Niet huilen

Carmen van Geffen
6 nov. 2019 · 1 keer gelezen · 1 keer geliked

 

Hoe hij daar ligt. Zijn lange benen die reeds licht verwelken, zijn buik een kuil van pijn. De botten duwen tegen zijn huid. Hij vervloeit in wit. Op tijd zijn is nooit mijn sterkste punt geweest maar vandaag ben ik veel te laat.

Gisteravond heb ik zoals altijd naar het journaal gekeken. De nieuwsstroom waarin de ellende van de wereld wordt gevat in bewegende beelden heeft altijd een kalmerende uitwerking op mij. Ik word niet neerslachtig van vaders met een kind op schoot te midden van geraamtes van een kapotgeschoten stad. Piëta. Het leed is te groot.

Ook nu kan ik niet huilen. Ik kijk en blijf kijken naar het afgedekte lichaam tot mijn oogbollen prikken aan de achterkant van mijn hoofd.  Maar tranen komen niet. Ik voel slechts een onbestemd geduw achter mijn navel. De dans van mijn ingewanden.

Onder het laken prikken zijn knieën, zijn schouders als een landschap van sneeuw. Ik stel mij skiërs voor die vanaf zijn romp de afdaling naar zijn bekken maken. Het is stil in de bergen. Het enige geluid is het zachtjes zoemen van de TL-lamp boven mijn hoofd.

Misschien moet ik in mijn hoofd op zoek naar de noten die altijd iets breken van binnen; Bach’s sicilienne of Miles Davis' Ascenseur pour l’échafaud. Trage klanken die zich een weg zoeken naar diepere lagen en daar iets aantreffen dat zich uiteindelijk zal overgeven aan de zachte kant van het bestaan.

'Bent u familie?’ De stem klinkt hol in de lege ruimte. Het woord klinkt even hol als de stem. Familie is als een klaterlach die galmt in bloeiende bomen, handen die plakken van limonade en een mond vol zelfgebakken cake. In plaats daarvan proef ik een vage metaalsmaak. Ik heb mijn lip kapotgebeten en knik. 

Mijn moeder had hier allang moeten zijn. Mijn moeder zou geen gelegenheid laten voorbij gaan om het gewonde dier te spelen. Ze is op haar best als ze haar leed als sterke vrouw mag verbijten. Zie mijn pijn die ik tracht te beteugelen en ondertussen is het aan jou om mij te helen, dat is mijn moeder.

De ruimte is leeg op het bed en een stoel na. De gordijnen voor het raam zijn gesloten en net iets te kort. Ze bewegen licht door de tocht onder het raam. De kamer is koud. De verpleegster laat de deur terug dichtvallen. Ik ga zitten.

‘Het is lang geleden, pap. De laatste keer dat ik je zag had je net frietjes gehaald. We kwamen elkaar tegen voor je voordeur, weet je nog. Je keek schuldig omdat je voor mij niets had meegebracht. Ik zei dat het niet erg was, ik bleef niet lang.’

Hoelang zou ik hier kunnen blijven zitten? Eén uur, twee uur, om dan gillend naar buiten te lopen en naar iedereen die het wil horen, te roepen dat het niet mijn schuld is. Of misschien ook wel. Het telefoontje kwam laat gisterenmiddag. Ik was niet voorbereid. De stem vertelde dat ze hadden gedaan wat ze konden. Dat het misschien beter was zo. Alles is beter als je niets meer voelt. 

Hij kon haar moeilijk loslaten. Nadat mijn moeder was opgestapt heeft hij nooit meer echt iets geprobeerd in zijn leven. Ook naar mij had hij het opgegeven. Mijn vader belde twee keer per jaar: op mijn verjaardag en met Kerst. We wisselden woorden als kleine kadootjes die we onzorgvuldig hadden ingepakt, snel maar toch goed bedoeld.

De kou zet mijn benen in beweging maar dichterbij komen in de stilte die hij uitstraalt, voelt als langzaam een ijszee in waden. Ik ga terug zitten en wrijf vruchteloos mijn benen warm.

Ze was recent aan de andere kant van het land gaan wonen. Daar kan mijn moeder eindelijk zichzelf zijn. Ze belt me elke dag, eind van de middag, tegen schemer. Haar spoken moeten bestreden worden met het verslag van de dag. Ik heb vaak geprobeerd om niet op te nemen. Maar dan blijft ze doorbellen, ook in mijn hoofd.

