Lezen

Elke dag

“Ik kom al van Kerkhoven”, zegt Dré. Hij arriveert ’s morgens vroeg net na mij bij de krantenwinkel. Het is een donderdag in juni en al behoorlijk warm. Hij draagt een witte fietshelm. Zijn lichtgrijze, bijna witte haren komen onder de helm uit. Zijn donkergrijze pantalon en wit hemd matchen helemaal met de helm en het haar. “Ik dacht dat ze om half zeven open deden”, zeg ik. “Nee nee, zeven uur. Nog vijf minuten”, zegt Dré. Het is mijn eerste gesprek van de dag. Mijn vrouw was al naar haar werk toen ik opstond. Hij moet nu bijna negentig jaar zijn. Ik ken hem al van mijn kinderjaren. Mijn ouders kochten er hun meubels. De slaapkamer waarvan ik pas onlangs de kleerkast heb weggedaan, was wellicht het laatste meubelstuk dat ze er kochten. “Van Kerkhoven? Dat is een half uur heen en een half uur terug”, zeg ik. “Met mijn elektrische fiets is dat iets minder”, antwoordt Dré. “Ik ben altijd voor zes uur wakker.” “Ge zijt weer te vroeg Dré”, roept een man vanop het terras van het aanpalende café. Het is me niet meteen duidelijk of het de eigenaar of een zeer vroege bezoeker is. Hij is ongeveer van mijn leeftijd, maar komt me niet bekend voor. “Het is ook elke dag hetzelfde met u.” “Nee, gij zijt te vroeg”, lacht Dré. Iets minder luid. Met zijn negentig jaren gaat roepen hem niet zo goed af. Een andere man voegt zich bij ons. Kalend, maar toch met een snor. Zijn linkerhand steekt in zijn broekzak. Ik hoor hem zenuwachtig met kleingeld rammelen. “Daar is ze weer”, zegt hij plots, terwijl hij naar het pleintje kijkt. “Elke dag opnieuw.” Het is duidelijk dat hij Dré vaker op dit ochtendlijk uur voor de deur van de krantenwinkel treft. Ook Dré kijkt naar het rode autootje dat er stopt. Op de schoot van de bestuurster zit een hond. Hij kwispelt uitgelaten met zijn staart. Vanwaar wij staan lijkt het alsof het de ruitenwissers van de auto zijn die op en neer gaan. Maar het regent niet. “Elke morgen om klokslag zeven uur komt ze haar hondje uitlaten”, zegt Dré. “Met de auto”, voegt de andere man er aan toe. We horen een sleutel in een slot omdraaien. Het is zeven uur. De winkel gaat open. De man heeft het kleingeld ondertussen uit zijn broekzak gehaald en glipt als eerste naar binnen. Recht naar de ijskast met frisdrank en bier. “Gaat gij maar eerst”, zegt Dré tegen mij. “Gij moogt nog gaan werken.” Bij het buitenkomen hoor ik de mevrouw op het plein tegen haar hond praten. “Hij is braaf hè”, zegt ze alsof ze het tegen iemand anders over haar hondje heeft. Terwijl ik op mijn fiets spring, steekt Dré zijn krant in zijn fietstas. “Veel leesplezier”, zeg ik. “Och, het is toch elke dag van hetzelfde”, zegt hij.

