Lezen

Brugse schurken

We stappen door Brugge. Het is altijd fijn terugkomen in de stad van ridders, heiligen, schurken en ander geboefte. Er is veel volk op de been. Niet zozeer de mensen uit de vorige zin, dat is lang geleden, maar eerder toeristen uit alle windstreken. Wat ook opvalt? Het gemotoriseerd verkeer blijft samen met de koetsen door smalle straten rijden. Het is uitkijken geblazen, of ze maaien je van de weg. Een fietser zie ik ei zo na gekneld raken tussen een vrachtwagen en de rand van het voetpad. Moeilijk om te begrijpen, net zoals hun taaltje. Als we de volgende ochtend voor dag en dauw in de Wulfhagestraat wandelen, zien we voor ons door de ochtendmist de toren van de Sint-Salvathorskatedraal opduiken. Ik kan me voorstellen dat zoiets in de middeleeuwen een nog meer mystiek beeld was.  Iets later gaan we de supermarkt met de leeuw binnen, brullend van de honger bijna. Ik wacht in het portaal om de zaak wat af te kijken. Een afwijking van mezelf, genezing is niet nodig. Een man rekent af aan de kassa. Zijn boodschappentrolley staat naast hem. Hij ziet niet dat een binnenkomende man een ‘sssst’-gebaar maakt naar de kassière. Met zijn wijsvinger op de lippen. Hij neemt de trolley van de man en zet die opzij. De eerste man wil zijn portefeuille in de trolley steken en schrikt dat die niet op zijn plaats staat. Hij kijkt opzij en daar ziet hij de andere man lachend staan. Ze kennen elkaar. “Maar gij schurk”, zegt hij. Samen met de mevrouw aan de kassa lach ik met het vrolijke tafereel. Daarna zeggen ze iets dat ik niet begrijp, enkel ‘tot straks’ versta ik. Vervolgens gaan ze elk hun weg, met de trolley achter zich aan. Zoals moderne ridders in Brugge. Schurken zijn het niet.

Rudi Lavreysen
10 1
Tip

Ctrl+Alt+Del liefde (2e versie)

