Lezen

IA: schrijf een verhaal stijl tom lanoye over lgbtq en de verhouding tussen de kunstenaar VERF ED

De ranzige geur van versgespoten lak en het bittere aroma van goedkope acryl hingen die avond als een wolk van subversie in het atelier. Het was het gezegende jaar 1979, de vroege schemering van een decennium waarin we de straat op moesten om ons luidruchtig te manifesteren, ver weg van de pluche salons van de kleinburgerij die ons het liefst onzichtbaar hield. We waren bijeengekomen in de creatieve chaos van Verf Ed—zelfverklaard interdisciplinair artiest, nèn tjolder, nèn trotse prutser, maar bovenal de visuele architect van onze naderende revolutie.Daar stond hij, Ed, met vlekken op zijn overal die de topografie van zijn getormenteerde ziel weerspiegelden. In zijn hand hield hij geen fijne marterharen penseel om brave stillevens voor de Antwerpse bourgeoisie te schilderen, maar een brede, druipende kwast vol gitzwarte teer en neonroze pigmenten. Rondom hem stonden de betalende geldschieters en de spirituele paria’s van zijn nieuwste, megalomane LGBTQIA+-concept: Christopher Street 1979."Kijk naar dit doek!" brulde Ed, terwijl hij met een theatraal gebaar een klodder verf op het spierwitte linnen smeet. De spatten vlogen in het rond, rakelings langs de onberispelijk gestreken hemden van de toeschouwers. "De bourgeoisie snakt naar decoratie! Ze willen kunst die past bij het behangpapier van hun steriele salons! Maar ware kunst moet schuren, godverdomme! Het moet de rijke, corrupte kleinburgerij van hun ivoren voetstuk sleuren! Onze lichamen, onze seksualiteit, dat is geen discrete zonde voor de achterkamers. Dat is een politiek manifest op canvas!"Aan de rand van het atelier, nippend van een glas lauwe, zurige witte wijn, stond de jonge Lanoye toe te kijken. Met zijn ziekenfondsbrilletje en zijn toen al veel te grote mond observeerde hij de dynamiek tussen de schilder en zijn publiek. Onder de aanwezigen bevonden zich de fine fleur van de opkomende Vlaamse avant-garde: theatermakers in spe, dwarse intellectuelen en extravagante nachtvlinders die hun intrek hadden genomen in de underground van de Cinderella's Ballroom. Ze knikten instemmend, gevangen door het brute charisma van de man die weigerde om zich aan te passen aan de wetten van de markt."Ed, jongen," smaalde een van de aanwezige critici, een man wiens das zo strak zat dat het zijn artistieke bloedsomloop leek te stremmen. "Je politiseert de esthetiek. Kunst hoort universeel te zijn, los te staan van de vleselijke lusten en de politieke waan van de dag. Wat heeft deze smiechtige homoseksualiteit te zoeken in een galerie?"Ed keerde zich om, de kwast geheven als een zwaard waarmee hij de reactionaire draak van de moraal eigenhandig wilde villen. "Universeel?!" sneerde hij, zijn stem overslaand van een mengeling van sarcasme en heilige woede. "Uw universum is een gevangenis van heteronormatieve middelmaat! Als een kunstenaar zijn eigen begeerte, zijn eigen politieke strijd om te mógen bestaan niet in de verf gooit, dan maakt hij geen kunst, dan maakt hij behangpapier! Christopher Street is geen gril, het is een opeising van de publieke ruimte. Wij schilderen de revolutie met de kleuren van onze eigen schaamte en onze eigen triomf!"De verhouding tussen de kunstenaar en de politieke strijd was die avond glashelder: de kunst was niet het instrument van de revolutie, de kunst was de revolutie zelf. Elke streek van de kwast was een weigering om te zwijgen, een weerspannige daad van een bende creatieve vogelvrijen die weigerden om te smeken om tolerantie, maar die hun recht op existentie opeisten met de rauwe, stinkende realiteit van vloeibaar pigment. Als je wilt, kunnen we deze artistieke confrontatie nog verder inkleuren. Laat me maar weten:Moeten we de dynamiek met andere specifieke figuren uit de Antwerpse underground van 1979 (zoals de stamgasten van Cinderella's Ballroom) verder uitwerken?Wil je dat de focus meer verschuift naar de interne worsteling van de kunstenaar met zijn eigen 'porno-erotische' oeuvre?Zullen we de sprong maken naar hoe deze kunstvorm later botste met de opkomende aids-crisis in de jaren tachtig?   AI kan fouten maken, dus dubbelcheck de reacties      

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser. BIO.
0 0

Leren lezen.

