Ode aan jou, deel 2 - Kristien

5 jun 2018 · 0 keer gelezen · 0 keer geliket

‘Een wild paard tem je om het te kunnen

berijden, niet om er een tamme ouwe knol

van te maken’ Tenkei Roshi

  

Een ruit wordt ingegooid. Geroep. Paniek. De jonge vrouw verstart. Zijzelf en haar collega’s zitten als een prooi vast in een gebouw met als enige uitgang de voordeur. Buiten staan mensen te wachten. In massa. Al uren lang. Het geroep neemt toe en overdondert de vrouw. Hoe lang zal het duren alvorens de dunne voordeur met aan beide kanten enorme ramen met kleine ruiten het zal begeven? Hoe zal ze aan haar organisatie rapporteren dat mensen werden vertrappeld?

 

De tijger ontwaakt. Ze sleept een tafel vlakbij de voordeur. De collega’s snellen haar te hulp. Met een stoel kruipt ze op de tafel. Het gebonk op de deur wordt harder. Haar collega’s roepen naar de massa. De vrachtwagen met voedsel komt aan. Een tweede ruit sneuvelt. Vanop de stoel brult ze de massa toe. Eerst in haar eigen taal, vervolgens in het Engels. Een collega, Nanuli, klimt eveneens op de tafel en vertaalt.

Het voedsel zal enkel uitgedeeld worden als de massa rustig is en als de dader van de vernieling gevonden is. De massa wijst een man aan. Viktor sleept op bevel van de vrouw een man met een bebloede hand naar binnen. De man met een ruige baard, dikke snor en lang haar spartelt en buldert. De vrouw springt van de tafel, zondert hem af en staart hem recht in de ogen. Ze spuwt taal op hem uit. De man blaft terug. Ze legt haar hand op zijn schouder. Hij klopt haar hand weg. Haar benen trillen onder haar lange broek. Onzichtbaar Ze kijkt hem nog eens doordringend in de ogen en legt een vinger op haar mond.

Na minuten komt er eindelijk beweging. De man ontwaakt, krijgt zijn driften onder controle en wordt opnieuw mens. Hij luistert en mompelt. Hij is het wachten beu. Ook de massa die tegen hem duwt, de puinhoop in zijn land en de oogkleppen van de wereld. Hij wil eten, werk en opnieuw een gezin.

Samen met Nanuli vraagt ze hem de voedselbedeling mee te organiseren. De man leeft zich de hele dag uit. Hij roept op zijn mensen en sleurt hen in een rij. De voedseluitdeling verloopt chaotisch zonder gewonden. Slechts een baboesjka valt even flauw. Iedereen op de lijst keert bepakt naar huis terug. Ook de man.

 

‘Goed gedaan. Het scheelde niet veel of er was hier een veldslag’. De jonge vrouw omhelst Nanuli. ‘Zonder jou, was het niet gelukt Nanuli’. Nanuli bloost. ‘Ik wist niet dat jij zo goed mensen kon raken. Plots waren ze vergeten te duwen en luisterden ze naar jou. Jij wordt nog een groot spreekster.’ In Azië had de vrouw nooit zo fel gesproken. Luid en direct. Het zou gezichtsverlies geweest zijn en het einde van een werkrelatie.

 

Buiten op de motorkap van de Lada start de picknick voor haar en de collega’s. Een homp brood, een stuk kaas en bloedrode tomaten. Viktor komt met een stoel dat hij ergens in het gebouw vond, naar buiten en ploft zich er breed lachend op neer. De stoel is echter veel te zwak. Het hele team giert het uit.

Viktor krabbelt overeind en zet zich achter het stuur. ‘Dit is blijkbaar mijn plaats’. De vrouw brengt hem eten en klopt op zijn schouder. Vaak heeft Viktor haar omver geblazen. Zo ook die dag. Zijn vrouw, die veilig over de grens woonde en die hij tweemaal per jaar vluchtig bezocht, was bevallen en had de baby naar de jonge vrouw genoemd.

 

Het team rijdt terug naar het kantoor. Geleidelijk aan worden de voedselpakketten onderweg met hun nieuwe eigenaars schaarser. Na vijftien kilometer is de weg opnieuw uitgestorven. De wind speelt in de haren van de vrouw. Nog twee maanden. Dan zal ze weer haar valies opvullen, van haar vrienden voor het leven achter laten en een nieuwe werkbestemming moeten zoeken. Gisteren had ze met Nanuli over het onontkoombaar afscheid gesproken.

Het was zondag. Ze had in de ochtend een briefje op de eettafel voor haar slapende internationale collega’s achtergelaten. ‘Ik ben even wandelen. Tot vanavond. Have a nice day.’. Met een walkie talkie met een bereik van vijf kilometer, had ze door de doodse stad met zijn kapotgeschoten gebouwen en verroeste lantarenpalen gelopen. Vergane glorie. Voor de oorlog was het Saint-Tropez voor de Russen. Na een uur had ze nog geen zin om terug te keren naar haar vier muren.

Lucht en gezelschap had ze nodig. Ze had zich niet aan de regels gehouden en was een compleet eenzame weg ingestapt. Kilometers lang. Leegstaande huizen zonder vensters, wapperende verrotte deuren en verwilderde tuinen. Griezelig stil.

Eindelijk na drie uur stappen was ze bij het flatgebouw van Nanuli aangekomen. Plastiek voor de gebroken ramen en planten op een balkon verwezen naar leven in het grauwe vochtige gebouw. Nanuli en haar oude moeder hadden de onverwachte, bezwete vrouw omhelsd en warm binnengelaten. De oude moeder had zich teruggetrokken in de keuken en de jonge vrouw had mee helpen koken. Het was een feest geworden. Een geborduurd tafellaken, gehaakte onderleggers, maïskoek met maïs uit hun veld, kaas met melk van hun koe en wijn van hun druiven.

De hele namiddag was de vrouw bij Nanuli en haar moeder gebleven. Nanuli had ronduit over haar vermiste tweelingbroer gebabbeld. De jonge vrouw over haar pas gestorven grootmoeder. Ze hadden elkaars energie aangewakkerd en de tijd rijkelijk vast gehouden.

 

Viktor heeft de jonge vrouw een duw. Ze schrikt op en stapt uit. De collega’s vertrekken naar huis. Ze blijft in haar kantoor plakken en neemt haar dagboek.

 

‘Ogen

gekwetst door verdriet

getekend door de dood

vragend om voedsel

zoekend naar hoop

...

en ’s avonds in de spiegel

ogen

vol vraagtekens.’

 

Niet voor lang. Ze snakt naar buiten, vooral nu de avondklok nog niet gestart is. Even glipt ze haar kamer binnen. Een kamer op haar maat. Een matras op de grond. Een badkamer met lopend water. Een balkon met buitenlucht. Ze gooit haar kleren in een hoek, trekt een badpak aan en bindt een helder blauw Afrikaans doek rond haar lenden. Op teenslippers verlaat ze het gebouw, steekt de straat over en staat vlug op het brede strand. Helemaal verlaten.

Met haar armen open rent ze naar het water. Ze gooit het doek en de teenslippers op de platte ronde stenen, duikt het water in en zwemt in crawl slag recht de zee in. Weg van bommen en kidnappers. Richting einde van de wereld.

Ze zwemt en zwemt. Tot haar hoofd leeg is, de vlekken in de lucht opnieuw meeuwen zijn, het strand een lijntje is en de gebouwen opnieuw intact zijn. Daar ontbloot ze haar bovenlichaam, drijft met open gestrekte armen en benen op het water en ademt diep in en uit.

Te midden van het grijsblauw weids water geeft ze zich over aan de stralen van de avondzon. Rimpelloos en vrij.

 -----------------------------------------------------

 

‘Er zijn zo veel soorten liefde, als dat er

ogenblikken in tijd zijn.’ Jane Austen

  

Het is tien uur, zondagmorgen. Zes dagen geleden landde ze, deze keer met een contract van drie jaar op zak. Het langste contract dat ze ooit zou hebben doorheen de jaren in het verre buitenland. Na twee jaar daarentegen zou ze, op haar eigen vraag, overgeplaatst worden naar een project met meer uitdaging.