‘De slager waar ik nu al een half jaar kom, zegt nog altijd geen goedendag.’

‘Maar moeder, dat is vast niet zo bedoeld. Die man ziet elke dag honderden klanten.’

‘Zo druk is het daar anders niet. Let je nog wel op je gewicht? En vergeet niet regelmatig je haar te wassen.’

Hoe kan zij weten dat ik heb besloten om de rekwisieten van mijn kinderjaren op te sluiten in een kamertje zonder deur.

Ik heb geen broers of zussen. Mijn oma leeft nog maar zij woont in een bejaardentehuis en kan al twee jaar geen zinnig woord meer uitbrengen. Mijn moeder bezoekt haar elke maand, met een fles rode wijn. Die ze vervolgens zelf opdrinkt. Voor de gezelligheid. Als mijn oma daarna wordt weggereden naar haar plat geprakte eten vertrekt mijn moeder met het idee dat zij in ieder geval een goede dochter is.

De verpleegster komt binnen met een aantal formulieren. Terwijl ze de papieren uitspreidt op de tafel kijkt ze mij vragend aan. Was zij het die mij gisteren heeft gebeld? Ik wil haar honderd vragen stellen. Er komt er slechts één.

‘Mag ik gaan?’

‘Ik wil u graag nog en paar vragen stellen.’ Ik knik met tegenzin.

‘Was u op de hoogte dat hij hier al een aantal weken verbleef?’

Een aantal weken. De laatste keer dat ik hem sprak was in augustus, het is nu november. Ik heb mij intussen nooit afgevraagd waar hij was. Ik veronderstelde hem op zijn versleten sofa, voor zich uit starend naar de dag die langzaam voorbij drijft. De laatste weken lag hij dus hier en staarde hij naar een vaalwit plafond. En schuurde een deken van karton over zijn knieën.

‘Uw vader heeft verschillende keren bezoek gehad maar we kunnen haar niet bereiken. Er moeten nog papieren getekend worden en uw moeder kon dat vanmorgen niet doen.’

‘U bedoelt dat mijn moeder is geweest?’

‘Uw moeder was hier inderdaad vanmorgen maar enkel directe familie kan de formaliteiten afhandelen.’

‘Ik dus.’

‘Ja. Uw moeder suggereerde vanmorgen dat u waarschijnlijk niet ging komen. Wij hadden u dus niet verwacht. Maar nu u er bent kunt u het misschien afhandelen?’

Ze schuift de papieren naar mij toe en houdt een pen in de aanslag. Ik pak de pen zonder nadenken en kriebel mijn naam op de plaatsen die zij aanwijst. Drie handtekeningen bezegelen de overdracht, vanaf nu is mijn vader van mij. Maar wil ik hem wel?  De schuldbewuste blik in zijn ogen zag ik vaak als teken van onvermogen. Schuldig voelde ik me, onder die blik. Alsof ik het kon rechttrekken, alles wat krom was.

Bach is opgehouden met spelen in mijn hoofd.

Ik ging niet komen. Zij had gemeld dat ik niet ging komen. Hoe vaak had zij niet voor mij beslist wat de volgende stap ging zijn. Altijd een stap in de richting die zij aanwees. Ik was vier jaar geleden een ander pad ingeslagen maar mijn moeder denkt dat ik nog altijd achter haar loop, concentrerend op haar rug. Ik ging niet komen. Omdat zij beslist had dat ik niks meer met hem te maken wil hebben.

Ik denk aan hem, op afstand, omdat niet aan hem denken hetzelfde zou zijn als erkennen dat hij heeft gefaald. Ik veronderstelde dat ik hem op afstand dichtbij kon houden.

‘U kunt vanaf nu de begrafenis regelen. Uw vader wordt zo dadelijk overgebracht naar het mortuarium. Daar kunt u verder afspreken of u nog een laatste groet voor de nabestaanden wenst.’

Ik kan dit, dit is wat dochters doen. Ik ga nu naar zijn huis en zoek daar in de lades van zijn lelijke tweedehands wandmeubel naar de namen die hij de laatste keer dat ik op bezoek was achteloos op een enveloppe van Telenet had geschreven. Hij streek hem een paar keer glad om te laten zien dat deze enveloppe niet bij het oud papier zou belanden. Hij gaf toe dat het er niet veel waren maar dat hij deze mensen graag op zijn begrafenis wilde. Het leek mij een daad van melancholie gepaard met een vorm van aandacht zoeken. Toen.

