Terwijl mijn moeder zich vastgrijpt aan woorden en bedolven wordt door
zinnen, zichzelf versmachtend in een literaire boezem troost zoekt, sla ik
de deur achter me dicht. De koude grijpt me meteen naar de keel en ik snak
naar adem. Een ijzige wind snijdt door jas en handschoenen. Ik huiver. Mijn moeder stort zich in een labyrint van letters, sluit zich op in
woorden en zinnen. Ze hoopt er nooit meer uit te raken, de weg voorgoed te
verliezen in een door leestekens gedomineerd landschap.
Zachtjes probeer ik haar wakker te maken, de ijskoude handen op haar warme
zijn een draad in het labyrint. 'volg hem, moeder' ik denk het, wens
het en zeg het stilletjes, alsof het zo beter doordringt.
Ze kijkt me aan, weet niet wat haar verschijnt als een visioen in een
andere realiteit. Een flauw glimlachje kan ze nog net optrekken, maar in haar ogen zie ik afwezig geluk. Ze richt haar blik traag op mijn hand en trekt de hare eronderuit. Ze slaat de pagina om.