Geïnspireerd door en opgedragen aan mijn zwager
Mijn vriendinnen
Zwaar weer
De vergadering van de landbouworganisatie eindigt in chaos. Alle aanwezige boeren zijn boos, nadat we te horen kregen dat ook de Paarse Heide een Natura 2000 gebied wordt. Is dit de organisatie die onze belangen behartigt? Gaan ze niet tegen deze beslissingen in? Worden er geen acties georganiseerd? Het betekent immers dat het beschermd natuurgebied wordt en dat landbouwbedrijven in de buurt uitgekocht kunnen worden. De toekomst van de zes boerenbedrijven in ons buurtschap, twee kilometer van het centrum van het dorp is onzeker. Ik ben met stomheid geslagen, negeer de discussiërende boeren buiten het buurthuis, schop tegen een tak en loop naar mijn fiets. Hoewel ik de mannen allemaal al jaren ken, wil ik niet met ze napraten. Buurman van de Ven wil me aanspreken, maar ik loop linea recta naar mijn fiets en rijd naar huis. Thuisgekomen heb heb ik geen behoefte aan vragen van vader, zelfs niet van moeder, ik ga direct de koeienstal in. In het middenpad met aan weerszijden rijen ligboxen, ga ik op een omgekeerde emmer zitten. Ik hoor de koeien ademen, slobberen, eten, bewegen. Het voelt vertrouwd. Ze geven me warmte. Hun oren lijken altijd te luisteren. Aan hen kan ik al mijn ergernissen kwijt. Over stikstof, over Natura 2000 en uitkoopregelingen voor bedrijven omdat ze te dicht bij natuurgebied zijn gevestigd, over dure, maar verplichte, luchtwassers waarmee de lucht in de stal wordt gereinigd en ga zo maar door. Tot een discussie komt het hier niet. Zelfs niet als ik eens hartgrondig vloek, mijn frustratie eens uitschreeuw over alweer een opgelegde maatregel wordt hier niemand boos op me.
Hoe lang ik er zit weet ik niet, maar aan de plotse verandering in het bewegen van de koeien, hoor ik dat er iemand de stal binnenkomt. Aan het geluid van de klompen over de betonnen vloer herken ik de voetstappen van vader. Verre van verwonderlijk, het is bijna zes uur, bijna melktijd. Met een zucht sta ik op, schop keihard tegen de emmer en loop dan zonder iets te zeggen langs vader die de kalfjes laat drinken. Hij kijkt op, wil wat zeggen, maar ik zie hoe de woorden sterven op zijn lippen. Ik loop de stal uit, langs de moestuin, het huis in om me om te kleden en een paar boterhammen te eten, voordat ik ga melken.
De vergadering blijft door mijn hoofd spoken. Ik ben boos. Boos over alle maatregelen en beperkingen, over de plannen om de veestapel in te krimpen. Daardoor ontstaan twijfels. Twijfels over mijn toekomst die veilig en zeker leek op het bedrijf. Dag en nacht ben ik er mee bezig. In bed woel ik, draai ik van de ene op mijn andere zij en terug. Als ik word uitgekocht, wat moet ik dan? In het dorp gaan wonen? Van de gedachte alleen al ga ik zweten, ga ik trillen. Hier op de boerderij word ik door niemand bekeken. In een groep mensen zal ik zelden iets zeggen, bang voor de blos die op mijn wangen zal verschijnen, voor de zweetdruppeltjes op mijn voorhoofd. Op de tractor, met de landbouwmachines ben ik machtig. Met de muziek op mijn transistortje in de cabine schreeuw ik alle liedjes mee.
Vader scheldt tegen de nieuwslezer als het over stikstof en uitkopen gaat. Met hem kan ik er niet over praten. Moeder komt niet verder dan me een aai over mijn hoofd te geven als ik aan tafel zit. Ze zal vader niet afvallen. Nu niet. Nooit.
Dus blijf ik ’s avonds vaak langer dan nodig na het melken tussen de koeien. Leunend tegen de flank van Bertha 13 val ik soms in haar ligbox in slaap. Dan schrik ik na een uur wakker, spuit de stal nog schoon, drink binnen nog een paar slokken koude thee uit de fles op het aanrecht en kruip dan voor een paar uur in bed.
De boeren en hun te grote veestapel zijn alsmaar in het nieuws. Als ik de volgende dag ’s avonds na het melken binnnenkom, hoor ik vader mopperen: ‘Schandalig wat een mens.’
Het schandalige mens is een voorvrouw van een Boerenpartij, die bij vader veel wrevel en ergernis opwekt. Ze roept op tot actie: ’Allemaal met de tractor naar Den Haag. Vader vraagt zich hardop af of zo een vrouw een boerenbedrijf kan runnen. Over de demonstratie is hij al helemaal niet te spreken.
Ik ga op de bank zitten, kijk naar de vrouw, die onverschrokken haar zegje durft te doen. Eigenlijk heb ik daar wel bewondering voor, maar vaders irritatie over haar is voelbaar dus houd ik mijn mond.
Vorig jaar heb ik het bedrijf overgenomen. Het is nu officieel van mij, maar vader en moeder mogen er blijven wonen. In de verhouding tussen vader en mij is niet veel veranderd. Vader en ik overleggen niet echt. We hebben dat nooit gedaan. In de afgelopen jaren, sinds ik mijn agrarische opleiding afrondde, nam ik steeds meer taken van hem over. Af en toe vraagt hij of ik iets gedaan heb en meestal heb ik dat of sta is op het punt het te doen. Ik ken vaders ritme en gewoontes door en door, ik ben er in groot geworden. Alles gaat dus verder zoals voor de overname. Als ik besluit een koe te verkopen, dan doe ik dat en vader accepteert dat. Ook met nieuwe landbouwmethoden en -ideeën laat vader me mijn gang gaan. Als vader vindt dat het tijd is om de buizen van het irrigatiesysteem te verleggen, dan zegt hij dat. Toch voel ik dat vader het af en toe niet helemaal eens is met mijn werkwijze, volgorde en vooral de timing en dan zwijgt hij. Dat blijft dan als een zware donderwolk boven ons hangen.
Een paar dagen na de vergadering wil ik Bertha 13 aan het melkmachine koppelen als een felle wind opsteekt, het rond de stal begint te gieren, regen begint te kletteren op het dak. Ik schrik, Bertha ook en omdat ik vlakbij haar sta, draait ze zich om, geeft me een knauw in mijn bovenarm, Ik schreeuw het uit. Pas dan heeft ze waarschijnlijk in de gaten dat ik niet gevaarlijk ben, dat de herrie van elders komt; ze gaat een een paar stappen vooruit in de box. Ze heeft me pijn gedaan, maar ik moet haar eerst kalmeren, voordat ik naar mezelf kijk. Bertha wordt rustiger als de ergste donderslagen, het is inmiddels beginnen te onweren – voorbijtrekken.
Als alle koeien na deze schermutseling gemolken zijn, ga ik naar binnen voor de koffie.
Aan de lange, donkerbruine keukentafel zitten vader, moeder en mijn zus Anja. Zij komt een keer in de week om met moeder boodschappen te doen in de supermarkt. Ze woont met haar man aan de andere kant van Veewijk.
Ook Maaike van de thuiszorg zit aan tafel. Meestal is ze al weg als ik binnenkom, maar nu is ze gebleven voor een kop koffie. Ze is opgegroeid op een boerderij aan de andere kant van het dorp. We gingen naar dezelfde lagere school, net als onze broers en zussen. Maar ze was tot voor kort voor mij een van de vele schoolgenootjes. Ik ben immers een paar jaar ouder dan zij. Echt goed kende ik haar dus niet, totdat ze via de thuiszorg nu al een paar maanden regelmatig bij ons op de boerderij komt om moeder te verzorgen. Ik vind het leuk als ze er is. Met haar opgewekte karakter brengt ze altijd een brok leven ons stille huishouden in, ze praat honderduit over wat ze allemaal meemaakt. Ik luister graag naar haar. Ze is een soort dorpskrant, brengt de laatste nieuwtjes over pasgeborenen, pasgetrouwden en overledenen. Dingen die ik anders nooit zou weten. Mijn leven speelt zich af op de boerderij. De enige keren dat ik de deur uitga is op zondag, plichtsgetrouw als ik ben, naar de kerk. Of naar een vergadering.
