoegen registreren. Hun benevelende betovering liet niet af – wierook noemen ze het zelf, het zat in hun parfum, het zat in hun tandpasta, het zat in hun poriën. Dat merkte ik toen ik me net iets te spontaan opgaf voor het vacante zitje in hun beleidsraad. Maar eerst kwam de beproeving (een sollicitatie of zoiets) en ik legde hun mijn grootse plannen uit. Plots bevonden we ons midden in een nachtelijke ceremonie. Overal zag ik groene driehoeken en rode pentagrammen.  Om me heen pulseerde een candide mensenmassa in het dreunende licht rondom een laaiende brandstapel. In de rechterhand omklemden ze een kandelaar. In hun linkerwang ronkte bij elk van hen een elektrische tandenborstel – zo een als ik altijd had gewild. Ze neurieden, mompelden een hymne. Omdat de tremor van het mondhygiëneapparaat hun woorden vervormde, kon ik de aard van het gezang niet thuisbrengen. De klanken waren prehistorisch. Hoe ha hoe ha hoe ha. Ik deed gewillig mee: hoe ha. De massa spleet driehoeksgewijs uiteen door de advent van enkele fakkeldragers. Met z’n vieren, gedost in het witste wit van ons allemaal, torsten ze een brancard.  Bij hen snorde de tandenborstel in elk van de twee borstzakjes – dat moest wel betekenen dat zij de notabelen bij uitstek waren. Hoe ha. Op de draagberrie lag een levenloze donkere figuur. Hoe ha. De armen en benen staken in vreemde hoeken omhoog en gingen schuil onder een donker deken dat een sterk getaande figuur verhulde. Hoe ha, hoe ha. Kordaat schreden ze verder, onder de hypnotiserende hymne. Hoe ha, hoe ha, hoe ha. De deken werd verwijderd, de figuur onthuld en zonder dralen op het vuur gekieperd. Zijn takjes knerpten en schreeuwden. “Hoe HA!” Beste kerstboomverbranding ooit.   Enfin, ik ben jammer genoeg niet aangenomen. Nog hoe ha mompelend liep ik even werkeloos als tevoren terug de trap op, mijn appartement in. David en Sylvie sloegen me bedaard gade.

Midas
9 1

De onvoorspelbaarheid

Een vriend vertelt me over zijn oma. "Vroeger keek ze graag naar tennis op tv. Vooral naar de wedstrijden met Kim Clijsters. Het was Kim hier en Kim daar. Maar ze kon niet zo goed tegen de wedstrijdspanning. Het was nog in de tijd van de videorecorders. Ze nam de wedstrijden waarin Kim Clijsters meespeelde telkens op. Als de tennismatch gedaan was, keek ze op teletekst eerst naar de uitslag. Pas dan kon ze de wedstrijd volledig bekijken. Als ze wist of Kim Clijsters gewonnen had of niet. De spanning was eraf."  "In het weekend naar een voetbalmatch kijken waarin ik meespeelde vond ze ook moeilijk”, gaat hij verder. “Als ik op de grond lag na een sliding of een tackel zou ze het veld opgelopen zijn. En roepen dat ze deed. Zelfs als ik mezelf bezeerd had bij een slechte tackel", lacht hij. "Het is een schitterend verhaal", zeg ik. Het is de spanning van een spel. Niet iedereen is er voor in de wieg gelegd. Ik heb het nog altijd met de sportwedstrijden van de kinderen. Maar ook met spannende films. Zeker thuis. Dan loop ik om de haverklap naar de keuken, waar ik wat sta rond te draaien. Als een leghen die een plek zoekt om haar ei te leggen. Ik trek er de koelkast nog maar eens open. Of ik schenk mezelf een glas water in terwijl er nog eentje op de salontafel staat. In de bioscoop ligt het natuurlijk een stuk moeilijker om telkens naar buiten te lopen. En al zeker om daar achter de toog de ijskast te openen. Als de suspense in de bioscoop te erg wordt, sluit ik mijn ogen tot het spannend stuk voorbij is. Het is de onvoorspelbaarheid. Niet weten waar het allemaal naartoe gaat. Eigenlijk weet je het nooit. 

