Masterclass Autobiografisch Schrijven – Opdracht 1 – Veerle Schaltin

19 jan 2018 · 11 keer gelezen · 1 keer geliket

Geschreven n.a.v. fragment uit ‘Wat voorafging’ van Diane Broeckhoven (p. 92 tot 100)

Premisse: Om er bij vrienden bij te horen moet je ergens goed in zijn, om er thuis bij te horen ben je best zo onzichtbaar mogelijk.

 

Sneller dan anders fietste ik na school naar huis. De garagepoort kon niet vlug genoeg open zijn, mijn fiets niet rapper tegen de muur gezwierd. Ik denderde de trap op en juichte met de livingdeur nog in mijn hand: ‘Moeke, er is een muziekschool waar je kan leren gitaar spelen zonder eerst zeven jaar notenleer te moeten studeren!’ Ik griste het briefje van Jeugd en Muziek uit mijn boekentas en duwde het onder haar neus. ‘Mag ik dat doen? Toe?

Natuurlijk mocht ik het. Een middag meer dat ze geen last van me had, kwam immers altijd goed uit.

Mijn hart maakte een schroefsalto als ik even later de trap naar mijn kamer op holde. Ik zou leren gitaar spelen zonder saaie muzieknoten. En als ik dat kon,  zou ik er weer bij horen, bij Yves, Peter, Jurgen en Guy.

 

De voorbije zomervakantie was anders geweest dan alle andere. We hadden geen fietsraces of rolschaatswedstrijden georganiseerd. We hadden geen kampen gebouwd en ook nauwelijks potteke stamp gespeeld.

De hele zomer had in het teken gestaan van het grote optreden van Yves, Peter, Jurgen en Guy. Elke ochtend hadden die vier zich in de berging bij Jurgen opgesloten om er pas ’s avonds weer uit te komen. Wij mochten er niet in de buurt komen. Annick en ik hinkelden, sprongen touwtje of haalden onze Barbies boven. Een paar keer fietsten we naar de snoepwinkel om zoveel snoep te kopen als we in onze zakken gestopt kregen. Ons zakgeld raakte echter te snel op. We telden af naar de avonden. Elk uur duurde een halve dag.

’s Avonds dramden de jongens door over hun optreden, welk nummer er nog bij kon, waar een akkoord moest worden aangepast, hoe ze zich zouden kleden,… Annick en ik stonden erbij voor Piet Snot.

Af en toe hadden ze een taak voor ons. Zo mochten we tickets verkopen. We knipten rechthoeken uit gekleurd papier, schreven er ‘OPTREDEN’ en ‘5 frank’ op, en tekenden er nog een gitaar bij. Met deze kaarten schuimden we de Meerminnenstraat en de Dwergenstraat af. Als iemand me vroeg welke muziek ze speelden, haalde ik mijn schouders op, want alle namen waar de jongens mee dweepten waren Chinees voor mij. Op de vraag of ze goed waren, antwoordde ik volmondig ‘ja’, al had ik nog geen enkele noot mogen horen.

 

De dag van het optreden zetten Annick en ik drie rijen stoelen klaar in de garage bij Yves. Aan de zijkant plaatsten we een tafel. Annick zette er bekertjes met chips op. Ik legde er koeken bij die ik thuis met Petit Beurres, Smarties en suikerglazuur had gemaakt. We haalden ook flessen cola aan.

Voor de garage klapten we een picknicktafeltje open. Hierop installeerden we onze kassa, niet meer dan een eenvoudige schoendoos waar we het geld instopten.

Ook al was niet elke stoel bezet, om stipt twee uur deden we de poort dicht, want dat had Yves ons opgedragen.

Meteen daarop vulde kattengejank de pikdonkere garage. Ik gaf Annick een stomp.

‘Dat moet zo,’ fluisterde ze, ‘dat heet stemmen.’

Dit vals gedoe ging snel over in keiharde rockmuziek. Toen Yves begon te zingen, knipte Annick het licht aan. Guy gebaarde dat we moesten rechtstaan. Iedereen danste voor of zelfs op zijn stoel. Ik deed uiteraard mee, maar moest mijn voeten wel dwingen om heen en weer te springen. Op het einde zwaaiden Peter en Jurgen hun gitaren in de lucht, en gooide Guy zijn drumstokken weg. De vier pakten elkaar stevig vast. Wij applaudisseerden luid. Mijn handen konden elkaar niet goed vinden.

Als het publiek weg was, bleven de jongens maar zeuren over hoe tof het was geweest. Annick en ik ruimden ondertussen alles op. En toen was de vakantie voorbij.

 

Het briefje van Jeugd en Muziek was een zegen. Elke zaterdagnamiddag zou ik voortaan naar de muziekschool gaan. Dat ik eerst een jaar zang moest doorworstelen voor ik echt een gitaar kreeg, viel wel tegen, maar om er weer bij te horen had ik veel over.

Het tijdstip bleek niet zo gelukkig gekozen. Elke zaterdagmorgen gingen we immers met het hele gezin naar de markt. Zo’n voormiddag kon alleen bij de Sels afgesloten worden. Als het volgens mijn moeder hoog tijd was om naar huis te gaan, smeekte mijn vader: ‘Nog eentje?’

Staf schoof dan snel de zoveelste pint naar hem toe. Mijn broer en ik kregen chips en cola. Ik speelde nog maar een spelletje op de flipperkast of koos een nieuw plaatje in de jukebox. Mijn moeder roerde haar lepel woest in haar koffie rond.

In de auto vloog ze uit tegen mijn vader: ‘Hoe moet dat nu met de muziekschool?’

Thuis brulde ze zo hard dat het vast drie huizen verder te horen was. Steevast verdween ze zonder eten klaar te maken naar haar bed en ging er liggen huilen.

Mijn vader wisselde geen woord met mij als hij me naar de muziekschool bracht.

De lessen verliepen anders dan ik had verwacht. Ik heb nooit toon kunnen houden. Als de leraar me vroeg ‘Oude Jan en jonge Jan’  voor te zingen, begonnen de meisjes achter me zacht te miauwen.

Tijdens de pauze gingen ze op de speelplaats op een bank staan en riepen: ‘Komt dat kijken, komt dat kijken… hier treedt op… de jankende kat!’ Ik moest dan voor iedereen zingen en alle kinderen miauwden mee. Ik hield mijn hoofd en schouders recht, en boetseerde een lach op mijn gezicht, maar liefst was ik in een gat in de grond verdwenen.

In de auto terug naar huis was het weer muisstil. Thuis zat mijn moeder te breien of te lezen alsof er niets was gebeurd. Ik volgde haar voorbeeld of ik ging buiten met de jokari spelen.

Over die plagerijen liet ik niets los. Mijn ouders hadden al problemen genoeg. En ze zouden toch zeggen dat ik me er niks van moest aantrekken. Ik wist dat als ik ergens mee gestart was, ik dat jaar ook uit moest doen. Dus ging ik elke week opnieuw naar de muziekschool. De chips en de cola van bij de Sels lagen elke week zwaarder op mijn maag.

Ik wist toen al dat ik het na dat jaar zou opgeven, dat ik nooit gitaar zou spelen, nooit meer bij Yves, Peter, Jurgen en Guy zou horen, en dat onze wonderlijke zomervakanties voor altijd voorbij waren.

Geraakt door deze tekst? Maak het hartje rood of deel de woorden met je vrienden.

Zo geef je mee een stem aan de woorden van deze schrijver.

19 jan 2018 · 11 keer gelezen · 1 keer geliket