Als Maaike is geweest, lijkt moeder energieker. Dan hoef ik nooit lang te wachten voor ik meer koffie krijg. Ze probeert mij altijd in het gesprek te betrekken door te veronderstellen dat ik deze of gene ook wel zal kennen. Of ze stelt me een vraag over mijn werk. Door haar achtergrond is ze geinteresseerd in ons bedrijf. Ze vraagt rechtuit naar mijn mening over de landbouwproblematiek, iets waar ik in het bijzijn van vader, niet echt op in durf te gaan. Als ze wegrijdt voordat ik binnen ben geweest voor de koffie, heb ik altijd een beetje spijt dat ik niet eerder pauzeerde.
Schuin tegenover haar heeft moeder mijn kopje al klaargezet en Maaike schuift de thermoskan naar me door. Ik kijk haar niet aan, schenk de koffie werktuiglijk in, verlegen onder haar blik die mijn handelingen volgen, mijn ogen waarschijnlijk zoeken. Dan ziet ze mijn arm, het bloed dat nog maar net is opgedroogd, de wond die is ontstaan. ‘Wat is er gebeurd, Teun?’
‘Schrikreactie van een van de koeien,’ zeg ik.
‘Van die donderslagen net?’ Hoewel ze vier keer per week langskomt om moeders steunkousen aan te doen, word ik nog altijd rood als ze me aankijkt, durf ik nauwelijks iets te zeggen als ze me iets vraagt.
‘Ja.’ En van de gierende wind en de kletterende regen. Dat zeg ik niet, denk ik alleen maar. Het is alsof ik het allemaal weer hoor, alsof ik weer in de stal sta, terwijl ik Bertha’s tanden op me af zie komen.
‘Kom, ik zal het even verzorgen, het ziet er lelijk uit’.
Terwijl ze haar EHBO koffertje uit haar auto haalt, bekijk ik de wond op mijn arm. Geen wonder dat het pijn doet. Bertha’s tanden hebben mijn overall gescheurd, en een fikse jaap in mijn bovenarm achtergelaten. Maaike verbindt het deskundig, laat me beloven dat ik er af blijf, zij zal het morgen wel weer bekijken.
Dan vraagt ze me of ik actie ga voeren, of ik meega naar Den Haag. Ze heeft van haar broer gehoord dat er ook vanuit hun regio boeren zullen gaan protesteren. Ik kijk haar maar even aan, mompel dan iets onverstaanbaars.
Ze lacht me toe en zegt alsof ze me verstaan heeft: ‘Ah, je weet het nog niet. Mijn broer Peter gaat wel, maar wij hebben geen koeien die gemolken moeten worden en vader zal de varkens wel voeren.’
‘Het heeft toch geen zin om naar Den Haag te gaan,’ mengt vader zich in het gesprek.
‘Ik denk dat het belangrijk is om een signaal af te geven, ‘ zegt Maaike, ‘De boeren moeten zich niet zomaar aan de kant laten zetten. Het is niet niks als je je bedrijf moet verkopen.’
Daarop wordt het akelig stil. Ik schuif mijn stoel vanonder de tafel vandaan, stap in mijn instappers, sla de deur keihard achter me dicht en loop naar de tractor om een akker om te ploegen.
Protest
Dit voorjaar is de akker niet zo nat als de twee voorgaande. De grond kan worden klaargemaakt voor nieuw gewas. Weer maïs, of misschien gerst, iets helemaal nieuw, dat ik nog nooit eerder gezaaid. Hoog op mijn tractor overschouw ik mijn akker, ploeg de klei om. Ik houd van de naakte grond, dat samen met mij veel potentie heeft.
In de verte zie ik een auto aankomen. Wie is dat, die daar hun erf oprijdt? Niet de bakker. Uit de auto stapt de jongste zoon van van Gompel. Geert? Hij gaat niet het woonhuis binnen, maar stapt de wei in. Ik vertraag, stop, wacht af. Als hij op een paar meter genaderd is, doe ik het portier open en stap uit. Ik kijk de jongeman aan.
‘Hey Teun, ga je ook mee demonstreren? Met de tractor naar Den Haag?’ vraagt hij.
Het idee dat Geert speciaal gekomen is om mij te vragen, of ik meega, verwart me.
‘Ik?’ zeg ik nauwelijks hoorbaar. Ik kijk achterom, alsof het woonhuis oren heeft, de ramen ogen zijn.
‘Ja’ jij, benadrukt Geert. ‘Denk er maar over na, het is belangrijk voor ons allemaal, we moeten vechten voor ons bestaan. We verzamelen vrijdagochtend om half zes bij de oprit van de snelweg hier buiten het dorp.’ Hij lacht, zijn blauwe ogen stralenpriemen in de mijne. Ik kijk weg, maar hij draait zich al om en loopt terug naar zijn auto. Dat is de tweede die het vraagt, misschien moet ik het toch overwegen, denk ik.
Die nacht in de stal, tegen Bertha 13 aan, doe ik wat Geert me heeft voorgesteld en bedenk een plan om mee te kunnen gaan demonstreren. Bertha lijkt het goed te keuren. Om twee uur sta ik stram en stijf op en kruip in het woonhuis in mijn bed.
Normaal gesproken ben ik een vaste slaper, maar de nacht van donderdag op vrijdag slaap ik licht, droom ik voortdurend en woel tijdens mijn halfwakkere momenten. De wekker staat op vijf uur, maar dan ben ik al aangekleed in de keuken. Ik trek geen overall aan, loop naar de stal. De koeien begroeten me met hun gebruikelijke gesnuif en gebries. Hier ben ik altijd op mijn gemak. Alles lijkt in orde. Ik fluister een paar van mijn dames in dat ze geen lawaai moeten maken, als hun uiers wat gespannen gaan voelen. Het plan om ze nu al te melken, heb ik laten varen. Ik gok er op dat vader al voor melktijd, zeven uur, door heeft dat ik naar de demonstratie ben gegaan. Ik heb mijn telefoon op zak, zelfs nog getest of hij het doet want ik gebruik hem nooit. Ik weet maar amper wat het ding kan, alleen hoe ik berichtjes kan sturen en ontvangen. Wetend dat vader en moeder niet snel wakker worden als ze net in bed liggen, heb ik de de tractor vlak voordat ik naar bed ging, uit de schuur gereden en buiten gehoorafstand van het huis gereden, zodat vader en moeder hem in alle vroegte niet horen wegrijden.
Terug in de keuken smeer ik een half brood aan boterhammen en vul de thermoskan met de koude thee, die in een fles op het aanrecht staat. Op de klok zie ik dat het intussen de hoogste tijd is om te vertrekken.
Zodra ik de straat uit ben, zie ik dat er ook al andere tractoren onderweg zijn. De kleine rode Deutz van Smits, de groene Hurliman van van Gompel, de Machi Ferguson van van Hemert en nog een paar waar ik de eigenaren niet meteen van weet. Als ze bij de oprit van de snelweg aankomen, staat het daar muurvast. Uit alle hoeken en gaten, dorpen en gehuchten zijn er tractoren toegestroomd. Nu staan ze stil, totdat er ruimte is om te kunnen rijden. Sommige boeren doden de tijd met het spelen met hun claxon. Anderen stappen uit voor een sigaret, een boterham, een babbel. Over en weer wordt er getoeterd. Het lawaai is vreselijk. Ik houd mijn handen aan het stuur. Ik ben blij dat ik in mijn vertrouwde cabine zit. De radio hoeft niet aan, die zou ik toch niet horen. Eindelijk ontwart de knoop, stapvoets wordt een lange rij geformeerd en rijden we de oprit en daarna de snelweg op. Een uur later hebben we tien van de honderd af te leggen kilometers afgelegd. Het verkeersknoopppunt stropt. De motoren loeien, overstemmen de claxons. Zuchtend vraag ik me af hoe het thuis zou zijn. Met Bertha 13 en de andere dames? Met vader en moeder? Ik zou ze natuurlijk kunnen bellen om te zeggen dat ze zich geen zorgen hoeven te maken. Aarzelend pak ik mijn telefoon, zet hem aan, zie allemaal gemiste oproepen. Ik herken het nummer van Anja en natuurlijk dat van de boerderij. Moet ik terugbellen en een lawine van boze woorden over me heen krijgen? Ik kijk voor me uit, besef dat ook als ik nu zou proberen naar huis te gaan, het zeker nog een paar uur zal duren voordat ik weer thuis ben.