‘Verdomme. Wie had bedacht dat dit een goed idee was?’ Ik keek naar mijn broek. Mijn moeders skinny jeans. Hij zat zo strak rond mijn middel dat ik er vrijwel zeker van was dat mijn ingewanden inmiddels in alfabetische volgorde lagen. Ik miste mijn afhangende skaterbroek. Mijn skaterbroek en ik hadden een gezonde relatie gehad. Hij accepteerde mijn buik, ik accepteerde zijn gebrek aan ambitie. We hadden elkaar nooit proberen te veranderen. Deze broek daarentegen leek persoonlijk beledigd door mijn bestaan. Op de sleehakken die ik van Tina had geleend – ‘Ze maken je benen echt lang!’ – navigeerde ik als een dronken flamingo over de kasseien van de Binnenstraat. Voor me doemde de verlichte gevel van pizzeria Saporito op. Mijn maag maakte een salto. Ik kon nog omkeren. Niemand zou het weten. Ik zou gewoon naar huis gaan, mijn pyjama aantrekken en de rest van mijn leven doen alsof internetdating een vreemde rage uit een ver verleden was. Mijn broekzak trilde. Mama. Veel succes vanavond! Probeer vooral niet jezelf te zijn. xx mama Ik las het bericht twee keer. Daarna grinnikte ik. Fijn. Mijn eigen moeder had blijkbaar ook al vastgesteld dat ‘mezelf zijn’ vanavond niet bepaald de winnende strategie was. Ik voelde me inderdaad allesbehalve mezelf. Ik droeg haar broek, Tina’s schoenen en een persoonlijkheid die voor de gelegenheid ergens tussen ‘zelfverzekerde vrouw’ en ‘vrouw die waarschijnlijk over haar eigen voeten gaat struikelen’ schommelde. Maar ik had besloten dit te doen. Of toch te proberen. Er moest iets veranderen in mijn leven. Dit was de eerste stap. Een kleine stap. Op een paar gigantische pumps. Maar toch. De vraag was alleen: hoe zou híj eruitzien? Zijn datingprofiel hielp niet echt. De enige foto was een soort Manga-lookalike. Een gezicht met de perfecte kaaklijn, grote ogen en ongeveer evenveel emotionele diepgang als een emoji. Nerd, dus. Maar zijn berichtjes hadden me verrast. Hij was grappig. Scherp. Uitdagend. En, wat ronduit verdacht was, hij kon tegen mijn droge opmerkingen. Sterker nog: hij leek ze leuk te vinden. Al snel waren onze gesprekken behoorlijk flirterig geworden. Na een paar dagen begon ik zelfs uit te kijken naar zijn berichtjes. Wat op zich al een alarmsignaal was. Wanneer zou hij terugsturen? Waarom duurde het zo lang? Had hij mijn bericht gelezen? Had hij het grappig gevonden? Was die punt achter zijn laatste zin misschien een teken van emotionele afstand? Stop. Ik moest mezelf dringend tot de orde roepen. ‘Niet onnozel doen, Lolo.’ Ik voelde mijn wangen warm worden. Fantastisch. Ik was nog niet eens binnen en mijn lichaam gedroeg zich al alsof ik een tiener was die voor het eerst oogcontact had met een jongen. Zou onze conversatie in het echt even spontaan verlopen? Waarschijnlijk niet. In het echte leven kon ik namelijk niet gewoon drie minuten nadenken voor ik een gevat antwoord stuurde. Ik moest mijn woorden onmiddellijk produceren, met mijn mond. Een nogal beperkende technologie. Bovendien had ik zelf ook niet bepaald open kaart gespeeld. Mijn profielfoto was een gepolijste, door ChatGPT opgekalefaterde versie van een vijf jaar oude pasfoto. Het was technisch gezien mijn gezicht. Alleen had ChatGPT blijkbaar besloten dat ik meer weg had van een vrouw die op een reclamebord staat te glimlachen alsof ze nog nooit in haar leven een slechte haardag had gehad.  Bewust hadden we nog niet te veel concrete informatie gedeeld. We waren allebei IT’er – gemeenschappelijke interesses, altijd een pluspunt. We hadden allebei gevoel voor humor – uniek! En we waren allebei op zoek naar gezelschap. Dat laatste klonk achteraf gezien misschien iets te veel als een advertentie voor een gezellige seniorenclub. Mijn zenuwen raasden inmiddels door mijn lijf alsof ze een eigen Uber hadden besteld. We hadden een plan. We zouden elkaar herkennen. Dat hadden we afgesproken. Hij zou een gele polo dragen. Een gele polo. Een kledingstuk dat er naar mijn bescheiden mening onmogelijk goed uit kon zien, maar misschien kon humor zelfs een