Ode aan jou, deel 1 - Kristien
Hoe het allemaal juist is gegaan, weet ze niet meer. Ze weet wel nog dat ze soms vleugels kreeg. Brede, krachtige vleugels. Dan vloog ze weg. Heel even. Heel hoog. Genoot ze van de uitgestrekte lappen grond, van de blokken die figuren vormden, van de stippen die over de kronkelende lijnen bewogen, van de wind rond haar lijf. Boven wist ze niet wie ze was.
Ze vloog. Ze was vrij. Tot plots de zon te warm werd en ze, als door een donderslag, weer op de grond terecht kwam en weer zichzelf werd. Ze krabbelde recht en begon te stappen. Kilometers en nog eens kilometers. Stap voor stap sloeg de automatische piloot aan en wist ze wanneer ze stop had moeten zeggen, wanneer ze had moeten doorgaan en wanneer ze had geleefd. Helemaal echt. Telkens opnieuw.
________________________________________________________________________________________
‘Een vogel zingt niet omdat hij een antwoord heeft.
Hij zingt omdat hij een lied heeft.’ Maya Angelou
Een groot meisje stapt op de dijk. De lucht kleurt rozig, blauwig grijs. Onder haar wijde vest verstopt ze haar lichaam en houdt ze haar hart strak. Ze stapt arm in arm met een vrouw. De moeder. Naast hen stapt een man. De vader. Ze luistert gedeisd naast de moeder, knikt en antwoordt kort. De vader geeft nu en dan een opmerking. Het grote meisje knikt nog meer.
Het wandelen gaat traag. Te traag. Het meisje stopt plots, opent de rits van de vest, glimlacht naar de moeder en vader, draait zich om en rent over het strand naar het water. De haren van het meisje wapperen in de wind. De vest fladdert mee. Ze rent en rent. De hele wereld zit op haar hielen. Grote en kleine mensen. Dikke en dunne. De vader en de moeder. De lucht waait hard en het zand snijdt diep. Ze rent verder. De zee houdt haar echter tegen. Ze stopt, staart naar de horizon en haalt diep adem.
Standvastig staat ze daar. Opgenomen in vrije rust. Omgeven door gezichtsvolle verhalen. Een traan op haar wang verklapt haar hart. Pablo. Op vakantie in het buitenland had ze de arme kleine jongen elke dag eten kunnen geven ondanks het protest van de moeder en de vader. Sofie. Op school luisterde ze naar de verscheurende verhalen van haar vriendin en beloofde zichzelf deze niet verder te vertellen. De nacht ervoor had ze een boek over Gupta in het verre Buitenland gelezen. De letters hadden beelden gevormd. De beelden waren levens geworden, levens met oren en ogen, met kinderen en zorgen, met honger en dorst. De moeder was de kamer van het grote meisje binnen gedrongen en het boek afgepakt. Het meisje was met rode ogen ingeslapen.
De golfslag maakt het meisje wakker. Ze begint met de armen cirkels in de lucht te tekenen, springt op en neer en loopt parallel met de zeelijn verder. Richting ondergaande zon. Een witte Kleenex die ze uit haar zak haalt om haar neus te kuisen, valt op het zand en waait weg. Het meisje rent de zakdoek achterna. Ze bukt zich. Op dat moment neemt de wind de zakdoek opnieuw mee. Ze glimlacht, speelt hond en rent het papiertje achterna.
De moeder en de vader zwaaien naar haar. Ze zwaait terug. Uitgewaaid loopt ze naar hen terug. Arm in arm stappen ze verder. Zonder woorden.
Thuisgekomen, nestelt het meisje zich in haar kamer, gaat achter de bureau zitten en legt 13 schelpen in wit, grijs, dof blauw en beige op de witte Kleenex naast zich neer. Ze neemt het dagboek en buigt zich diep.
'Een kind op afstand braaf
braaf gemaakt door een omgeving
een omgeving van knikken en aanvaarden
Een kind op afstand wild
wild gemaakt door vragen
vragen van waarom en twijfels
Een kind op afstand wijs
wijs gemaakt door zwijgen
zwijgen van stilte en feiten’
Mama je slikt dagelijks zoveel pillen, 5 's morgens, 4 's middags en 4 's avonds. Jouw lichaam is op. Verdorie toch. Je maakt je druk over mijn kledij, over de boeken die ik lees en over mijn gewicht. Verdorie toch. Wat kan ik voor jou doen? Hoe kan ik er voor jou zijn? Mijn hart vult zich met wat het ziet. Ik ben wie ik ben. Of dat probeer ik toch. Waarom kan ik mijn wereld niet met jou delen?’
Ze klapt haar dagboek dicht, stapt naar beneden en gaat naast de moeder in de zetel zitten. Ze kijken elkaar aan, praten over het weer, overlopen het medicatieschema van de dag, eten samen warme appelcake en glimlachen. Na een tijdje buigt het meisje zich naar de moeder toe, verwijdert het fuchsia aquagroene hoofdsjaaltje van de moeder, neemt een dagcrème en smeert het droge haarloze hoofd van de moeder in. Zacht en broos. De moeder sluit haar ogen. Het meisje ook.
-------------------------------------------------
fluo roze blauw
ieder moment ontvouwen
andere kleuren
In enkele dagen is het groot meisje jongvolwassen geworden. De moeder van het meisje zou het op deze manier niet gewenst hebben.
De winter is op komst. Ooit zou het meisje ervan dromen om voor een groot publiek te spreken. Vandaag krijgt ze die kans. Buiten ligt een wit sereen laagje sneeuw die de geluiden dempt. Binnen in de grote witte ruimte met haar hoge plafond, bruine stoelen en doffe wierookgeur wachten donker geklede toehoorders. In grote getallen. Van ver gekomen. Ze bewegen wat onrustig op hun stoelen en kuchen nu en dan om hun droge keel te ontlasten.
De jongvolwassene stapt naar voor. Het liefst zou ze nu op het strand lopen. Vrij van het weten dat ze een stukje meer alleen verder moet. Vrij van het verdriet van nooit meer. In haar hand draagt ze de tekst die ze vijf dagen geleden schreef. Ze zat toen naast het bed van de moeder. De lakens waren kraak wit gesteven. De ontsmettingsgeur overheerste de boeketten rozen en de korven met fruit. De moeder ademde zwaar in en uit en liet haar handen opgeblazen door het vocht van de baxters rusten op haar buik. Het meisje met een lichaam dat sprekend leek op de jongere generatie van het doorgelegen lichaam van de moeder liet haar hart spreken.
‘Hier zit ik dan,
wachtend op het moment
dat je me weer zal aansporen
ik weet wel hoe het zou moeten
jij was immers mijn bloedverwante
mijn mama, mijn vriendin, mijn voorbeeld
Jij, die altijd zo goed kon luisteren
Jij, die zelf op zwakke momenten,
niemand wou lastig vallen
Jij, die de bloemekes hun stengeltjes schuin afsneed,
opdat ze toch wat langer zouden bloeien
Jij, die als je een kind zag,
een knipoogje, een vriendelijk woord gaf
´T ja : woorden schieten me vaak te kort
maar de essentie blijft
gemakkelijk uit te drukken: jij
Vergeet nooit: jouw glimlach laat bij iedereen
een vlammetje na
Dank je. Je dochter'
Ze kijkt naar het publiek. Enkele gezichten glimlachen naar haar. Ze zoekt de ruimte af. Hier en daar zit een bekende. De hele ruimte is gevuld. Van overal kwamen ze voor haar moeder. De moeder is vandaag een beevee.
Ze hoopt dat de man die beweert haar lief te hebben, de ruimte zal opkleuren en haar straks zal ondersteunen. Maanden hadden ze uren gepraat en weken hadden ze samen opgetrokken ondanks het afwijzende oog van de moeder en de vader. De gekleurde man wou zich settelen in het Noorden. De jongvolwassene was hiervoor een mogelijke kandidaat. De jongvolwassene had genoten van de gesprekken met een werelds accent. Haar lichaam had ze echter voor zichzelf weten te houden. Nu weet ze dat dit de juiste beslissing was. Alle gezichten voor haar zijn winters bleek.
Ze kucht, kijkt naar de kist voor haar en krachtig draagt ze de tekst op aan haar moeder. Het hele gebeuren is een groot toneelstuk. Voor haar leeft de moeder verder. In haar verhalen. In haar glimlach. In haar kijk naar de wereld.
Zakdoeken worden bovengehaald. Ingetogen verlaat ze het podium. Ze neemt terug plaats tussen haar vader en broer. Ze voelt hun warmte.