Rudi Lavreysen
32 0

De mug en de krant

Regen op vakantie is zoals een mug in de slaapkamer. Vreselijk ambetant en in beide gevallen komt een krant van pas. Om boven je hoofd te houden zodat je minder nat wordt of om de mug naar de eeuwige zoemvelden te helpen. Een tablet is hiervoor minder geschikt. Ooit geprobeerd, maar de buren waren niet blij. Net als mijn tablet. Let wel, bij regenbuien is mijn krant niet meteen een standaard beschermingsmiddel. Het is zonde voor het werk dat al die journalisten er dagelijks aan besteden voor het leesvoer van morgen. In het stadje waar we vertoeven motregent het. De vervelendste onder de buien. De naam is niet afgeleid van het willen geven van een ‘mot’, maar van ‘modder’. We zien een terrasje waar het aangenaam schuilen is, als zoiets al bestaat, en waar een bord met een Belgisch streekbier de gevel opvrolijkt. “Binnen bestellen”, staat op de menukaart. Het geeft ons de tijd om rustig na te denken. Het wordt een cappuccino, een groene thee en een warme appelcrumble. De streekspecialiteit staat er. Al heb ik dat op meerdere plaatsen gezien. Het streekbier is voor de tweede ronde. Mijn vrouw is te snel terug buiten om iets besteld te kunnen hebben. “Hier is geen café”, zegt ze. “Het is een antiekwinkeltje.” De gelagzaal is blijkbaar verder in de zaak. We hadden het bord met ‘brocanterie en taverne’ niet gezien. Als we binnen afrekenen is het internet uitgevallen. De uitbaatster kan een dialectvloek niet onderdrukken. Met de bankkaart betalen is geen optie. “Ik kijk of ik nog een paar dukaten in mijn geldbuidel heb”, knipoog ik. “Daar had je vroeger inderdaad geen last van”, lacht ze met een blik op haar antiekspullen. Bij het buitenkomen heeft de motregen er ook de brui aan gegeven. “Heb jij het ook zo warm?”, zeg ik.

Rudi Lavreysen
7 0

Geposeerd

"Bij de grote boom of bij het tuinhuisje?" Dat moet de vraag ongeveer geweest zijn, net voor het nemen van de communiefoto na de mis. Ik moest in oktober van dat jaar nog twaalf worden. In de hoek van het gazon stond een hoge naaldboom. Onze bal verdween er wel eens achter. Bij de struiken iets verder was het nog erger als de bal erin terecht kwam. Dan haalden we de hark uit de barak. Iemand moest dan halfweg in het struikgewas kruipen om de bal eruit te harken. De spinnenwebben waren er altijd. De keuze voor de plechtige communiefoto viel op het tuinhuisje. "Kom Maria, dan moeten wij ook op de foto”, hoor ik de man van mijn meter nog zeggen. Als de peter en de meter met de communicant op de foto mochten, dan iedereen, grapte hij. Hij had altijd een frats of een zwans in huis, waardoor hij een situatie helemaal kon ombuigen. Je ziet het aan de spontaan lachende gezichten op de foto. Zes jaar eerder, bij mijn eerste communie, stond ik bij die grote naaldboom in de hoek van het grasveld te poseren. Iemand had me gezegd om een blaadje van de boom vast te nemen, om wat losser op de foto te staan. Het tegendeel gebeurde. “Wat was er met die boom aan de hand, dat je die vastpakt”, zeggen mensen als ze de foto zien. Mijn communiekostuum, dat mag je letterlijk nemen, was ook niet bevorderlijk voor de spontaniteit van de situatie. Het was een lichtblauw pak voor een volwassen man maar dan in miniformaat, met olifantenpijpen zo breed dat je er een voetbal in zou kunnen verstoppen en tevoorschijn halen. Zoals een goochelaar een konijn uit zijn hoed tovert. Het leven kan soms als de mode zijn. Alles komt terug, als je het maar lang genoeg laat liggen.

Rudi Lavreysen
3 0

Ben ik een aap?

Onze jongste heeft vrienden op bezoek. Of het niet stoort, vraagt hij vooraf. Natuurlijk niet. Het gezelschap zet zich aan de tafel in de woonkamer. De gezelschapsspellen liggen klaar. "Ben ik een aap?" is de naam van het eerste spel. Je zet een haarband op je hoofd waardoor je op een tennisser uit de jaren '70 en '80 lijkt. Al waren dat naast haarbanden ook zweetbanden. Ze werden niet voor niets bekend door de 'Zweed' Björn Borg. In die band steek je een kaartje met de naam van een dier of voorwerp dat je moet raden. Zoals een aap of een schroevendraaier. Het is lachen. Luid lachen. Het is niet de eerste keer hij deze vrienden op bezoek heeft. Mijn vrouw twijfelt een seconde, maar ze trekt toch gewoontegetrouw haar pyjama aan om op de bank naar tv te kijken. Pyjamas, zeggen ze in het Engels, omdat het uit twee stukken bestaat. Net zoals ze tegen een broek trousers zeggen, want het zijn twee broekspijpen. Een bril bestaat uit twee glasses. Zal ik dat weetje op de speeltafel gooien? Nee, best niet. Ik zou voor aap staan. Het tweede spel is zo mogelijk nog luidruchtiger. Gelukkig heeft onze tv-serie ondertitels. Maar we vinden het niet erg. Plezier zien is plezier hebben. Jenga heet het spel. Het jengelt ook een eind weg. Zeker als de blokken op tafel kletteren door de ongelukkige die een steunbalkje uit de toren haalt. Het is de kunst om het niet te laten gebeuren. Ik schrik me telkens een aap. Weeral die aap. Ze zijn vanavond precies alomtegenwoordig. Misschien moet ik zo rond slaaptijd mijn beste Tarzan-imitatie uit de kast halen. Ik kijk naar mijn Jane, maar die is door het spelplezier heen in slaap gevallen. Ook een kunst.