slechte kledingsstijl goedmaken. Ik zou een roze top en blazer dragen. Dat had ik uiteraard eerst bij Tina gecheckt, want tussen mijn Nirvana T-shirts zat precies niets roze. En nu stond ik voor de pizzeria. Ik aarzelde een seconde. Oké. Misschien twee. Stiekem gluurde ik door het raam. Ik wist meteen dat hij het was. Een kanariegeel hemd met roze tijgers. Ha! Spuuglelijk. Maar origineel. Helemaal mijn ding. Hij zat met zijn rug naar het raam en tokkelde zenuwachtig met zijn vingers op het tafeltje. Dat was goed. Want de kriebels in mijn buik waren ondertussen ook zenuwachtig aan het rondkrioelen. Ik glimlachte. Oké, Lolo. Gewoon naar binnen. Plots stak hij zijn hand op naar een ober. Hij draaide zijn hoofd. Ik zag zijn gezicht in profiel. Nee. Dit kon niet waar zijn. Niet híj. Mijn eerste Tinderdate bleek de pestkop van kantoor. Mijn Manga-held was Stef Peeters. Stef. Vrouwenhater. Arrogante eikel. Reeds vijf jaar de nagel aan mijn doodskist. Vorig jaar had hij mijn langverwachte – en, mag ik dat er even bij zeggen, hardverdiende – promotie voor mijn neus weggekaapt door met mijn geniale idee aan de haal te gaan. Mijn idee.  Zijn promotie. Godverdomme. Wat nu? Ik stond op het punt om weg te benen. Mijn bestie Sofie zou geen seconde twijfelen. ‘Foute boel, Lolo! Wegkomen!’ Ik hoorde haar het bijna roepen. Maar toen schoot me iets te binnen. Was Stef niet getrouwd? Vorige week had ik Tina nog horen vertellen dat zijn vrouw zwanger was. Nee.  Hier zou hij niet mee wegkomen. Ik duwde de deur van de pizzeria open en stapte met vaste tred naar zijn tafeltje. De serveerster zette net een Apérol voor zijn neus. ‘Dag Stef!’ zei ik opgewekt. ‘Of moet ik zeggen: Mangaatje03?’ Hij keek op terwijl hij van zijn glas nipte.  Ik zag het gebeuren. De blik in zijn ogen. Verwachting. Herkenning. Verwarring. En toen pure afschuw. Hij verslikte zich zo hard in zijn Apérol dat ik even bang was dat hij ter plekke zou overlijden. ‘Jij?’ Proestend probeerde hij zijn waardigheid terug te vinden. Ik ging rustig tegenover hem zitten. ‘Ik? Jazeker.’ Ik glimlachte. ‘De ideale vrouw met de looks, brains en droge humor.’ Voor het eerst in vijf jaar kreeg ik Stef Peeters met een mond vol tanden. Dat voelde verrassend goed. ‘En jij?’ vroeg ik. ‘Weet Silke hiervan? Van jouw Tinderavonturen?’ Hij sloeg zijn ogen neer. ‘Ik weet wat je nu denkt,’ zei hij. ‘Dat betwijfel ik.’ Hij zuchtte en sloeg zijn ogen neer. ‘Maar Silke en ik… dat gaat al lange tijd niet goed. En toen bleek ze plots zwanger.’ Hij zweeg. Ik wachtte. ‘En nu kan je er niet meer van weg?’ vroeg ik. ‘Is dat het? Dus zoek je je ding maar ergens anders?’ Walgelijke kerel. Ik wist het. Stef stak protesterend zijn hand op. ‘Nee. Zo is het niet. Ze heeft me toestemming gegeven. Zolang ik haar niet laat zitten met de baby.’ Ik zuchtte. Daarom geloofde ik niet in langdurige relaties. Ik had het gezien bij mijn ouders. Eerst waren ze verliefd. Dan waren ze getrouwd.  En uiteindelijk konden ze elkaars ademhaling niet meer verdragen. Blijkbaar was dat het natuurlijke verloop van de meeste relaties. Stef nam mijn hand vast. ‘Wil je dit alsjeblieft stilhouden op kantoor?’ Verdorie. Hij kon lief kijken. Dat had ik niet ingecalculeerd. En hij had prachtige blauwe ogen. Nee, Lolo. Niet smelten. Niet voor Stef Peeters. Toch knikte ik. ‘Oké.’ Hij liet mijn hand los en wenkte de ober. ‘De rekening graag.’ Mijn mond viel open. Mijn hersenen staakten. Mijn lippen hadden zich blijkbaar bij de vakbond aangesloten. Stef keek me aan. ‘Bedankt voor je begrip, Lore. Maar dit gaat toch niet werken. We doen ons allebei een plezier door de knoop meteen door te hakken.’ Ik staarde hem aan. Ik was te verbijsterd om te reageren. Mijn lippen staakten nog altijd. Mijn lijf gelukkig niet. Dat reageerde volledig Lolo-automatisch. Ik stond recht, greep zijn glas Apérol en gooide de volledige inhoud in zijn gezicht. Stilte. Het roze sap droop langzaam van zijn neus naar zijn kin. Ik keek hem aan. Hij keek mij aan. Ik glimlachte. En toen was ik klaar.