Een paar tikken op het raam van mijn portier halen me met een schok uit mijn gepieker en gepeins. Op de treeplank is een jonge vrouw in een roze overall geklommen. Ze gebaart me om haar binnen te laten. Ze heeft blonde krullen, lachende ogen, draagt een wollen, knalblauwe sjaal en een muts in dezelfde kleur. ik word verlegen van haar open blik. Ik open het portier, als een wervelwind komt ze binnen.
‘Hey, ik ben Francine. De autoriteiten zijn ons beu, de demonstratie in Den Haag is verboden. De boeren worden gesommeerd huiswaarts te keren. Doen ze dit niet dan riskeren ze een boete. Je kunt je registreren, zodat we je kunnnen contacteren voor kleine lokale acties.’
Overrompeld door haar aanwezigheid vul ik gehoorzaam mijn gegevens in. Terwijl ik daar mee bezig ben, beginnen de tractoren voor de mijne weer te rijden. Ik heb geen keus, ik moet ook rijden. Ik geef het papier aan Francine en volg. Ze werpt er een blik op en reageert meteen.
‘Oh, woon je in de Berkenstraat? Dan ken ik jullie boerderij wel. Ik fietste daar vroeger altijd door op weg naar school. Is je pa al gestopt met boeren en wonen je ouwelui nog bij jou? En je zus is getrouwd, toch?
Ik knik alleen, uitgebreidere antwoorden heb ik niet klaar op haar directe vragen. Ze weet kennelijk meer van mij dan alleen maar waar ik woon. Francine lijkt het uitblijven van mijn antwoorden niet op te merken, ze praat aan stuk door. Zo vertelt ze dat haar vader twee jaar geleden plotseling overleed, dat haar moeder nog met haar op de boerderij woont en haar broer Jos meewerkt maar met zijn gezin in het dorp woont.
Als de tractoren voor me ineens stilstaan, grist Francine het formulier mee, duwt het portier open en glipt naar buiten. Ze draait zich naar me om, lacht breed en zwaait. Ik steek mijn hand op, adem diep, de cabine is weer van mij.
Toch is er iets veranderd. Haar frisse geur hangt er nog, haar stem, haar woorden zitten nog in mijn oren.
Bij de eerstvolgende parkeerplaats stop ik. Ook hier staat het vol met tractoren. Boeren staan er met met elkaar te praten. Ik ken er geen enkele en blijf in mijn tractor, drink thee, eet een paar boterhammen en besluit dat het genoeg is voor vandaag. Met de tractor van Veewijk naar Den Haag is veel te ver. Ik ga naar huis.
Ik dacht dat het thuis al helemaal donker zou zijn, dat vader en moeder al in bed zouden liggen, maar als ik het erf opdraai zie ik nog licht door de gordijnen van de woonkamer vallen. Is vader nog op? Moeder? Allebei? Hij loopt de stal in, ziet dat alles in orde is en dat hij er ook niet meer hoeft schoon te spuiten. Meestal zijn dat de laatste werkje voordat ik naar bed ga. Ik aai Bertha 13, Coby 7 en zie in dat langer uitstel geen zin heeft.
In de woonkamer zit moeder. Ze heeft een beker warme chocolademelk voor me klaar gezet.
‘Zal ik nog aardappelen voor je bakken?’ Ik heb ook nog een worst en sla.’
Dankbaar kijk ik haar aan en knik. Ik vraag niet of vader erg boos is. Zij begint er niet over.
Een uurtje later lig ik in bed. Doodmoe. De gebeurtenissen van de dag draaien als een oneindige film door mijn hoofd, waardoor het toch lang duurt voordat ik in een onrustige slaap val.
Niet de wekker, maar het kraaien van de haan maakt me de volgende morgen wakker. sta op, het is nog stil in huis als ik beneden in de keuken een paar slokken koude thee drink. Daarna ga ik naar de stal om te melken. Behendig leg ik mijn dames aan de melkrobot.
Als vader om half zeven binnenkomt, durf ik hem niet aan te kijken. Gespannen wacht ik op de tirade die ongetwijfeld over hem zal worden uitgestort.
‘Denk je dat die chaos van gisteren iets heeft opgeleverd?’
Verrast kijk ik vader aan; die lijkt niet boos te zijn.
‘Dat weet ik niet’, zeg ik, ‘maar dan volgen er beslist nog meer acties.’
‘Ik ben er niet voor’, zucht zijn vader, ‘maar ik begrijp de jonge boeren wel. Als je een volgende keer weer besluit mee te doen, laat het me dan vantevoren weten, dan schrik ik niet als je er ’s ochtends ineens niet bent en ik alles alleen moet doen.’ Hij kijkt me in de ogen, draait zich om en verlaat de stal.
Verbluft staar ik hem na. Het gezoem van de robot hapert. Even vergeet ik vader en wijd mijn aandacht weer aan het melken van de koeien.
Het verdict
Na het melken ga ik rond tien uur binnen voor de koffie. Aan de lange, donkerbruine keukentafel zitten vader, moeder en zijn zus Anja. Maaike staat op het punt om weg te gaan.
‘Ha Teun, je bent naar de demonstratie geweest. Goed zeg. Wat jammer dat ik geen tijd heb, anders had ik er graag wat over gehoord. Ik heb mijn broer nog niet gezien.’ Ze glimlacht naar hem, groet iedereen en gaat de deur uit.
‘Daar is de post’, zegt Anja als de bel even later gaat. Vanaf haar stoel heeft ze goed zicht op de weg. Ze heeft de de postbode waarschijnlijk zien komen. De boerderij is het laatste aan de verharde weg, vandaar wordt het een zandpad.
Moeder wil opstaan, maar Anja is sneller. Ze zal nieuwsgierig zijn, meestal belt de postbode niet aan. Ze komt terug en geeft mij een brief. Aangetekend, zie ik.
‘Een aangetekende brief van het Ministerie van Landbouw en Visserij’, zegt Anja tegen vader.
‘Aan jou gericht’, zegt ze tegen mij.
Ja, dat snap ik ook wel. Ze weten daar in Den Haag al lang dat de boerderij op mijn naam staat. Maar voor Anja is er door de overname natuurlijk niet veel veranderd.
Ik leg de brief naast me neer.
‘Maak je hem niet open?’ Anja’s stem klinkt verontwaardigd.
Nee, denk ik, niet in het bijzijn van Jan en Alleman.
‘Straks’, mompel ik en sta ook op om naar de stal te gaan.
‘Ongelooflijk!’ roept Anja.
‘Laat hem maar,’ zegt moeder vergoelijkend.
‘Nu moet ik echt weg’, zegt Maaike. Ze pakt haar autosleutels uit haar tas, wenst ons een goede dag en tot morgen.
Later die dag neem ik de brief mee naar mijn slaapkamer. Zolang hij nog beneden in het postbakje lag, kon ik er nog naar kijken, zonder er iets bij te voelen, maar nu ik hem vast heb, de letters en de stempel van het Ministerie van dichtbij zie, ga ik sneller ademen, worden mijn handen klam. Met trillende vingers scheur ik de envelop open, haal de brief eruit. Mijn ogen snellen langs de regels, slaan woorden over. Na deze eerste lezing, ga ik pas op mijn bed zitten, lees ik nog een keer om mezelf te overtuigen dat het er echt staat: Ons bedrijf zal worden onteigend. Het ligt te dicht bij de Paarse Heide en omdat dat nu beschermd natuurgebied is, zal ons bedrijf worden onteigend. Ik neem de brief mee naar de keuken, waar vader de krant zit te lezen. Zonder een woord te zeggen geef ik hem de brief. Dan sjok ik naar de stal. Daar laat ik me gaan, ik schreeuw en tier, al mijn ellende moet eruit. Een paar dames kijken even op, richten hun ogen meewarig op hem en gaan dan verder met herkauwen.