Rudi Lavreysen
5 0

De hond

Het is een vraag die er in mijn geval niet toe doet, omdat ik er geen heb, maar wat is een goede naam voor een hond? Ik vraag het me af. In een mooie reportage over een Nederlandse boekhandel lees ik dat de hond des huizes er naar de naam Tsjip luistert. Naar de titel en het personage uit de gelijknamige roman van Willem Elsschot. Tsjip was de koosnaam voor zijn kleinzoon. Het doet er me aan denken. Laat ik deze zomer nog wat werk van Alfons Jozef de Ridder herlezen. De tijd lijkt dan altijd wat langzamer te gaan. “Goed gekozen”, zeg ik luidop tegen de uitbaters van de boekhandel, die het niet horen want ik zit alleen in huis met de krant. “Tsjip. Tsjip.” Ik zeg het een paar keer luidop. Maar goed dat mijn huisgenoten er niet zijn. Ze zouden denken: ‘nu moeten we er toch iets aan doen, hij begint als een vogel te fluiten.’ Tsjip. Wat klinkt het goed. Ik zou mijn hond ook geen mensennaam geven. De naam moet trouwens ook bij de gestalte van de hond passen. Tsjip is een teckel, zo lees ik en zie ik op de foto in de krant. Een dobermann met dezelfde naam zou bespottelijk zijn. Een naam naar een personage uit een boek is ook een goed idee. Het springt me zo een-twee-drie niet te binnen welk personage ik zou kiezen, maar het is een klein onderzoek waard. ’s Avonds bij de tv, terwijl ik met mijn hoofd nog bij het onderzoek naar de hondennaam zit, betrap ik me erop dat er een ‘Tsjip’ uit mijn mond ontsnapt. Ik zie mijn vrouw met een half oog naar me kijken. ‘Tsjip Tsjip’, zeg ik.

Rudi Lavreysen
7 0

Het antwoord

We fietsen langs de zaak waar we met ons ma ooit naartoe gingen voor een koffie na de middag. Niet ver van het appartement waar ze woonde. Voor het pand staan twee achtergelaten terraspanelen. Ze vormen samen een hoek en staan er ietwat verloren. Ze lijken de herinnering te bewaren van het café dat al jaren leeg staat. We zijn op weg naar het woonzorgcentrum. Het is opnieuw mooi weer, dus het coronabezoek kan buiten doorgaan. Ze zit al klaar aan haar zijde van de nadarhekken, die met slingers mooi versierd zijn. We zwaaien van ver. Ook staan er plastic windmolens, zoals op het strand. Ze doen goed hun best, alsof ze willen zeggen: zelfs dit waait wel over. Ik zet mijn linkervoet op de onderste richel van de nadar, anderhalve meter tegenover haar. “We staan hier precies alsof we naar de koers aan het kijken zijn,” zeg ik luid. In een glimp zie ik ons allemaal met een koerspetje op het hoofd. Ik heb er eentje van Roger De Vlaeminck. Vraag me niet waarom. De koers brengt verhalen mee. “Weet ge nog dat vroeger zich wel eens een coureur in de garage kwam omkleden,” zeg ik. “Bij de kermiskoers.” De renners kregen dan een stoel en een teil water om zich te wassen na de wedstrijd. Een basseng, zei grootvader. Niemand had een mobilhome om naar de kermiskoers te trekken. Terug thuis, in de keuken, valt mijn oog op de kaart die we in het begin van de lockdown van haar kregen. We hadden er ook eentje gestuurd. Ze schrijft niet meer zoveel, je ziet het aan haar geschrift. Het is een geruststellende kaart met slechts drie zinnen: “Ik krijg mijn tijd wel om. Het is hier goed. We hebben niets tekort.” Moeders weten meestal, ook ongevraagd, het antwoord.