Sfieke
53 6

Verzamelde gevallen

  Nu er zo veel doden zijn. Onder de strijders. Onder de voorruitvliegen. Ook onder de zoden en onder de bomen liggen noten stil te drogen. Het komt door die vlammenzee. Door die golven. Door die wolven. Water en vuur. Alles en iedereen. Het komt terug. Christus als een brandweerman. De oerknal wordt een vuurwerkfeest.. Vrees niet. Vecht voort. Loop over dit koord. Vermijd de val. Wacht er iets gespannen op geluk en beterschap? Verzamelde gevallen. Getallen die zich niet gewonnen geven. Het lot. Onvermijdelijke zonsopgang en lottoballetjes. Ze stuiteren verblind. En dit alles. Terwijl hij daar zit. Het is een kikker met een roze parasol. Twijfel op een zwembadrand. Larven of toch maar die zeer magere muggen. Straks. Dan komt die bange vlucht. Wees jezelf. Wees geduldig. Weet alvast dat vele satellieten observeren. In het rapport aan de systemen staat de boel beschreven. Echt. Er zijn geen zwarte vlekken meer en vlinders van de onschuld wachten zelden op de eerste sneeuw. Leef nu. Word blij. Kruip niet diep. Volg de mol niet langer. Staar niet in de blik van regenwormen  Gelukkig wordt het alziend oog nu dichtgeknepen. Tranen worden schoon bewaard. Tot die rooklucht is verdreven. De einder plooit gerust. Het ochtendgloren en het licht. Zij keren altijd weder. Die strijders evenzeer en achter deze heuvelrug broedt er een phoenix op een koppig ei. Het geel. Het groen. Het beukenland. De kikvors op een modderpad. Het komt terug. Gelijk een hik die zich herhaalt omdat het kriebelt in de keel van elke toekomst. En. Er was eens. Dit sprookje. Die veel te korte zonsverduistering. De brandweerman. Hij wrijft zich in de stoppels, in die milde baard. Ja. Het gaat weer zo verduiveld snel. Van levend naar de dood. Van geboorte tot opnieuw kreupele hoop. Er was eens. Een voorruitvliegje. Die snelweg door de vlammenzee. Een noodopvang voor wandelende takken. Er was die kans om te verdwalen in dat bos met wolven die het huilen zouden leren van de maan. Zij joegen niet meer op dat mensenkind met dolle sproeten. Het mochten daar drijven in die rubberband. Straks begint die barbecue. Proef die kikkerbillen. Koteletten van een edel schaap. Schelpen zijn er vol met parels voor een vrouwenhals. Schenk maar in. Tot slot. Twee vingers schuim. Ja goed. Een Mort Dubite. Nu die rooklucht is verdwenen.     uit de reeks 'Waanhoop'      

Bernd Vanderbilt
5 0

De spiegel

We zitten te puffen op een Antwerps terras, niet ver van het Rubenshuis. Het is een van de warmste dagen van de zomer. Al zeggen ze dat bijna elke dag. Om enige verkoeling te zoeken zetten we onze pollen aan een fris bolleke.  “Wat gij nog Jaak?”, vraagt de waardin aan het tafeltje naast ons. “Ah, nog een bolleke hè Marion”, antwoordt hij met een smakelijke Antwerpse tongval. Ooit zie je dat iemand zijn naam niet gestolen heeft. Deze Jaak doet me aan Jacob (of Jacques) Jordaens denken. Niet aan de kunstschilder zelf, maar wel aan de koning op één van de versies van het schilderij ‘De koning drinkt’. Het heeft lange grijze haren en als hij even later dat bolleke aan zijn lippen zet, met een even smakelijke lach als de koning van het schilderij, is hij het helemaal. Dat doet me weer denken aan een ander prachtig werk van Jordaens. ‘Mozes en zijn Ethiopische vrouw’ uit 1650. Hierop maakt Mozes een ‘et alors’ gebaar met zijn rechterhand. Daarmee zegt hij iets aan ons, de kijkers. Hij houdt ons een geniale spiegel voor. "Maakt het iets uit, dat ik met een zwarte vrouw ben getrouwd?'  Het werk is door het Rubenshuis uitgeleend aan een museum in Balimore. Tot 2030, dan gaan de deuren van Peter Pauls woonhuis terug open. Blijkbaar hangt het niet zomaar in Baltimore, want gemengde huwelijken waren daar lange tijd verboden. Opnieuw, die spiegel. De heren naast ons slaan zich ondertussen op de dijen van het lachen. Ik weet niet waar hun gesprek over gaat, maar amusant is het zeker. Alsof het toeval niet zomaar iets is dat af en toe voorvalt, maar eerder iets dat het leven bepaalt, zegt Jaak plots vrij luid tegen zijn compagnon: “Et alors?”, waarna ze terug in de lach schieten.