De hoofdstad die ze vijf jaar geleden achterliet, is moeilijk te herkennen. Veel nieuwe brede wegen, hogere appartementencomplexen, meer brommers. Niet alles is echter veranderd. Het ouderlijk huis van haar vriend is nog identiek. De voordeur met zijn brede houten planken. De kleine winkel waar noedelssoep in de ochtend wordt verkocht. Ze passeerde er reeds verschillende keren. Niemand kwam er echter per toeval naar buiten.

Vandaag zou haar vriend van zijn business trip terug komen en haar om vier uur kunnen ontmoeten.

 

Om de vlinders die in alle richtingen in haar buik rondfladderen te kalmeren, springt ze op haar donkergroene fiets. De straten zijn bezaaid met mensen en verkeer. De zon staat hoog en de lucht draagt de vochtigheid van een hamam. Ze slaat een zijstraat in. De schaduw van de hoge bomen schenken een zachte verkoeling.

In de verte vertragen brommers. De witte vrouw komt dichterbij. Mensen kijken gefascineerd naast de weg en gooien geld in de goot. De vrouw laat haar fiets uitbollen en kijkt eveneens in de goot. Ze schrikt. Zonder nadenken parkeert ze in het midden van de straat en stapt af. Langzaam. De toeschouwers kijken nu naar haar.

Traag loopt ze naar de goot, alsof ze met elke stap dichter naar het sterfbed van haar moeder toestapt, alsof ze opnieuw een laatste adem zal horen.

Ze stopt en hurkt zich neer. Op de bodem van de goot ligt een kind. Klein. Opgerold. Veilig bij zichzelf. Mensen geven het een duw. Het beweegt niet. Het is vel over been.

 

Samen met een toeschouwer raapt de vrouw het kind op. Het kind zakt door zijn benen. Ze ondersteunen het en plaatsen het op het bagagerek van haar fiets. Met één hand houdt de vrouw het enige armpje van de jongen stevig om haar middel vast. Met de andere stuurt ze door het drukke verkeer.

De jongen hangt tegen de vrouw aan. Hij antwoordt niet op haar spreken. Voor een eenvoudige eetkraam stopt ze en haalt de jongen van het bagagerek. Het is net alsof het zien van eten hem kracht geeft. De uitbater kijkt de kleine jongen op blote voeten met een lange grauwe T-shirt argwanend aan. De vrouw houdt de hand van de jongen zacht vast en stapt kordaat naar binnen.

Aan een kleine tafel zetten ze zich neer. Ze bestelt rijst met vlees en groenten. Klanten begluren de witte vrouw en de ongewassen jongen vanachter hun rijstkommen en fluisteren met elkaar. De uitbater plaatst twee kommen neer. De vrouw geeft de jongen eetstokjes. Zonder woorden neemt de jongen de stokjes aan, kijkt naar zijn kom en slokt alles naar binnen. De vrouw eet nauwelijks en slaat hem gade. Hij verslikt zich niet.

Als afscheid geeft ze de jongen een extra portie. Hij glimlacht, huppelt weg en zwaait met het eetzakje naar andere straatkinderen. De vrouw kijkt hem na. Zijn armstompje bengelt aan de linkerkant. Haar moederhart twinkelt broos. Ze neemt haar fiets en trapt de andere kant op, richting groene velden, weg uit de grootstad.

 

Ze fietst over de lange brug over de brede rivier naast bezwete vrouwen en mannen. Krakend en nauwelijks verstaanbaar. De vrouwen en mannen hebben in de vroege uren vóór het aanbreken van de dag groenten geplukt en zijn deze naar de grootstad gaan verkopen. Nu keren ze sloom naar huis terug. Morgen zullen ze deze dagindeling herhalen. De dag erop ook. Alle dagen van het jaar.

Na een half uur is de witte vrouw eindelijk tussen de geurende, lichtgroene rijstvelden. Mensen verplanten met blote voeten in het ondiepe water de jonge rijstplanten. Ze zwaait glimlachend terug naar mensen die dag roepen.

Na het tijdje komt ze aan de kleine pagode die ze had gehoopt terug te vinden. Ze plaatst haar fiets aan de ingang en veegt haar gezicht droog met een kleine handdoek. Een monnik komt naar buiten en herkent haar van de bezoeken langgeleden. Samen wandelen ze door de gangen. Voor een Boeddhabeeld brandt ze diep bij zichzelf drie wierookstokjes en buigt haar hoofd licht.

 

In de schaduw van de pagode zet ze zich op een grote steen en neemt haar dagboek.

‘Hanoi, jij drukke stad, jij die mensen van het platteland aantrekt, jij die buitenlandse investeerders aantrekt, jij waar glinsterende verlichting ons allen verblindt, waarom dwalen kinderen hier alleen rond? Zou de kleine jongen nog ouders hebben? Wat zou hij nu aan het doen zijn?

Als kind had ik een eigen slaapkamer met een zacht bed en kadertjes aan de muur. In mijn jeugd werd ik alleen op pad gestuurd met een volle valies, kon ik nieuwe plaatsen verkennen en sporten leren. Hoe kan ik met mijn opvoeding het leven hier verstaan?’

Een groepje kinderen uit het dorp, dringen zich om haar heen en gapen. In het Engels begroeten ze haar giechelend. ‘Pictures, OK?’ vraagt ze. In het Vietnamees maakt ze een grapje. Onmiddellijk kruipen de vier kleine jongens dichter tegen elkaar en slaan hun arm om elkaars schouder. Ze glimlachen, behalve één. Hij houdt zijn lippen strak op elkaar geperst, trekt zijn vriend dichter naar zich toe en kijkt de witte vrouw recht in de lens aan. Pas als ze met hem praat, merkt ze het. De bovenste melktanden zijn kwijt.

 

Ze neemt afscheid van de monnik en fietst in snel tempo naar de hoofdstad terug. Ze is te vroeg. Ze installeert zich in een cafeetje en bestelt een vruchtensap. Een mix van papaja, banaan, geconcentreerde gesuikerde melk en ijs. Straks zal haar vriend komen.

Een jongen met een houten kistje van 40 op 20 centimeter en een sticker van Coca Cola erop, komt naast haar op de grond zitten. Hij wijst naar haar schoenen en knikt ondertussen ja. Ze geeft hem de schoenen en krijgt ter vervanging zijn plastieken teenslippers. Vanuit de hoogte slaat ze hem gade en drinkt langzaam met een rietje van de vruchtensap.

Gehurkt verwijdert de jongen het stof van haar schoenen. De lichtbruine pet met Angel erop geborduurd verbergt zijn gezicht. Ze schat hem acht. Hij neemt een beetje zwarte schoensmeer vanuit een bijna leeg potje en poetst de schoenen.

‘What is your name?’

‘Hung. And you?’

‘Vy. Hoe oud ben je?’

‘Twaalf’

‘Ben je hier alleen?’

‘Nee, mijn broer poetst schoenen twee straten verder. Wij wonen al vier jaar in Hanoi. S’ Avonds vinden we altijd ergens een slaapplaats. Ben jij getrouwd?’

‘Nee nog niet. Waar zijn je ouders?’

‘Ze wonen met mijn twee jongere zussen op het platteland. We sturen hen elke maand ons geld. Hoeveel verdien je elke maand?’

‘Dat hangt er vanaf hoeveel ik werk.’

‘Waar droom je van?’. Hung zijn ogen glinsteren plots. ‘Ik wil met nieuwjaar mijn ouders in het dorp gaan bezoeken. Als ik veel geld zou hebben, zou ik een fietspomp en materiaal kopen en op de hoek van de straat fietsen repareren.’ Met haar loon zou ze al zijn dromen kunnen waarmaken. Met haar loon zal ze leven in tijden dat ze zonder werk zit.

Hij geeft de schoenen aan de vrouw. Ze trekt de schoenen aan. Hij blinkt ze op met een lange, versleten stoffendoek. Ze betaalt hem. Op zijn teenslippers sloft Hung weg en spreekt een andere mogelijke klant aan. Zijn toekomst achterna.