Rudi Lavreysen
7 0

mijn vitrinekast toont me mijn grootste angst

Al meer dan twintig jaar bezat ik hem. Meer dan tweehonderd centimeter hoog, vooral doorzichtig en glas, maar aan de randen en staanders bleek aluminium. Een vitrinekast. Uiteindelijk mijn vitrinekast. Na de scheiding die niet echt was, want we waren niet in de echt verbonden, werd hij mijn deel. De ex van wie ik me afscheidde had een heel eigen beeld bij delen. Zij deelde me mede dat ik geen stoffelijke goederen uit onze huwelijkserfenis zou gaan ontvangen, anders dan die, die ik aan het begin van ons gevecht, op papier bedongen had. De vitrinekast was er daar een van. Toen het gevecht nog niet bloedig was. Toen ze nog in de overtuiging leefde dat ik me opnieuw zou schikken, hoofd buigen, slikken, toegeven, accepteren, incasseren, boete doen. Hoe wonderlijk was de bevrijding die in mij had plaatsgevonden, want al deze kwaliteiten die me bonden aan een vergiftigde en ongelijkwaardige relatie waren mij ontvallen. Niet dat ik ze kwijt wilde, dat ik er zelf aan gewerkt had ze van me af te schudden. Nee, ze ontvielen me op het moment dat ik mijn enige angst aankeek, doorheenkeek, achteruitkeek. In een week tijd loste mijn doodsangst op, verdwenen mijn nachtmerries. Met een meedogenloos mededogen hielpen de hulpverleners me erdoorheen. Zoals Gollem in de Ring loste de doodsangst op en nam al die kwaliteiten met zich mee het universum in. Tijd voor gewone angst nu. Die heb ik nog. Gelukkig, daaruit blijkt dat ik een mens ben als alle anderen. ‘t Blijkt dat ik, hoe verbazend, verbonden ben met mijn realiteit, onstoffelijk en stoffelijk. Al eenenvijftig jaar geleden verbond ik me, gedurende de doodsangst, met de meest zorgende en koesterende moeder: de aarde. Kiezelpaden trokken me aan, groene serpentijn, rode jaspis, witte kwarts. Ze gingen met me mee, in mijn jaszak, woonden in een sigarendoos, een spijkerkastje. Ik verzamelde ze, koesterde de kristallen en knuffelde de stenen. Altijd een vriendje bij me in de woestijn van overleven. Toen de tijd van geld verdienen aangebroken was kregen de mooiste mineralen een speciale plaats, in de vitrinekast. Zo werd die het omhulsel voor de levenslijn die moeder aarde me bood. En dus ging na bevrijdingsdag die kast met me mee, uit het oude huis, met veel moeite in een busje, vier verdiepingen omhoog naar mijn kloosterappartement. Eventjes was ik over the moon. Maar al gauw werd de realiteit helder: de vitrinekast is veel te groot voor mijn tiny house, en veel te groot als lijn naar de oude doodsangst. Loslaten gaat over het doorleven van angst, en loslaten gaat ook over het kiezen voor mijn actuele realiteit. Al pratend met de vitrinekast bleek hij te behoren bij de achterwaartse realiteit. Dus Marktplaats werd zijn deel. Hij zal vanaf nu modelautootjes bevatten, de passie van een ander omhullen. Adieu vitrinekast. Mijn omhulling werp ik met overtuiging van me af. Zodat ik mijn huidige angst kan aankijken. 

