Kristien Vliegen

Gebruikersnaam Kristien Vliegen

Teksten

Ode aan jou, deel 2 - Kristien

‘Een wild paard tem je om het te kunnen berijden, niet om er een tamme ouwe knol van te maken’ Tenkei Roshi    Een ruit wordt ingegooid. Geroep. Paniek. De jonge vrouw verstart. Zijzelf en haar collega’s zitten als een prooi vast in een gebouw met als enige uitgang de voordeur. Buiten staan mensen te wachten. In massa. Al uren lang. Het geroep neemt toe en overdondert de vrouw. Hoe lang zal het duren alvorens de dunne voordeur met aan beide kanten enorme ramen met kleine ruiten het zal begeven? Hoe zal ze aan haar organisatie rapporteren dat mensen werden vertrappeld?   De tijger ontwaakt. Ze sleept een tafel vlakbij de voordeur. De collega’s snellen haar te hulp. Met een stoel kruipt ze op de tafel. Het gebonk op de deur wordt harder. Haar collega’s roepen naar de massa. De vrachtwagen met voedsel komt aan. Een tweede ruit sneuvelt. Vanop de stoel brult ze de massa toe. Eerst in haar eigen taal, vervolgens in het Engels. Een collega, Nanuli, klimt eveneens op de tafel en vertaalt. Het voedsel zal enkel uitgedeeld worden als de massa rustig is en als de dader van de vernieling gevonden is. De massa wijst een man aan. Viktor sleept op bevel van de vrouw een man met een bebloede hand naar binnen. De man met een ruige baard, dikke snor en lang haar spartelt en buldert. De vrouw springt van de tafel, zondert hem af en staart hem recht in de ogen. Ze spuwt taal op hem uit. De man blaft terug. Ze legt haar hand op zijn schouder. Hij klopt haar hand weg. Haar benen trillen onder haar lange broek. Onzichtbaar Ze kijkt hem nog eens doordringend in de ogen en legt een vinger op haar mond. Na minuten komt er eindelijk beweging. De man ontwaakt, krijgt zijn driften onder controle en wordt opnieuw mens. Hij luistert en mompelt. Hij is het wachten beu. Ook de massa die tegen hem duwt, de puinhoop in zijn land en de oogkleppen van de wereld. Hij wil eten, werk en opnieuw een gezin. Samen met Nanuli vraagt ze hem de voedselbedeling mee te organiseren. De man leeft zich de hele dag uit. Hij roept op zijn mensen en sleurt hen in een rij. De voedseluitdeling verloopt chaotisch zonder gewonden. Slechts een baboesjka valt even flauw. Iedereen op de lijst keert bepakt naar huis terug. Ook de man.   ‘Goed gedaan. Het scheelde niet veel of er was hier een veldslag’. De jonge vrouw omhelst Nanuli. ‘Zonder jou, was het niet gelukt Nanuli’. Nanuli bloost. ‘Ik wist niet dat jij zo goed mensen kon raken. Plots waren ze vergeten te duwen en luisterden ze naar jou. Jij wordt nog een groot spreekster.’ In Azië had de vrouw nooit zo fel gesproken. Luid en direct. Het zou gezichtsverlies geweest zijn en het einde van een werkrelatie.   Buiten op de motorkap van de Lada start de picknick voor haar en de collega’s. Een homp brood, een stuk kaas en bloedrode tomaten. Viktor komt met een stoel dat hij ergens in het gebouw vond, naar buiten en ploft zich er breed lachend op neer. De stoel is echter veel te zwak. Het hele team giert het uit. Viktor krabbelt overeind en zet zich achter het stuur. ‘Dit is blijkbaar mijn plaats’. De vrouw brengt hem eten en klopt op zijn schouder. Vaak heeft Viktor haar omver geblazen. Zo ook die dag. Zijn vrouw, die veilig over de grens woonde en die hij tweemaal per jaar vluchtig bezocht, was bevallen en had de baby naar de jonge vrouw genoemd.   