Maak je geen zorgen, door Jan Loogman (opdracht 2)

31 jan 2018 · 0 keer gelezen · 0 keer geliket

“Waar blijft Johan?” Natuurlijk ben ik het weer die het vraagt. Ze vinden me al een neuroot. Kijk ze zitten, jonge honden noemen zij zichzelf, maar ik weet hoe graag ze in het gareel lopen. Stuk voor stuk zijn ze van de week bij me binnengestapt om een wit voetje te halen. Verlaan kwam als eerste, zijn vette haren vielen over zijn brillenglazen, ik hoorde zijn adem, hij drukte een zakdoek tegen zijn neus. Wiebelend op zijn sokken, de man trekt op kantoor zijn schoenen altijd uit, kwam hij met een ideetje, zoals hij het noemde. Hij is altijd bang om niet vooraan te staan als de afdelingschef zich met het werk gaat bemoeien. Een ideetje voor het overleg met het ministerie, zei hij. Ik heb hem weer naar buiten gestuurd. Hij heeft zijn ideetjes nooit van zichzelf, maar hij kan ze verkopen als de beste. Als hij zich behoorlijk gaat verzorgen en kleden, kan hij het ver brengen, maar waarom zou ik hem vertellen dat hij iets aan zijn uiterlijk moet doen? Zijn collega’s hebben daar ook geen zin in, hij loopt te vaak met hun ideeën te pronken. De Parasiet noemen ze hem, en soms De Luis. Ik hoor het wel, maar zeg er niets van. Verdeel en heers, is mijn gedachte. Straks zal Verlaan ongetwijfeld weer met het ideetje komen en dan zullen de anderen verontwaardigd kijken, omdat ze het herkennen, het komt van een van hen. Maar een slecht idee zal het niet zijn.

 

Van Tuyll en Van den Hoop kwamen van de week ook al op mijn kamer, zwaar zuchtend. Dat een goede presentatie de voorwaarde voor succes is, misschien zelfs de enige succesfactor, is bij hen nog niet binnengekomen. Een ingewikkeld verhaal hielden ze, over de wijziging van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de onuitvoerbaarheid daarvan. Alsof ik daarmee kan aankomen bij het ministerie. Ook die twee heb ik weer naar hun bureau gestuurd. De enige die ik graag mijn kamer binnen had zien komen, is Johan. Maar die heeft het natuurlijk verdomd. “We gaan toch niet ’s ochtends vroeg al naar het ministerie,” zei hij, toen ik hem polste hoe wij ons in het overleg moeten opstellen. “We hebben toch eerst voorbereidend overleg bij jou op de kamer? Ik praat je dan wel bij. Tijd genoeg.” Mij bijpraten, die uitdrukking gebruikte hij, met een uitgestreken gezicht. Maar nu puntje bij paaltje komt en wij hier allemaal zitten voor dat voorbereidend overleg, is hij er niet. Ook al is het nog geen negen uur, zijn collega’s zitten al een paar minuten aan tafel, stuk voor stuk in het pak, allemaal een stropdas om, turend over de Westelijke Tuinsteden. Het is helder weer, we kunnen de rookpluimen van de Hoogovens boven de duinen zien. Als ze maar niet verwachten dat ik hen allemaal meeneem naar dat overleg. De regie ligt bij mij, vanochtend kunnen zij mij informeren, of bijpraten zoals zij blijkbaar zeggen. En dan ga ik naar het ministerie, misschien dat ik een of twee van hen meeneem, voor het geval het erg inhoudelijk wordt vanmiddag.

 

Nog eens herhaal ik mijn vraag: “Waar blijft Johan toch?” Ik heb er genoeg van uit het raam te blijven staren. Legwaard kijkt mij aan. Een zenuwenlijer, heb ik hem mij horen noemen. Hij wist niet dat ik naast de tweede koffieautomaat stond en hij kletste erop los, met dat Amsterdamse accent van hem. Ik had die man nooit moeten aannemen. Maar ja, ik wist het weer zo goed, ik dacht dat de jonge honden wel wat sturing van een oudere collega konden gebruiken. In het sollicitatiegesprek gaf hij hoog op van zijn leiderskwaliteiten. Hij heeft nog vooraan gestaan bij de happenings die Provo in 1966 op het Amsterdamse Spui hield, als ik het mag geloven. Maar zijn leidinggevende kwaliteiten zijn blijkbaar met de jaren verdampt, in elk geval doet hij zijn werk als een kip zonder kop, ze moeten hem alles voorkauwen, laat staan dat hij het voortouw kan nemen. Het enige waar hij in uitblinkt, is zijn kleding. Je verwacht het niet van een oude provo, maar tussen de C en A-tjes van Verlaan en Van Tuyll glanst zijn Van Gilspak. Hij heeft er bovendien meer dan één, heb ik gezien. God mag weten waar hij ze van betaalt, zijn salaris kan het niet zijn. “Misschien moet je toch maar beginnen,” zegt hij nu. Denkt hij soms dat ik zijn leiding nodig heb? Maar het wordt zo langzamerhand wel tijd.