------------------------------------------------
‘de hele wereld is een schouwtoneel
en alle mensen zijn maar acteurs.’ William Shakespeare
De jongvolwassene herneemt haar studies. Ze concentreert zich, neemt deel aan de studentenactiviteiten en speelt moeder in het WE. De wereld blijft haar lokken. Waarvoor wou haar moeder haar beschermen? Zal ze de tocht vol uitdagingen, ontmoetingen, vraagtekens en van moeder-zijn aan kunnen?
Voor haar eindwerk vertrekt ze voor de eerste keer naar het andere continent. Afrika. De vader brengt de jongvolwassene in een donker blauw kostuum, lichtblauw gestreept hemd en donker rode kravat naar de luchthaven. Hij vertelt haar over zijn business trips. En over de gevaren alsof hij er zelf bij was. Ze knikt, glimlacht en belooft hem dat alles goed komt. Ze omhelzen elkaar. De studente neemt haar valies en stapt de douane door. Aan de andere kant van de wereld zou ze opgewacht worden door een dame van haar land.
Na een lange vlucht komt ze aan. Het douanepersoneel kijkt de witte studente indringend aan en vraagt wat ze voor hen meebrengt. Ze kijkt hen verward aan, glimlacht en stapt verder naar buiten. In de zwarte massa gedrukt tegen een hoge metalen omheining ziet ze een witte dame staan. De enige. Snel stapt de studente naar de witte dame. Ze geven elkaar een stevige handdruk. De dame, Thérèse, neemt de valies over. Samen met drie zwarte dames stappen ze naar een lichtgrijze auto.
Thérèse, een dame van rond de 60 jaar, neemt het stuur en ze rijden weg van de luchthaven. De zwoele kleverige warmte, de overheersende chaos, de krakkemikkige wagens en de petroleumlichten in de kraampjes langs de straten maken de studente stil.
De wagen ontwijkt diepe putten, slaat de drukke hoofdstraat af, rijdt door kleine stegen en komt tot stilstand voor een klein geel gebouw te midden van een grote verzorgde tuin. Een witte en zwarte vrouw verwelkomen haar.
De volgende ochtend om 5 uur komt een zwarte man de studente ophalen. Ze stappen langs de spoorweg en vele kleine steegjes. Doorheen de buitenwijken. Zwarte schimmen lopen snel langs haar voorbij met of zonder gewicht op het hoofd of verkopen brood, nootjes of bananen gehurkt naast de weg. De drift om te overleven drijft hen voort. Een drift om eten voor de dag te vinden. Evenals geld voor water en houtskool. De studente beweegt met hen onopvallend mee. In het donker met een doek rond haar hoofd en losse kleren is ze onzichtbaar. Voor even.
Na een uur komen ze aan het sojamelk bedrijf. Hier zal de studente informatie voor haar eindwerk moeten verzamelen. Thérèse en de drie dames van de dag ervoor zijn al druk bezig de sojabonen te wassen en de machines klaar te maken. De studente draait mee. Na de middag gaan ze de sojamelk aan een zeer lage prijs verkopen in de sloppenwijken. Erna stapt ze met de zwarte man terug naar het klooster.
Het avondeten gebeurt in de grote zaal beneden. De witte en zwarte moederoverste praten kort tegen de studente, maar praten niet met elkaar en bedienen elkaar niet. IJzig stil. De student propt zich uit verveling vol met soep, hoofdgerecht en dessert en snelt naar haar kamer. De vier muren brengen haar echter geen rust. Ze neemt haar dagboek en gaat op bed zitten.
‘Vorige week kon ik nog gaan wandelen waar ik wou. Nu is mijn wandelgebied beperkt tot een kleine tuin. Opgesloten als een beest in de dierentuin. Eergisteren droomde ik nog van Afrika. Nu ben ik er en zit tussen vier muren. Met twee ramen zo hoog dat ik niet kan buiten kijken.
Vandaag zag ik weer die vele mensen stappen. Blijkbaar kilometers en kilometers. Bij ons kan je de bus nemen. Is er plaats voorzien voor oude mensen, een kinderkoets en gehandicapten. Alles netjes geregeld. Hier worden de mensen als beesten gepropt in taxi-minibussen. Zelfs dat vervoermiddel kunnen de meeste niet betalen.
Soeur Colette, een dikke zwarte non die gezellig lijkt, en Soeur Marie Louise, een witte, magere non die op alles een opmerking geeft, willen beiden het hoogste woord voeren en brengen me ook niet dichter bij Afrika.’
Buiten op straat speelt muziek opgewekt luid. Roepen kinderen naar elkaar alsof er een grote voetbalmatch gespeeld wordt. De studente mag niet naar buiten. Enkel onder begeleiding. En niet s ‘avonds. De poorten van het klooster zijn al lang op slot alsof ze elk moment een aanval verwachten.
De volgende maanden volgt de witte vrouw dit dagritme tijdens de werkweek. Ze komt de laatste nieuwtjes op een luchtige wijze te weten, de prijsstijgingen, de sluiting van benzinestations, de knagende honger en de uitzichtloosheid van de huidige regering. Ze stelt vragen, glimlacht , leert de lokale taal en observeert. Ze wordt vertrouwd met het leven in de grootstad en past de lokale gewoontes toe die voor haar haalbaar zijn. Eten met de handen. Zich wassen in een plastieken bassin. Gaan slapen kort na zonsondergang.
Het is vrijdag. Thérèse nodigt de studente uit om voor het WE bij haar thuis te komen. De ogen van de studente stralen. Ze rijden de stad uit. Naar de universiteitscampus. De nacht valt met een snelheid zoals het gordijn in de schouwburg na een toneelvoorstelling. Op de campus staan vele grote gebouwen. Wat een glorie.
Voor een donkergrijze poort stopt Thérèse en claxonneert. Een jong meisje opent de poort. De studente stapt uit. Een groep zingende en dansende kinderen verwelkomt haar. De studente kleurt rood en stapt met aan elke hand een kind het huis binnen. Het grote huis van Thérèse. 35 jaar geleden kwam Thérèse, als bioloog, samen met haar man en hun vier kinderen, aan om les te geven aan de universiteit. Geconfronteerd door de moeilijkheden van vele studenten, openden ze hun huis voor enkele alleenstaande moederstudenten. Door de jaren heen, kwamen er meer bewoners bij, waaronder ook wees- en straatkinderen. Het geloof in God hield hen recht.
De volgende ochtend wandelen drie moederstudenten met de witte studente over de campus en plaatsen haar in het middelpunt van de belangstelling. De campus is verlaten. Kapotte vensters. Afgeschilferde gele verf op de groenvochtige gebouwen. Vergane glorie.
Na een mens-vol weekend wordt de studente terug aan het steriele klooster afgezet. De kilte overvalt haar en ze trekt zich terug in haar kamer.
‘Wat een wereld. Op straat is de situatie gespannen. Ik verdiep me niet in de politiek want het is veel te complex. Ik ben maar een simpele student. De professoren en leerkrachten worden al maanden niet betaald door de overheid en staken nu. De universiteit is voor onbeperkte tijd dicht. Sommige studenten waren bijna afgestudeerd, bijna klaar om eindelijk geld te verdienen. Nu wachten ze gelaten. Hoe zou je zelf zijn?
Normaal slapen de studenten met vijf of zes in klamme eenpersoonskamers. Hun aula’s zijn muffig en te klein voor de vele studenten. Rechtstaand moeten ze les volgen en alles noteren want syllabi zijn te duur. Vier studenten vroegen me om een beurs te regelen zodat ze in het Noorden een toekomst kunnen uitbouwen.’
Ze zucht, sluit haar dagboek, gaat op het bed liggen en staart naar de ventilator aan het plafond. Net de schroeven van een helikopter. De elektriciteit valt uit. De muziek buiten en de helikopter ook. Twee vliegen zoemen rond haar hoofd verder.
------------------------------------------------------
de zwarte vogel
pikt met zijn bek op het dicht
bevroren water
Elk weekend gaat de witte studente naar het huis van Thérèse. Ook deze keer. Buiten op straat rommelt het. De studente wordt aangemaand naar binnen te gaan. Vanuit de stoel op het donkere terras staat ze recht. Ze wuift naar de drie zwarte studenten die in het maanlicht de wacht houden over het grote, verduisterde huis en gaat op de tast naar binnen. Haar ogen wennen aan het donker. Alle kamers liggen vol met matrassen, kleren, boeken en mensen. Ze doet haar sandalen uit en legt zich op een matras op de grond in de gang. Naast haar liggen een baby, een moeder en studenten. Ze slaat een doek om zich heen en valt in slaap.