In de nachten die volgen lig ik te woelen, terwijl ik de woorden, de zinnen van de brief herkauw. Vader heeft de brief aan me teruggegeven, in zijn ogen was zijn verdriet te lezen, maar er hij begint er niet over. Daarvoor is de materie te gevoelig. Tot ik op een middag, er is inmiddels een maand voorbij, binnenkom en er een man in pak binnen zit. Niet in de keuken, maar in de woonkamer. De deur naar de keuken gaat dicht, zodat de mannen onder elkaar kunnen praten. Ik weet nog niet waarover, maar word onrustig, ik krijg al een vermoeden. Vader roept me en als ik de kamer binnenga liggen er tekeningen op de tafel. Van een afstand kijk ik er met een schuin oog naar, maar ik kan niet zien wat het is. Vader wenkt me om erbij te gaan zitten. Als de man zich voorstelt, wordt duidelijk dat mijn onrust terecht is. Hij is provincieambtenaar en verantwoordelijk voor het project Natura 2000. Op de kaart wijst hij aan welke boerderijen worden uitgekocht, welke wegen zullen verdwijnen, welke er blijven of worden gereconstrueerd. De man, een echte natuurfreak, is idolaat over de mogelijkheden voor de natuur; de heide, de bossen, herten reeën, wilde zwijnen, zullen in oude glorie herstellen, het wordt er prachtig. En natuurlijk zal ik worden vergoed, net als vader en moeder die met een riante toelage in een bejaardenwoning kunnen gaan wonen. Of bij mij, daar gaat de man natuurlijk niet over.
Het wordt me teveel. Wat denkt die man wel niet, dat hij hen de les kan lezen.
‘U VERGEET WAT!’ Ik schreeuw het uit. ‘WAT MOET ER MET MIJN DAMES? NEE, U HOEFT HET ME NIET TE VERTELLEN. IK WEET HET WEL, GEWOON VERKOPEN. WEET U WEL WAT DAT BETEKENT? ZO’ N SCHEIDING’.
Bruusk sta ik op. Ik loop naar de keuken, knal de deur achter me dicht, de twee mannen verbluft achterlatend. In de keuken gooi ik een stoel om, knal ik nog een deur dicht. In de stal vloek ik zo hard dat de koeien even onrustig worden. Als ik dat zie, beginnen de tranen te stromen. Ik bljif bij ze tot lang na het melken en het schoonspuiten van de stal. Als het buiten aardedonker is, zet ik de staldeuren wijd open. Daarna gaat het razendsnel.
Brand
Ik hoor niets. Niet het gebrul van de koeien, het gekraak van het hout. Ik voel de hitte van de vlammen niet. Ik ruik niet wat het vuur aanricht. Er is maar een ding dat in mijn hoofd hamert: WEG, WEG, WEG. Ik begin te rennen, kijk niet achterom. Ben ik bang voor wat ik zal zien? Ik hoop dat mijn vriendinnen instinctief op de vlucht slaan, dat geen van hen iets overkomt. Verder durf ik niet te denken.
Van kindsbeen af ben ik als de dood voor vuur. Ik ren langs de voortuin, langs de moestuin, naar de straat. Daar kies ik niet de verharde weg naar het dorp, maar de richting waar de weg in zandpad verandert, naar het bos. Tussen de bomen, over het smalle bospaadje, neem ik even pauze, maar zodra ik de rook meen te ruiken, begin ik weer te rennen. Aan het eind van het bospaadje is de weg van Berkt naar Veewijk. Daar is ook de bushalte. Ik zal een bus nemen, geld zit nog in mjn broekzak na de verkoop van Joke 12 gisteren. Waar wil ik naar toe? Ik heb nog geen idee, waar de bus me zal brengen.
Het paadje wordt een beetje breder, ik ben op adem, begin weer te rennen. Bij de weg houd ik in, kijk links rechts, zie de bushalte en loopt de laatste meters er naar toe. Op het bordje met de dienstregeling zie ik dat er over vijf minuten een bus komt. Onrustig ijsbeer ik heen en weer. Op mijn mouw ontdek ik een zwarte roetveeg. Ik ruik de rook die in mijn kleren hangt. Maar ik vraag me niet af waar het vandaan komt. Daarvoor is er teveel onrust in mijn hoofd.
Ik zie de monsterende blik van de buschauffeur als ik even later instap. Ik richt mijn ogen op mijn handen, die geld uit mijn portomonnaie halen en wisselgeld en een kaartje aannemen. Er zitten maar een paar mensen in de bus. Ik loop tot halverwege de bus in, ga niet zitten maar blijf in het gangpad staan, houd twee handgrepen boven me vast om zich staande te houden. Zo kan ik door de voorruit goed zien waar hij is. Als er een paar haltes verder twee jonge meiden giechelend en babbelend instappen en duidelijk verder naar achter in de bus willen dan waar ik nu sta, schiet ik naar achter. Met gedempte stem, maar net te hard, hoor ik de een tegen de ander zeggen: ‘Die vent stinkt’.
‘Ja, naar rook’, zegt de ander. ‘En hij zit onder de zwarte vegen’.
Schielijk slaan ze me gade, ik voel me een dartboard waar voortdurend pijlen op worden gericht. Daarom druk ik op de bel, ik wil er uit. Ik wil geen opvallende verschijning zijn waarover wordt gepraat.
‘Hè, hè,’ hoor ik een van de meiden nog zeggen als ik aanstalten maak om uit te stappen. Zouden ze opgelucht zijn, dat ik eruit ga? Anders ik wel.
Eenmaal uitgestapt heb ik geen idee waar ik zit. Waarschijnlijk in de nieuwbouwbuurt van Veewijk, met hofjes en doodlopende straatjes, een dorp waar ik toch al nooit kom. Maar in welk dorp kom ik wel? Behalve in de kerk op zondag in mijn eigen dorp en af en toe een vergadering van de landbouwcoöporatie in het dorpshuis, speelt mijn leven zich af op de boerderij. Of speelde? Wat heb ik gedaan? Waarom stink ik zo naar rook? Ik voel een drang om terug te gaan naar mijn dieren, maar mijn verstand weerhoudt me. Wel een half uur dool ik halfbewust door de straatjes, dan sta ik ineens bij een weiland met daarin een schuurtje. Op de rand van de voederbak die er staat, zak ik neer en vergiet bittere tranen.
Ik word wakker op een baal hooi, achter een schot in het schuurtje. Eerst denk ik nog dat ik in de stal bij mijn koeien ben, maar dan dringt tot me door dat ik ze niet hoor bewegen, niet hoor snuiven en hun warmte niet voel. Het is bijna helemaal donker. Het is een zwoele zomernacht. In mijn hoofd spoken beelden van een laaiend vuur, hoor ik brullende koeien. Maar ik kan ze niet plaatsen. Ik ga weer liggen en val opnieuw in slaap.
Werd ik wakker van de kraaiende haan of van mijn knorrende maag? Het is licht geworden en ik besef dat ik hier weg moet voordat ik door iemand zal worden ontdekt. Iemand die me vragen zal stellen, vragen die ik niet kan of wil beantwoorden. En ik heb honger. Ik moet iets eten.
In het weiland is een put. Er staat een emmer naast. Door de overvloedige regenval van eerder in de week staat er water in. Ik drink een slok, merk hoe dorstig ik ben, drink nog meer. Wacht, ik kan mijn gezicht en handen ook wassen, dan voel ik me waarschijnlijk meteen frisser. Bijna monter stap ik even later door het weiland, naar de weg. Daar aarzel ik welke kant ik op zal gaan. Liefst zou ik nu tussen de koeien zijn, maar zonder te kunnen zeggen waarom, weet ik dat dat niet kan. Dat naar huis gaan zal uitdraaien op een teleurstelling. Ook al heb ik geen idee wat er allemaal is gebeurd, waarom ik ben waar ik ben. Dus ga ik niet naar Veewijk, maar in de richting van Berkt.
Bij de kerk in Berkt is het markt. Hoewel het nog vroeg is, op de kerktoren heb ik gezien dat het negen uur is, is er al aardig wat volk op de been. Ik gap een appel, pik twee broodjes. Om mijn ergste honger te stillen. Dan wil ik weer weg, het wordt me hier al te druk. Ik meen ook al argwanende blikken te zien. Daardoor besef ik dat ik er in mijn overall niet uitzie als een doorsnee marktbezoeker. Ik verlaat de markt, ga via rustige straatjes het dorp weer uit. In een bushokje net buiten Berkt peuzel ik de broodjes op, eet ik de appel.