 

Juist als ik de papieren voor mij op tafel nog eens schik, een gebaar dat ik vaker gebruik als signaal dat ik een vergadering bijna ga openen, gaat de deur open. Een Daniel Hechter-jasje draagt hij, een gebloemd overhemd eronder. Alsof er vandaag geen topoverleg met het ministerie op de agenda staat, maar een uitje naar een dancing voor oudere jongeren. Gelukkig geen jeans, maar een neutrale, zwarte broek. Hij kijkt de tafel rond. “Eerst koffie,” zegt hij en weg is hij weer. De anderen schuiven hun stoel achteruit en gaan achter hem aan naar de koffieautomaat, een troep ganzen achter zijn aanvoerder. “Neem ik voor jou een koffie mee, Wim?” vraagt Legwaard mij vanuit de deuropening. Zijn manier om een wit voetje te halen.

 

Een uur later is voor mij de chaos compleet. Van Tuyll en Van den Hoop hebben van de week verschillende uitvoeringskantoren bezocht om over de voorgenomen wetswijziging te praten. Volstrekt onuitvoerbaar is de conclusie en ze brengen hem met veel gesteun over tafel. Verlaan heeft door dat het ministerie daar geen oor voor zal hebben, maar op zijn beurt verliest hij zich in detaillistisch geneuzel, hij heeft het over de begripsomschrijvingen in het wetsvoorstel. Die deugen blijkbaar niet. Alsof ik daar wel mee aan kan komen. Legwaard zegt om de paar minuten dat ik stelling moet nemen tegenover die bureaugeleerden, zoals hij de medewerkers van het ministerie maar blijft noemen. Alleen Johan zegt niets. Tenslotte geef ik een klap op tafel. Ineens is het stil. “Zo komen we er niet uit,” zeg ik. “heeft iemand een brainwave?”

 

De stilte blijft even duren. Dan schraapt Johan zijn keel. Eindelijk, daar zul je het hebben. “If you can’t beat them, join them,”zegt hij. Hij leunt achterover, alsof daarmee alles gezegd is. Is er dan niemand die mij iets geeft, waar ik vanmiddag mee voor de dag zal kunnen komen? Gelukkig ben ik blijkbaar niet de enige die niet snapt wat hij bedoelt. “Interessant, verklaar je nader, ” zegt Verlaan tegen hem. Ongetwijfeld hoopt hij dat een goede uitleg achterwege zal blijven en dat Johan zijn positie als slimste jongetje van de klas zal moeten afstaan. Maar Johan lijkt tot uitleg bereid. Alhoewel, wat is dit voor gebazel?

 

“Ik heb gisteravond zitten klaverjassen,” zegt hij. “Oude vrienden, vroeger speelden we elke week. Zodra we alle vier binnen waren, begon een van ons de kaarten te schudden, de anderen namen snel hun plaatsen in. Iemand maakte troef, de eerste kaart lag al op de tafel, we gooiden bij, troefden in, we doken, soms kwam er een kale Nel op tafel. Ik wilde de sfeer van vroeger nog eens terughalen, daarom had ik mijn studievrienden uitgenodigd. Het leek als vanouds, in elk geval zit ik hier met een houten kop. En toch, van meet af aan was de sfeer anders dan toen. We kregen het over de neutronenbomdemonstratie. Twee droegen het speldje nog. Toen ik de realistische opstelling van Joop den Uyl verdedigde, keken ze me alle drie aan, alsof ik van mijn geloof was afgevallen. Schoppen is troef, heb ik toen maar gezegd en we hebben gekaart tot half een. Wat eerder dan we in het verleden stopten, maar laat genoeg voor mij.”