Ze schrikt wakker en gooit het beest dat over haar gezicht kruipt weg. De lange kakkerlak vliegt weg en zet zich vast op de muur naast haar. Ze slaapt niet meer in. De stilte buiten wordt nu en dan verbroken door een kreet of een knal. Op de tast zoekt ze haar zaklamp. Ze zet zich recht en neemt het dagboek uit haar rugzak.
‘Ik ben zo ongerust. Buiten wordt er geschoten. Militairen hebben belangrijke plaatsen ingenomen. Ik zou graag papa en Steven verwittigen maar de telefoon is al drie dagen afgesneden. We kunnen niet weg want de auto is leeg en in de stad is er geen benzine meer. Straks plunderen ze misschien ons huis en zullen ze mij en al deze lieve onschuldige mensen afslachten. Wat zal papa zonder zijn dochter doen en Steven zonder zijn zus? Nee ik wil leven. Ik wil het overleven. Die militairen voelen zich nu de koning te rijk. Maar voor hoelang?’.
Het wordt licht. De studente staat op, plaatst de matras achter een deur en groet de huisgenoten die wakker zijn. Het dagritme hervat zich. Kinderen lopen overal rond. Buiten werken enkele studenten in de moestuin. De witte studente moet binnenblijven. Onrustwekkende berichten sijpelen binnen. De militairen zijn op 200 meter van het huis aan het plunderen. De studenten verstoppen hun diploma’s in een put in de tuin en nodigen de witte studente uit hetzelfde te doen. De studente geeft hen haar pasport en fototoestel.
Thérèse organiseert het middagmaal. De witte studente volgt haar en helpt de studenten met het snijden van de maniokbladeren uit de tuin. Het gebeuren in de stad is het middelpunt van de conversaties. Allen lachen ze met het voorval dat een man de etalage van een schoenwinkel leeggehaald en thuis ontdekte dat hij alleen schoenen voor de linkervoet meegebracht had.
Het middagmaal is klaar. Thérèse brengt een kom rijst en groenten naar het terras. Twaalf kinderen zitten met een plastieken bord voor zich. Ze volgen met volle ogen de kom. Thérèse schept op. In slilte slokken ze hun bord leeg.
De spanning in huis stijgt. Op elke hoek van het huis houden de bewoners scherp de wacht. Plots wordt aan de poort gebeld. Iedereen in huis is alert. Zijn het de militairen? Misschien een buur in nood? Een studente schuift voorzichtig het uitkijkluifel van de poort open. Een zwarte man in zwart kostuum en witte das staat voor de poort, maant haar aan de poort te openen en de witte vrouw snel te roepen. Thérèse komt tussen beiden, verstaat de man en roept haar landgenoot.
Een zwarte wagen rijdt de oprit op. De studente moet mee. Er is geen tijd om deftig afscheid te nemen. Met tranen in de ogen omarmt ze vlug enkele kinderen en Thérèse en neemt haar pasport, fototoestel en rugzak van een jonge moeder aan. De studente stapt traag in de wagen en zwaait van achter de geblindeerde vensters naar het luchtledige. Niemand kan haar zien. De poort wordt vlug dicht gedaan.
Ze staart naar het voorbijglijdende straatbeeld. De straat is leeg. Mensen zijn binnen gebleven voor de veiligheid. Alles is geplunderd, overal glasscherven, in brand gestoken benzinestations en autowrakken. Alles is vernield door mensenhanden. Alsof een troep mieren een krekel aanviel en enkel het skelet overliet. Zelfbediening voor de sterksten.
Ze komen aan op de ambassade van het land van de studente. De bewaker herkent de nummerplaat. De poort gaat open en de bewaker commandeert hen met zijn mitrailleur snel binnen te komen. De wagen rijdt binnen. De studente is veilig. Haar collega’s en vrienden buiten niet. Zij moet vluchten. Thérèse mag blijven.
In de ambassade loopt het vol witte mensen. Na een uur krijgen ze zalm, kaviaar, hesp, kaas en brood voorgeschoteld. Er wordt gegeten. De studente eet niet. Ze kan niet. Zij in het huis van Thérèse ook niet. De kinderen eten er maïsmeel met water, zonder melk, zonder suiker, zonder vlees. Bedden zijn geïnstalleerd in de gangen en kamers. Er wordt geslapen. De studente schrijft afscheidsbrieven voor de mensen bij Thérèse en neemt haar dagboek.
‘Overal
Ogen
Monden
Gewoonten
En toch,
de jouwe
zijn anders.
Het zijn
de jouwe’
Ze sluit haar ogen en is bij het leven van Thérèse.
------------------------------------------------------
‘als hij kon toveren, kon toveren, kon toveren,
kon toveren, dan hielden alle mensen
van elkaar’ Herman Van Veen
Het huis om haar heen is groot. Te groot. De kamers bewoond door bedden, matrassen, kasten en tapijten zijn leeg. Een week geleden lag ze omringd op een matras op de grond in het huis bij Thérèse. De muren zwijgen. Buiten rijdt een eenzame auto voorbij. De studente stapt uit bed, laat het water over haar lichaam vloeien, trekt een broek en een T-shirt aan en springt op de fiets.
Ze stapt de supermarkt binnen. Roze, witte, gele yoghurt. Water in blauwe, groene en witte flessen. Een hele frigowand vol soorten vlees. Een hele wand vol soorten brood. Bakken stampvol met groenten en fruit. Ze staart naar haar boodschappenlijst, haar benen zijn als lood en ze kijkt opnieuw rond zich heen. Stapvoets vult ze haar winkelkar.
Een week geleden had ze moeten vluchten. Ze was in een cohorte van 15 wagens gevuld met andere witte mensen naar de luchthaven gebracht. Langs leeggeroofde bureaus, gebroken ruiten en kapotgeschoten transportbanden werden ze naar het vliegveld geleid. Daar hadden ze uren in de blakende zon op een vliegtuig gewacht.
Sommigen hadden bagage. Anderen stonden er in een T-shirt en pantoffels. Sommigen waren vanop hun dak met een helikopter bevrijd geweest. Anderen waren met eigen vervoer naar de verzamelplaatsen voor de witte mensen gereden. Een raamloos goederenvliegtuig had de vluchtende witte mensen naar de hoofdstad van het buurland gebracht. Van daaruit waren vrouwen en kinderen met een passagiersvliegtuig naar het land van de studente overgebracht. In de vroege ochtend was de studente gewikkeld in een deken wazig uitgestapt en werd ze naar het militaire ziekenhuis geleid.
Warme koffie en croissants vulden de opvangruimte. Ooit zouden massa’s mensen uit het zwarte continent en omgeving naar haar land trekken. Over land en zee. In een vrachtwagen. Opgesloten. Op een boot. Overladen. Wie zou hen verwelkomen?
Beladen fietst ze naar huis. Ze kneedt, wast, kookt en bakt de ingrediënten urenlang. Ze gaat helemaal op in de radio en zingt luidkeels mee ‘you can go your own way’. Plots hoort ze een sleutel in de voordeur. De vader van de studente stapt met zijn aktentas binnen samen met de broer die van zijn kot terugkomt. Ze geven elkaar een kus.
Het huis vult zich op slag met stemmen. De vader trekt zich met zijn aktentas terug in zijn bureau. De broer duikt in de zetel. De studente neemt de zak van de broer, propt de kleren in de wasmachine en nestelt zich opnieuw in de keuken.
Eindelijk rinkelt de deurbel verschillende keren. Ze omhelst de bezoekers. De grootmoeder omhelst ze het innigst. Een week geleden was de vader op zakenreis. De grootmoeder was de studente met een taxi komen ophalen aan het militaire ziekenhuis. Met tranen in de ogen waren ze in elkaars armen gevallen en hadden ze elkaars geur opgemerkt. Eau de Cologne 4711 en ongewassen droog Afrikaans stof.
Al vlug zit de hele familie rond de gevulde tafel. Zelfgemaakt suikerbrood. Rijstpap gebaseerd op het recept van de grootmoeder. Een kom sla met een vinaigrette van olijfolie, balsamicoazijn en yoghurt. Zeven soorten kaas. Vijf soorten vlees. Een groentetaart van broccoli, prei en zalm. Een fles rode en witte wijn.
De studente staat op en stapt naar de diaprojector. Ze laat de dia’s spreken en geeft nu en dan een korte uitleg.
‘Hier stap ik door een sloppenwijk om de soyamelk rond te delen.’