Er stopt een witte Corsa van de Thuiszorg bij de bushalte. Ik kijk niet op, ook niet als het raampje wordt opengedraaid. Totdat ik mijn naam hoor. Als ik mijn hoofd in de richting van de stem draai, kijk ik recht in een paar bekende, blauwe ogen. Ogen die de mijne boven een kop koffie aan de keukentafel thuis zo meer dan eens zochten. Ogen, waar ik een beetje bang voor ben. Ze lijken recht tot in mijn ziel te kijken. Ik ken die ogen al goed, heb ze al vaak ontweken. Het zijn Maaikes ogen.
‘Hey Teun, wat doe jij hier?’
Ik geef geen antwoord.
‘Wil je een lift? Moet ik je thuisbrengen?’
‘Ik heb geen thuis’, fluister ik.
Maaike doet alsof ze me niet gehoord heeft. Kan ze mijn onrust lezen. Ik zie er natuurlijk niet uit: mijn haar in de war, mijn ongeschoren kop. Kan ze raden dat er iets mis is?
‘Stap in’, ze doet het portier al open, ‘ik woon hier vlakbij, dan kun je je even opfrissen en een kop koffie drinken.’
Ik aarzel.
‘Ik ben geen pitbull’ Ik bijt niet’. Ze schenkt me een mooie glimlach. Ik voel mijn wangen rood worden, haar blik laat me voelen hoe moe en vies ik ben en ik stap in, doe automatisch de gordel om.
Het is aangenaam warm in de auto. Ik ontspan, strek mijn benen, ik weet dat ik tegen Maaike niets hoeft te zeggen. Zij stelt thuis ook altijd allerlei vragen die ik niet direct of helemaal niet beantwoord. De radio staat op een lokale zender. Bij een nieuwsbericht schiet ik recht.
‘De brand in Veewijk die gisteren een koeienstal in de as legde en het aanpalende woonhuis zwaar beschadigd, wordt momenteel nog nageblust. Bij de brand raakte niemand gewond, wel stierven er veertig koeien. Een stal met jongvee bleef gespaard.’
Gatver. Heb ik nog wel een thuis? Er trekken weer beelden voorbij van rook en vlammen. Ik hoor de stampende, brullende koeien. Waar, wanneer heb ik die ook gehoord? Gaat het bericht over mijn koeien? Over mijn vriendinnen’. Voor het eerst denk ik ook aan mijn ouders. Goed, dat die naar de verjaardag van Anja waren, anders was hen misschien iets overkomen. Ik word onruistig, schuif heen en weer in mijn stoel, wil het liefst de auto uit, maar ik zit vast, dus dat gaat niet. Wat is er gebeurd? Maaike kijkt mijn kant op, maar zegt niets.
Ze woont in een klein huisje naast de boerderij van haar ouders. In de moestuin voor het huis staat een plaat ‘Verkocht’. Haar broer Peter, die de boerderij overnam, vlucht voor alle inperkende landbouwmaatregelen en verhuist naar Denemarken. Hun ouders verhuizen naar een bejaardenwoning in het dorp, vlakbij Anja en haar gezin. Dit vertelt Maaike me terwijl we aan de koffie zitten. Ik ben fris gedoucht, de rookgeur wordt uit zijn kleren gewassen in de wasmachine. Ik draag een joggingbroek en sweater van Peter. Maaike praat maar ik hoor nauwelijks wat ze allemaal zegt. Steeds weer zie ik vlammen, hoor ik brullende, stampende koeien.
‘Teun, weet jij iets van die brand?’ Ze legt haar kleine handen op mijn gebalde, gespannen vuisten op de tafel. Dat gebaar is me net teveel. Ik begin hortend en stotend te brullen. Ik geneer me, wil dat ze haar handen van mijn vuisten neemt, beweeg mijn handen. Maar ze laat mijn knuisten niet los, ze laat me huilen. Ik geneer me, maar kan niet stoppen. Mijn hoofd is gebogen richting de tafel. Als ik eindelijk kalmeer brengt ze me een glas water. Ze herhaalt haar vraag niet. Zonder iets te zeggen heb ik het antwoord gegeven.
Na een lange stilte snik ik: ‘Ik weet niet hoe.’
Dan herinner ik de brief en snotter: ‘onteigening’.
Maaike zegt niets meer, ze legt alleen haar hand even op mijn schouder. Dat troostende gebaar emotioneert me, ik slik krampachtig nieuwe tranen weg. Het is zo een eenvoudig gebaar, maar dat iemand me op zo een manier aanraakte, herinner ik me alleen maar uit mijn kindertijd. Over gevoelens werd en wordt thuis niet gesproken, tranen zijn er zelden en als ze er zijn worden ze genegeerd. Nog voordat ik met mijn mouw mijn tranen van mijn gezicht wil vegen, heeft Maaike al een pakje papieren zakdoekjes bij me neergelegd. Onhandig peuter ik het pakje open, mijn vingers zijn te dik voor het dunne plastic en neem er eentje uit. Luidruchtig snuit ik mijn neus, ik schrik er zelf van.
‘Maar wat nu?’
We zitten nog aan tafel. We hebben smakelijk gegeten. Het is een vraag die al de hele middag tussen ons hangt. We hebben samen gepraat, dat wil zeggen dat Maaike veel vragen aan me stelde en het antwoord uit me probeerde te trekken. In het begin was dat ongemakkelijk, maar gaandeweg durfde ik meer te zeggen. Ik voel me op mijn gemak bij haar, weet dat we niet echt vreemden voor elkaar zijn.
‘Eerst moeten je ouders weten, dat je veilig bent. Daarna bel ik de politie om te zeggen dat je bij een vriendin bent, dat je niet zoek bent. Daarna bellen we je huisarts, je hebt hulp nodig.’
Ze is zo resoluut. Ik durf haar niet tegen te spreken. Een gesprek met de huisarts vind ik niet erg. Die man kent me, hij is kalm en bedachtzaam. Maar het telefoontje naar de politie boezemt me wel angst in. Zullen ze me arresteren? Maar ik weet niet wat er is gebeurd? Daar word ik heel onrustig van.
Natuurlijk ziet Maaike dit aan me. ‘We doen dit samen. Je bent niet alleen,’ zegt ze.
‘Weet je wat, ik vraag Peter of je vanavond mee mag helpen melken. Zijn dames zullen je kalmeren.’
Kan ze ook aan me zien dat ik dankbaar ben?
In de stal met Peter brengen de koeien inderdaad rust, geven me warmte. Ik ben blij dat ik even kan focussen op de dames in plaats van geteisterd te worden door alle zwarte gedachten die door mijn hoofd spoken. Totdat Maaike binnenkomt en zegt dat de politie en de huisarts bij haar binnen zijn en dat ik wordt verwacht. Mijn hart klopt meteen in mijn keel, ik voel mijn hoofd rood worden. Maaike knikt me toe.
‘Ik zet koffie,’ zegt ze. ‘Wil je dat ik er bij kom zitten?’
Ik knik. Met lood in mijn schoenen ga ik naar binnen.
De dokter en de agent ziten zwijgend tegenover elkaar. Ze staan op om me een hand te geven. Ik steek mijn hand uit, kijk de mannen niet aan als ik die van hen schud.
De agent, een jonge vent, wacht niet af maar begint meteen vragen te stellen. Wie ik ben, of het bedrijf in Veewijk, Pannerweg 1, het mijne is, waar was toen de brand uitbrak, waarom ik was gevlucht, en ga zo maar door.
Ja, dat is zijn bedrijf. Veel verder komt de agent niet. Op de inhoudelijke vragen, vragen die ik niet alleen met ja of nee kan beantwoorden, geef ik geen antwoord, haal ik hooguit mijn schouders op. Ik weet ook echt niet wat er gebeurd is en welke rol ik daarin gespeeld heb. Ik kan mijn koeien niets aan doen. Het zijn mijn vriendinnen. Maar dat zal die agent niet geloven. Ik doe mijn ogen dicht, blijf doodstil op mijn stoel zitten, probeer me af te sluiten van wat er om me heen gebeurt. Maar dat lukt niet. De agent blijft vragen stellen. En hoewel ik ze amper hoor, wordt mijn verdriet, mijn wanhoop, omgezet in boosheid. Ik word kwader en kwader.