Marc Graetz
12 2

Grijs

Wat moet ik hem zeggen?Lachen? Huilen?, ik hoor het u denken.Eerlijk gezegd… Ik heb geen flauw idee. Het is in elke geval niet zwart- wit. Dat is het nooit.  Wie overwint, de dood op het leven? Of is het net omgekeerd?Over dat laatste heb ik de afgelopen tijd meer gefilosofeerd dan me lief is.Dood. Leven. Leven. Dood.In het ziekenhuis wist niemand het antwoord. De verpleegsters ontweken mij. En wanneer ze dan toch oogcontact maakten, kreeg ik enkel die blik. Die blik, die blik die ik nu ook in uw ogen kan gewaarworden. Medelijden.Bezorgdheid.Die blik wanneer je een aangereden kat ziet creperen op straat.Je zet je wagen aan de kant, je stapt uit en loopt naar het dier toe.Het kijkt je aan vanuit de donkere plas bloed waarin het zijn doodstrijd voert.De laatste aanblik die het dier zal krijgen. Ocharme, arm beestje, kon ik maar iets doen om te helpen….Terwijl jij de reden bent waarom het dier zijn doodstrijd voert.(stilte)Eigenlijk, als ik heel eerlijk mag zijn, eh.Wat u denkt. Of zegt. Het kan me geen zak schelen.Trouwens, ik heb momenteel wel andere dingen aan mijn hoofd dan me bezig te houden met wat u denkt.Ik heb nu iemand om voor te zorgen.Volledig afhankelijk van mijn zorgen.Ten dode opgeschreven zonder mijn toedoen..Een kleine jongen.Boris.Die naam hadden we enkele maanden geleden gezien, op de omslag van één of andere roman.We hadden in elkanders richting gekeken en uit haar glimlach had ik kunnen afleiden dat we hetzelfde dachten.We waren dan ook zo gelukkig toen de dokter ons het geslacht vertelde. Een klein jongetje.Diezelfde dag nog was ik naar de winkel gehold om enkele potten blauwe verf te kopen.De volgende dag was de babykamer al volledig geschilderd.Met een dikke verfborstel had ik kleine witte wolkjes geschilderd.Vier maanden voor de geboorte stond alles al klaar.Het wiegje, de babytafel, het nachtlichtje, enkele knuffels…Het klinkt stom, maar toen zij die avond mijn hand vast nam en haar hoofd op mijn schouder vleide…In die kamer. Met witte wolkjes om ons heen…Ik kan me niet herinneren dat ik ooit gelukkiger was.Daar in die kamer, met haar, met hem. Geluk.(stilte)In de volgende maanden hadden we alles gedaan om ons voor te bereiden.We leerden hoe je de ademhaling kon gebruiken om de bevalling aangenamer te maken.Hoe je in en uit diende te ademen op het ritme van de weeën.Op welke manieren je de pijn kon verzachten.Als dat al mogelijk was.We hadden ons op alles voorbereid. Of toch op bijna alles.(stilte)Elke dag weerklonk Mozart, Beethoven, Wagner of een andere componist, door ons kleine appartementje.We hadden ons laten wijsmaken dat het de ongeboren baby ten goede zou komen.Het zou bevorderlijk zijn voor zijn ontwikkeling, om te luisteren naar klassieke muziek.Eigenlijk waren we niet zeker of het wel zou werken.Maar aan de andere kant waren we te bang om het risico te lopen ongelijk te hebben.Je weet maar nooit.Kunt u zich nog iets herinneren van die periode?Uw prenatale periode?Ik ook niet.Haar buik werd elke dag boller en boller.Wanneer we in de zetel zaten en televisie keken, nam ze plots mijn hand en legde hem op haar buik.Ik voelde hem.Het is moeilijk om te beschrijven wat er dan allemaal door je heen gaat.Dit was de eerste ontmoeting met mijn toekomstige zoon.De eerste aanraking.Ons eerste moment samen.