 

Ze staart naar het drukke verkeer. Na al die jaren ziet ze hem te midden van de mensenmassa op de brommer. Ze staat recht en gaat opnieuw zitten. Ze popelt en laat hem naar haar toe stappen. Zoals het hoort op straat, geven ze elkaar een hand. Haar ogen glunderen. Ze gaan zitten. Enkel een laag tafeltje staat tussen hen in.

Zoals het hoort, start hij. ‘Je ziet er stralend uit. Hoe gaat het?’

‘Goed. Ik ben zo blij dat ik uiteindelijk terug ben. Hoe gaat het met jou?’ Hij kucht en speelt met zijn vingers. En dan plots, valt haar oog op zijn hand. Haar hart valt dicht en haar spieren verkrampen.

Hij ziet haar blink en verbergt zijn rechter ringvinger met zijn linkerhand.

‘Ik had geen keus.’

‘Ik had zo naar je uitgekeken.’ Zijn onbeantwoorde brieven krijgen op slag een antwoord.

‘Ik kon niet langer op je wachten. De druk van mijn familie was enorm. Ze hebben een rijke partij voor me gevonden. Nu moet ik mijn leven uitbouwen. Jij ook.’

Ze staart naar het lege glas voor zich. Seconden worden minuten. Op een zee van herinneringen zweeft ze weg. Hij redt haar. ‘Ik kan niet lang blijven. Ze verwachten me thuis. Welkom terug in Vietnam’. Ze kijkt hem zonder woorden aan. Hij veert op. Het liefst zou ze de tijd terugdraaien, onder de grond wegkruipen, hem achterna lopen of gewoon oplossen in de lucht.

 

Hij springt op de brommer. Zij op de fiets. Beiden rijden een andere kant uit. Elk hun eigen weg. Hij de traditie achterna. Zij een nieuwe bestemming.

 

Ze kan niet naar de leegte van haar kamer. Ze moet in beweging blijven. Ze fietst. Nergens heen. Na uren brengt de fietst haar nat bezweet naar het stationsplein waar het krioelt van mensen. Reizende. Slenterende. Gehaaste. Verdwaalde.

Haar rooddoorlopen ogen zoeken naar het straatkind. Ze vinden hem niet. Andere kinderen met postkaarten, nootjes en koeken drummen rond de witte vrouw. Alles is te koop. Een meisje trekt aan haar okergele bloes. De vrouw ontwaakt en kijkt haar wazig aan. Een klein meisje met pikzwarte kijkers op blote voeten.

Ze draait zich om en verlaat het stationsplein. Ze verwijt zichzelf dat ze niet langer bij de straatjongen gebleven was. Ze had hem meer aandacht moeten geven, alsook haar contactgegevens. De komende weken en maanden zal ze naar een teruggetrokken jongen met één arm blijven zoeken. Ze zou plannen blijven maken, hem bij haar thuis uitnodigen en proberen zijn ouders te vinden. Ze zou hem naar school laten gaan en een schooluniform geven. Een wit hemd, donkerblauwe broek en rood sjaaltje. Hij zou er mooi mee staan. Ooit.

 -----------------------------------------------------

Liefde is de enige kracht die in staat is 

een vijand in een vriend te veranderen.’ Martin Luther King

  

Het regent. Onder een plastieken zeil, opgehangen aan een mangoboom en twee houten palen, discussiëren de vrouw en Afrikaanse collega’s over het programma van de dag. De collega’s kiezen dorpen dichtbij het kamp. De vrouw kiest voor de verste bestemming, neemt haar schoudertas, gevuld met een fles water met chloortabletten, fototoestel en notitieboek en verlaat met de tolk, Mabior, de kampplaats.

Al snel komen ze in het centrum van een dorp. Het is een marktdag met veel volk. Sommigen hebben een paraplu. Anderen lopen doorweekt rond. Blote voeten pletsen door de modder. Geiten, melk en zeep worden verhandeld. Het lokaal gebrouwen bier en de witte vrouw zorgen voor plezier.

 

Ze verlaten het dorp en stappen over een open vlakte naar een kaal bos met lage bomen met kleine droge bladeren. Ze zijn benomen door hun gesprekken. Plots houdt Mabior halt. Een geluid nadert. ‘Run, loop’, roept hij. Ze lopen naar het bos. Eénmaal onder een boom luisteren ze aandachtig. Een vliegtuig vliegt laag. ‘Down!’, brult Mabior boven het lawaai van de motoren uit. De vrouw gooit zich net als Mabior op de grond. Haar hart bonkt in de keel. Pas als er geen ronkende geluiden meer te horen zijn, staan ze op. ‘De bommen van de Antonov zijn voor een ander doelwit. Deze keer zijn we gespaard’.

Ze vervolgen hun weg. De regen is gestopt. Onmiddellijk brandt de zon. Al vlug bereiken ze een rivier. De vrouw rolt haar bruine broek op en zoekt evenwicht in de slibberige ondergrond waar ze vijftien centimeter diep in wegzakt. Na enkele stappen zit ze tot aan haar lende in het water. Met één hand houdt ze de schoudertas boven het hoofd en met de andere houdt ze de hand van Mabior stevig vast. Langzaam waden ze door het hoge riet naar de andere kant.

‘Jullie witte mensen hebben echt geen evenwicht’. Mabior lacht en wordt wat losser.

‘Hoe groot is je familie?’

‘Ik heb een vader en een broer. Mijn moeder is overleden.’

‘Ze is dus voor een lange reis vertrokken’. Ze knikt en glimlacht. Welke bestemmingen zou haar moeder bezocht hebben? Zou ze het licht gezien hebben? Zou ze rust gevonden hebben?

‘Ben je getrouwd?’

‘Nee’

‘En jij?’

‘Ja, ik heb 2 vrouwen. Ik trouw weldra mijn derde vrouw. Ze is 14 jaar. Ik ben in topvorm. Het is een goede verjongingskuur voor mij’. Mabior danst naast haar.

‘Je bent dus een rijk man’. Mabior straalt en is nieuwsgierig.

‘Hoeveel stieren moet de man geven voor een meisje in jouw land?’

‘Geen enkele, als twee mensen elkaar graag zien en hun leven samen willen delen dan kunnen ze trouwen of samenwonen.’

‘Dan kom ik naar je land en trouw ik daar’. Ze glimlacht.

‘Ja maar, wij willen onze man niet delen met een andere vrouw.’ Mabior staat versteld.

‘Waarom niet? Ik zal er één in je land nemen. Dan blijf ik daar en soms zal ik terugkomen om te produceren. Als ik meer vrouwen heb, kan ik ook meer kinderen hebben. ’

‘Wij vrouwen praten veel met onze man en omgekeerd. Wij willen dat hij ook helpt bij het koken, wassen en grootbrengen van de kinderen’.

‘Als wij veel met onze vrouw praten, dan krijgen we verwijten van de omgeving. We zeggen dus slechts enkele woorden. Het is voor ons ook verboden om met de vrouw samen te eten’.

‘En hoeveel kinderen heb je?’

‘6 van mijn twee vrouwen. Maar na de dood van mijn broer, heb ik zijn 3 vrouwen en 14 kinderen overgenomen.’

‘Dus je hebt veel werk.’

‘Nee, de vrouwen werken hard en kunnen voor zichzelf zorgen. En hoeveel kinderen hebben mensen in jouw land?‘.

‘Twee of drie per gezin’

‘Zo weinig! Wat als het enkel meisjes zijn? Sterft de familie dan uit? Heeft de familie dan voor niets geleefd?’

Liefde. Relaties. De man delen met andere vrouwen, nooit weten hoe laat de man thuiskomt en geen hoederecht hebben over de kinderen. Ze zou nooit een goede vrouw voor een typische Afrikaanse man kunnen zijn. Ze is te vrijgevochten. Generaties hebben vrouwen in haar land er over gedaan om te staan waar ze nu staan.

 

Als de zon pal boven hen staat en de lucht net een haardroger is, komen ze aan in het dorp. De dorpschef verwelkomt hen en brengt enkele vrouwen en mannen op een erf bijeen. Allen zetten zich met gestrekte benen op rieten matten op de grond, de mannen langs één kant en de vrouwen langs een andere kant. Via de tolk, stelt de witte vrouw zichzelf voor en begint gegevens voor haar enquête te verzamelen. ‘Met hoeveel wonen jullie in een gezin?’ ‘Wat hebben jullie dit jaar geoogst?’ ‘Wat hebben jullie gisteren gegeten?’