‘Je bent zeker wel blij dat je terug bent?’
‘Dit is Maman Thérèse en de alleenstaande moeders die ze een thuis geeft.’
‘Ze zien er zo gelukkig uit.’
‘Dit zijn Dieu en Symeon. De twee broers zijn vier en zes. Hun moeder is drie jaar geleden gestorven en hun vader is onbekend. Op een bepaald moment kon hun grootmoeder niet langer voor hen zorgen. Ze wou de kinderen niet de straat opsturen in de gevaarlijke sloppenwijk en bracht ze via via naar Maman Thérèse. Isa, een alleenstaande moeder die net haar enige zoon verloren had, nam de twee jongens aan. De grote dagelijkse vreugde van de jongens is om naar school te gaan en hun nieuwe mama rond zich te hebben.’
‘Wat een schattige jongens.’
‘Hier eten straatkinderen bij Thérèse rijst en maniokbladeren.’
‘Je rijstpap is verrukkelijk. De bruine suiker erbij maakt het helemaal af.’
De familie lacht en praat er op los.
Kort voor middernacht is het huis opnieuw leeg. De broer gaat slapen. De vader en de studente ruimen alles op. In haar kamer haalt ze het dagboek uit haar rugzak.
‘Vandaag was de hele familie er. Je broers en zussen, de nichten en neven. Ik heb je weer enorm gemist. Hocus pocus pas. Kom alsjeblief nog eenmaal terug. Al is het maar voor een week, een dag, een uur of vijf seconden. Juist lang genoeg om je nog eens goed vast te houden, nog eens diep in je ogen te kijken, je te verwennen, je geur op te snuiven en je stem te horen. Vandaag had ik ook o zo graag voor mijn vrienden in Afrika gekookt.’
Het Weekend is kort. De vader brengt de studente tegen valavond naar het station. Met haar rugzak stapt ze tussen de menigte naar het volle perron. De trein stopt. In massa drummen de studenten zich op de trein.
De lege plaatsen zijn snel ingenomen. Allemaal. Enkel rond één tafeltje zijn nog drie zitplaatsen vrij. De studente stapt er recht op af, laat zich neer ploffen en glimlacht naar de gekleurde dame voor zich. De trein komt in beweging. De studente ook.
------------------------------------------------------
‘klaar voor wat
groeien zal?’
Langzaam opent ze de enveloppe. ‘Bonjour. Comment ça va? We stellen het goed. Dieu en Simon vragen elke dag wanneer je terug komt. Jouw sjaal houdt me ’s nachts warm. Begroet je vader en je broer van mij. God zege je. Isa’. Ze vouwt het papiertje met de blauwe letters dicht en glimlacht door het raam naar de lichtblauwe zomerhemel, bezaaid met zachte witte wolken. Ook al functioneren de post en de telefoon in het Afrikaanse land niet, toch heeft deze brief haar via via bereikt. Vervolgens blaast ze op haar vlakke hand in de richting van de wolken en stuurt hen een boodschap voor Isa.
De studente trekt een pull aan, springt op de fiets en installeert zich in de stadsbibliotheek met vele boeken om zich heen. Het witte blad voor haar blijft echter leeg. Ze zucht. Hoe kan ze wetenschappelijk haar bevindingen van Afrika weergeven als ze er voortijdig is moeten vertrekken en bijna geen gegevens verzamelde?
Na twee uur verlaat ze de bib en fietst naar het station. Ze springt op het nippertje op de trein en komt net op tijd voor haar afspraak aan bij een hoogleraar die lang in Afrika werkte. Ze noteert en noteert. Hiermee zal haar eindwerk al wat geleerder overkomen. Na afloop gaat ze een broer van haar moeder bezoeken. Vol lof verwelkomt hij haar. Uren praten ze over zijn zus, haar moeder, en Afrika. Haar lijf warmt op.
Laat in de avond, bereikt ze haar kot. Nieuwsgierig kijkt ze in de brievenbus en vindt een spierwitte enveloppe met een blauwe stempel. Ze neemt langzaam de brief en leunt met haar rug tegen een muur.
Het studentehuis klinkt stil. Ze gaat naar boven, zet zich op de stoel achter haar bureau, opent de brief waar ze al zolang op wacht en haalt het getypte A4 blad eruit. Traag leest ze letter voor letter. De vele verslagen en de verre bezoeken zijn beloond. De prof heeft haar aanhoord en geloofd. Zij is uitverkoren. De studenten in Afrika niet.
Straks zal ze haar vader bellen. Straks zal ze naar de fuif gaan. Met de brief op haar borst, legt ze zich neer op bed. Haar lichaam neemt de vorm van de matras aan. Alle spanningen vloeien weg alsof een badstop uitgetrokken wordt.
Diep in de nacht schiet ze plots wakker. Ze gooit het donsdeken en de brief van zich af, wast haar ogen uit met koud water aan de lavabo in de hoek van de kamer en springt op de fiets. Enkele studenten verwelkomen haar.
Het lawaai overdondert haar. Uiteindelijk dringt ze de ruimte met zijn drank- en lijfgeur binnen en geeft ze zich geleidelijk over aan de muziek. ‘if I could turn back time, ...’. Ze danst. Ze botst tegen de studenten naast haar. Ze blijft dansen. Met gesloten ogen. Met haar moeder. Met Thérèse. Dieu. Isa. Simon. En de hele wereld.
Felle lichten verbreken ineens de betovering. Met zijn achttien staan ze op een kale dansvloer. Lege bekers verspreid over de grond. Met zijn achttien. Belabberd. Opgewekt. Moe. De koning te rijk.
Ze fietsen in zigzag naar de fakbar. Warme croissants wachten hen op. De studente is na haar ochtendgymnastiek helemaal wakker. Ze fietst naar de les. De anderen naar hun kot. Ze zet zich op de achterste rij. De prof verkondigt aan een halfvolle aula zijn geloof. Waterzuurstof. Koolstofverbindingen en nog veel meer.
De studente slaat gade. Volgend jaar zal ze dankzij een beurs in het buitenland gaan studeren. Ze weet nog niet dat ze ook daar de andere kant van de wereld zal omhelzen en dat het land van de stageplaats haar tweede thuis zal worden.
De muziek speelt na in haar hoofd ‘everything I do, I do it for you’.
------------------------------------------------------
‘Mensen struikelen niet over bergen,
alleen over molshopen’ Confucius
Als kind kon ze moeilijk buiten de lijntjes kleuren. Ondertussen leerde ze, als ze snakte naar lucht, lijnen uit te gommen en te hertekenen. Bladzijden vol te krabbelen. Kleuren op haar manier te mengen. Kladpapieren weg te gooien. Kleurenplaten te creëren die voldeden aan de normen van de buitenwereld.
Het hotel slaapt. Ze neemt haar rugzak en verlaat de kamer die ze reeds betaalde. Zonder zaklamp stapt ze de koele, donkere ochtend in. Het dorp dommelt in de bergmist. Hier en daar hoort ze gerommel in een huis. Ze laat het hooggelegen dorp met zijn bergvolk achter. Haar stappen weergalmen over de verlaten asfalt. Ze heeft twaalf uur de tijd om het station in de grote grensstad helemaal beneden te bereiken. Volgens de hotelbaas zou de trein naar de hoofdstad om 7 uur vertrekken.
Boven de bergen komen langgerekte zonnestralen geleidelijk tussen de wolken door. De hemel overheerst. Roos. Oranje. Grijs. De mist verbergt geheimzinnig de rijstvelden en houten dorpen in de vallei. Ze haalt diep adem en laat de frisse, verse ochtendlucht door haar lichaam stromen. Ze stapt en zucht.
Nog een maand en haar stage zit erop. De voorbije maanden mocht de witte vrouw met een lokaal team het land mee afgereizen. In verafgelegen plekken hadden ze kinderen gewogen en enquêtes afgenomen. Het team sprak met moeite Engels en had haar op de achtergrond gehouden. Ze was te jong, Westers en een vrouw. Het team kon haar naam niet uitspreken en had haar Vy, blije kleine meid, genoemd.
De cadans van haar voetstappen brengen de vrouw rust. Morgen zal ze zich opnieuw integreren in de drukte en op kantoor aan het stageverslag werken.
Van overal vervoegen mensen in indigoblauwe kledij de hoofdweg, bepakt met brandhout of landbouwgereedschap. De witte vrouw stapt hen voorbij en zegt goedendag in hun taal. De zon warmt de berg en de weg meer en meer op. Geregeld drinkt ze water van haar fles. Een volgeladen bus teutert en stopt. Ze schudt het hoofd. De bus rijdt verder.
