De esthetiek van de dood komt voort uit de tragiek van het leven.
En de tragiek van het leven uit twee broeken vol goesting. Vertel mij, o muze, over hoe wij samen gulzig het leven inademden en als drie totaal krankzinnige malloten door de smalle steegjes van deze oude stad zwierven. Wij, onverzadigbaar hunkerend naar de klanken van jouw lied, de bevreemdende choreografieën van jouw dans en naar de kleuren waarmee je ons leven als een action paintdoek hebt ingekleurd. ‘Bezing mij, o’ muze,’ zongen wij jou vrolijk toe. Jij bezong en besprong.
‘Wat hebben we d’r aangedaan?’ schreit Zappa. Mijn beste maatje. Ne smoel voor stront op te sorteren, maar toch zie ik hem graag. In zijn hoofd is hij een groot kunstenaar. Ooit breek ik door, zegt hij aldoor. Hij is al eind dertig. Net als ik. Hij benijdt me. Dat weet ik. Pijnt zijn hart. Kwist zijn tijd. Hij veegt het snot van zijn mond.
‘We za..zagen haar allebei zó graag.’ Opnieuw een jammerend Zappa.
‘Ze zou van de ene naar de andere blijven kruipen. Steeds van jouw met verf bekladde matras naar mijn warme, zachte hemelbed, om dan terug met haar blote kont op het koele oppervlak van jouw keukentafel te belanden.’ Zeg ik.
Ik moet het hem uitleggen. Hij ziet niet hoe dit ongeluk voorbestemd was.
Wroeging snijdt brandend haar weg door mijn aderen. Gelaten dump ik dit prachtig hoopje mens in het water. Haar bestaan weldra gereduceerd tot een vage schim in onze herinnering. Zacht kabbelende golven trekken haar jeugdige, ongehavende lichaam langzaam dieper het water in. Haar gezicht is zo vertrouwd, maar anders dan de laatste keer dat ik haar kuste.
Zappa ramt me het water in. Zijgt zelf neer in het gras.
‘Krijgt de kramp in uw kloten!’ roept hij mij toe. Die vreemde man. Huilend begint hij excuses te prevelen tegen Anne-Sophie, die weldra gedegradeerd is tot bodemsubstraat voor bacteriën en kikkervisjes.
‘Sorry, kreunt de minnares tegen haar man, vanonder haar naakte minnaar.’ Denk ik. ‘Het is een hol woord, ontdaan van alle betekenis, door nichterige excuustruzen zoals wij die het te pas en vooral te onpas gebruiken.’
Ik denk aan hoe je daar nu ligt, mijn lieve Anne-Sophie, op de bodem van dat meer. Het hoornvlies van jouw ogen is vertroebeld, en de eerste tekenen van rigor mortis dienen zich aan. Voorgoed verdwenen zijn het aanstekelijke geluid van jouw lach, de zachtheid van jouw kleine borsten en de vanillegeur van je witblonde haren.