COBRA COPENHAGEN BRUSSEL AMSTERDAM  Het begon allemaal waar ik toen woonde.Ik woonde niet in een grote stad.Ik woonde niet in een kleine stad.Ik woonde niet in een groot dorp.Ik woonde niet in een klein dorpje.Ik woonde op de grens van twee onooglijke dorpjes.Nu beschouwd ik het als een fantastische plek om als kind te woonen.Buiten tientallen cafés waar de buurt tijdens hun schare vrije tijd elkaar opzochten was er niks. De boerderij waar we als kinderen in het hooi speelden. De straat.Op die plaats zette mijn grootvader, een overlevende van de eerste Wereld oorlog,  mij op zijn knieën.Hij toonde met zijn vinger de tekst boven het stripverhaal in de krant. ZONDER HANDEN ZONDER TANDEN. Het kapoentje. Waarschijnlijk was ik zo nieuwsgierig dat ik alles wat ik vond probeerde te lezen.De non die mij moest leren lezen vond het nogal vervelend want ik kon al lezen.Het ergste was ik werd ver gehouden van boeken.Een van de dingen die ik toen als kind deed: ik las advertenties in de krant en ik schreef ernaar. Ik leerde als ik naar een ambassade van een land schreef ik massaal informatie van die landen toegestuurd kreeg. Zo stond  er op een dag een vertegenwoordiger van bakkerij producten voor de deur en die vroeg aan mijn moeder of ze een bakkerij wou beginnen.Het verschrikking was, ik mocht geen  boeken lezen. Op een dag, toen mijn moeder ontdekte dat  ik een boek lag te lezen, scheurde ze het boek en stak het in brand in ons tuintje. Want op die plaats waar ik woonde was het enige haalbare arbeider worden. Zodanig sjokte ik op 14 jarige leeftijd het fabriek binnen.  Ondertussen heb ik menig bibliotheek uitgelezen. Van Asimof, dunas, de hobits, Don Quichot en vooral het leven van Miguel de Cervantes naar mijn nieuwe ontdekking. In Antwerpen waren er boeken winketjes waar voor enkele franken een vloed aan tweedehandse boek te koop waren. Mijn nieuwe ontdekking Bart Van Loo. Door zijn Napoleon begreep ik eindelijk de Franse revolutie. De Bourgondiërs en stoute schoenen lees ik in een ruk uit. Hij is overal, toevallig deed ik de radio aan en wie hoorde ik den bart. Nu reis ik in zijn MIJN FRANKRIJK. Hem achterna.DANK U BART VOOR ZOVEEL LEES WEELDE. ************************************ De symptomen zijn duidelijk. Zodra je aan een goede Dumas begonnen bent, valt die moeilijk opzij te leggen. Als je dat nillens willens toch moet doen, kijk je de hele tijd uit naar het moment dat je de roman, weer ter hand kunt nemen. Eenmaal opnieuw vertrokken begin je na verloop van tijd halve zinnen over te slaan, en lijkt het nu en dan of je over je ogen struikel. Niet zelden bedek je met je rechterhand de volgende bladzijde om je voor valsspelerij te behoeden. Spreek gerust van acute literaire verliefdheid, vlinders in de buik, buikliteratuur. Een boek verslinden, heet zoiets dan clichématig. Bart Van LooIn Mijn Frankrijk. Over Alexander Dumas

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser. BIO.
2 0

Mijn schuld

Onder het motto 'Er is geen betere leerschool dan het leven zelf' brachten we in onze studentenjaren minstens evenveel tijd door op caféstoelen als op de schoolbanken. Ik heb niet alles onthouden van die jaren (mocht u iets anders denken: het is gewoon te lang geleden), maar Staf staat me nog helder voor de geest. Hij was barman in een van die etablissementen en gaf Nederlands in een middelbare school, maar in de avonduren kluste hij wat bij. Als barman, maar ook als filosoof en politicus. Als we op het einde van de avond vroegen wat onze schuld was, antwoordde hij vaak met dit: “Jullie schuld? Dat is 750.000 frank per persoon, hè mannen. Ge weet toch dat elke Belg met dat schuldbedrag geboren wordt?” Op een avond, toen we als laatsten aan de toog zaten, ging hij verder over dat woordje schuld. “Jullie weten toch dat schuld een prachtig homoniem is?” Als we het al wisten, konden we er die nacht zeker niet opkomen. “Een woord dat exact hetzelfde is, maar een totaal andere betekenis heeft. Zoals een kater, dat kennen jullie wel. Het is een kat, maar ook datgene wat jullie morgenvroeg gaan hebben. Bij schuld is dat ook zo. Ge hebt de juridische term, waarbij iemand schuldig is aan een overtreding of een misdaad. Maar er is ook een financiële betekenis. Het bedrag dat jullie nu moeten betalen. Dertig frank de pint, maal tien, dat is 300 frank per man.” Ik speelde in die jaren op zondag nog voetbal. Als er iemand langs de zijlijn riep dat het mijn schuld was dat die aanvaller had kunnen scoren, had ik veel zin om te antwoorden dat vooral de regering veel schulden had. Maar ik zei het natuurlijk niet. Dat was voor de weekdagen, aan de toog, bij Staf.