De antwoorden zijn hard. Eenmaal per dag eten ze. Een vrouw had een koe verkocht om haar kind vrij te kopen dat door de Arabieren als slaaf gevangen was genomen. Een man had twee koeien geruild voor voedsel voor zijn kinderen.

 

Mensen zijn slim. Hoe minder voedsel ze beweren te hebben, hoe meer eten de grote vogel hen zal brengen. Ook Mabior vertaalt in het voordeel van zijn volk en vergroot de tekorten. Nochtans, de honger staat te lezen in de zichtbaar mislukte oogsten, de zeer schamele maaltijden en de zeer magere lichamen. Vliegtuigen zullen de komende maanden weer tonnen voedsel uit de lucht komen droppen.

Op het einde van het gesprek, danken ze de witte vrouw. Een vrouw, toegetakeld door de Arabieren, heft hees haar stem boven de roepende massa. ‘Dank je voor je bezoek. We zijn blij dat je gekomen bent. We zijn nu gerust over de toekomst want jij zal ons helpen.’

De schouders van witte vrouw worden zwaar. ‘Ik zal jullie boodschap overbrengen. Jammer genoeg is er niet zoveel voedsel.’

 

De witte vrouw en Mabior staan op en voeren nog twee groepsgesprekken met andere dorpsbewoners. Ze probeert zich te concentreren. Haar maag grolt. Uit respect voor wie voor haar zit, eet en drinkt ze niet. Haar ogen dwalen af naar de diep gegroefde handen, de uitgemergelde kinderen die aan de moeders hangen, de schaarse en grauwe kledij van de mensen en de verdorde akkers.

De gesprekken zijn tegen drie uur afgelopen. Vanaf nu moeten ze zich haasten. Zo niet zullen ze in een hut ergens onderweg moeten slapen. Ze hebben slechts drie uur om de 18 km naar hun kampplaats te stappen. In het donker is dit gebied levensgevaarlijk. Sissende slangen. Verscholen rebellen.

Via uitgedroogde tuinen verlaten ze het dorp. Opeens trekt een hoopje in de schaduw van een hut de aandacht van de witte vrouw. Een vrouw ligt roerloos op een rieten mat onder een deken. Het zweet staat op haar hoofd. Ze rilt. De witte vrouw kijkt naar de vrouw die overgelaten is aan de natuur en de kracht van lokale geneesheren, gaat rustig op haar hurken naast haar zitten en houdt de wezenloze hand van de vrouw een moment lang vast.

‘Een malaria-aanval’, zegt Mabior, ‘Ze heeft een infuus nodig maar er is geen hospitaal in de omgeving. Vorige week is haar dochter aan malaria overleden’. Zullen de nog zes levende kinderen kunnen opgroeien met een moeder aan hun zij? Of zullen ze het leven met een moederleegte verder bewandelen?

 

-----------------------------------------------------

 ‘Mislukkingen vormen de vruchtbare bodem

waarop nieuwe bloemen bloeien’ Lisette Thooft

  

De modderwegen liggen er droger bij. Ze wandelen met snelle voet. Nu en dan kruisen ze een tegenligger. Mabior stopt. ‘Hallo’, groet Mabior. ‘Hallo’, antwoordt de tegenligger. ‘Hoe gaat het?’ ‘Goed, en met jou’. ‘Ook goed, en met je familie’ ‘Goed, en bij jou?’ ‘Goed, waar kom je vandaan?’

De vrouw loopt wat verder, wacht in de schaduw van een boom en verjaagt de vliegen op haar gezicht. Haar T-shirt en gezicht zijn nat van de inspanning en de volle zon. Hallo, hoe gaat het? En de familie? En de dieren? Ze kent de traditie om elkaar ten volle te begroeten vanuit Mali, Congo en Guinea. In haar thuisland knikte ze wel eens dag naar onbekenden vanwege de Afrikaanse gewoonte. Zelden kreeg ze een groet terug. Meestal bleven de mensen in hun eigen wereld verder stappen of keken ze achterom om te zien naar wie de vrouw geknikt had.

Het gesprek van Mabior met de man gaat verder. De tijd ook. Ze zet zich neer op een omgevallen boom. Voor haar lopen rode mieren vlijtig in een rij voorbij. Waar gaan ze heen? Wat drijft hen? Waarom loopt zij hier rond?

 

Maanden geleden vloog ze van Vietnam naar Kenia. Ze mocht haar valies uitpakken in een appartement in het centrum van Nairobi. Op het eerste zicht had alles normaal geleken. Al snel overviel haar het donker van de kamers zonder elektriciteit. De onhandigheid van een kraan zonder water. Het horen van haarzelf in afwezigheid van muziek, telefoon of internet. De angst om op straat, in de wagen of in huis overvallen te worden.

Op het eerste zicht had ook de stad een modern voorkomen. Hoge flatgebouwen. Brede geasfalteerde wegen. Rijdende wagens en bussen. Mannen in kostuum en vrouwen in tailleur.

Pas daarna had ze de kinderen gezien die snuivend aan flessen gevuld met geurige lijm door de straten slenterden. De mensen die water schepten uit beken. De mensen die kilometers stapten bij gebrek aan geld voor het openbaar vervoer. De overvolle minibussen. De zingende kerken met een uitgesproken geloof.

Haar werkterrein was echter Zuid-Soedan. Als de oorlog er te hevig woekerde, palaverde collega’s met haar in het kantoor in Nairobi over de noodhulppramma’s. Als de oorlog weer even verborgen was, werd ze met een rugzak naar Zuid-Soedan gevlogen om de programma’s op te volgen.

De contrasten van de verschillende werelden en het steeds weer op een andere plaats waakzaam zijn, brachten haar in de war. Gelukkig had ze enkele keren de werelden achter zich kunnen laten. Zo ook die ene keer.

Met de hulp van een lokale gids had ze in het midden van de nacht de tweede hoogste berg van Afrika beklommen. De zwarte man had langzaam met regelmatige pas voor haar gestapt. In zijn voetsporen was ze hem gevolgd. Enkel zwart zand en rotsblokken had ze te overwinnen.

Haar adem had bij elke stap naar zuurstof gesnakt. Haar hart had diep in de aders gebonkt. Na drie uur had hij haar met een vaste greep over de laatste rots van de immens hoge berg getrokken. De wind had haar ijzig en hard geslagen en achter een rots gedreven. De donkere bergwanden hadden geleidelijk vorm gekregen. Fluo. Roze. Blauw. Grijs.

Enkele minuten later was de zon opgekomen en was de wereld heel ver onder haar voeten wakker geworden. Ze had zich toen afgevraagd of ze ooit een man zou vinden om de bergtoppen van het leven te beklimmen.

Jaren later, tien om precies te zijn, zou ze de zwarte man terug opzoeken en zouden ze samen de trein nemen. Elk op hun manier. Soms zou ze even afstappen, onbedacht op een trein springen of tevergeefs achter een trein aanhollen. Soms zou hij op een sneltrein zitten en zij op een stoptrein. Of omgekeerd.

En soms zouden ze in dezelfde wagon naast elkaar hand in hand van het voorbijglijdende landschap genieten.

 

‘Let’s go’. Het gesprek is afgelopen. Zonder woorden drijven Mabior en de vrouw hun snelheid op. Juist na het vallen van de nacht naderen ze de kampplaats. De collega’s snellen hen tegemoet. Arm in arm stappen ze de kampplaats met zijn vier tenten, voedselbevoorrading, lange afstandsradio en vijf kampwachters binnen.

De witte vrouw kruipt in haar tent, zoekt droge kleren en gaat naar de badplaats. Ze hangt haar lendendoek voor de opening van de open ruimte, kleedt zich uit, zet zich gehurkt voor de kuip met water, zeept zich in en spoelt zich met een plastieken beker af. Het zweet en de warmte glijden van haar lichaam. Van alle kanten vallen muggen haar echter aan. Uit schrik voor malaria sluit ze haar ontspanningsmoment vlug af.