Rudi Lavreysen
8 0

Florence, 39 jaar

1944Trein Oostende-BrusselEr zijn genoeg lege banken in deze wagon, maar ik ben toch maar tegenover die meneer gaan zitten. Hij ziet er vriendelijk en deftig uit. Welgemanierd is hij ook. Hij vraagt of ik er bezwaar tegen heb dat hij zijn pijp aansteekt. Ik schud mijn hoofd en geef hem mijn schoonste glimlach. Ge moet de mensen tegemoet komen, ik zit niet graag alleen. Het kan gemakkelijk een uur of vier duren eer we in Brussel zijn. Als er tenminste geen vertragingen zijn.  Hij haalt een boek uit zijn boekentas en begint te lezen. Spijtig, ik had graag een babbelke gedaan. Er zit een blauwe kaft rond zijn boek. Een zorgzame mens, dat ziet ge.  Er staan prentjes in van bloemen en planten. Curieus.  Zeker geen sukkelaar, aan zijn vest en zijn broek te zien. Zijn schoenen blinken. De mijne ook. Ik ben blij dat ik mijn beste jas en mijn visonkraag heb aangedaan. Ge kunt onderweg nooit weten wie ge tegen komt. Hij draagt een trouwring. Spijtig. Een fatsoenlijke man is moeilijk te vinden voor een weduwe gelijk ik. Ofwel zijn ze getrouwd, ofwel zijn ze in dienst. Van soldaten moet ik niets hebben. Die zijn hun zelve niet in deze tijd.  Als we Gent gepasseerd zijn, zal ik mijn boterhammen bovenhalen. Misschien wil hij er een.  ‘Een stutte?’ vraag ik.Ik steek een boterham met gebakken eieren in zijn richting. Er vallen wat kruimels op de bladzijden van zijn plantenboek. Hij blaast ze weg en kijkt op.  ‘Een stutte? Gij komt zeker van Bachten De Kupe?’ ‘Nee’, zeg ik, ‘van Watervliet’ ‘Watervliet, daar is geen station’, zegt hij.  Ik vraag hoe hij dat zo goed weet. Is hij al eens in Watervliet geweest, misschien?  Nee, hij werkt bij de Spoorwegen. Hij kent alle stations van Vlaanderen en Henegouwen uit zijn hoofd.  Ik vertel hem dat ik in Watervliet bij mijn moeder geweest ben en daarna bij een tante in Brugge. Nu ben ik onderweg naar Brussel want ik werk in de bakkerij van mijn nonkel. Morgenvroeg moet ik om zes uur de winkel opendoen.  Hij vraagt waar die bakkerij ergens is. Toch wel vlakbij zijn werk zeker! Is dat niet toevallig? Hij zegt dat hij bij mij eens koeken zal komen kopen. Tijdens de middag maakt hij soms een wandeling in de straten rond het Noordstation. Ik vraag of hij misschien naar zee is geweest. Hij steekt zijn boek in zijn boekentas. Veel van de zee heeft hij niet gezien, hij was daar voor zijn werk. Bij de spoorwegen moet ge nogal eens op zondag werken. Hij vindt dat niet erg, dan kan hij in de week soms een dag op zijn gemak thuisblijven en in de hof werken.  Of hij kinderen heeft, vraag ik, want dat hij getrouwd is, weet ik al. Een dochter van zeventien, op pensionaat in de Staatschool van Laken. En zijn vrouw dan? Zit die dan alleen thuis?  ‘Ze is schooljuffrouw in de gemeenteschool in ons dorp.’ En dan zwijgt hij. Ik ben misschien te nieuwsgierig geweest. We kijken wat door ’t venster en weten niet meer goed wat te zeggen. Het landschap wordt al heuvelachtiger en meer bebouwd. We naderen Brussel. Als hij in mijn richting kijkt, lach ik nog eens.  Hopelijk komt hij morgenmiddag naar de bakkerij. Dan zal ik hem eens goed bedienen. Ik kan hem laten proeven van onze frangipanekoeken. Het zijn de beste van Brussel en omstreken.

Christine Van den Hove
0 0