(stilte)Ik kan me nog perfect herinneren waar ik was toen ze mij belde.Ik zat op mijn werk, had net de knop ingedrukt op de koffiemachine, toen mijn gsm ging.Schat, het is het zover.Het duurde even voor deze woorden volledig tot me doordrongen.Ik nam mijn jas van mijn stoel en liep naar buiten.Van de weg naar het ziekenhuis kan ik me niets meer herinneren.Alles ging zo snel.Toen ik aankwam lag ze reeds met haar benen in de beugels, badend in het zweet.Het was duidelijk dat ze pijn had maar ze kon alsnog een glimlach tevoorschijn toen toen ze mij zag.(stilte)Ik kuste haar voorhoofd en nam haar hand in de mijne.Ze kneep hard.Zweetdruppels rolden van haar voorhoofd naar het topje van haar neus.De dokter en de vroedvrouw waren druk in de weer aan de andere kant van het groene doek.Ik hield mijn voorhoofd tegen het hare en probeerde haar te ondersteunen.Zonder succes.Van de lessen ademhaling kon ik me plots niets meer herinneren. Een black-out.Ze schreeuwde en kneep steeds harder in mijn hand.Meneer, zou u even buiten op de gang willen wachten?Natuurlijk niet. Ik wou hier blijven, we zouden samen bevallen. Zo hadden we het afgesproken.Meneer, u moet ons even ruimte geven.Haar hand kneep steeds harder.Ik voelde hoe een verpleegster mijn hand losmaakte en subtiel mijn schouder vast nam.Meneer, ga alstublieft naar de gang. Voor de gezondheid van uw vrouw. Van uw zoon.(stilte)Had ik nog iets kunnen doen?Ja.Ik had haar kunnen vertellen dat alles goed zou komen.Dat ik haar graag zag.Dat ik er voor haar zou zijn.Ik had zoveel kunnen zeggen.Maar ik zweeg en verliet de operatieruimte.(stilte)De daarop volgende uren waren de langste van mijn leven.Het was een komen en gaan van verpleegsters, dokters. Niemand kon mij iets vertellen over mijn vrouw, over mijn kind.Ik was alleen. In een witte gang, met mijn ogen gericht op de dubbele deur.Enkele ogenblikken geleden had ik haar nog horen schreeuwen.Nu was het stil.Ik dacht dat ze haar hadden verdoofd. Dat ze zou slapen en dat even later onze zoon aan haar zijde zou liggen.Dat ze weer wakker zou worden. (stilte)Ik bleef wachten.Meneer, ik weet niet hou ik u dit moet vertellen.Er waren complicaties, uw vrouw heeft het niet gered. We hebben alles gedaan dat we…Het werd zwart voor mijn ogen. Ik voelde mij steeds zwaarder worden.(stilte)Even later werd ik wakker.Ik openden mijn ogen en staarde naar het witte plafond.Was dit echt?Was ik wakker?Ik hoorde zachtjes gehuil en draaide mijn hoofd opzij.Daar lag hij.Boris.Mijn kersverse zoon.Ik durfde bijna niet te kijken.Ik voelde mij schuldig, omdat ik hem kon aankijken zonder te denken dat hij mijn vrouw had vermoord.Maar ik moest wel, ik was immers papa geworden.Boris hing vast aan mij en ik aan hem.Een onzichtbare navelstreng.Dezelfde navelstreng die mijn vrouw had gewurgd.(stilte)Gecondoleerd.Proficiat.Niemand in mijn omgeving wist hoe ze mij best konden aanspreken.Enkel die blik, die hadden ze allemaal. Die blik waarover ik u eerder al vertelde.Het kraambed van mijn vrouw was haar sterfbed geworden.De dood had leven gebracht.Of had het leven de dood meegebracht?Heb ik het recht om blij te zijn?Heb ik het recht om te rouwen met een pasgeborene in mijn armen?Waarschijnlijk ligt de waarheid ergens in het midden.Niet gelukkig. Niet ongelukkig.Eerder gevoelloos.Het leven is nooit zwart-wit.De vraag is hoe ga je om met de grijswaarden?

Jensvd
2 1