Terwijl ik mijn auto uit de parkeergarage van het ziekenhuis manoeuvreer, bel ik met mijn moeder. In gedachte overloop ik het lijstje in mijn hoofd: niet ingaan op insinuaties; alleen reageren op wat er letterlijk wordt gezegd; rustig blijven ademhalen.

‘Moeder, ik ben bij papa geweest. ‘

‘Ah, zo.’ Stilte. ‘Hij was allang niet goed. Hij dronk teveel, dat deed hij vroeger al. Maar recent is het verergerd denk ik.  Je kent je vader, het zou mij niet verbazen als hij zich doodgedronken heeft. ‘

‘Hij heeft een nieuwe vrouw.’ Terwijl ik het zeg vind ik het kinderachtig klinken.

‘Ach kind, hoe kom je daar nu bij. Je vader kan niet eens een cavia onderhouden laat staan een vrouw.’

 ‘Waarom heb jij me niet gebeld vanmorgen toen je naar het ziekenhuis ging. Je belt me elke dag met onzinverhalen en hierover hoor ik niks.’

‘Kind, doe niet zo dramatisch. Ik wist dat ze jou gisteren al gebeld hadden. Ik had geen zin in jouw verwijten en ik ging ervan uit dat je toch niet zou komen. Een echte vader kan je hem toch moeilijk noemen…’

Ik hang op zonder nadenken. Ik heb nog nooit eerder een gesprek met mijn moeder beëindigd en ik heb er onmiddellijk spijt van. Ik had moeten doorvragen, haar op de rooster leggen tot ze zwart ziet. Ik heb een lijstje, overgeschreven bij de kapper uit een Feeling-artikel over dominante moeders, en daarmee probeer ik in elk gesprek één leugen te doorprikken. Vandaag is die poging opnieuw gesneuveld op het slagveld van mijn goede voornemens.

Ik heb moeite mij te concentreren. De weg naar het huis van mijn vader ken ik alleen vanaf mijn appartement. De gps vertelt dat ik over een kwartier op mijn bestemming ben. Langzaam laveer ik mij door het drukke verkeer en in mijn hoofd tollen vragen die nood hebben aan een verklaring. Hoewel ik al heel mijn leven deskundig ben in het ontwijken van vragen die geen antwoord krijgen, voel ik dat die strategie op zijn einde loopt. Een nieuwe strategie dient zich vooralsnog niet aan.

Op de radio zoek ik naar Klara in de hoop dat violen of cello’s mijn donkerste gedachten kunnen afwenden. Zelf heb ik nooit een instrument bespeeld. Op de een of andere manier is voor mij de taal van muziek alleen begrijpelijk als ik het hoor, zodra ik noten moet lezen en vervolgens mijn handen in beweging moet zetten, blokkeer ik. Er is geen weg tussen mijn hoofd en mijn handen. En ook niet tussen mijn hoofd en mijn hart.

Aangekomen bedenk ik dat ik geen sleutel heb. Laten we hopen dat hij zijn buren vertrouwde en daar een sleutel achter liet. De vitrage van de buurvrouw beweegt licht als ik aanbel. Eerst kijken, dan beslissen. Ze  besluit gelukkig in mijn voordeel en opent de deur op een kier. Haar grijze haar steekt scherp af bij haar huid die is overwoekert met dunne haarvaatjes.

‘Sorry voor het storen, maar ik vroeg mij af of u een sleutel van mijn vader heeft.’

‘Uw vader?’

‘Ja, de buurman van nummer achtenzestig.’

‘Ach nee meiske, uw vader spreekt met niemand dus ook niet met mij. Is hij niet thuis?’

‘Hij ligt in het ziekenhuis en ik kom zijn papieren halen.’ Dood is een woord dat zich niet makkelijk nestelt in een vluchtig gesprek.

‘Ik denk dat uw vader de achterdeur altijd openlaat. U kunt het eventueel via mijn tuin proberen.’

Ze opent aarzelend de deur naar haar muffe gang. Ik probeer niet teveel om mij heen te kijken. Sporen van het dagelijks leven die de kwetsbaarheid van de bewoner blootlegt, roepen altijd lichte weerzin op. Haar tapijt, haar opbollend bloemenbehang, de lucht van haar oksels, ik durf niet te slikken bang dat de geur zich zal vastzetten in mijn keel. Ik rep mij naar haar achterdeur en stap opgelucht haar tuin in.