 

Netjes gewassen zet ze zich bij de anderen aan tafel. Ze eten maïspap met bonen uit blik en praten over de dag. In het donker vanachter de mangoboom duikt plots een man op. ‘Hello?’ fluistert de man zacht. Een vrouw en drie kinderen verschijnen eveneens op het toneel. ‘Sorry Madam, we zijn al 2 dagen op de vlucht. Ons dorp is volledig verwoest. We gaan naar het volgende vluchtelingenkamp. Kunnen jullie ons alstublieft wat water geven?’ Mabior geeft aan een kampwachter de opdracht water te brengen. De vluchtelingen trekken zich terug onder de boom en drinken in enkele seconden het water op. Ze verdwijnen opnieuw in het donker. De witte vrouw kijkt de man met een bundel om zijn schouder, de vrouw met een baby op de rug gebonden en de kleine kinderen op hun blote voeten en gescheurde T-shirts na. Als kind genoot ze van spannende nachtspelletjes bij de jeugdbeweging, van koekjes na een wandeling en van olijke verjaardagsfeestjes. Wie zou ze zijn mocht ze hier geboren zijn?

 

Terwijl de anderen nog napraten, neemt ze haar notitieboekje.

Ze komen aangevlogen

van verre

met tienen, honderden, duizenden

 

Alles hebben ze mee

Niets hebben ze achtergelaten

behalve hun nest

 

Op zoek naar water, voedsel

en een veilige plek

trekken ze verder

opgejaagd

door de wind’

 

Niet voor lang. De muggen vinden haar billen doorheen de gevlochten stoel.

 -----------------------------------------------------

 ‘Men hoeft de wereld niet te begrijpen,

men moet alleen zijn plaats erin

weten te vinden.’ Albert Einstein

  

Om acht uur zit ze met een volle maag in kleermakerszit in haar iglotent. Warm en vochtig. Ze neemt een kleine spiegel. Een bloedrood gezicht en blauwe ogen staren haar aan. Ze glimlacht. Met behulp van een lamp op zonne-energie schrijft ze in haar dagboek.

‘Het was een lange indrukwekkende dag. Ik ben hier de blanke. Mensen verwachten, dat als ze wat vragen, ze het zullen krijgen. Ik weet niet wat zeggen als ik een meisje van 18 zie met haar drie kinderen en hoor dat ze net weduwe geworden is door een nachtelijke aanval van de rebellen.

Ik probeer open te staan voor de vele kronkelingen in het leven. Waar draait het leven rond, als je zomaar doodgeschoten kan worden, als je gekwetst kan worden voor het leven en als plots alles gedaan kan zijn?

Laat me hard zijn. Laat me zacht zijn.

Laat me een ander zijn. Laat me mezelf zijn.

Laat me opgewekt zijn. Laat me triestig zijn.

Laat me mijn ogen openen. Laat me mijn ogen sluiten.

Daar waar nodig.’

 

Na een uur legt ze zich neer op een mat en probeert te slapen. Tevergeefs. Buiten wordt er in het dorp op de drum gespeeld en luid gezongen. Waarschijnlijk dansen ze rond een vuur. Waarschijnlijk is er weer iemand overleden. Ze luistert.

Eens temeer snapt ze niets van deze diepgewortelde cultuur. Ze doorbladert haar leesboek over de kunst van geven en ontvangen. ‘Met alle bochten en wendingen vindt de rivier tenslotte haar weg naar de zee. Doorsta het met een gerust hart en hoopvolle verwachting.’

 

Het gezang en de warmte in haar kleine tent nemen toe. Haar hoofd ontploft. Bijna. Ze spuit zich in met anti-muggenspray en ritst geluidloos de tent open. Met een lendendoek om haar pyjama, sluipt ze op teenslippers het kamp uit en komt onmiddellijk bij de airstrip.

Ze kijkt naar de langgerekte en onverharde landingsstrook omsingeld door hoge grassen. Weg kan ze niet. Zolang het regent, worden vluchten afgelast. Bovendien zijn er in het hele gebied geen wegen en wagens.

 

Onder een kleine maan wandelt ze geruisloos over de airstrip. De putten en de kleine grashopen zijn nauwelijks te onderscheiden. Ze doet de teenslippers uit en stopt ze tussen haar rug en lendendoek. De open vlakte lijkt vrij van wilde beesten. De frontlijn met de vechtende mannen is ver en de wrede bandietenbendes zijn al in dagen niet gesignaleerd.

Al lang is ze niet meer gaan lopen. Als vrouw mag ze in Soedan niet lopen en in Nairobi is het te gevaarlijk. Ze speurt de omgeving nogmaals af. Niemand. Ze geeft haar voeten en lichaam de vrijheid en loopt langzaam. Haar pas versnelt en versnelt. Van ver lijkt ze een vertrekkend vliegtuig. Haar voeten kunnen met moeite volgen.

 

Plots in het midden van de airstrip stopt ze. Het getrommel van de drum weergalmt zeer ver. Alleen haar hijgen doorbreekt de rust van de nacht. Vele duizenden sterren fonkelen hoog. Vlug vindt ze Orion. Hij staat helder boven haar. Ze glimlacht. In een piepklein afgelegen dorp in Laos had ze Orion, met de hulp van een man, ontdekt. De man was net zoals zij op dat moment toerist.

Zacht had hij een arm rond haar schouder geslagen. Vol geduld had hij tussen de vele sterren aan de donkerblauwe hemel de zeven sterren aangewezen. De voeten, de handen en het zwaard. Bij afscheid hadden ze een hand gegeven, in de ogen gekeken en elkaar nog een goede reis gewenst. Niets meer en niets minder.

Ondertussen heeft Orion haar overal vergezeld, op een bed in een afgelegen dorp in Mali, in de woestijn in India, op het strand in Vietnam en op een Maya tempel in Guatemala.

 

Ze stapt langzaam en aandachtig terug naar haar tent. Ze kijkt achter zich. Overal sporen van blote voeten. De hare zijn ertussen geprint.

---------------------------------------------------------

 

Toen aan een klein meisje werd gevraagd waar ze woonde,

zei ze: ‘Waar moeder is’. Keith L. Brooks

 

De zwarte man trekt de deur dicht. Zijn stappen weergalmen en dijen weg op het einde van de lange, kale gang. De witte vrouw buigt zich over de metalen tafel in de hoek van de witte kamer. Zij zal net zoals miljarden vrouwen over de hele wereld dit gebeuren zonder partner doorstaan. Ze neemt een donkerbruine stift en schrijft sierlijk een naam op een hard kaartje. Nog eens. En nog eens. De kaartjes zal ze weldra naar vrienden en kennissen kunnen sturen. Eindelijk. Na al die jaren. De witte vrouw glimlacht met de naam. Zoon van de zee.

9 maanden geleden zwierf ze samen met de zwarte man weken door de groene heuvels van zijn land. Ze leefden op het ritme van de dag en van wat ze ter plaatse bij de boeren of in kleine winkels konden kopen. De zon wees hen de richting. S’ nachts sliepen ze in hun tent op de velden van de boeren of verscholen in de bossen. Zo ook die dag.

Ze waren een heuvel helemaal naar boven geklommen. Onderweg hadden ze bloemen geplukt. Rode, witte, gele, blauwe. Lange en korte. Met twee takken en een draad van haar sjaal hadden ze een kruis gemaakt. Op de top van de heuvel, te midden van andere heuvels, hadden ze op hat gras geknield en het kruis in een hoopje zand geplaatst met de bloemen er omheen. In stilte hadden ze hun hoofd gebogen en waren ze bij de neef van de witte vrouw. De neef had het leven niet overleefd. Hij had de dag voorheen zijn laatste kracht gebruikt om zichzelf te bevrijden van de pijn die hem dagelijks achtervolgde.

De familie van de vrouw had haar gebeld en gevraagd naar haar moederland terug te komen voor de viering. Ze had geweigerd. Ze had beslist om haar leven in eigen handen te nemen en zich te nestelen in de armen van de zwarte man. Die nacht hoog in de heuvels ver van de bewoonde wereld dicht bij de natuur ontstond Mtoto. Kind van de natuur.