Nog een maand. Het afscheid zal moeilijk zijn, vooral van haar nieuwe vriend. Enkele maanden geleden leerden ze elkaar kennen in een café. Hij had rechten en Engels gestudeerd en werkte in de hoofdstad. Uren zaten ze naast elkaar aan meertjes in de stad en redeneerden over het leven. Hun samenzijn is verdoken, vooral voor zijn ouders en haar vader. Nu en dan sluipt hij weliswaar haar guesthouse s’ nachts binnen en vertrekt hij voor iemand opstaat. Dankzij hem heeft ze een stuk van het andere leven geproefd. In zijn armen verdrinkt ze graag, veilig naar de diepte van de oceaan.
Als de grensstad beneden opduikt, zet ze zich aan de kant van de weg en eet de kleefrijst die ze de dag ervoor kocht langzaam op. Al snel komt een bergvrouw in een indigoblauwe bloes, rok en hoofddoek bij haar staan. Ze is tenger en ingetogen. De witte vrouw staat op en wil de bergvrouw kleefrijst geven. De bergvrouw glimlacht warm, schudt het hoofd en haalt vanonder haar bloes een verfrommelde foto.
Op de foto staat de bergvrouw met een heel klein meisje op haar arm en naast haar een opgeklede dame met een strakke blik. De bergvrouw vertelt een gans verhaal. Soms stralen haar ogen. Soms staan ze verdrietig. Ondertussen sust ze het kind gebonden op haar rug door op de benen te wiegen en houdt ze de kleine jongen dichtbij haar in de gaten.
De witte vrouw verstaat hier en daar een woord. Meisje. Ik mama. Dochter. Grote stad. Nieuwe mama. Nu acht jaar. Nu school.
De vrouw bekijkt de foto aandachtig en steekt verschillende keren haar duim op. De twee vrouwen glimlachen naar elkaar, zijn bij het kleine meisje, houden elkaars hand vast en vervolgen elk hun weg.
Het drinkwater van de vrouw geraakt op. Tevergeefs zoekt ze kraampjes onderweg. Uiteindelijk vraagt ze een oude man die aan de kant van de weg zit, water. Hij doet teken te volgen. Ze loopt hem langs een paadje achterna. Ze bereiken een houten huisje. Op het erf van platgestampte aarde dolen een bijna kale kip en een hangbuikvarken rond.
De man nodigt de vrouw uit om naar binnen te gaan. Ze aarzelt. Op dat ogenblik komen een meisje en een oudere vrouw het huis uit. Ze begroeten elkaar in de lokale taal.
De witte vrouw stapt binnen. Het is er halfdonker en broeierig warm. Ze gaat op een houten bank zitten, krijgt water om haar twee flessen op te vullen en staat op. De man vraagt haar te wachten tot zijn echtgenote terugkomt. Hij neemt de rode thermos met bloemenmotief, giet warm water op de losse thee in een gebarsten theepot en geeft haar een kopje lichtgroene thee. Bitter en scherp.
De middagzon zakt dieper. Na bijna twee uur komt de echtgenote fier de kamer binnen. Ze zet een kom rijst en gekookte kip neer voor de vrouw. De vrouw heeft geen honger. Ze wil zo vlug mogelijk vertrekken. Uit beleefdheid vult ze een kommetje met rijst en een stukje kip. De man, echtgenote en meisje kijken naar de vrouw en hun kip. Met stokjes eet ze het kommetje snel leeg en steekt haar duim om hoog. Allen glimlachen. Bij het afscheid schudden ze elkaar stevig de hand.
Ze herneemt de weg. De zon blijft zakken. Voorbij elke bocht komt een nieuwe bocht. De grote stad ver beneden lijkt een fata morgana. Onbereikbaar. Ze verhoogt haar tempo.
De veertig kilometer haalt ze. Om precies 18 uur stapt ze voldaan het station binnen. Haar T-shirt en hele lijf zijn nat van het zweten. Haar voeten zijn oververhit van de asfalt. Plots klopt iets niet. Tot haar ontzetting is het loket gesloten. Ze loopt vlug rond het station op zoek naar het juiste loket. Tevergeefs. Het station is leeg.
In de verte ziet ze een spoorwegwerker. Overstuur loopt ze naar hem. De man informeert haar dat er eenmaal per dag een trein naar de hoofdstad rijdt telkens om 17 uur. Ze krijgt tranen in de ogen. Haar hotelbaas had 7 uur gezegd. De spoorwegwerker nodigt haar uit om bij zijn collega’s thee te drinken.
Ze twijfelt even. Zou ze de man vertrouwen? Zou ze beter in het donker een kamer zoeken in de stad op 3 kilometer? Ze is moe. De vrouw volgt tenslotte de man. Al vlug zitten tien mannen, even bezweet en stinkend als de vrouw, rond haar in een donker lokaal dat verlicht wordt door een kaars.
Ze trekt haar schuchter terug op een rieten mat tegen de muur. Een man brengt haar een kopje thee en kijkt haar begerig aan. De vrouw zet het kopje neer, wendt haar hoofd af en neemt een zaklamp en dagboek uit haar rugzak.
‘Wat een WE. Ver in de bergen maakte ik lange wandelingen. De rijstterrassen waren indrukwekkend. De kinderen onbezonnen. De mensen leven er in harmonie met de natuur en hebben nog bijna geen buitenlanders gezien.
Daarnet ontmoette ik een lieve mama. Ze gaf haar kind weg aan een rijke dame met veel beloftes. De rijke dame zou voor het kind zorgen en het naar school laten gaan. Wie ben ik om te zeggen dat dit goed of slecht is? Het is zo vreselijk dat de mama niet de middelen heeft om zelf voor haar kind te zorgen, ook al ploetert ze elke dag op de rijstvelden. Hopelijk had de dame uit de grote stad inderdaad goede bedoelingen. Hopelijk zien het meisje en de mama elkaar terug.
Nu zit ik hier vast. Ik weet niet hoe ik hier weg geraak. Verdorie. Ik had beter die toeterende bus genomen.’
De mannen kaarten en letten niet meer op de witte vrouw. De vrouw is het wachten echter beu en vraagt hen hoe ze in de hoofdstad kan geraken.
Er blijkt nog één goederentrein om 23 uur te vertrekken. Ze krijgt hoop. Met een spoorwegwerker stapt ze over de sporen. Na lang praten en smeken, mag ze van de machinist mee.
Als enige passagier bestijgt ze de trein. In de hoek van een wagon vindt ze een houten kist en gaat erop zitten. Niet lang erna vertrekt de trein. Ze rijdt wiebelend de donkere nacht in. Opgelucht. Weg van die grote drukke grensstad. Weg van de mannen die haar vuile opmerkingen toeslingeren.
Door de openstaande treindeur laat ze het luisterspel op haar indringen. Het knarsen van de geroeste wielen op de sporen. De krekels in uitgestrekte vlaktes. De blaffende honden in de ijle nacht. De fluitende spoorwegsignalen langs verlaten oversteekplaatsen. Na uren haalt ze de lendendoek van Afrika uit de rugzak, legt die op de vuile metalen vloer en gaat erop neerliggen, met al haar kleren aan en haar hand om de rugzakriem.
Ze sluit haar ogen. Morgen zal ze als stadsmens met een deftige schoudertas en een gestreken bloes en broek achter haar bureau zitten. Ze sluit haar ogen en denkt aan de mama die haar kleine meisje een toekomst wou geven, aan haar vriend die haar morgenavond zal vasthouden en aan het gezin dat haar hun laatste kip weggaf. Wiegend valt ze in slaap.
------------------------------------------------------
‘Een vriend is iemand bij wie je de volledige
vrijheid krijgt jezelf te zijn.’ Jim Morrison
Stapvoets en nog trager rijdt de witte vrouw, als een kameleon onopvallend, op de brommer in een menigte van honderden mensen. Mensen op brommers, in bussen, op fietsen of in auto’s. Zoals in een kikkenhok, zijn ze allen op elkaar geprangd. Het zweet loopt over het gezicht van de vrouw. Haar bloes plakt aan haar lijf. Het is vijf uur, kleverig warm en klammig vochtig. De miljoenenstad draait op zijn drukst.