Net als Maaike binnenkomt met koffie en de agent op wil staan omdat hij toch niet verder komt, begin ik te hijgen, te schreeuwen. Ik zie niets meer, ik wil met mijn vuisten klappen uitdelen, geen idee aan wie. Ik bal mijn vuisten, hef mijn rechterarm alsof ik de agent een mep wil verkopen: ‘Joke, Bertha, Lena, Klara, Roos, mijn beste vriendinnen, ik ben jullie allemaal kwijt. Jullie zijn allemaal dood en ik weet niet wie dat heeft gedaan! Echt niet!’ Als een enorme waterval kletteren de woorden uit mijn mond. Als ik met mijn arm over mijn lippen veeg, blijft er een spoor vocht op mijn mouw achter. Mijn lippen zijn nat, vocht druipt langs mijn kin. Ik zie Maaikes verschrikte gezicht niet. In een waas zie ik de kopjes bewegen op het dienblad, maar ik hoor niets. De agent en de huisarts grijpen me vast, duwen me terug in mijn stoel om erger te voorkomen. De dokter laat me een slok koffie en een pilletje nemen, dat me moet kalmeren.
‘Ik bel een ambulance, ik laat hem opnemen. Op een gesloten afdeling’.
‘Dat het een boer in deze tijd teveel wordt, kan ik me goed voorstellen,’ zegt de dokter tegen de agent en Maaike.
Ik hoor hem wel, maar weet niet waar hij het over heeft, ik voel me vreselijk suf worden, snap niet goed waarom. De dokter en de agent houden me nauwlettend in het oog, Dat is niet echt nodig, ik heb geen puf meer om op te staan.
‘Met een stoornis in het autismespectrum, zoals Teun, heb je grote kans dat je dan vastloopt. Ook zonder eerder gediagnosticeerde stoornissen lopen agrariërs vandaag de dag vast.’
De dokter blijft uitleggen, maar ik kan mijn hoofd er niet meer bijhouden. Ik hoor nog iets van Asperger en dat dergelijke stoornissen in mijn jeugd wel voorkwamen, maar dat er geen aandacht voor was omdat er nog weinig over bekend was. Heeft de dokter, dat is toch mijn huisarts dat al langer aan me gezien. Het zal allemaal wel, ik maak me er niet druk over, ik ben zo suf, ik wil het liefst slapen.
Als de ambulance er is en ik er in zit, zegt Maaike tegen me:
‘Ik ga het aan je ouders vertellen.’
Opname
Die avond komen vader en moeder op bezoek. Zelfs in de lange gangen van het ziekenhuis, herken ik vaders stap. En hij loopt niet eens op klompen. Ik hoor hoe moeder hardop de kamernummers opnoemt:
‘Hier moet het zijn,’ zegt ze. Een tik op de deur en ze staan binnen. Het enige wat ze zegt is: ‘Oh Teun.’ Even denk ik dat ze me een kus gaat geven, maar zover gaat haar intimiteit niet. Toch hoor ik zoveel emotie in die twee woordjes, vooral twijfel en verdriet. Haar ogen zijn roodomrand. Heeft ze om mij gehuild.
Vaders stem klinkt schor als hij me groet. Ik voel me ongemakkelijk, merk dat geen van ons durft te beginnen over de brand en wat er daarna gebeurd is.
‘Vader, de koeien..’ begin ik. Verder kom ik niet. Mijn stem breekt ik, ik voel hoe mijn ogen beginnen te branden. Manhanftig probeer ik de opkomende tranen weg te slikken.
‘Ach Teun, jij zou de koeien nooit iets aandoen, dat weet ik zeker. Hoe het is gebeurd moet de politie maar onderzoeken.’ Dit uitgesproken vertrouwen komt heel onverwacht. Ik snotter.
Moeder wriemelt een dameszakdoekje uit haar handtas, te klein voor mijn grote neus, te klein voor de hoeveelheid tranen die ik kwijt zou willen. Het lukt me de zakdoek droog te houden. Alle drie zijn we een tijd stil.
‘Ik kan een student van de Lagere Agrarische School laten komen om me te helpen. De verzekering betaalt dat,’ zegt vader, waarna hij vragen begint te stellen over krachtvoer dat besteld moet worden, over waar ik de smeerolie heb opgeborgen. De emoties worden in een zijstraat geparkeerd.
Terwijl vader en ik die praktische zaken bespreken, legt moeder moeder schone kleren, twee pyama’s en wat lekkernijen in de kast. Ook heeft ze pantoffels, waarvan ik vergeten was dat ik ze had, meegebracht.
‘Kijk Teun, ik heb iets voor je.’ Iedere dag, nu al vier weken, loopt ze even bij me binnen.
Soms maar tien minuten, af en toe meer dan een uur. Waarom ze dit doet is me niet duidelijk. Voor vader en moeder? Voor mij? Wel weet ik dat inmiddels zeer gesteld ben op haar bezoekjes. Ze heeft altijd iets te vertellen. Over mijn ouders, over buren, over wat er speelt in en rondom de buurt van de boerderij. Wat heeft ze nu weer? Ik glimlach, pak een tijdschrift van haar aan. ‘Boeren in het buitenland’, lees ik. Over agrariers die naar het buitenland emigreren.
‘Ik kwam meester Gert tegen in de supermarkt. Daar heb jij toch ook bij in de klas gezeten. Dat zei hij tenminste toen ik zei dat ik haast had omdat ook nog even bij jou hier in het ziekenhuis langs wilde gaan. Hij doet je veel groeten, wenst je veel sterkte. Natuurlijk wist hij van de brand. Hij vindt het verschrikkelijk voor je, vertelde over hoe stil je was in de klas. Maar altijd wel goed luisterde, de juiste antwoorden op het papier kreeg. Het was alleen moeilijk je te verstaan. Je durfde in die grote klas met branieschoppers nooit hardop te praten, bang dat je iets fout of lachwekkend zou zeggen.’
Ja, ik herinner me meester Gert nog goed, hij probeerde me altijd aan de praat te krijgen. Hij herhaalde keer op keer dat hij me niet kon horen of verstaan totdat het me lukte hard genoeg te praten.
‘Hij zei ook nog dat hij zich van je herinnerde dat je goed luisterde, heel precies en secuur was en goed kon hoofdrekenen. Toch knap dat hij dat allemaal nog weet, hij heeft zoveel leerlingen gehad. Maar het klopt wel, als ik je het veld zie ploegen of zie hoe je boterham van margarine voorziet, dan sla je geen hoekje over, zorg je dat alles, maar dan ook alles wordt bewerkt. En als ik je iets vertel dan weet je het de volgende dag nog allemaal en dat is lang niet bij iedereen zo. Verre van.’
Ik voel me veel rustiger dan toen ik hier binnenkwam. Dat zal voor een deel wel door de medicijnen komen. Herinneringen aan de brief over de onteigening, aan de brand komen af en toe als een paar donkere wolken overdrijven. Maar door de mensen die hier voortdurend om me heen zijn, drijven ze ook weer voorbij. De gesprekken met de psychiater lijken me losser in de omgang te maken. Ik durf ook Maaike tegenwoordig vaak recht in de ogen te kijken zonder dat ik ga blozen. Eindelijk. Haar stralende ogen, haar lieve lach maken me helemaal warm van binnen. Toch bekruipt me af en toe nog een gevoel van wanhoop. Vooral als mijn ouders me komen opzoeken. Dan begint de onteigening weer door mijn hoofd te spoken. Op de een of andere manier ziet ze hoe het donker wordt in mijn ogen. De eerste keer dat het gebeurde, begon ze van alles te vragen. Maar ik had geen zin of kon er niet over praten. Er ging teveel tegelijk door me heen. Nu ze dat weet, vraagt ze niet verder, legt ze alleen een hand op mijn schouder of knie.
‘Interessant’, zeg ik. ‘Dankjewel.’ Ik leg het tijdschrift op de tafel en vraag haar dan hoe het met de verhuisplannen van Peter gaat.
‘Eigenlijk heeft Peter dit tijdschrift geleend van de bibliotheek, maar het leek me ook leuk voor jou om tussendoor in te bladeren. Hij heeft een bedrijf op het oog, drie keer zoveel grond als hij nu heeft. Vijfhonderd koeien. De boer die er nu zit is weduwnaar zonder opvolgers en kan het niet meer aan.’
Ik heb het tijdschrift geopend en lees nu een passage, waardoor ik haar amper hoor zeggen dat ze weg moet, dat ze morgen terugkomt.