 

De witte vrouw wrijft over haar buik. Mtoto is op weg naar de buitenwereld. Samen met Mtoto wacht ze op het moment. Ze krijgt weer een buikkramp, staat op, waggelt naar het bed en legt zich neer. De vrouw staart naar buiten. De zon schijnt hard. Het is drie uur.

Deze ochtend werd ze plots ongerust. Mtoto bewoog zich niet meer in haar ronde, gespannen buik. De zwarte man had over haar buik gewreven en haar gezegd dat alles goed kwam. Ze was met hem naast haar rustig naar het ziekenhuis gereden.

In het ziekenhuis was haar water gebroken. Samen met de zwarte man was ze naar buiten gestapt om de spullen voor Mtoto in de auto op straat te halen. Heel even had ze gedacht om weer naar huis te rijden. Naar het huis dat ze een maand geleden had gekocht. Het huis dat hun thuis mocht worden. De zwarte man had haar hand genomen en samen waren ze het ziekenhuis met zijn vele verdiepingen, gangen en kamers opnieuw binnen gestapt. Binnen was de zwarte man de witte vrouw gevolgd. Hij was stil. Muisstil. Beweeglijk stil. Hij was pas twee weken in het land van de vrouw. In het land dat zo overdonderend anders was dan het zijne. In het land dat hem altijd zou roepen omwille van de witte vrouw en de kinderen.

 

Ze krijgt een kramp. Nog één. Ze ademt zoals ze geleerd heeft in de prenatale groepslessen. Diep in en rustig uit. Ook daar was ze als enige zonder partner. Diep in en rustig uit. De krampen volgen zich sneller op. Ze drukt op een knop naast haar bed. Een verpleegster en dokter komen de kamer na vijf minuten binnen. Ze kijkt hen met grote ogen aan.

De verpleegsters legt de benen van de witte vrouw over de kniesteunen van het bed en houdt haar linkse hand vast. De vrouw luistert naar de duidelijke instructies van de dokter. Met drie vrouwen moet het lukken, stelt ze zichzelf gerust. Ze ademt. Ze perst. Ze ademt. Ze perst. Plots, zichzelf van niets bewust, knipt de dokter haar.

In een flits is ze terug in Congo. Bij de pijn van de diep verkrachtte vrouwen en kinderen. Drie maanden geleden bezocht ze voor haar werk samen met Mtoto de vrouwen. Ze had hen gesproken. De vrouwen en kinderen waren door hun familie verstoten omdat ze door de verminking niet meer zindelijk waren en stonken. Mensen. Beesten. De vrouwen hadden haar buik aangeraakt, geglimlacht en haar succes toegewenst.

 

De dokter maant haar aan dat ze moet persen, dat het anders nooit zal lukken. Ze perst. De pijn is overheersend. De knip scheurt verder. Er is geen weg terug. Ook al zou het ziekenhuis in brand staan. Al zou de hele wereld trillen. Ze moet, willen of niet, de eindstreep halen. Mtoto heeft de buitenlucht nodig. Ze knijpt haar ogen dicht, voelt de hand van de verpleegster, zondert zich van de wereld af en perst.

Van heel diep komt een schreeuw. De schreeuw. Mama. Mama. De woorden weergalmen in de kamer. In haar weergalmt de vraag. Hoe zal ze ooit zonder moeder een goede moeder kunnen zijn? En dan. De opluchting. De verlossing. De verpleegster legt de kleine, donkerroze jongen op de buik van de vrouw. De kleine jongen snuffelt. De witte vrouw brengt hem voorzichtig iets hoger vlakbij haar borst. De kleine jongen nestelt zich met opgetrokken kikkerbilletjes op haar blote bovenlichaam en zuigt met zijn rode glimmende lippen zachtjes aan haar tepel. De waakvlam van de vrouw ontvlamt. Haar borst stuwt. Haar hart gloeit. Haar ogen staan hemelsblauw zoals het heldere kleur van een oceaan na een hevige storm.

De kamer is stil. De witte vrouw wordt genaaid. De verminkte vrouwen en meisjes in Congo niet. De dokter legt langzaam haar benen van de kniesteunen op het bed en trekt een laken over haar. De vrouw neemt een doek van het land van de zwarte man en legt het over de kleine jongen. Hij zuigt verder. Bloedvlekken overal. Op haar T-shirt. Op zijn rug. Op haar handen. Op zijn gezicht. Gekleurd door het leven gaan ze samen de wereld tegemoet.

 

Er wordt op de deur geklopt. De zwarte man stapt geruisloos de kamer binnen. Hij komt bij het bed van de witte vrouw en de kleine jongen. Hij streelt hen beiden, gaat naast hen zitten en bekijkt hen stilzwijgend. Zijn zwartbruine ogen stralen, zijn witte tanden glinsteren en zijn donkere huid blinkt. Geleidelijk vinden ze enkele woorden.

Later op de avond komt de vader van de vrouw. Fier tot achter zijn oren. Ze bespreken het gebeuren, toosten op het leven en maken foto’s. De zwarte man is op zijn manier beleefd aanwezig, streelt de kleine jongen geregeld, glimlacht naar haar en tast het nieuwe land af met de voelsprieten van zijn verre land. Laat na toegestane bezoekuur vertrekken de twee mannen.

 

De kleine jongen blijft de hele nacht aan de borst en op de lege buik van de witte vrouw. Een doek en haar hand vergezellen hem. De vrouw aanschouwt hem. Het wonderlijke geschenk van de natuur. Het geschenk dat steeds groter zou worden. Hij geeuwt, strekt zich uit, drinkt gretig, boert, slaapt en ademt. Piepkleine handen ontspannen tot vuisten. Een handpalmklein hoofd met pikzwarte platte haren. Vredig op haar.

Ze dommelt nu en dan in. Morgen zal ze hem verfrissen. Morgen zal ze hem kleden.

 -----------------------------------------------------

 

De natuurlijke vonken hebben meer kracht

dan de bedachte dingen.’ Toon Hermans

  

De jaren gaan voorbij. De vrouw schenkt het licht aan een tweede zoon. Ze gaat werken, organiseert de verbouwingen thuis, verzorgt het huishouden en speelt moeder en partner. Het lichaam van de witte vrouw geeft nu en dan storingssignalen maar ze ploetert verder. Ze wacht tot haar automatische piloot terug op volle toeren zal overslaan. Tevergeefs.

 

Ergens midden november zit de vrouw zoals de meeste werkdagen op kantoor voor de computer. Ze focust zich op de zwarte doos. Zeventien nieuwe mails. Een navorming moet georganiseerd worden. Drie vergaderingen moeten voorbereid worden. Een visietekst moet voor de 23ste keer herlezen worden. Ze tuurt naar de mails.

De woorden dringen niet binnen. Haar vingers krijgt ze niet in beweging. Haar hoofd ook niet. Ze tuurt naar buiten. De zon schijnt. Mensen lopen over straat. Ergens heen. De gedachten van de vrouw glijden zacht weg naar een safaritrip in een natuurpark in Afrika lang geleden. Ze werkte toen voor een voedselorganisatie in een door oorlog geteisterd land, had twee weken vrij en trok met haar vader onder begeleiding van een lokale gids in een jeep door een uitgestrekte savanne vlakte.

Een grote kudde wilde beesten rende voor hun wielen voorbij. Vanop afstand sloegen de vrouw en de vader de beesten gade. De kudde rende vermoedelijk al dagen. Het gedaver van de hoeven op de veel te droge aarde was oorverdovend. Water zochten ze. Leven. Gnoes, zebra’s en antilopen renden als één groep met duizenden samen. Allen renden ze hun instinct om erbij te horen en te overleven achterna.

Een grote gnoe rende aan de zijlijn mee. De pas van het beest vertraagde. Het beest stopte even en rende weer verder. Stop en verder. Stop en voortdoen. De kudde bleef naast het beest op hogere snelheid verder rennen. De afstand tussen de kudde en het beest werd groter. Het beest herpakte zich minder vlot. Het zakte door zijn poten. Het duwde op zijn voorpoten maar zijn zware lichaam kreeg het niet op. Het legde uiteindelijk zijn hoofd neer op de gebarsten grond en strekte zijn poten. Het wedijveren, het steeds verder crossen op zoek naar morgen was voorbij. Het gedaver van de kudde dijde weg. Enkel een grote stofwolk bleef aan de horizon achter. De buik van het beest ging op en neer. Samen met de hitte van de zon en de uitgesproken stilte wachtte het beest op wat komen zou.