Het verkeer staat daverend stil. Een man wringt zich met zijn fiets boven het hoofd door het vastgedraaid verkeer en duwt de witte vrouw bijna omver. Ze roept hem na. De politieman in het midden van het kruispunt is nauwelijks zichtbaar en fluit tevergeefs naar de fietsman. De uitlaatgassen bevangen de vrouw. Ze kijkt wanhopig naar de lucht. Haar hoofd zit vol. Het heeft zuurstof nodig, duizenden liters en meer.
Na de stampvolle straten, rijdt ze een kleine steegje in. Ze ademt opnieuw. Kinderen spelen op straat. Vrouwen verkopen noedelssoep, in rijst gerolde gebakken bananen of rijstpudding met kokosmelk. De drukte glijdt geleidelijk van haar schouders.
Voor een klein, wit huis met een metalen deur stopt ze en toetert. Meneer Bao, een man van ongeveer zestig, opent de deur. ‘Welcome, kom binnen’. Ze geven elkaar de hand. Hij duwt haar brommer de woonkamer binnen. Ze laat haar sandalen aan de deur staan en gaat rechtstreeks naar de keuken achteraan. Mevrouw Hang, zijn echtgenote, komt de vrouw glimlachend tegemoet. Ze omhelzen elkaar. ‘Kom je voor je wekelijkse les?’ ‘ja, en ook voor jouw gezelligheid en lekkere eten’. Ze lachen beiden.
Ze stapt terug naar de woonkamer met overal schilderijen en sculpturen van meneer Bao. Hij is verzonken in een boek. De diepe groeven in het gelaat en het taaie lichaam vertellen zijn verleden. Jaren zat hij opgesloten in heropvoedingskampen omdat hij in de oorlog samengewerkt had met de Fransen en Amerikanen. Zijn kinderen was het gelukt om als bootpeople naar Amerika te vluchten. Hijzelf en zijn vrouw nog niet.
Vijf maanden geleden was de witte vrouw haar werk in de visfabriek beu. De lokale bazen waren het grootse deel van de tijd afwezig, de arbeiders kregen een hongerloon en de machines en de visconserven boeiden haar niet. Ze had nood iets bij te leren en wou de lokale denkwereld beter verstaan. In het instituut voor traditionele Oosterse geneeskunde had ze Meneer Bao, die er les gaf over de ‘art of living’, ontmoet. Vanaf toen hadden ze elkaar wekelijks gezien.
De witte vrouw gaat met haar notitieblok voor Meneer Bao op de frisse stenenvloer zitten. Hij schenkt haar een kopje thee in. De donkergroene theeblaadjes zakken naar de bodem. Ze neemt een slok van de lichtgroene, heldere thee.
Hij vertelt over de kunst om te ademen. De kunst om naar een bloem te kijken. Hij gaat dieper in op de kunst om te eten; over het kauwen van de rijst, het kleine rijstplantje en de mensen in de rijstvelden. Ze luistert en stelt vele vragen. Zijn levensinterpretaties klinken als zoete sprookjes. Onbevangen gaat ze er in mee. Een uitlaatklep voor even.
Ooit zouden in haar thuisland, mensen overrompeld worden door de consumptiemaatschappij en ook snakken naar nieuwe overlevingsstrategieën. Boeken over mindfullness, duizenden stappen, nooit meer diëten en vertragen zouden als champignons uit de grond rijzen. Mensen zouden de boeken kopen, lezen of aan hun ToDo-lijst toevoegen.
Mevrouw Hang komt binnen en plaats een grote ronde, metalen dienblad met schalen op de vloer. Gebakken garnalen, tofu in tomaten saus, gestoomde spinazie, gekookte kip en papajasalade. Uit de rijstkoker schept Mevrouw Hang kommetjes rijst in. De vrouw neemt haar kommetje met twee handen aan en buigt het hoofd licht. Met zijn drie eten en praten ze hele avond verder.
De vrouw rijdt naar haar kamer boven het naaiatelier. De ruimte van vier op vier met zijn witte vloer, bureau, boekenkast en stoel, en het grote terras met zijn bamboezetel stralen deze keer rust uit.
In de vroege ochtend staat ze op. Op het terras stretcht ze zich volgens de oefeningen van Meneer Bao. Ze wast zich boven een plastieken kuip, kleedt zich aan en vertrekt met de brommer. Bij een straatverkoopster bestelt ze een kom noedelssoep en slurpt deze snel op.
Na vele drukke wegen komt ze aan in het visbedrijf. Negendertig arbeiders pellen garnalen. De drie bazen zitten achter hun bureau. Een ervan spreekt de vrouw aan. De productielijn die de baas uit haar land hier opstartte, loopt alweer vast en de ingeblikte garnalen geven niet de gewenste kwaliteit. De hele ochtend zoeken ze samen naar een oplossing.
Kort na de middag krijgt ze een fax, ‘Onze afspraak vanavond gaat niet door’. Haar baas bekijkt haar nieuwsgierig. Ze steekt de fax weg, stapt zonder woorden het gebouw uit en wandelt de straat op.
Haar hoofd tolt. Ze had een baan gezocht in het land van haar vriend en ook gevonden, weliswaar in een stad op 2000 km van hem vandaan. Hij had haar gefeliciteerd en was blij geweest. Ze hadden afgesproken elkaar om de drie maand te zien, afwisselend bij haar en bij hem. Deze keer zou hij vanavond landen en een heel WE blijven. Verdorie, ze keek zo naar zijn komst uit. Hoe zal ze het WE nu overbruggen? Ze snakt naar ruimte en beweging. Waar kan ze heen?
Als ze terug stapt naar het visbedrijf, glimlacht ze. Haar vriend had haar baas niet veel info voor roddelpraat gegeven. Straks zal ze haar vriend bellen en zullen ze elkaar weer moed inspreken.
De volgende ochtend fietst ze naar het busstation en vindt een bus die naar de grootste badplaats zal rijden. De chauffeur sjort haar fiets vast naast de andere bagage op het dak. Met een overvolle bus verlaten ze de miljoenenstad. De vrouw zit vooraan naast het raam. De wind is haar reisgezel.
Kilometers voor de badplaats stapt ze af. Parallel met de kustlijn fietst ze naar een vissersdorp, waarvan ze gehoord heeft dat het er rustig is en vrij van hoogbouw en drukke stranden. Ze passeert zoutwinnings- en rijstvelden en dunbewoonde dorpen. In een simpel, klein hotel vlak aan het strand vindt ze een kamer. Ook al lonkt de zeegeur haar, toch trekt ze zich terug in haar kamer.
Na het middagdutje, wandelt ze naar de zee. De zonnestralen nemen af in kracht en worden aangenaam. Haar oog valt op een grote zandheuvel enkele kilometers verder vlak aan zee. Langs de zeelijn, stapt ze met blote voeten door het water dat bijna geluidloos aanspoelt. Al snel zijn er geen strandgangers meer. Ze passeert een bos met dichte, donkergroene naaldbomen en een vervallen pagode.
Na een uur staat ze beneden aan de heuvel. Vol moed, klautert ze de heuvel met zijn los, fijn zand op. Helemaal boven aan vindt ze de ideale ontspannngsplek. Een grotesk zicht. Een weidse zee. Kilometers strand helemaal verlaten. Een zwoele avondbries.
In kleermakerszit gaat ze op het zachte, witte zand zitten, drinkt een slok water, neemt het dagboek en kijkt naar de gladde zee. Een eenzame vogel vliegt voorbij. Ze neemt haar pen.
‘in de stilte
word ik stil
hoor ik
de stilte
die steeds
dieper
dieper
gaat
tot
niets
meer
te horen
is
en
alleen
jij
in
beeld
komt’
Ze recht haar rug, legt haar handen gevouwen in haar schoot en kijkt met half gesloten ogen naar de verre horizon. Geleidelijk sluit ze haar ogen. Ze volgt de adem in haar lichaam, rustig in en uit. Ze ziet zichzelf als een bloem, fris; als een berg, stevig; als water, weerspiegelend; en als ruimte, vrij.
Haar gezicht ontspant. Haar gedachten laat ze op witte wolken voorbij vliegen. Met gesloten ogen neemt ze de ruimte en de geluiden rond haar waar. De laatste zonnestralen raken haar teder.
Uit het niets hoort ze plots een hond blaffen. Ze opent haar ogen en springt recht. Een man met drie honden aan de leiband stapt met forse stap de heuvel op. Haar hart gaat tekeer. Haar voelsprieten hebben haar in de steek gelaten.
Enkele jaren geleden had ze zichzelf beloofd altijd en overal extra waakzaam te zijn. Ze had toen met een lokale gids een vulkaan beklommen. Op de top had ze zich neergelegd om even te rusten. Compleet onverwachts had hij, echtgenoot en vader van zes kinderen, op haar gesprongen. Ze had hem kordaat weggeduwd en aangesproken. Ongeschonden was ze toen beneden geraakt.