Ze houdt woord, natuurlijk: ‘Teun, Teun, ik moet je iets vertellen.’ Ze komt zelfs hijgend binnen. ‘Ik kom maar heel even, want ik moet gaan werken, maar dit moet je weten, dit kan niet wachten. Net toen ik je moeders steunkousen had aan gedaan, kwam de politie binnen. Rechercheurs hebben de oorzaak van de brand gevonden. Tussen de resten van de stal lag een verbrande marter. En een doorgeknaagde kabel. Wanneer doe jij de luchtwasser aan?’
‘Dat is het laatste wat ik doe, voordat ik de stal uitga. Ik kan niet goed tegen het gebrom. Na een half uur gaat hij automatisch uit.’
‘Zie je dat is het. De marter knaagde de kabel door, jij deed de luchtwasser aan, vocht op de kabel, kortsluiting. De boel vliegt in de fik. Dat suggereerde de rechercheur ook. Je hebt de brand niet aangestoken. Integendeel, je hebt geprobeerd de koeien te redden. De politie vond resten van de slang in de ligboxen. Ik ben zo blij voor je.’
Ik kan me er allemaal niets van herinneren. Alleen heb ik nog vage beelden van een buschauffeur en smoezende meisjes. Was dat toen ook?
‘Mijn koeien, mijn vriendinnen, ben ik voor altijd kwijt’. Het klinkt verdrietig.
‘Ja’, zegt Maaike, ‘dat is waar en heel verdrietig, maar de brandverzekering zal je wel vergoeden. En je hoeft je niet schuldig te voelen naar je vader toe. Want dat deed je vast.’
Ze heeft gelijk, natuurlijk, ze kent de verhoudingen op ons– oh nee, mijn - bedrijf doordat ze er zo regelmatig komt.
‘Jawel, maar waar moet ik naar toe?’
‘Naar Denemarken?’ Ze flapt het eruit. Haar ogen stralen, ze lacht. ‘Peter zei gisteren nog dat er werk genoeg zou zijn voor twee boeren. Misschien kun je je in zijn bedrijf inkopen. Jullie kunnen toch goed samen overweg?’
Zo opgetogen als zij is, ben ik absoluut niet. Ik kijk haar aan, sprakeloos. Wat een idee. Idioot gewoon. Dat kan helemaal niet. Bovendien, kan ik goed met Peter overweg? Ik heb geen idee hoe die over me denkt. Heeft ze hier al over nagedacht, of zegt ze dit in een opwelling? Ik naar het buitenland? Ik spreek niet eens Deens en mijn Engels is van het stenen tijdperk. Maar ik zou boer kunnen blijven en niet in een huisje in een dorp hoeven wonen. Toch klinkt het eenvoudiger dan het zal zijn.
‘Teun, ik moet weg, naar mijn cliënt. Laat het idee maar even sudderen.’ Als een wervelwind was ze binnengekomen, nu is ze ineens weer weg. Het is stil, het lijkt nog stiller dan anders. Ik had nog zo graag willen praten over haar fantastische idee. Ja, fantasie heeft ze wel. Of meende ze het? Ze is ook trouw, ze komt echt iedere dag, al wekenlang. En ze is praktisch, dat moet ook wel als je in de thuiszorg werkt. Maar ze is vooral ontzettend lief voor mij. In al mijn ellende was ze er, is ze nu een lichtpuntje in mijn dagen. Kijk ik dagelijks uit naar haar komst. Ik weet niet hoe ik mijn gevoelens voor haar moet uitleggen, maar ik weet inmiddels wel dat ik haar mis als ze een middag niet of laat komt. Dan luister ik met mijn deur open naar alle voetstappen in de gang, in de hoop dat het de hare zijn. En ben ik ontgoocheld als ze weer voorbij gaan.
Van Maaike is het maar een kleine gedachtensprong naar mijn ouders. Die zouden te zijner tijd naar een bejaardenwoning moeten verhuizen. Mijn gedachten gaan weer terug naar Maaike. Hoe ze altijd opgewekt de keuken binnenkomt, hoe vader haar dan enthousiast begroet, hoe ze moeder plaagt, haar kietelt tussen de tenen tijdens het aantrekken van de steunkousen. Steunkousen hoef ik niet, maar ze mag me gerust ook eens tussen mijn tenen kietelen.
Twee weken later zit ik naast Maaike in haar Corsa. De psychiater heeft mijn ontslag ondertekend, Maaike is me op komen halen. Ik ben blij dat ik naast haar zit. ik moest daarvoor wel wachten tot na haar werk, maar zo voel ik me veel zekerder. In het ziekenhuis had de dag een structuur, voor de brand had hij soms tijd te kort. Maar nu lijken de dagen als een oneindige, onherbergzame woestijn voor hem te liggen.
Maaike legt haar hand op mijn knie. ‘Kop op, Teun, we gaan er het beste van maken.’ Vlak voor de boerderij stopt ze de auto langs de kant van de weg.
‘Heb je nog nagedacht over Denemarken?’ Haar blauwe ogen onderzoeken mijn gezicht.
‘Dat was toch een grapje?’
‘Helemaal niet,’ zegt ze verontwaardigd.
‘Hmm, veel te ingewikkeld, mooi sprookje,’ mompel ik. Natuurlijk vertel ik haar niet dat ik tijdens mijn slapeloze nachten af en toe aan haar voorstel heb gedacht. Maar dan meteen weer parkeerde; zo een grote stap in het onbekende was niets voor mij. En kan ik vader en moeder hier achterlaten? Vader zou er zeker niet blij mee zijn.
‘Waarom zou het een grapje zijn? Je bent niet de eerste of de enige die zo een stap zet. En je bent niet alleen. Ik heb al een balletje opgegooid bij Peter en hij lijkt niet afkerig van het idee.’
Ik voel een soort opstandigheid in me opkomen. Soms is ze net iets te voortvarend naar mijn zin. Maar dan laat ik die ergernis al snel varen. Ik weet inmiddels ook dat ze me niet onder druk zal zetten. Onhandig leg ik mijn grote hand, hard van al het werk, tegen haar zachte wang, draai haar gezicht naar me toe en druk voorzichtig een kus op haar wang. Ze slaat haar armen om me heen, trekt me naar haar toe, drukt me tegen haar aan. Zo blijven we een hele tijd zitten. Als ze me loslaat, heb ik tranen in mijn ogen.
Het is fijn om weer thuis te zijn, weer in mijn eigen bed te kunnen slapen. Maar van slapen komt die eerste nacht niet veel. Er gaat zoveel door mijn hoofd: het verdriet om het naderend afscheid van een bedrijf dat jaren van de familie was, waar ik ben opgegroeid, mee ben vergroeid. Mijn ouders die met voorrang zullen verhuizen naar een bejaardenwoning, maar vooral de vraag of ik hier zal blijven of emigreren. En wat daar dan allemaal bij komt kijken. Waar moet ik in ’s hemelsnaam beginnen? Ik ben niet gewend met de computer te werken maar op verloren momenten zal ik toch moeten surfen op makelaarssites op het internet. Met vader en moeder heb ik het nog niet over verhuizen naar Denemarken gehad. Die denken dat ik een huis in het dorp zal kopen. Dat is natuurlijk ook nog steeds een optie. Maar het idee om te kunnen blijven boeren staat me steeds meer aan. Iedere keer als ik buitenkom en met de restanten van de stal wordt geconfronteerd, voel ik de pijn van het verlies. Halve, zwartgeblakerde muren, een ingestort dak, maar vooral de afwezigheid van de koeien doen me veel verdriet. Hoe moet ik mijn dagen vullen? Ik kan niets anders en doe niets liever dan voor koeien zorgen. Mijn beste vriendinnen, die me jarenlang eersteklas melk gaven, zijn dood. Verbrand. Een stomme marter, die die kabel doorvrat. En je mag niks tegen die beesten beginnen, want ze zijn beschermd. In de stal met jongvee vind ik troost. Ik knuffel kalfjes, laat hen aan mijn handen sabbelen, voel hun warmte. Maar ook van hen zal ik afscheid moeten nemen. Met hen hier opnieuw beginnen heeft geen zin, nu bepaald is dat het bedrijf in een Natura 2000 gebied ligt. Of ik moet in de buurt een bedrijf zonder opvolging vinden. Dan hoef ik niet te emigreren. Zo malen de gedachten door mijn hoofd. Er is gelukkig gras dat hoognodig moet worden gemaaid. Het is tijdens mijn afwezigheid, mede door veel regen, enorm gegroeid. Dat zal me een beetje afleiden. Dus kruip ik op de tractor om het te maaien. Maar zingen doe ik niet. Ik zet mijn transistortje niet eens aan. Iedere keer als de neus van de tractor in de richting van het dorp wijst, tuur ik de weg af, kijk ik of Maaike er al aankomt. Eindelijk zie ik haar autootje aankomen. Ik maai de laatste banen en zet de motor van de tractor af. Ik klim er uit en ga naar de stal met het jongvee. Die moeten nog drinken. Als Maaike me wil zien, zal ze me daar wel weten te vinden.