Het team rijdt terug naar het kantoor. Geleidelijk aan worden de voedselpakketten onderweg met hun nieuwe eigenaars schaarser. Na vijftien kilometer is de weg opnieuw uitgestorven. De wind speelt in de haren van de vrouw. Nog twee maanden. Dan zal ze weer haar valies opvullen, van haar vrienden voor het leven achter laten en een nieuwe werkbestemming moeten zoeken. Gisteren had ze met Nanuli over het onontkoombaar afscheid gesproken. Het was zondag. Ze had in de ochtend een briefje op de eettafel voor haar slapende internationale collega’s achtergelaten. ‘Ik ben even wandelen. Tot vanavond. Have a nice day.’. Met een walkie talkie met een bereik van vijf kilometer, had ze door de doodse stad met zijn kapotgeschoten gebouwen en verroeste lantarenpalen gelopen. Vergane glorie. Voor de oorlog was het Saint-Tropez voor de Russen. Na een uur had ze nog geen zin om terug te keren naar haar vier muren. Lucht en gezelschap had ze nodig. Ze had zich niet aan de regels gehouden en was een compleet eenzame weg ingestapt. Kilometers lang. Leegstaande huizen zonder vensters, wapperende verrotte deuren en verwilderde tuinen. Griezelig stil. Eindelijk na drie uur stappen was ze bij het flatgebouw van Nanuli aangekomen. Plastiek voor de gebroken ramen en planten op een balkon verwezen naar leven in het grauwe vochtige gebouw. Nanuli en haar oude moeder hadden de onverwachte, bezwete vrouw omhelsd en warm binnengelaten. De oude moeder had zich teruggetrokken in de keuken en de jonge vrouw had mee helpen koken. Het was een feest geworden. Een geborduurd tafellaken, gehaakte onderleggers, maïskoek met maïs uit hun veld, kaas met melk van hun koe en wijn van hun druiven. De hele namiddag was de vrouw bij Nanuli en haar moeder gebleven. Nanuli had ronduit over haar vermiste tweelingbroer gebabbeld. De jonge vrouw over haar pas gestorven grootmoeder. Ze hadden elkaars energie aangewakkerd en de tijd rijkelijk vast gehouden.   Viktor heeft de jonge vrouw een duw. Ze schrikt op en stapt uit. De collega’s vertrekken naar huis. Ze blijft in haar kantoor plakken en neemt haar dagboek.   ‘Ogen gekwetst door verdriet getekend door de dood vragend om voedsel zoekend naar hoop ... en ’s avonds in de spiegel ogen vol vraagtekens.’   Niet voor lang. Ze snakt naar buiten, vooral nu de avondklok nog niet gestart is. Even glipt ze haar kamer binnen. Een kamer op haar maat. Een matras op de grond. Een badkamer met lopend water. Een balkon met buitenlucht. Ze gooit haar kleren in een hoek, trekt een badpak aan en bindt een helder blauw Afrikaans doek rond haar lenden. Op teenslippers verlaat ze het gebouw, steekt de straat over en staat vlug op het brede strand. Helemaal verlaten. Met haar armen open rent ze naar het water. Ze gooit het doek en de teenslippers op de platte ronde stenen, duikt het water in en zwemt in crawl slag recht de zee in. Weg van bommen en kidnappers. Richting einde van de wereld. Ze zwemt en zwemt. Tot haar hoofd leeg is, de vlekken in de lucht opnieuw meeuwen zijn, het strand een lijntje is en de gebouwen opnieuw intact zijn. Daar ontbloot ze haar bovenlichaam, drijft met open gestrekte armen en benen op het water en ademt diep in en uit. Te midden van het grijsblauw weids water geeft ze zich over aan de stralen van de avondzon. Rimpelloos en vrij.  -----------------------------------------------------   ‘Er zijn zo veel soorten liefde, als dat er ogenblikken in tijd zijn.’ Jane Austen    Het is tien uur, zondagmorgen. Zes dagen geleden landde ze, deze keer met een contract van drie jaar op zak. Het langste contract dat ze ooit zou hebben doorheen de jaren in het verre buitenland. Na twee jaar daarentegen zou ze, op haar eigen vraag, overgeplaatst worden naar een project met meer uitdaging. De hoofdstad die ze vijf jaar geleden achterliet, is moeilijk te herkennen. Veel nieuwe brede wegen, hogere appartementencomplexen, meer brommers. Niet alles is echter veranderd. Het ouderlijk huis van haar vriend is nog identiek. De voordeur met zijn brede houten planken. De kleine winkel waar noedelssoep in de ochtend wordt verkocht. Ze passeerde er reeds verschillende keren. Niemand kwam er echter per toeval naar buiten. Vandaag zou haar vriend van zijn business trip terug komen en haar om vier uur kunnen ontmoeten.   Om de vlinders die in alle richtingen in haar buik rondfladderen te kalmeren, springt ze op haar donkergroene fiets. De straten zijn bezaaid met mensen en verkeer. De zon staat hoog en de lucht draagt de vochtigheid van een hamam. Ze slaat een zijstraat in. De schaduw van de hoge bomen schenken een zachte verkoeling. In de verte vertragen brommers. De witte vrouw komt dichterbij. Mensen kijken gefascineerd naast de weg en gooien geld in de goot. De vrouw laat haar fiets uitbollen en kijkt eveneens in de goot. Ze schrikt. Zonder nadenken parkeert ze in het midden van de straat en stapt af. Langzaam. De toeschouwers kijken nu naar haar. Traag loopt ze naar de goot, alsof ze met elke stap dichter naar het sterfbed van haar moeder toestapt, alsof ze opnieuw een laatste adem zal horen. Ze stopt en hurkt zich neer. Op de bodem van de goot ligt een kind. Klein. Opgerold. Veilig bij zichzelf. Mensen geven het een duw. Het beweegt niet. Het is vel over been.   Samen met een toeschouwer raapt de vrouw het kind op. Het kind zakt door zijn benen. Ze ondersteunen het en plaatsen het op het bagagerek van haar fiets. Met één hand houdt de vrouw het enige armpje van de jongen stevig om haar middel vast. Met de andere stuurt ze door het drukke verkeer. De jongen hangt tegen de vrouw aan. Hij antwoordt niet op haar spreken. Voor een eenvoudige eetkraam stopt ze en haalt de jongen van het bagagerek. Het is net alsof het zien van eten hem kracht geeft. De uitbater kijkt de kleine jongen op blote voeten met een lange grauwe T-shirt argwanend aan. De vrouw houdt de hand van de jongen zacht vast en stapt kordaat naar binnen. Aan een kleine tafel zetten ze zich neer. Ze bestelt rijst met vlees en groenten. Klanten begluren de witte vrouw en de ongewassen jongen vanachter hun rijstkommen en fluisteren met elkaar. De uitbater plaatst twee kommen neer. De vrouw geeft de jongen eetstokjes. Zonder woorden neemt de jongen de stokjes aan, kijkt naar zijn kom en slokt alles naar binnen. De vrouw eet nauwelijks en slaat hem gade. Hij verslikt zich niet. Als afscheid geeft ze de jongen een extra portie. Hij glimlacht, huppelt weg en zwaait met het eetzakje naar andere straatkinderen. De vrouw kijkt hem na. Zijn armstompje bengelt aan de linkerkant. Haar moederhart twinkelt broos. Ze neemt haar fiets en trapt de andere kant op, richting groene velden, weg uit de grootstad.   