Rudi Lavreysen
1 0

Kuikenzweet

  Die broedlamp. Hij mag uit. Binnenin leeft alles flink en dapper. Het zijn kuikentjes vol moed. Daarenboven. Alle chocolade-eitjes in verdwaalde paasklokken. Ze zijn reeds lang gesmolten. En Ikaros. Hij viel uit de lucht. Kort na vertrek. Er is niets ergs gebeurd. Nog zo'n zinnetje dat graag zou willen woekeren en ja. Oh. Zonnegod. Het is best heet. Vurige vlinders genieten. Het water vreest volledig te verdwijnen en roze varkentjes. Ze dragen buiten bruine jasjes. Want de zon. Zij moet misleid worden. De drie biggetjes. Zij moeten al geblakerd lijken. Voel. Dit zand. Het is onbevreesd. Immers. Glas. Het ontstaat glas zo snel nog niet en zwarte piet. Hij woont gewoon in Afrika. Historische vergissingen. Ze stapelen zich op. Moet de uil zich zorgen maken? Zolang gin van tonic houdt. Zolang tonijn zich redden kan en de konijnen elkaar vinden om in holen aan die zachte vacht te voelen. Alles is plausibel. Ook dat een lichaam moedig is om te weerstaan aan liefde onder louche lampjes achter wankele façades. Niet dat ik over malse huizen mijmer wanneer ik het rode licht trotseer en dat groen. Het heeft een rare schijn. Het droomt misschien van blauwe algen. Zeeën vol met appelen die zich niet laten opslokken door storm of puur azuur. Zeemeerminnen eten langzaam. Zelden fruit. Zij stammen ook niet af van Eva. Of toch. Was zij ontrouw? Heeft zij overspel gepleegd met een dolfijn terwijl de zeepaardjes verlegen zwegen? De onderwaterkoets kwam aangereden. Heeft Eva naar dat adembenemende adamloze eiland gebracht. Waar zij beviel van vele zeemeerminnen. Ook van één Neptunus. Dat is lang geleden. Er was eens. Toen we nog dromen durfden van dingen die eigenlijk niet mochten gebeuren en de waarheid schaduw zocht. Zij wilde niet verdampen in de hitte van die waanzin. En ik hoop het echt. Beste kuikenkweker. Hoeder van dit geelgevlekte dons. Ik probeer het. Dit moet volstaan als toelichting. De broedlamp. Hij mag uit. De eieren. Zij voelen dat. Zij leven mee met al wat zweet.     uit de reeks 'Over eelt en zurkelteelt'

