Mijn vader is soldaat kameraad.
Vannacht heb ik gedroomd dat ik een soldaat was. Nu vind ik aan soldaat zijn niet echt iets grappig. Toch ben ik blijgezind wakker geworden. Het zit zo. Ik werd uitgeloot om te gaan vechten aan het front bij Madonna. Je kan slechter terecht komen dan bij Madonna. Holiday, celebrate. “Neen, je begrijpt het niet,” zei de luitenant. Niet naar de zangeres Madonna, maar naar een boerengat ergens aan het front in West-Vlaanderen, daar moesten we naartoe. Te voet. Reken maar da’s al gauw een dikke honderd kilometers. Er werd verzameling geblazen op een mij totaal onbekende plek. Zoals in de Aldi stond het plein vol met grote bakken gevuld met soldatenkledij. Daar mochten we in grabbelen tot we de gepaste outfit vonden. Omdat niet iedereen zin had om in een soldatenuniform rond te lopen, was het enthousiasme wat lauwtjes. Ik wachtte af en stelde me tevreden met wat anderen lieten liggen. Het resultaat was, dat ik er eerder als een wansmakelijke clown dan als een stoere soldaat uitzag. Bij welke leger hoorde ik? De korporaal wist het niet. Ikzelf vond dat nog wel iets hebben. Met een Duitse punthelm op mijn hoofd, ABL boots aan mijn voeten en een scharlaken broek aan, paste ik inderdaad bij geen enkel regiment. Ik behoorde zowel tot de vijand als tot de patriotten. De luitenant bekeek me van kop tot teen en riep toen niet echt op zijn zachts : “aansluiten, aansluiten achteraan.” Wat er toen verder gebeurde kan ik me niet meer voor de geest halen. Ik weet nog dat er plots een café opdoemde met de- in onze situatie- bizarre naam ‘In de Vrede’. Ik ben gestopt. Hoeveel kilometers we in de benen hadden? Geen idee. Hoeveel glazen Rodenbach ik er gedronken heb? Geen idee. Dat er leuker gezelschap was dan soldaten, dat weet ik wel nog. In Madonna ben ik nooit geraakt.