‘Heb je nog nagedacht?’ Ze heeft me inderdaad gevonden.
Samen gaan ze op een strobaal zitten.
‘Wat denk je?’
Ze kijkt me aan. ‘Ik hoop het’, zegt ze.
‘Ik heb er uren van wakker gelegen. Het is zo een grote stap.’
Ze begrijpt hoe moeilijk de keuze voor me is en kruipt dicht tegen me aan. ‘Misschien moet je eens met Peter gaan praten over zijn plannen.’
Ze slaat haar armen om me heen.
‘Wordt het gemakkelijker om te beslissen als ik meega? Werk genoeg in de zorg, ook daar.’ Vragend kijkt ze me aan. Als antwoord kus ik haar onhandig op haar mond. Het gaat vanzelf, ik wist niet dat ik dat kon. Als ze mijn kus beantwoordt, vlechten onze tongen zich in een innige kus.Alsof ik bedwelmd ben, kus ik haar nog eens. En nog eens.
Ze weert me niet af, integendeel, ze houdt me nog steviger vast. Een zalig gevoel. Een beetje beduusd van wat me overkomt vraag ik of ze mee binnen gaat koffie drinken, maar heb daar meteen spijt van. Ze maakt zich langzaam los uit onze omhelzing en zegt:
‘Helaas, ik moet naar de volgende cliënt. Ik ben hier al veel te lang. Morgen misschien.’ Snel drukt ze een kus op mijn mond. Even later hoor ik haar het erf afrijden.
Als ik binnenga voor de koffie kijkt moeder me onderzoekend aan, maar vraagt niets. En ik zwijg.
De volgende dag zitten we weer op de strobaal. ‘Ik heb gisteravond op het internet naar woonruimte in Ribe, in de buurt van de boerderij gezocht. Er staat wel wat te koop, dat geschikt zou kunnnen zijn voor je.’
Mijn hart zinkt in mijn schoenen. ‘En jij dan?’ Geschrokken kijkt ik haar aan. Heeft ze zich bedacht? ‘Jij gaat toch mee?’ Overkomt me nu waar ik vannacht van heb wakker gelegen? Ondanks mijn aanvankelijke geluksgevoel, heb ik de afgelopen nacht slecht geslapen. Wat ziet ze in mij? Waarom zou zij ook zo een grote stap zetten; haar baan opzeggen, naar een ander land verhuizen?
Die onrustgevoelens zijn bij haar binnenkomst in de stal en de daaropvolgende omhelzing verdwenen, maar keren met de opmerking over de woonruimte meteen terug.
‘Luister lieverd.’
Dat klinkt heerlijk en geruststellend in zmjn oren.
‘Ik heb hier drie maanden opzegtermijn. En wil jij wel met mij onder een dak wonen? Peters boerderij is groot genoeg, die heeft vast nog wel een kamer over voor mij. Dan ben ik dichtbij, maar zit niet constant op je lip.’
Ik draai me bruusk naar haar toe, leg dan voorzichtig mijn hand tegen haar wang, druk een kus op haar zachte lippen en fluister: ‘Ik wil je om me heen. Het zal toch niet constant zijn, er zijn nog meer dames die daar om mijn aandacht vragen. Maar als ze mij niet nodig hebben, wil ik er voor jou zijn.’ Zelden ontsnappen me zoveel zinnen, zoveel woorden. Mijn angst en onzekerheid haar toch nog te verliezen zetten me aan tot deze ongekende woordenstroom. Ik sta er zelf versteld van. Word er ook rood en verlegen van. Ze ziet het en smoort zijn woorden in een innige kus.
We schrikken op van de piep in de staldeur. Moeder is binnengekomen, kijkt vol verbazing naar Teun. Dan naar Maaike. Die lacht.
Maaike herstelt het eerst. ‘We wilden net komen koffie drinken,’ zegt ze. ‘Teun heeft iets te vertellen, hè Teun?’ Ze pakt mijn hand. Hand in hand gaan we de stal uit. Moeder volgt. Stomverbaasd.
Als vader binnen is en we met zijn vieren aan de koffie zitten, geeft Maaike me onder de tafel een schop. Ik kijk haar aan, weet maar al te goed wat ze wil, kijk naar vader die door de Boer en Tuinder zit te bladeren, aarzelt nog eens, kijkt naar moeder, hakkel dan:
‘ Vader… moeder… die brief…’
‘Welke brief?’ vraagt moeder.
‘Ja’, zegt vader, ‘die van het Ministerie’.
‘We moeten hier weg, we worden onteigend. Ik ga boeren in Denemarken. Met het geld dat ik krijg als vergoeding voor ons gedwongen vertrek, koop ik me in in het bedrijf van Peter, Maaikes broer.’
Vaders ogen worden groot van verbazing.
‘Helemaal naar Denemarken?’ zegt hij.
Ook moeder is verbaasd. ‘Jij naar het buitenland?’ Ze kijkt me met grote ogen aan.
‘Wat voor bedrijf is het?’ vraagt vader.
‘Een melkveebedrijf, vijfhonderd koeien,’ zegt Maaike. ‘Groot genoeg voor twee boeren. Peter heeft er graag een partner bij.’ Ze legt haar hand op die van Teun. ‘Dus zoeken we een huis niet ver van de boerderij.’
‘Jij gaat ook mee?’
‘Met een stralende lach zegt ze:’ ik laat hem niet alleen gaan, nee. En Ribe is maar acht uur rijden,’ knikt ze geruststellend naar vader.
Peter heeft een modern melkveebedrijf. Overweldigend. Vijfhonderd koeien. Ze zijn allemaal voorzien van een gele chip. Ze zijn dus genummerd, hebben geen namen. Waar zijn mijn dames, waarvan ik alle voorkeuren, kenmerken kende? Verbrand? Wat mis ik ze.
Tegelijkertijd zie ik ook de uitdaging om hier met Peter te mogen boeren. Altijd beter dan thuis in een huisje in het dorp te moeten wonen. En tegen de koeien kan ik best Nederlands praten, dat zullen ze net zo goed verstaan als Deens.
RIBE
Drie maanden later
In het dorpje niet ver van Ribe en vlakbij de boerderij staat een appartement te huur. Ik zag het toevallig in het voorbijgaan, heb het er niet eens met Maaike over gehad, ben er alleen gaan kijken. Het is groot genoeg voor hen. Dan hoeft Maaike niet meer bij haar broer te logeren, ik niet in een camper op zijn erf. Dan heb ik haar, als ik niet aan het werk ben, voortdurend om me heen. Wat een heerlijk vooruitzicht. Stiekem droom ik ook al van een feest met de familie nat we elkaar ons jawoord hebben gegeven.
Aangezien ik het heerlijk vind om met grote werktuigen bezig te zijn, heeft Peter me gevraagd een paar bomen te rooien. Mijn transistor hoor ik niet, daarvoor maakt de rooimachine veel te veel herrie. Dus zing ik mijn eigen repertoire, luidkeels. Ik denk aan Maaike, glimlach, kan niet wachten totdat ik haar straks weer zie als ze terug komt van haar werk in een bejaardentehuis. De ketting zit strak om de stam. Ik rijd behoedzaam van de boom weg. Sneller dan gedacht begint de bewuste boom te vallen. In mijn richting, wat natuurlijk niet de bedoeling is. Ik druk het gaspedaal in, de laatste uitweg om aan het naderend onheil te ontkomen. Tevergeefs. Gekraak, geruis, een harde bonk.
Alleen de motor van de machine blijft brullen, verder wordt het stil. Doodstil.
Een week later is de hele familie in Denemarken. Niet voor een huwelijk, maar voor een begrafenis.