Bernd Vanderbilt
7 0

Het leven is me er eentje

Het kan niet alle dagen feest zijn, maar als het dan geen feest is, dan kan het leven behoorlijk vervelend worden. Ik had deze morgen gerust vrede kunnen nemen met de laatste korsten van mijn brood tot ik ontdekte dat de muizen die de spouwen van mijn ongeïsoleerde bestaan bewonen zich er al te goed aan deden. Als dank kreeg ik een handvol hagelslag cadeau, zo vriendelijk zijn ze wel. Toch bedank ik liever voor dit ontbijt. Heel even nog probeerde mijn koelkast mij te verleiden op zoek te gaan naar de benodigde boter. Met een verwelkomend gebaar strekte ze haar deur zo ver mogelijk open als een kind dat wil tonen dat het weldegelijk zijn tanden had gepoetst. Daar wist toch het kleinste kind al hoe je daar onderuit kan geraken. Je mag je niet laten vangen, een mens houdt ze maar beter in de gaten.  Gelukkig wist ik ook die muizenissen van mij af te schudden. De gang en het vooruitzicht van de razende buitenwereld die zich kenbaar maakt als het verblindend licht door de ruit van mijn voordeur priemt, voelden aan als een zucht van bevrijding. Het geklungel met de veters van mijn schoenen gijzelt mijn vingers en de wisselende druk op mijn borst ontneemt mij meteen weer vrij te ademen. Ik klungel wat aan alsof ik niet meer wet hoe mijn veters te strikken. ‘Doe eens kalm’ wilde ik mezelf niet zeggen en toch hoorde ik het de hele tijd gonzen als een hartslag in mijn oren. Het pompen hoort eerder als een verbrijzelen. Eindelijk zongen mijn voeten en in twee stappen zwaaide de poort van het licht open.  Met een ronde bocht zo groot als zijn draaicirkel, draai ik mijn lichtgrijze Taunus tussen de Fiesta en de Ibiza uit het baanvak op. De linker raam gaat met een piepend geluid in het ritme van mijn draaiende handbeweging naar beneden tot ze zich te slapen legt in mijn portier. De radio kraakt wat maar valt dan midden in een nummer dat bluer than velvet were her eyes kreunt over deze walgelijke ochtendblues. Zo blauw als mijn Taunus, de ogen van mijn siamese kater en de lucht op deze zonovergoten ochtend. Waar zat dat rotbeest eigenlijk? Kon ik dan niet een ding van hem verwachten? Nee zo is het leven.  Inmiddels sta ik op de parking van de supermarkt. In de achteruitspiegel zie ik brave burgers zoeken naar dat inmiddels zeldzaam geworden muntstuk. De sleutel die ons toegang geeft tot onze trouwe charettes altijd klaar om uw toekomstig afval mee te zeulen door de winkel. Eenmaal de rollende slachtbank gepasseerd, scheiden de wegen opnieuw. Eerder onverschillig nu ik het zo bekijk. Ik wacht even tot die halve gare zijn oude gebruikte kar kan slijten aan een nieuwe klant,  maar het duurt even. De hoofdjes van het verse koopvee knikken braaf voorover om elke sociale interactie te kunnen vermijden. Ook andere sociale funerarium technieken worden toegepast. Iemand doet of hij iets zoekt in zijn zakken, een ander begint te bellen met zichzelf, een ander verzint de halfbakken smoes dat ie geen wisselgeld heeft.  Nog even en het wordt irritant. Ik kan niet uitstappen anders verlies ik mijn onverschillige pose. Ik heb altijd wat voorradig om zulke aanstellers te omzeilen, maar nog meer verkies ik te doen alsof het niet bestaat. Beter verdient zulk gespuis eenvoudigweg niet. Je riekt zulke humanisten, ja want dat zijn het, al van ver. Dat heb je dan als je met open ramen van het leven wilt genieten, de geur van zelfvoldane goedzakken want ook zij zijn het waard. Ze rieken naar zeemzoet geloof in een met honing overgoten wereld waar kinderen zichzelf wel zullen opvoeden, een geloof in de mens ontdaan van al haar onaardigheden in het leven. Zoals muizen die je ontbijt verkloten of een huiskater die niet thuis geeft wanneer zijn enige raison d’être zijn opwachting maakt, maar de jacht hem niet roept.  Mijn blik verglijdt naar de zijspiegel op rechts. Een stel lange benen die je kunnen uitbenen vanop het trottoir aan de overkant, kliefde doorheen mijn gezichtsveld als was het door de boter die ik zou gaan halen in de supermarkt. Als omkijk zie nog net een rietenhoed en een witteblouse verdwijnen. Snel frutsel ik een kauwgom of drie uit het potje voor mijn handrem en gooi mijn deur open. Plots was ik op jacht naar de rest van de benen. De deur slaat dicht als ik reeds voorbij mijn kofferbak ben, maar ik zie niet meteen een verschijning die beantwoordt aan de driftigheid waarmee ik mijn Taunus ongesloten achterliet.  Dat is een zeldzaamheid. Ik sta stil en kijk even rond. Als betrapt moet ik lachen al weet ik eigenlijk niet goed om wat dan precies. Toch heb ik iets mispeutert, ik heb alle bloemen uitgetrokken en ik maakte het veel te grof. Zo vroeg op de ochtend en opnieuw laat ik mij mijn onschuld ontnemen. In mijn gedachten vliegen de benen nog verschillende keren door de lucht als concordes in de bovenste lagen van het luchtruim terwijl ik mijn weg naar binnen neem. Ik vergeet de kar en been rechtstreeks naar de gang met drank. Net als ik de textuur van haar blouse weet te ontrafelen, zie ik dat mijn voeten tegen elkaar voor het rek staan met speciaal bieren.  Twee halve liters stout vervoegen mijn handen en fluitend loop ik naar de kassa. Als een slag bij heldere hemel opende het gouden uur zich. In plaats van een brood, hagelslag en boter, had ik nu de oplossing gevonden in boterhammen waar niet op te knabbelen valt.  Opnieuw voelt het leven weer als een deugeniet aan, een kwajongensstreek waar om gelachen kan worden, maar nog steeds heeft het me liggen.   

