Zij kent de weg naar de nachtelijke vlammen
die zij bewandelt in haar slaap
Elke avond volg ik haar
in het schaduwlicht
Wanneer zij rust aan de rand van het uitspansel,
amberkleurige gloed om haar heen,
blijf ik wachten,
zittend op een nevel
tot zij terugkeert
Maar elke nacht
wordt mijn adem lichter,
alsof ik zelf oplos in heelalstof
Tot ik ontdek
dat haar licht fonkelt op mijn tranen
Ik bewonder haar gestalte,
zacht uitgesneden
in het diepblauw van de kosmos,
waar haar glimlach
tot een nieuw
e fonk kristalliseert