 

Het schreeuwt in haar. Ze wil er nog zijn voor haar kinderen, man, vader en broer. Rond haar rennen mensen mee met de kudde en vallen nu en dan af. Zij wil halt houden om daarna op volle toeren te draaien, weliswaar met de buitenlucht en de stilte als bondgenoot.

 

Ze tuurt naar de vier witte muren om zich heen en buigt zich opnieuw over de computer, zonder resultaat. Met een krop in de keel belt de vrouw na enkele uren de dokter. Eenmaal bij de dokter hoeft ze maar twee zinnen te zeggen. Haar tranen vertellen de rest. Met een briefje van 9cm op 18cm staat ze na vijftien minuten buiten. Ze rijdt traag met haar grijze auto naar school om de kinderen op te halen.

Bij de schoolpoort aangekomen, stapt de vrouw uit en loopt snel naar binnen. De kinderopvang is vijftig minuten geleden gestart. De kinderen zien de moeder aankomen en spelen vlijtig met de andere kinderen verder. De moeder kijkt hen aan en zoekt hun boekentas, vest en brooddoos. Na tien minuten rennen de kinderen naar de moeder en wandelen ze hand in hand naar de auto. De jongens maken luid door elkaar lawaai. Hun dag zal zich in volle glorie thuis verder zetten. De moeder krijgt hen in de auto, maakt hen in de kinderstoel vast en sluit hun deur. Alvorens zelf in te stappen absorbeert ze vlug enkele minuten de kalmte van het verlaten dorpsplein. Ze probeert voldoende zuurstof op te nemen om zonder tranen en geroep aan de avondshift thuis te beginnen.

Onderweg maken de jongens hun gordels los. De moeder maakt zich boos. De jongens spelen onder elkaar verder. Eenmaal thuis, opent ze hun deur. Als kuikens die veel te lang binnen hebben gezeten, lopen ze de kleine tuin in en slingeren aan de schommel. Beiden willen op het enige schommelzitje. Vervolgens willen ze beiden aan de enige turnringen. De moeder doet de achterdeur dicht, kijkt van achter het raam naar de kinderen en sleept zich naar het kookaanrecht.

 

Zoals elke werkdag, komt de zwarte man om 17u08 van zijn werk terug. De witte vrouw opent de achterdeur. Ze geven elkaar een kus. De ogen van de vrouw staan rood. Hij kijkt haar vragend aan. Ze snikt en zegt dat ze een tijdje thuis moet blijven van de dokter. De zwarte man omhelst haar in stilte en zegt met volle stem dat alles goed komt. De vrouw herpakt zich en kookt verder.

Na het eten, doet de zwarte man de afwas en brengt de vrouw de kinderen naar bed. De vrouw stapt traag naar boven, alsof ze met elke trede meer leeg vloeit. Ondertussen bereiden de kinderen boven hun leescocon voor. Ze sluiten de gordijnen van hun kamer, steken het licht aan en plaatsen alle hoofdkussens op één bed. De moeder schudt haar hoofd en glimlacht. De kinderen glimlachen terug en geven haar elk hun favoriete prentenboek.

Ze leest met wankele stem enkele pagina’s voor. De kinderen slaan de volgende pagina om en willen meer. Zij niet. De kinderen geven niet op. Zij wel. Zonder klank beeldt de moeder roodkapje en de wolf uit. De kinderen lachen luid en improviseren mee. Zonder klank gebiedt ze hen na een tijdje te gaan slapen. Ze kruipen in hun bed. De moeder stopt hen onder de lakens en geeft een kus. Ze omhelzen haar innig. Zonder klank staat ze op, werpt hen een laatste handkus toe, knipt het licht uit en gaat ook slapen. Onmiddellijk glijdt ze net zoals Doornroosje in een diepe, vredige slaap.

 

De volgende dagen volbrengt ze traag haar moederlijke taken, slaapt veel overdag en maakt kleine wandelingen. De computer laat ze dicht en opent soms haar dagboek.

‘Verdorie toch. Ik wil in actie schieten maar het lukt me niet. Soms trilt mijn hele lichaam alsof het diep van binnen uitgehongerd is en geen vijf minuten langer rechtop kan staan. Ik ben net een marionet die door buitenaf bestuurd wordt en waarvan de touwtjes elk moment kunnen doorknappen. Straks kunnen ze me met een vuilblik opvegen. Rust heb ik nodig zonder die moeheid die mijn tijd steeds opslorpt om te slapen. Hoe zou het leven zijn mochten de jongens een grootmoeder hebben die even mijn rol kon overnemen?

Ik snak ook naar een babbel met mijn man, naar echtheid. Maar hij is tegenwoordig in zijn wereld terug getrokken. Ik zit weer met een vreemde aan tafel.

Vroeger

gaven we elkaar lof

bloosden we samen rood

raakten we elkaar aan

vlogen we oneindig ver weg

 

Nu

blijft geen woord over

enkel een diep ademhalen

een licht snurken

tijdens slapeloze nachten’

 

En toen. Enkele dagen later belt een vriendin van de vrouw en vertelt haar over een cursus ‘spreken voor publiek’ met als eindopdracht een speech van twintig minuten voor een groot publiek. De woorden van de vriendin raken het hart van de vrouw.

Plotseling slaat een vonk aan. Tranen komen naar boven. Meer dan zeven jaar lukte het de vrouw niet om te schrijven. Zeven jaar was ze druk bezig met haar nieuwe leven, omringd door de twee jongens en de man. Letters vormden geen woorden en het papier bleef wit. Zou ze eindelijk de remmen durven los te laten en de verhalen van de wereld naar buiten brengen? Zou ze eindelijk een boodschap de wereld mogen insturen?

De volgende dag schrijft de vrouw zich in voor de cursus. Ze zou enkele zaterdagen les krijgen met vijf andere cursisten en via webcam zou ze de theorie te horen krijgen. De daaropvolgende maanden wakkert de cursus de geest van de vrouw aan.

 

Dankzij woorden reist ze zonder vliegtuigticket naar de plaatsen waar ze ooit werkte en naar de mensen die ze ooit ontmoette. Soms komen tranen naar boven, verrast een glimlach haar of kunnen haar vingers bij het schrijven haar woordenstroom niet snel genoeg volgen. Haar lichaam blijft echter broos en heeft meer slaap nodig. De dokter schrijft de vrouw nog enkele briefjes voor.

Elke dag na het afzetten van de kinderen aan school, maakt ze een wandeling. Na een tijd ziet ze de blaadjes van de struiken en de eenden in de beek, hoort ze de auto’s in de verte en de vogels in de lucht, voelt ze de glimlach in haar hart en krijgt ze meer zuurstof. Het liefst stapt ze naar de top van de heuvel. In de verte ziet ze dan een andere heuvel waarachter Afrika, Azië en de hele wereld zich schuilhouden.

Eenmaal thuis maakt ze thee met theeblaadjes van het land waar ze vier jaar woonde, gaat aan de grote eettafel zitten met zicht op de hoge plataan van de buren, zet haar rode leesbril op en neemt een stylo. De blauwe inkt van de stylo raakt het magische, witte blad en brengt de vrouw punt voor punt dichter bij wat haar bezig houdt en bij wat in haar verborgen zit. Onuitwisbaar.

 

Na 21 weken, krijgt de vrouw eindelijk zicht op de boodschap van haar speech en schrijft de intro.

‘Goede namiddag. Ik weet niet of het jullie al overkomen is, maar eind vorig jaar had ik een dipje. Mijn werk lukte niet. Mijn kinderen weerspiegelden me meer dan ooit, en mijn man had het nog moeilijker om me te begrijpen. Ik had nood om nog eens op reis te gaan en verloren te lopen. Ik had nood om nog eens stil te staan bij mijn leven. Ik zocht en uiteindelijk vond ik wat ik nodig had. Het werd een zes maand durende tocht met vallen en opstaan en met een duidelijke eindbestemming. Een speech geven voor jullie op de eerste zomerdag.’