Anton Nymand
0 0

Het gat in de sok

Just call me old-fashioned, maar ik kan de nieuwe modeverschijnselen niet altijd volgen. Desalniettemin vind ik de wisseling der kledingdrachten buitengewoon interessant. Je ziet er de tijdsgeest in weerspiegeld. En van spiegels gesproken, als er iets is dat voor fashionistas belangrijk is, is het wel die reflectie van zichzelf. Narcissus heeft veel volgelingen. Maar laat mij aan die spiegel een grondige hekel hebben. “Ik ken hem ergens van”, meen ik dan te denken.Tot daar de filosofie. Ik stel voor om even naar het voetbalspel te kijken. Daar gebeurt iets op modegebied.  Een eerste hype is het gat in de sok. Hebben jullie dat gezien? Sommige spelers hebben aan de achterzijde van hun voetbalsok een scheur gemaakt. Het zou de bloedsomloop verbeteren en het kan helpen bij het voorkomen van krampen en blessures. Mochten we vroeger een scheur in onze voetbalkousen hebben gemaakt, de voorzitter zou ons persoonlijk met diezelfde sok een draai rond de oren hebben gegeven. Een ander fenomeen is het oprollen van hun korte broek. Het dient werkelijk nergens toe. Het zou wat extra ventilatie geven aan hetgeen zich daar bevindt, maar het is vooral ijdelheid. 'Streek', zou onze trainer hebben gezegd. Tot slot, de derde hype. De roze voetbalschoenen die je nu overal op het WK voetbal ziet. Het contrasteert met het groene gras, zodat spelers opvallen, maar als ze allemaal dezelfde kleuren dragen, valt er niemand op. Daar hebben ze bij de grote merken wellicht niet aan gedacht. Ik droeg vroeger zwarte voetbalschoenen van het merk 'Quick', met een sierlijke Q als logo. Ik dacht dat ik er nog sneller mee kon lopen. Ik was – niet gelogen en verleden tijd – nogal een rappe. Maar je ziet die schoenen nog zelden. Het is de tijdsgeest zeker? Af en toe geeft die een laatste zucht.  (illustratie: Dirk Van Bun)

Rudi Lavreysen
10 1