 

“Kijk, die vrienden van mij hebben op het Museumplein gestaan, prima vind ik dat. Maar wij in dit pieplandje kunnen de bewapeningswedloop natuurlijk niet stoppen. Het spel wordt gespeeld tussen de grote landen, wij zijn geen deelnemer, dus waarom zou een van hen naar ons luisteren? We kunnen de Amerikanen niet dwingen, we moeten met hen meebuigen. Misschien luisteren ze dan een keer naar ons. Dat is wat ik bedoel.”

 

“Interessant,” zegt Verlaan, “maar kunnen we verder gaan, waar we waren.” Hij heeft zich naar mij gekeerd: “De begripsomschrijvingen in het concept-wetsvoorstel.”

 

Ik begrijp hem wel. Niet dat ik het over die begripsomschrijvingen wil hebben, maar met Johan kom ik ook niet dichter bij een klare lijn. Integendeel. Maar Johan denkt er anders over.

 

“Die begripsomschrijvingen, dat is een goed punt,” zegt hij ineens. Verlaan kijkt hem stomverbaasd aan. “En dat het wetsvoorstel onuitvoerbaar is, zoals Van Tuyll beweert, klopt ook. Maar daar kunnen we niet mee aankomen bij het ministerie.” Nu kijkt hij naar mij. “We kunnen daar trouwens niet met zijn allen heen. Een of twee mensen die zich slagvaardig opstellen, hen een alternatief voorleggen. Het ministerie moet de wet wijzigen, dat wil de politiek, niemand wil van ons bezwaren horen. Tegen de wind in pissen, dat lukt nooit. Daarom: If you can’t beat them, join them. Zij willen zo snel mogelijk de wet wijzigen, wij gaan laten zien hoe het sneller en effectiever kan. Niet met dit wetsvoorstel. Dat deugt niet, de begrippen zijn niet precies omschreven, de uitvoerbaarheid is nihil. Dat stellen we in twee zinnen vast. Dan komen we met ons alternatief. “ Verwachtingsvol kijkt hij de tafel rond. “Nou, wie gaat er mee, vanmiddag?”

 

’s Middags rijd ik over de A-4 naar Den Haag. Johan dacht kennelijk het alleen af te kunnen, geen van de anderen wilden hem vergezellen. Stuk voor stuk bang dat ze zich onmogelijk maken door met een alternatief te komen. Maar geen van allen durfden ze hem tegen te spreken. Ik zat met de gebakken peren. Het enige wat Legwaard zei, was dat ik natuurlijk de leiding heb, vanmiddag. “Natuurlijk,” antwoordde Johan. “Doe een stropdas om,” heb ik hem daarom voor ons vertrek gezegd, maar hij lachte alleen maar. “We gaan ze een poepie laten ruiken,” zei hij, “en als ik een stropdas om heb, lijk ik teveel op hen. Dan luisteren ze niet.” Nu zit hij naast mij te knikkebollen, de man die straks de kamergeleerden een poepie wil laten ruiken. Straks moet ik het zelf nog aan de ambtenaren uit gaan leggen.

 

“Maak je geen zorgen,” mompelt hij me toe. “Als in onze wet de begrippen volledig gelijk worden geformuleerd aan de belastingregels, hoeven onze uitvoeringskantoren geen toets op de aanvragers te doen, we sluiten gewoon aan bij de beoordeling van de fiscus. Fluitje van een cent, honderd procent uitvoerbaar. En weet je wat het voordeel is?”

 

Het is druk op de weg, ik onderdruk de neiging hem aan te kijken. Wat zou het voordeel zijn? Ach, hij vertelt het me straks wel. Helder als altijd. Alleen dat klaverjassen. “Wat heeft dit nu met je klaverjasavond te maken,” vraag ik.

 

“Niets,” zegt hij. “Ik heb een houten kop en ik had even een aanloop nodig. Maar dit meen ik serieus. Aansluiten bij de belastingregels, als dat in de wet komt te staan, kunnen we de uitvoering aan. En als het fout gaat, heeft de Belastingdienst het gedaan. Kun je ergens stoppen, ik heb koffie nodig.”

 

Jan Loogman 31 januari 2018

 

 

Geraakt door deze tekst? Maak het hartje rood of deel de woorden met je vrienden.

Zo geef je mee een stem aan de woorden van deze schrijver.

31 jan 2018 · 0 keer gelezen · 0 keer geliket