 

Voldaan kijkt ze naar de plataan. Een zwarte vogel brengt een takje naar het nest hoog in de boom en vliegt vervolgens ijverig weg. Ze slurpt traag van de groene thee.

‘--------------------------------------------------

'Geef een mens het idee dat hij bijzonder is,

en hij gaat bijzonder doen.’ A. Honkoop

 

De grote dag breekt aan. Vandaag zal de vrouw haar speech brengen in een theaterzaal in de stad. Ook al is het zondag, de witte vrouw staat vroeg op. Ze ontbijt met de kinderen, maakt een appelcake voor haar medecursisten en verdringt haar moeheid met groene thee.

De zwarte man heeft de hele nacht ontspannen in gezelschap van de teevee en een fles drank en slaapt nog diep, zich niet bewust van de stress die de vrouw aan het opslorpen is.

Na twee uur kan de vrouw de drukte van de kinderen niet meer aan. Ze roept de zwarte man wakker.

Het liefst zou ze zich nu afzonderen zoals ze vroeger deed bij haar examens. Toen liet ze haar zenuwen door haar hele lijf kruipen om er elke vezel wakker te maken en om zich te concentreren op wat nodig was. De man staat snel beneden. Met een glimlach maakt hij zijn thee en maant hij de kinderen aan om hun speelgoed op te ruimen. De vrouw maakt het middageten voor de kinderen klaar en verwelkomt de babysit.

Na een half uur zitten de man en de vrouw in de auto. Terwijl de witte vrouw de snelweg oprijdt, vraagt ze de zwarte man stil te zijn. Aan 120 km per uur draagt ze haar speech op. Ook hier had ze het liefst alleen geweest om zich helemaal diep met de speech te verbinden. Het voorstel aan de man om met een vriendin van de vrouw naar de theaterzaal te rijden, had geen gehoor bij hem gevonden. De man wou het liefst bij de vrouw zijn.

 

Aan de theaterzaal nemen ze afscheid. De man zal voor enkele uren de stad intrekken en op tijd voor de speech terug zijn. De vrouw stapt het theatergebouw binnen met een koffer met daarin drie broeken, vier bloezen en twee paar schoenen. De docente, een bekende actrice, en de vijf medecursisten verwelkomen haar.

Tijdens de repetitie loopt het mis. De vrouw stapt het podium op. De zaal met zijn lege, roodfluwelen zetels kijkt haar aan. De grootsheid overvalt haar en op slag is ze helemaal haar tekst kwijt. Ze kan geen woord uitbrengen. Alles is weg.

Ze is weer het kleine kind die niet weet hoe haar zeer mondige vader te beantwoorden. Ze is weer de studente die door een militair in Afrika brutaal wordt aangesproken. Ze is weer de jongvolwassene die haar mening niet mocht geven in Azië. Tranen ontspringen in haar ooghoeken. Ze wil weg. De deur uit. De wijde wereld in.

 

De docente kijkt de vrouw teder aan, begeleidt haar van het podium en zegt dat alles goed komt. In de kleedkamer kiest de docente voor de vrouw een groene, aansluitende, Aziatische bloes, een witte lange broek en smalle blauwe schoenen uit de koffer en vlecht de haren van de vrouw. In de coulissen neemt de witte vrouw plaats op een stoel naast de medecursisten en focust zich op de ademhaling. Haar gezicht staat strak en de glimlach is weg.

 

Nog twee sprekers en de vrouw mag opkomen. Even denkt ze terug aan de korte vakantie van enkele weken terug. Het was haar toen gelukt om thuis een week vrij te krijgen. Ze was een week naar een Grieks eiland getrokken.

De uitgestrekte zee, de golfslagen, het vers gekookte eten en de eenpersoonskamer hadden haar rust gebracht. De vrouw had er na enkele rustdagen, bladzijden vol geschreven met woorden van pijn, liefde, verdriet en dankbaarheid en met vertrekpunt de moeder, de zwarte man, de kinderen en de hele grote wereld. Op een bergtop had ze, met energie in de aders, haar speech opgedragen aan de uitgestrekte lucht.

De nacht voor het vertrek van het kleine eiland had de vrouw, aangemoedigd door de zwoele buitenwind, de vol gekrabbelde bladzijden verzameld en verbrand. Met de as in een witte Kleenex was ze op een rots vlak aan het zeewater geklommen. Toen een grote golf haar dreigde te overspoelen, had ze het pakje ver in de zee gesmeten. De Kleenex had zich geopend en de as had enkele seconden door de lucht gedwarreld alvorens in de donkere zee terecht te belanden. Op dat moment was de volle maan achter de wolken te voorschijn gekomen en had ze zich gerealiseerd dat ze net ouder geworden was dan haar moeder ooit geweest was.

 

De witte vrouw slikt. Haar moeder zit ook deze keer niet tussen het publiek. De vrouw slikt opnieuw en kijkt naar de docente. De docente geeft teken dat ze recht mag staan en kondigt de vrouw aan. Het publiek applaudisseert luid. De vrouw neemt diep adem, recht haar rug, brengt de borstkas naar voor en stapt het podium op.

De vrouw kijkt de donkere, volle zaal in, glimlacht en begint de speech. De adrenaline doet haar werk. De woorden zijn teruggekomen. Het publiek beweegt mee en lacht op geregelde momenten. De vrouw spreekt eindelijk uit wat ze jaren in zich draagt en benoemt hoe ze de wereld ziet. Ze prijst ook Meneer Bao, een Aziatische man van zestig, die jaren in concentratiekampen doorbracht en met haar over de ‘art of living’ filosofeerde. Ze prijst Mevrouw Mimosa, een oude vrouw, die haar man en twee kinderen verloor in de Kaukasus oorlog en die de witte vrouw dagelijks bedankte voor de maaltijd van het voedselprogramma.

 

De twintig minuten vliegen snel voort. Nog even en de speech is voorbij. Ze neemt een slok water en zet het laatste deel van de speech in.

‘Vaak als ik de bomen met hun takken zie wuiven, als ik de vele auto’s als door de straten mieren zie krioelen en als ik mijn kinderen spontaan zie spelen,

Dan denk ik,

wat zou het super zijn, als we vlugger stop zeggen aan al de moetes en vlugger foerten.

Wat zou het super zijn als we de tijd nemen voor een glimlach in ons hart.

En ja ik stel me dan een wereld voor waarin we allen de wereld zien als één bol met respect voor elkaar.

Laat de bloem in u zelf bloeien. Ze is uniek, en geniet van de bloemen om u heen.

Dank u.’

Het publiek applaudisseert luid. Zoals het hoort, buigt ze twee keer diep en met een brede glimlach verlaat ze opgelucht het podium.

In het café van het theater wachten haar vader, vrienden en de zwarte man de vrouw met lof op. De vader voert het hoogste woord. Met een warm gezicht geeft de vrouw iedereen een kus. De zwarte man staat er afwezig stralend bij. De vrouw trakteert iedereen en bedankt hen voor hun komst en steun.

 

Bij het afscheid, feliciteert de docente de vrouw en raadt haar aan meer speechervaring op te doen. De witte vrouw bloost en krijgt het warm van binnen.

Na die dag, contacteert de vrouw enkele organisaties met het voorstel om te komen spreken. Niemand is geïnteresseerd. Speechen begraaft ze voor ooit misschien. Schrijven houdt ze warm. Soms zit ze vast en soms schrijft ze enkele regels. Soms moedigt iemand haar aan en soms drijven de vlinders in haar buik de vrouw naar hogere oorden.

 

Dertig jaar na de dood van haar moeder zit de vrouw aan de grote eettafel met zicht op de hoge plataan, zet ze haar rode leesbril op en schrijft in stilte de laatste woorden van haar boek ‘Lieve mama. Rust in vrede. Je kleinkinderen zijn trots op jou. In mijn verhalen en in mijn glimlach leef je verder. Dank je wel.’

Ze zet haar bril af, strijkt door haar witgrijze haren, staat op, opent de deur en stapt naar buiten.

 

 

Geraakt door deze tekst? Maak het hartje rood of deel de woorden met je vrienden.

Zo geef je mee een stem aan de woorden van deze schrijver.

5 jun 2018 · 0 keer gelezen · 0 keer geliket