Mijn winkeltje ligt net buiten de hoofdstraten van Edegem. Met maar één kleine vitrine, gevat in een groen raamkader, oogt het heel wat minder opvallend dan ‘De Tuin van Eden’ aan de overkant. Een bloemenwinkel die uitgesmeerd is over wel vier raampartijen. Hij heeft zijn naam niet gestolen, weet ik.
Ik kom wel vaker in mijn winkeltje. Hoewel. Vaak is misschien wat overdreven. Ik druppel ik er af en toe binnen. Telkens zit er iemand anders aan de kassa vooraan. Vrijwilligers vermoed ik. Ze schenken je altijd hun breedste, gemeende glimlach. Vandaag is het een jonge vrouw, mollig, blond. Dertig schat ik. Haar felblauw ensemble vrolijkt het donkere, bruinzwarte interieur op. Ze is op een wat zenuwachtige manier in de weer met haar kassa die duidelijk niet doet wat zij wil. Maar kijk, daar is die glimlach weer.
Ook al is het smal, het winkeltje loopt best wel diep door. Een echte pijpenla. Het daglicht haalt amper de kassa. Daar nemen de spots het over. Ze doen hun werk onopvallend en effectief. De producten in de rekken tegen de muren komen goed tot hun recht en dat verdienen ze. Ze komen uit de armste delen van onze wereld. Variatie troef. Verzorgingsproducten, kaarsen, koffie en thee, lederwaren, mandjes, allerlei hebbedingen,…
Terwijl ik achteraan in het boekenaanbod snuffel, geeft de blauw-blonde dame vooraan uitleg over het assortiment wijnen. “Ik drink zelf geen wijn”, hoor ik haar zeggen. “Maar met deze Chileense shiraz kunt u gewoon niets fout doen.” De vastberaden toon van haar advies maakt weinig indruk op een wat oudere vrouw die ik nu pas opmerk. Ze heeft in elke hand een fles rode wijn en fronst de wenkbrauwen. Ze denkt allicht wat ik denk: “Als dat maar goed afloopt.”