De buurvrouw kijkt toe hoe ik onhandig over de betonnen tuinmuur klim. De tuin van mijn vader is die naam niet waardig. Het enige aanwezige groen probeert zich tussen tegels moeizaam een weg naar het licht te groeien.  Twee tuinstoelen en een verzakte windroos, waarschijnlijk neergezet door de vorige bewoners. Ik had hier nog nooit een voet gezet. Mijn vader waarschijnlijk ook niet.  De achterdeur is inderdaad open.

Het huis is stil. Een dun laagje stof verraadt dat hier al een tijd niemand meer woont.  Het huis voelt net zo vreemd als het leven van mijn vader. Ik loop naar de kast waarin ik de enveloppe hoop te vinden om hier zo snel mogelijk weg te kunnen. De lades liggen vol met allerhande papieren, paperclips, een verlopen paspoort, rekeningen, uitgelopen pennen, een tangetje, oude sleutels. De stem van mijn vader klinkt door in onbenullige dingen.

Af en toe stond hij aan de schoolpoort om een stukje met mij mee naar huis te lopen. Niet tot aan de voordeur en niets tegen mama zeggen. Heel soms gingen we samen op stap. De kleine kadootjes die hij me gaf, een zeepje of een sleutelhanger van smurfin, werden bij thuiskomst door mijn moeder resoluut in de vuilbak gesmeten.

In mijn pubertijd wist ik niet goed of hij mijn vader mocht zijn, kon zijn, wilde zijn. Inmiddels had ik geleerd dat het antwoord door mijn moeder wordt gegeven. Het is goed zo, met z’n twee. Wij hebben niemand nodig. Zelfverklaarde onafhankelijkheid dat balanceert op het smalle koord van mijn beschikbaarheid.

De laatste jaren belde ik hem, heel soms. Altijd op voorhand, om hem de kans te geven de schijn op te houden dat hij zijn leven onder controle heeft. Niets is zo onverbiddelijk als onverwacht bezoek. Hij had dan altijd een doosje After Eight klaar staan. Als decorstuk uit een gezamenlijk verleden. De eerste keer dat ik zo’n zakje open knisperde was op een van de zeldzame momenten dat we samen naar een speeltuin gingen, ik was twaalf. Hij had voor mij en een buurmeisje, een meisje van vijftien die al borstjes had, het groene doosje uit zijn binnenzak getoverd. We zaten op een bank en ik keek hoe het buurmeisje het platte chocolaatje langzaam maar ervaren op haar tong liet smelten. Ik beet er kleine stukjes af, bang dat het niet in één keer in mijn mond paste, en proefde chocolade met tandpasta.

Vandaag dan toch onverwachts op bezoek. Een uitgedroogde handdoek over de radiator, de koelbox die dienst doet als bijzettafel. Zijn zetel staat er verloren bij, ernaast een matras tegen de muur. De laatste keer dat hij daar zat, op zijn schoot een pak friet met stoofvlees en een bamischijf apart, drupte langs zijn kin een beetje jus. Vreemd genoeg kon ik het wel verdragen. Een eettafel is er niet. Eten wordt dus altijd op de zetel gedaan. Picknicken voor tv heet dat.

‘Fijn dat je kon komen, Louise. Als ik geweten had hoe laat je zou komen had ik misschien kunnen koken. Enfin, iets klaarmaken. Maar neem gerust mijn bamischijf.’

‘Direct na het werk had ik gezegd maar nee dank je, ik lust geen bamischijf en ik heb bovendien al eetplannen voor vanavond.’

Picknicken voor het journaal mag een eetplan heten.

Op dat moment vroeg ik mij af hoe zijn leven er zou hebben uitgezien als mijn moeder niet was weggegaan. Dan had hij waarschijnlijk in haar rotan zetel gezeten, omringd door zorgvuldig bedachte nonchalance. Een stapeltje boeken, waargebeurde romans en reisboeken, strategisch met de rug gepositioneerd naar de onverwachte bezoeker. Souvenirs, al dan niet ter plaatse aangeschaft, en stoelen met batikdoeken losjes gedrapeerd. Azië is haar favoriete continent, wierook haar favoriete geur. Mijn vader rook naar klei en frieten.

In mijn jaszak zoemt mijn telefoon onophoudelijk.

