In de verte weerklinkt het vrolijk deuntje van de ijskar. Op slag laat ik mijn pop vallen wiens haren ik net nog zo zorgvuldig aan het borstelen was. Ons huis, met vooraan de symmetrische houtconstructie, in het midden oplopend naar een punt, ligt zo’n twintig meter dieper dan de straat. De voortuin en de boomgaard ernaast zijn omzoomd met een haag. Van de voordeur tot aan de straat loopt een paadje dat uitkomt op een hek.
Allemaal hebben we wel ergens een litteken opgelopen in de veroveringstocht van het leven. Zelf heb ik op de muis van mijn rechterhand een vijf cm brede genaaide snee, opgelopen bij een valpartij met een glazen zuigfles van mijn elf maanden jongere broertje. Ik vraag me af hoe ze dat toen deed, mijn moeder. We hadden geen telefoon. Vijf kinderen tussen de zes en een jaar en waarschijnlijk was ze al zwanger van het zesde. Waren de buren gealarmeerd door mijn huilen en belden ze de dokter? Of stuurde ze mijn oudste zus naar de buren? Ik besef opeens dat ik dat nooit gevraagd heb.
Het litteken van mijn oudste broer Olav spreekt nog het meest tot onze verbeelding, vooral omdat niemand van ons getuige was van het ongeval. In een dappere poging om over het hek te klimmen bleef hij met zijn knie haken in één van de pinnen. We vroegen ons nooit af waarom er pinnen op dat hek zaten.
Ik snel het paadje af naar de straat. Het is een rustige straat. Verkeer kennen we nog niet. Zelf hebben we geen auto en slechts een paar buren hebben al een auto op de oprijlaan.
Soms gaan we naar de hoek van onze straat die uitkomt op de Schoolstraat, de hoofdstraat van het dorp. We wachten geduldig en roepen dan: ‘Daar is er weer één!’ en schrijven de nummerplaat op van de auto die voorbij rijdt.
Het kan wel even duren voor ons blaadje vol is. Zelden draait een van deze auto’s onze straat in.
Het tingelende muziekje klinkt steeds harder en dwingender. De ijskar rijdt heel langzaam onze straat door om iedereen de tijd te geven de werkzaamheden even te staken, de portemonnee te pakken en de straat op te lopen.
Ik zie de bovenkant van de ijskar al opdoemen boven de haag. Ik open het hek – het is gelukkig niet op slot - en zonder te kijken storm ik de straat op.
Met gierende banden komt de camionette van de brouwer, vanuit de andere richting, in de sloot voor ons huis tot stilstand.
Ze noemde het een geleide fantasieoefening. We moesten onze ogen sluiten en de ogen van onze moeder zoeken. Ik vond ze niet. Geen enkele situatie kwam me voor de geest waarin ik haar ogen op me gericht wist. Er kwamen me wel andere ogen voor de geest: de buurvrouw van een tante waar ik logeerde en die meer deed dan alleen mijn gekneusde knie verzorgen. ‘Ach, die jongens kunnen zo wild zijn’ zegt ze vriendelijk. De ogen van de monitrice, ze draagt me in haar armen. Er zitten splinters in mijn voet van het houten podium. Ze neemt de tijd om ze voorzichtig één voor een met een pincet uit te trekken. De pijn deert me niet.
De vriendelijke ogen van de ijsman. Ook als ik geen ijs koop mag ik in zijn ijskar klimmen. Hij heeft zwart haar en een snor. Hij is altijd vrolijk en vertelt verhalen. Af en toe krijg ik een reclamedisplay van Ola in karton. Ik ben de koning te rijk. Hij is mijn ijsman.
Ik zit samen met mijn broers en zussen in de speelkamer als de deur openzwaait. De imposante verschijning van de brouwer vult de deuropening. Met gespeelde strengheid vraagt hij: ‘wie was dat stoute kind dat voor mijn auto sprong zodat ik bijna verongelukte?’
Ik wil in het kleinste hoekje kruipen maar ik kan me niet bewegen. Hij grapt nog wat over een mogelijke straf voor dit stoute kind. Dan zegt hij: ‘De volgende keer, eerst goed links en rechts kijken voor je naar je ijsman snelt.’ Hij knipoogt naar mijn moeder. Ze lachen. Iedereen lacht.
Ik voel mijn wangen warm worden, schaamte.
Het hek zal wel weer op slot gaan.
Ik ben op weg naar huis. Opeens hoor ik het bekende tingelmuziekje. Ik verstijf.
Uit de andere richting nadert de ijskar. Ik durf niet op te kijken maar vang toch nog een glimp op van de man achter het stuur. Een oude, norse man zonder snor.