Rudi Lavreysen
6 1

Verboden vrucht

De zaal zat stampvol. Een kakafonie van lachende stemmen weerkaatste tegen het hoge plafond van de eventhal, en rond de hoge bartafeltjes klonken glazen tegen elkaar. Het oktoberzonnetje maakte overuren boven Oostende. In de Wellington renbaan hing een drukkende warmte, en af en toe wapperde een weeë geur van zweet langs mijn neus. Ik had haar meteen gespot. Al mijn zintuigen sprongen op scherp. Ik voelde de bekende hitte in mijn onderbuik opkomen. De laatste jaren lukte het me steeds beter om mijn driften te onderdrukken, maar vandaag wist ik het zeker: dit ging ik niet winnen. Ik draaide me demonstratief om en probeerde de buikademhaling die ik van de psycholoog had geleerd. In. Uit. Een zacht kreungeluid ontsnapte tussen mijn stembanden. Een vrouw van middelbare leeftijd keek me hooghartig en geschrokken aan. Ik gaf haar een blik terug die zei: bemoei je met je eigen zaken. Het hielp niets. Mijn verdrongen roofdierinstinct was terug van weggeweest. Ik moest haar hebben. Nu. Als in slow motion laveerde ik tussen de bezoekers door. Mijn prooi bevond zich aan de stand van restaurant North. Ik kende die zaak goed. In mijn vorige leven at ik er bijna elke dag. Nee, niet eten. Schrókken. Ik schudde mijn hoofd. Daar wilde ik niet aan herinnerd worden. ‘Dag meneer, wilt u proeven?’ Ik keek op, recht in de vragende ogen van mevrouw Peeters, de eigenares. Haar blik wekte een steek van schaamte en woede in me op. Ze herkende me niet. ‘Nee, dank u. Ik snuister wat rond.’ Ze knikte beleefd. Ik grijnsde. Honderdtwintig kilo minder en volledig incognito. Leve meneer Ozempic! Maar mijn zelfbeheersing brokkelde af. Ik voelde haar brandende aanwezigheid in mijn rug. Vanuit mijn ooghoeken hield ik haar in de gaten. Nog heel even. Nog heel even. Plots hoorde ik een enorm gekletter vlakbij. Een lichtjes aangeschoten vrouw had de ober met haar elleboog gestoten, en zijn volle plateau spatte uiteen op de grond. Scherven vlogen in het rond, alle hoofden draaiden die kant op. Niemand keek naar mij. In een milliseconde greep ik mijn kans. Ik graaide haar ruw mee en sleurde haar naar het toilet voor mindervaliden. Ik sloot de deur, vouwde mijn beide handen om haar heen en beet toe. Als in een slapende vulkaan ontwaakten alle verlangens en dromen die ik jarenlang had onderdrukt. Haar knapperige, roestbruine schil brak open en het heerlijke sap droop over mijn kin. Kreunend bereikte ik een ontploffing van genot en zeeg neer tegen de wand. Met het geduld van een seriemoordenaar verorberde ik haar tot de laatste kruimel. Ik had geweten dat ze me niet teleur zou stellen. Mevrouw Peeters maakte nu eenmaal de beste garnaalkroketten van Oostende.

Sfieke
4 0

Vergissingen

Als kleuter presteerde ik het ooit om na het rinkelen van de schoolbel achter op de fiets van een mevrouw te springen van wie ik abusievelijk dacht dat het ons ma was. Ze droeg dezelfde beige regenjas. Toen ik haar aanspoorde met een "Allez, ju ma", keek ze achterom en viel ik van het verschieten bijna van het stoeltje. Een mens kan zich vergissen. Ondertussen is die lapsus opgeborgen in de nevelen van de tijd en dacht ik alles gezien en gehoord te hebben. Maar ook daarin vergiste ik me. Zo ging ik afgelopen zomer op een warme ochtend nietsvermoedend puffend de deur uit. Met een ovenvers brood in de ene hand en een zakdoek in de andere om het vroege zweet te deppen, liet ik kort daarna diezelfde neusdoek van het schrikken bijna vallen. De oorzaak was een uitroep van een voorlopig verborgen mevrouw. "Doeme, Rudi, luister nu toch." Het kon natuurlijk zijn dat een naamgenoot op dat ochtenduur al naar zijn voeten kreeg. Er bekroop me een gevoel van compassie, want wij Rudi's steunen elkaar. Kort daarna stootte diezelfde stem een tweede reprimande uit. "Zit, Rudi. En wel nu meteen." Dat ging me toch wat ver. Ik besloot de stem van de mevrouw te volgen. Ze kwam van achter het steegje. Maar daar zag ik alleen een mevrouw die in de weer was met haar hondje. Pas toen ik "Allez Rudi, kom" hoorde en het hondje vervolgens traag op gang kwam en me droevig aankeek, alsof het dier ook besefte wat er gaande was, begreep ik het. De hond was een naamgenoot. Dat had ik niet zien aankomen. Daarom een oproep aan alle Eriken, Danny's en Patricken. Verschiet niet, want binnenkort zijn jullie aan de beurt. Al is het van den hond, laat daar geen twijfel over bestaan.

Rudi Lavreysen
12 0