Ze steekt vlug het dagboek en de fleswater in de rugzak. Te laat. De man staat naast haar, bekijkt haar zonder woorden van kop tot teen en houdt zijn blik op haar zak.
‘Xin chao, hallo’, uit ze onzeker en verzet haar voeten. De man bromt iets onverstaanbaar. Ze daalt heel langzaam de heuvel af. De man volgt haar op de voet.
‘Anh co khoe khong? Hoe gaat het?’ Hij bromt weer iets.
‘Het is hier mooi’. Ze wil het beest in de man gedempt houden. ‘Je hebt een mooi land’. Ze verwacht geen antwoord. De man blijft plakkend naast haar wandelen en jut zijn honden op. Ze versnelt. Hij ook.
Ze wijst naar de honden. ‘Dep, mooi’. De man knikt. Eindelijk contact. Ze wijst naar de zee, ‘mooi’. Naar de bomen, ‘mooi’. Naar de lucht, ‘mooi’.
De lichten van het dorp komen dichterbij. De stem van de vrouw krijgt kracht en haar lichaam meer lucht. Het strandt vult zich met koppels en kleine groepen mensen.
Ze wijst naar de heuvel achter haar ‘mooi’. De man stopt en draait zich om. Razendsnel loopt ze op een groep mensen in. De man wil haar volgen maar krijgt zijn honden niet snel mee. Ze loopt vele meters. Abrupt vertraagt ze en stapt gebukt met een koppel mee, het dorp in.
Hijgend valt ze haar hotelkamer binnen, vergrendelt de deur, sluit de ramen en gooit zich op bed. Slechts na een uur staat ze op en neemt een douche. Het water spoelt het zand, het zweet en de bibber in haar lijf weg.
De volgende ochtend verlaat ze heel vroeg haar kamer, fietst hard, neemt een bus en komt in de namiddag in haar kamer in de miljoenenstad aan.
Het rusten en ontspannen lukt niet. Teveel lawaai buiten. Te warm. Teveel gedachten. Ze neemt haar brommer en rijdt naar het zwembad. Onder water is het stil en wordt ze kalm, telkens voor dertig seconde. Afgekoeld leest ze een boek in een nabijgelegen eettent en neemt haar pen.
‘de straat
een groot toneelstuk
vele acteurs
maar
achter elk gelaat
een eigen verhaal’
Met de wind in haar haren en bloes, rijdt ze naar huis. De hoofdweg is rustig. Ze slaat een steegje in. De kalmte verwelkomt haar. Televisies zijn uitgezet en mensen slapen. Ze stopt voor het huis van de kleermaker, opent de deur en zet de brommer voorzichtig tussen de toonbank en de naaimachine.
Op de tippen van haar tenen loopt ze naar de bovenverdieping. Ze opent het grote raam, hangt over de balustrade van het terras en slaat de taferelen in de verschillende leefruimtes van de buren gade. Iedereen lijkt te slapen. Alvorens naar binnen te gaan, staart ze nog even naar de maan. Wat zou haar vriend nu doen? Zouden haar broer, vader en vrienden deze avond ook naar de maan kijken?
Binnen rolt ze de rieten mat open, hangt het roze muskietennet op en trekt een losse lichtkatoenen pyjama aan. Onder het net legt ze zich uitgestrekt neer en luistert naar de ronkende ventilatoren in de verte.
Pas morgen om 5 uur, zal het orkest opnieuw beginnen. Het schreeuwen van de straatverkopers, de klaagliederen van voorbijtrekkende begrafenisstoeten, het toeteren van de brommers en het roepen van de mensen. Pas morgen zal ze opnieuw naar de fabriek gaan.
----------------------------------------------------------------
‘de enige manier om te
komen waar je wilt zijn,
is te zijn waar je bent’, Anna Vali
De jonge vrouw staat op het perron. Naast haar staat een jonge man, de broer van de vrouw, en een metalen valies, met net afgewogen 23 kilogram. Zij is de enige die weet dat ze in het land die ze in haar hart draagt Vy wordt genoemd. Het land waar ze 2 jaar woonde. Het land met zijn overdrukke straten, zijn miljoenen bezige mensen en zijn uitgestrekte rijstvelden.
Ze ziet de trein dichterbij komen, steeds dichter. De broer maakt grapjes. Zij laat de grappen over haar heenglijden zoals de regendruppels over een blad. De trein stopt. Zij is niet gehaast. De broer reikt haar de valies aan. Ze treuzelt, ze kijkt om zich heen en neemt uiteindelijk de valies aan. Ze stapt op, zet de valies neer en hangt aan de deur naar buiten. Zou ze het wagen om op het perron te springen? Zou ze de valies alleen de lange reis laten maken? Zou ze de organisatie die strijdt tegen de honger in de wereld en die haar verwacht in het hoofdkantoor in het buurland in de steek laten?
Enkele maanden was ze terug in haar thuisland. Ze had er vrienden opnieuw ontmoet. Ze had werk gezocht en nu gevonden. De wereld verkennen, voelen en beleven. En toch. Het afscheid is telkens een opgave. De conducteur fluit. De jonge vrouw haalt diep adem en zwaait enthousiast naar de broer. Een volgende keer zal ze blijven.
De reis duurt lang. Uren en uren. Al die tijd kijkt de jonge vrouw uit het raam, met haar blik op het voorbijglijdende landschap. Alleen zij weet dat achter de horizon en nog veel verder haar vriend nu op de brommer rijdt, nu op kantoor zit, nu rijstsoep slurpt en straks gaat slapen met een lege kant in bed. Dat hoopt ze toch.
Eindelijk, na vijf uur, bereikt de trein de bestemming. De jonge vrouw blijft zitten. De trein verlaten betekent zich opnieuw openen voor een onbekende stad, onbekende mensen en een onbekend project. Een minuut. Twee. Drie. Ze zucht, neemt de valies en houdt deze stevig vast. Binnen een week zou ze de valies volledig kunnen uitpakken. De winter- en zomerkleren. De broekzakgrote wekker met één AA batterij. De toiletspullen met een volle tube tandpasta. De kleine CD speler op batterijen met twee CD’s. Het dagboek met vier kleuren stylo’s, een potlood en 11 kleurpotloden. Een foto van haar vriend, moeder, vader en broer. Exact 23 kilogram bekende spullen. Zonder zichzelf mee gerekend.
Ze stapt uit en kijkt om zich heen. Het is koud. De mensen op het perron begeven zich allen in één richting, zoals een stoet van mieren die een mierennest opbouwt. De jonge vrouw schakelt over op de automatische piloot. Ze volgt de massa. In haar hand omklemt ze stevig de zware valies. Het bekende wil ze niet kwijt. De massa blijft zich voortbewegen. Ze laat zich leiden. Plots staat ze buiten het station op straat. De regent overvalt haar.
Met de valies tussen haar voeten, haalt ze een papiertje uit haar vest met de eindbestemming van de dag erop. Ze is een doorreizende bezoeker. Of zouden ze haar hier vluchteling noemen? Of toch niet? Ze heeft een eigen identiteitskaart op zak en heeft maar enkele uren gereisd. De ogen van de jonge vrouw speuren de straat af. Een man komt op haar afgestapt. Ze neemt haar valies, kijkt recht voor zich uit en stapt met volle stap naar de rij ordelijk geparkeerde taxi’s. Zonder woord, doet ze een portier open en stapt in.
De taxichauffeur spreekt de jonge vrouw met een vreemd accent aan. Ze glimlacht. De auto vertrekt geluidloos tussen de vele auto’s. Steeds verder van het station. Ze ontspant. In de metalen doos met de zachte kussens is ze veilig voor de buitenwereld. Een verkennend gesprek ontvouwt zich. Ze luistert en stelt meer vragen. Ze staart uit het raam. Hoge gebouwen. Rechte asfaltwegen. Mensen met aktentassen, mensen in jogging, mensen met een kind. Ergens heen. Ook zij.
