De moeheid schuurt aan mijn lijf,
mijn hart doet pijn, het brandt.
Ik heb mijn zwakte laten zien,
vóór de helft van de weg, gestrand.
Ik dwaal rond, ik huil,
er scheurt iets uit mijn borst.
Ik ben verstomd en koud,
leeggebloed, van binnen dorst.
Dromen wisselen sneller dan het licht,
de dagen zijn een lege stroom.
Onze maag regeert ons nu,
hij verslindt elke grote droom.
Iedereen zoekt alleen genot.
Ik ook, het spijt me, ik ook.
Daarom die onrust in mijn lijf,
mijn ziel is stil, als rook.

