De dag ligt open, net als de hele stad.
Ik weet dat er ergens een rivier is,
glimmend in het landschap, gouden nevel.
Maar niet hier. Niet nu.
In de ruïnes van de kerk
laat een vrouw de parels van haar paternoster
tussen haar vingers glijden,
haar gevouwen knokkels wit
van vastgeklampte hoop
Ik verlang naar de maan. Naar onze maan.
Ze hangt als een klam laken over mij.
Ik mis je soms.