----------------------------------------------------------------
‘Plan je toekomst, maar
doe het in potlood’, Jon Bon Jovi
Twee zwart geklede oude vrouwen lopen alleen op een verlaten weg in een uitgestrekte vlakte zonder enig teken van leven in de naaste omgeving. De één ondersteunt de ander. Beide lopen ze krom. Ergens heen. Vanuit een rode Lada staart de jonge vrouw hen aan. Een van hen doet teken naar de auto om te stoppen. De chauffeur naast de jonge vrouw rijdt om de oude vrouwen, baboesjkas, heen. Ze kijkt naar de chauffeur met gefronste wenkbrauwen en vervolgens door de achterruit. De baboesjkas strompelen in het midden van de weg verder. Zij hebben een lang leven gezwoegd en nieuwe pagina’s van hun unieke levensverhaal beleefd. Miljarden en nog veel meer zijn hen voorgegaan. Deze twee zijn misschien op zoek naar voedsel of een dokter of op weg naar de begraafplaats van één van hun kinderen.
De jonge vrouw concentreert zich op de gaten in de weg. Terwijl haar vrienden in het thuisland een hele dag achter de computer werken, zit zij in gezelschap in de auto. Uitgestrekte vlaktes glijden langs haar voorbij, evenals gebombardeerde huizen en opgeblazen bruggen. In het Russisch praten twee collega’s op de achterbank en speelt de muziek levendig revolutionair. Plots remt Viktor, de chauffeur, bruusk. Hij brengt de Lada tot stilstand voor enkele gewapende soldaten. Iedereen stapt rustig uit. De soldaten aan de controlepost doorzoeken de Lada.
Soldaten, tralies, prikkeldraad, geweren, met daartussen de simpele mens. Mensen hebben hier geleerd los te laten, open te staan voor iets nieuws, met kapot geschoten ramen midden in de winter zonder verwarming te slapen naast de lege bedden van de vermiste familieleden. Een en al zen.
Na negen maand is de jonge vrouw het nog niet gewoon. De eerste dag was ze via een stuk niemandsland het onbekende land binnengestapt. Naast haar liepen enkele zwaarbepakte jonge vrouwen, oude mensen met duwkarren en kinderen, net zoals haar grootvader heel lang geleden voedsel over de grens had gesmokkeld. Viktor die haar had opgehaald met de Lada, had haar joviaal begroet ‘Welcome to hell’. Ze had toen niet beseft dat ze politie zou moeten spelen, dat ze geen technische ondersteuning van de werkgever zou krijgen en dat communicatie met het thuisfront enkel via moeilijk leesbare faxen en trage brieven zou verlopen.
Ze stappen terug in. Viktor zet de muziek wat luider. Een uur later komen ze aan een kantine in een groot gebouw. Een mollige dame met een witte voorschort op sportschoenen komt de jonge vrouw tegemoet. Ze omhelzen elkaar teder. De wereld staat even stil. Hun harten versmelten. De jonge vrouw houdt heel even haar moeder vast. De dame, Luda, houdt heel even haar dochter vast en heeft tranen in de ogen, net zoals de vorige keren. De jonge vrouw heeft blijkbaar dezelfde bleke gelaatskleur, hetzelfde bruine stijl haar en de zelfde grote schoenmaat als de dochter van Luda. De dochter die Luda ooit hoopt terug te horen. De dochter die tijdens de oorlog in de vroege ochtend naar Rusland vluchtte. Richting vrede. Richting toekomst.
‘Kak dela? Hoe gaat het?’. De jonge vrouw doorbreekt het slepende gemis. ‘Goed’, glimlacht Luda, ‘wacht hier even. Ik verwachtte je’. Luda snelt het gebouw binnen, komt met glinsterende ogen terug en geeft de vrouw een zelfgemaakte lekkernij. Walnoten geregen aan een draad en gedoopt in druivensap dik gezoet met gesmokkelde suiker. De vrouw bergt de lekkernij voorzichtig tussen enkele papieren in haar draagtas op.
Arm in arm stappen ze de kantine binnen. De kilte van de winter hangt nog in de ruimtes. Ze hernemen hun taken. De jonge vrouw inspecteert de netheid van de keuken, controleert de bevoorrading en checkt de lijst van de geselecteerden voor de voedselhulp. De twee collega’s volgen haar voorbeeld. Luda roert met lege blik opnieuw in de immense kookpotten.
De jonge vrouw stapt door de grote blauwe kantine. Honderden uitverkorenen voor de maaltijd zijn geduffeld in gewatteerde mantels, wollige mutsen, robuuste berenmutsen en warme sjaals. Een feest voor het oog. Met een homp wit brood, een bord plat gekookte rijst met bruine bonen en een tas gesuikerde thee zitten ze aan vierkante tafels versierd met een dennentak in een flesje. Sommige uitverkorenen staren naar hun bord. Anderen gaan op in het gezelschap van de kantine.
Aan een tafeltje in de hoek herkent ze Mimosa, de dame met de rode lippenstift, het witte haar, de lichtgroene hoed en de fiere blik. Mimosa was vroeger lerares Duits. Sinds de oorlog heeft ze geen inkomen meer, zijn ook haar kinderen gevlucht en is haar man omgekomen. Mimosa staat moeizaam recht. ‘Kak dela?’ De jonge vrouw geeft Mimosa een hand en ondersteunt haar. Geleidelijk vindt Mimosa woorden in het Duits. ‘Gans gut. Ik ben vandaag zo blij. Vroeger gaf ik geld aan het Rode Kruis om de armen in Afrika te helpen. Nu zijn jullie gekomen om ons eten te geven’. De jonge vrouw bloost. ‘Dank je, we leven allemaal op dezelfde bol. We kunnen elkaar beter helpen, niet? Ik ben ook blij dat ik je mocht leren kennen.’ Op wankele benen maakt Mimosa een kleine rondedans.
In de keuken verdelen de kokkinnen het eten dat nog in de potten overblijft onder elkaar. De jonge vrouw en de twee collega’s schuiven mee aan de tafel. Ze praten over de laatste nieuwtjes en maken grappen. Luda geeft hen een bord warme rijst met malse bonen. De vrouw eet gezapig. In het thuisland hebben haar vrienden nu een brooddoos of een belegd krokant broodje voor zich. Met stralende ogen laat ze Luda het bord opnieuw vullen. Ooit zal ze op haar lijn letten.
In de namiddag gaat ze met de twee collega’s enkele mogelijke kandidaten voor voedselhulp bezoeken. Net als het donker gevallen is en de avondklok startte, bereiken ze de omheining van het ex-hotel. Het viersterrenhotel was in de oorlog compleet vernield. Stukken ervan werden gerenoveerd en hebben nu kantoor- en slaapkamers voor internationale organisaties.
Ze stapt naar haar kantoor, installeert zich achter het bureau en analyseert de gegevens die ze de laatste weken verzamelde tijdens de voedseluitdeling. Ze houdt het niet lang vol. Na tien minuten neemt ze haar dagboek en laat haar pen spreken.
‘Mama, het was weer een speciale dag. Vandaag bezocht ik enkele families. Het eerste gezin woonde met zes kinderen in een klein houten huis op een heuvel. Naast de kachel waar de bonen op pruttelden zaten tien kuikens in een open bak. Een jongen fluisterde in het oor van zijn moeder dat hij Engels wou leren want hij vond mijn taal mooi. Ik gaf de jongen een knuffel. Hij glimlachte zijn melktanden bloot. Ik kom uit een land waar ik na schooltijd naar huis fietste en waar ik bij mijn thuiskomst de kasten maar moest openen om mijn buik te vullen. Wat kon ik deze magere jongen vertellen?
Ik bezocht ook een vrouw van ongeveer 45 jaar. Ze woonde in een huis in een groene tuin. Een deel van het huis was buiten gebruik want er was een bom in gevallen. Ik stelde wat vragen voor het project. Ze antwoordde verlegen en verontschuldigde zich dat ze ons geen koffie en noten kon aanbieden. Ze was verpleegster, had geen werk, was niet getrouwd, werd geliefd door de mensen in het dorp en had een weesmeisje van negen jaar geadopteerd. Het meisje zat teruggetrokken op een stoel mee te luisteren. Na een tijdje vertelde de vrouw dat ze sinds drie maand een stekende pijn had onder haar oksel. Ze voelde er een bobbeltje dat steeds groter werd en wilde dat ik er aan voelde. Ze was nog niet naar de dokter geweest want ze had geen geld om de bus te betalen, laat staan de consultatie en medicijnen. Ik kom uit een land waar mensen, ondanks goede verzorging, sterven aan kanker, net zoals jij. Wat kon ik deze vrouw zeggen?’
Ze sluit haar ogen. De beelden blijven. Wie is wie in deze wereld? Wie is zij om te beslissen wie er wel of geen eten krijgt? Met welk doel lijden mensen? Waarom is ze op deze plaats terecht gekomen?
Wanneer niemand in de gang meer te horen is, stapt ze met het