Mijn geboorte. Aanvankelijk had het iets van een raadsel. Meisje? Jongen? Mijn oerschreeuw was deze van iemand met mannelijke eigenschappen.
De bevalling had enige tijd in beslag genomen en gelijk was mijn dag om zeep. Er was van mijnentwege een voorkeur voor de maand juli, zo ergens halverwege. Het werd eind augustus. Management zou wel nooit mijn sterkste kant zijn, overwoog ik in mijn diepste binnenste.
Familiaal bezoek was niet te vermijden. Ze kwamen met hongerige blikken. Ze vertrokken met gespannen buiken. Achter mijn rug vierde een discussie hoogtij. Vijftig procent was het eens: het is een mooi kind. De andere helft was geenszins akkoord: een lelijk mormel is het. Oom Jan scoorde het hoogst met de quote: ‘Z’n beentjes staan krom en wacht maar, zijn geest zal dezelfde weg opgaan.’
De derde dag zong ik een chanson pathétique. Dat mama af te rekenen zou krijgen met tepelkloven van het zogen en hangborsten: mij zou het een rotzorg wezen.
Ik had twee kaarsjes mogen uitblazen. Onze buurman had een leuke New Forest pony. Mijn grootvader tilde mij op de rug van Charlatan. In geen tijd viel ik er aan de andere zijde weer af.
'Ooit zal hij een man zijn,' sprak mijn moeder troostend, 'dan zal hij bakens verzetten.'
Mijn kinderlijke filosofie daarentegen bestond erin te denken: nooit zal ik verder springen dan mijn stok lang is.
Ach, de dagen sleepten zich voort. Schoolbezoek werd een must. Geurhinder in het klaslokaal bracht misselijkheden. Het zorgde voor een ongemeen hoge dosis druk op mijn te fragiele hersenen met concentratieverlies, misselijkheid, irritatie van neus en keel en astmaklachten tot gevolg. Peptalk was verspilling. Ik maakte een deal met mezelf. Bij gebrek aan een woud in de onmiddellijke omgeving besloot ik om in plaats van een boskakker de grootste voordeurpisser te worden die men daar ooit in dat schoolgebouw over de vloer gekregen had.
En zo ging het leven verder. Daarover later meer.