‘Ik wens niet dat je zomaar ophangt. Zo heb ik je niet opgevoed.’ Onafgeronde gesprekken zijn nooit mijn moeders sterkste kant geweest.

‘Ik ben thuis bij papa, ik ga zijn begrafenis regelen.’

‘Zijn begrafenis. En hoe denk je dat te doen?’

‘Dat weet ik niet maar het is belangrijk voor mij, denk ik.’

‘Je vader heeft zich nooit om ons bekommerd. Hoe vaak heb ik niet alleen gezeten met al mijn zorgen over jou.’

‘Hij is niet weggegaan, moeder. Dat was jouw keuze.’

‘Sommige dingen in het leven zijn geen keuze. Als ik had mogen kiezen …’

Dan was je nooit met mijn vader getrouwd, dan was ik er niet geweest en zat je nu champagne te nippen in het Sheraton hotel in Bangkok. Ik hoef niet opnieuw te horen hoe niemand haar begrijpt. Hoe niemand haar serieus neemt en bewondert.

‘Ik moet gaan. Ik word terug in het ziekenhuis verwacht.’

Ik loop naar de kast en open de lade die ik in mijn haast had overgeslagen. Bovenop ligt de enveloppe op mij te wachten. Alsof hij wist dat ik hier zou staan, met het zweet in mijn handen en de moed in mijn schoenen.

‘Kop op, Louise, nog iets hoger. Zo’n flinke meid lukt het vast om tot bovenin het klimrek te klimmen.’

‘Ik ga vallen en mama gaat boos zijn.’

‘Niet bang zijn.’

In het ziekenhuis aangekomen, besef ik dat ik sinds vanmorgen niets meer heb gegeten. Hoewel mijn maag is gevuld met beton lijkt het mij toch een goed idee om eerst naar de cafetaria te gaan. Alles is beter dan nu de lift te nemen naar de kelder waar het mortuarium zich bevindt. Er zitten enkele mensen verspreid aan de plastic tafels. Het felgekleurde meubilair en het behang met foto’s van tropische kamerplanten kunnen niet verhullen dat ik met elke inademing ziekte en dood proef. Geen geanimeerde gesprekken maar zachte fluistertoon, bezoekers met familie of vrienden in pyjama op sloffen, al dan niet vergezeld van een infuus dat de hoop met gestage druppels in de bloedbaan sijpelt.

Ik bestel een broodje kaas en een witte wijn. Kaas en wijn, altijd een goede combinatie zou mijn moeder zeggen. Hoewel het glas en de verpakking culinair weinig veelbelovend zijn, is het hopelijk goed genoeg om het trillen van mijn handen te stoppen. Ik zet mij aan het tafeltje in de hoek met mijn rug tegen de muur, uitzicht is een geruststellend iets. Onder het wegslikken van mijn broodje, koud en taai, voel ik de daadkracht uit mijn lijf vloeien. Ik voel mij als het lichaam van mijn vader. Verslagen en geradbraakt.

Hoe kon ik voorspellen dat uit de maat lopen zoveel energie kost. Een berg beklimmen doe je in de voetstappen van je voorganger. Een pad waar je zelf aarzelend je voeten moet plaatsen, aftastend of de grond vlak genoeg is om je gewicht te dragen, heb ik nooit bewandeld. Alleen in mijn hoofd zoek ik naar omwegen en uitwegen.

De tijd tikt traag weg op de klok van de cafetaria. Beneden mij, een verdieping lager ligt mijn vader. Te wachten, tot ik de laatste overblijfselen van zijn leven in goede banen leid. Hij weet niet dat ik mijn hoofd wegdraai als een kind dat niet wil kijken naar de wond die gaapt onder de gescheurde broek. Kijken doe ik alleen als de afstand groot genoeg is.

Ik drink mijn wijn in één slok op, gooi wat overblijft van mijn broodje in de vuilnisbak en loop resoluut naar de uitgang van het ziekenhuis. Buiten valt de nacht. En de schrale wind droogt mijn tranen alsof ze er nooit zijn geweest.

***

 

 

 

 

 

 

Geraakt door deze tekst? Maak het hartje rood of deel de woorden met je vrienden.

Zo geef je mee een stem aan de woorden van deze schrijver en help je hem verder op weg.

Carmen van Geffen
6 nov. 2019 · 1 keer gelezen · 1 keer geliked