Ze fietst over de lange brug over de brede rivier naast bezwete vrouwen en mannen. Krakend en nauwelijks verstaanbaar. De vrouwen en mannen hebben in de vroege uren vóór het aanbreken van de dag groenten geplukt en zijn deze naar de grootstad gaan verkopen. Nu keren ze sloom naar huis terug. Morgen zullen ze deze dagindeling herhalen. De dag erop ook. Alle dagen van het jaar. Na een half uur is de witte vrouw eindelijk tussen de geurende, lichtgroene rijstvelden. Mensen verplanten met blote voeten in het ondiepe water de jonge rijstplanten. Ze zwaait glimlachend terug naar mensen die dag roepen. Na het tijdje komt ze aan de kleine pagode die ze had gehoopt terug te vinden. Ze plaatst haar fiets aan de ingang en veegt haar gezicht droog met een kleine handdoek. Een monnik komt naar buiten en herkent haar van de bezoeken langgeleden. Samen wandelen ze door de gangen. Voor een Boeddhabeeld brandt ze diep bij zichzelf drie wierookstokjes en buigt haar hoofd licht.   In de schaduw van de pagode zet ze zich op een grote steen en neemt haar dagboek. ‘Hanoi, jij drukke stad, jij die mensen van het platteland aantrekt, jij die buitenlandse investeerders aantrekt, jij waar glinsterende verlichting ons allen verblindt, waarom dwalen kinderen hier alleen rond? Zou de kleine jongen nog ouders hebben? Wat zou hij nu aan het doen zijn? Als kind had ik een eigen slaapkamer met een zacht bed en kadertjes aan de muur. In mijn jeugd werd ik alleen op pad gestuurd met een volle valies, kon ik nieuwe plaatsen verkennen en sporten leren. Hoe kan ik met mijn opvoeding het leven hier verstaan?’ Een groepje kinderen uit het dorp, dringen zich om haar heen en gapen. In het Engels begroeten ze haar giechelend. ‘Pictures, OK?’ vraagt ze. In het Vietnamees maakt ze een grapje. Onmiddellijk kruipen de vier kleine jongens dichter tegen elkaar en slaan hun arm om elkaars schouder. Ze glimlachen, behalve één. Hij houdt zijn lippen strak op elkaar geperst, trekt zijn vriend dichter naar zich toe en kijkt de witte vrouw recht in de lens aan. Pas als ze met hem praat, merkt ze het. De bovenste melktanden zijn kwijt.   Ze neemt afscheid van de monnik en fietst in snel tempo naar de hoofdstad terug. Ze is te vroeg. Ze installeert zich in een cafeetje en bestelt een vruchtensap. Een mix van papaja, banaan, geconcentreerde gesuikerde melk en ijs. Straks zal haar vriend komen. Een jongen met een houten kistje van 40 op 20 centimeter en een sticker van Coca Cola erop, komt naast haar op de grond zitten. Hij wijst naar haar schoenen en knikt ondertussen ja. Ze geeft hem de schoenen en krijgt ter vervanging zijn plastieken teenslippers. Vanuit de hoogte slaat ze hem gade en drinkt langzaam met een rietje van de vruchtensap. Gehurkt verwijdert de jongen het stof van haar schoenen. De lichtbruine pet met Angel erop geborduurd verbergt zijn gezicht. Ze schat hem acht. Hij neemt een beetje zwarte schoensmeer vanuit een bijna leeg potje en poetst de schoenen. ‘What is your name?’ ‘Hung. And you?’ ‘Vy. Hoe oud ben je?’ ‘Twaalf’ ‘Ben je hier alleen?’ ‘Nee, mijn broer poetst schoenen twee straten verder. Wij wonen al vier jaar in Hanoi. S’ Avonds vinden we altijd ergens een slaapplaats. Ben jij getrouwd?’ ‘Nee nog niet. Waar zijn je ouders?’ ‘Ze wonen met mijn twee jongere zussen op het platteland. We sturen hen elke maand ons geld. Hoeveel verdien je elke maand?’ ‘Dat hangt er vanaf hoeveel ik werk.’ ‘Waar droom je van?’. Hung zijn ogen glinsteren plots. ‘Ik wil met nieuwjaar mijn ouders in het dorp gaan bezoeken. Als ik veel geld zou hebben, zou ik een fietspomp en materiaal kopen en op de hoek van de straat fietsen repareren.’ Met haar loon zou ze al zijn dromen kunnen waarmaken. Met haar loon zal ze leven in tijden dat ze zonder werk zit. Hij geeft de schoenen aan de vrouw. Ze trekt de schoenen aan. Hij blinkt ze op met een lange, versleten stoffendoek. Ze betaalt hem. Op zijn teenslippers sloft Hung weg en spreekt een andere mogelijke klant aan. Zijn toekomst achterna.   Ze staart naar het drukke verkeer. Na al die jaren ziet ze hem te midden van de mensenmassa op de brommer. Ze staat recht en gaat opnieuw zitten. Ze popelt en laat hem naar haar toe stappen. Zoals het hoort op straat, geven ze elkaar een hand. Haar ogen glunderen. Ze gaan zitten. Enkel een laag tafeltje staat tussen hen in. Zoals het hoort, start hij. ‘Je ziet er stralend uit. Hoe gaat het?’ ‘Goed. Ik ben zo blij dat ik uiteindelijk terug ben. Hoe gaat het met jou?’ Hij kucht en speelt met zijn vingers. En dan plots, valt haar oog op zijn hand. Haar hart valt dicht en haar spieren verkrampen. Hij ziet haar blink en verbergt zijn rechter ringvinger met zijn linkerhand. ‘Ik had geen keus.’ ‘Ik had zo naar je uitgekeken.’ Zijn onbeantwoorde brieven krijgen op slag een antwoord. ‘Ik kon niet langer op je wachten. De druk van mijn familie was enorm. Ze hebben een rijke partij voor me gevonden. Nu moet ik mijn leven uitbouwen. Jij ook.’ Ze staart naar het lege glas voor zich. Seconden worden minuten. Op een zee van herinneringen zweeft ze weg. Hij redt haar. ‘Ik kan niet lang blijven. Ze verwachten me thuis. Welkom terug in Vietnam’. Ze kijkt hem zonder woorden aan. Hij veert op. Het liefst zou ze de tijd terugdraaien, onder de grond wegkruipen, hem achterna lopen of gewoon oplossen in de lucht.   Hij springt op de brommer. Zij op de fiets. Beiden rijden een andere kant uit. Elk hun eigen weg. Hij de traditie achterna. Zij een nieuwe bestemming.   Ze kan niet naar de leegte van haar kamer. Ze moet in beweging blijven. Ze fietst. Nergens heen. Na uren brengt de fietst haar nat bezweet naar het stationsplein waar het krioelt van mensen. Reizende. Slenterende. Gehaaste. Verdwaalde. Haar rooddoorlopen ogen zoeken naar het straatkind. Ze vinden hem niet. Andere kinderen met postkaarten, nootjes en koeken drummen rond de witte vrouw. Alles is te koop. Een meisje trekt aan haar okergele bloes. De vrouw ontwaakt en kijkt haar wazig aan. Een klein meisje met pikzwarte kijkers op blote voeten. Ze draait zich om en verlaat het stationsplein. Ze verwijt zichzelf dat ze niet langer bij de straatjongen gebleven was. Ze had hem meer aandacht moeten geven, alsook haar contactgegevens. De komende weken en maanden zal ze naar een teruggetrokken jongen met één arm blijven zoeken. Ze zou plannen blijven maken, hem bij haar thuis uitnodigen en proberen zijn ouders te vinden. Ze zou hem naar school laten gaan en een schooluniform geven. Een wit hemd, donkerblauwe broek en rood sjaaltje. Hij zou er mooi mee staan. Ooit.  ----------------------------------------------------- ‘Liefde is de enige kracht die in staat is  een vijand in een vriend te veranderen.’ Martin Luther King    Het regent. Onder een plastieken zeil, opgehangen aan een mangoboom en twee houten palen, discussiëren de vrouw en Afrikaanse collega’s over het programma van de dag. De collega’s kiezen dorpen dichtbij het kamp. De vrouw kiest voor de verste bestemming, neemt haar schoudertas, gevuld met een fles water met chloortabletten, fototoestel en notitieboek en verlaat met de tolk, Mabior, de kampplaats. Al snel komen ze in het centrum van een dorp. Het is een marktdag met veel volk. Sommigen hebben een paraplu. Anderen lopen doorweekt rond. Blote voeten pletsen door de modder. Geiten, melk en zeep worden verhandeld. Het lokaal gebrouwen bier en de witte vrouw zorgen voor plezier.   Ze verlaten het dorp en stappen over een open vlakte naar een kaal bos met lage bomen met kleine droge bladeren. Ze zijn benomen door hun gesprekken. Plots houdt Mabior halt. Een geluid nadert. ‘Run, loop’, roept hij. Ze lopen naar het bos. Eénmaal onder een boom luisteren ze aandachtig. Een vliegtuig vliegt laag. ‘Down!’, brult Mabior boven het lawaai van de motoren uit. De vrouw gooit zich net als Mabior op de grond. Haar hart bonkt in de keel. Pas als er geen ronkende geluiden meer te horen zijn, staan ze op. ‘De bommen van de Antonov zijn voor een ander doelwit. Deze keer zijn we gespaard’. Ze vervolgen hun weg. De regen is gestopt. Onmiddellijk brandt de zon. Al vlug bereiken ze een rivier. De vrouw rolt haar bruine broek op en zoekt evenwicht in de slibberige ondergrond waar ze vijftien centimeter diep in wegzakt. Na enkele stappen zit ze tot aan haar lende in het water. Met één hand houdt ze de schoudertas boven het hoofd en met de andere houdt ze de hand van Mabior stevig vast. Langzaam waden ze door het hoge riet naar de andere kant. ‘Jullie witte mensen hebben echt geen evenwicht’. Mabior lacht en wordt wat losser. ‘Hoe groot is je familie?’ ‘Ik heb een vader en een broer. Mijn moeder is overleden.’ ‘Ze is dus voor een lange reis vertrokken’. Ze knikt en glimlacht. Welke bestemmingen zou haar moeder bezocht hebben? Zou ze het licht gezien hebben? Zou ze rust gevonden hebben? ‘Ben je getrouwd?’ ‘Nee’ ‘En jij?’ ‘Ja, ik heb 2 vrouwen. Ik trouw weldra mijn derde vrouw. Ze is 14 jaar. Ik ben in topvorm. Het is een goede verjongingskuur voor mij’. Mabior danst naast haar. ‘Je bent dus een rijk man’. Mabior straalt en is nieuwsgierig. ‘Hoeveel stieren moet de man geven voor een meisje in jouw land?’ ‘Geen enkele, als twee mensen elkaar graag zien en hun leven samen willen delen dan kunnen ze trouwen of samenwonen.’ ‘Dan kom ik naar je land en trouw ik daar’. Ze glimlacht. ‘Ja maar, wij willen onze man niet delen met een andere vrouw.’ Mabior staat versteld. ‘Waarom niet? Ik zal er één in je land nemen. Dan blijf ik daar en soms zal ik terugkomen om te produceren. Als ik meer vrouwen heb, kan ik ook meer kinderen hebben. ’ ‘Wij vrouwen praten veel met onze man en omgekeerd. Wij willen dat hij ook helpt bij het koken, wassen en grootbrengen van de kinderen’. ‘Als wij veel met onze vrouw praten, dan krijgen we verwijten van de omgeving. We zeggen dus slechts enkele woorden. Het is voor ons ook verboden om met de vrouw samen te eten’. ‘En hoeveel kinderen heb je?’ ‘6 van mijn twee vrouwen. Maar na de dood van mijn broer, heb ik zijn 3 vrouwen en 14 kinderen overgenomen.’ ‘Dus je hebt veel werk.’ ‘Nee, de vrouwen werken hard en kunnen voor zichzelf zorgen. En hoeveel kinderen hebben mensen in jouw land?‘. ‘Twee of drie per gezin’ ‘Zo weinig! Wat als het enkel meisjes zijn? Sterft de familie dan uit? Heeft de familie dan voor niets geleefd?’ Liefde. Relaties. De man delen met andere vrouwen, nooit weten hoe laat de man thuiskomt en geen hoederecht hebben over de kinderen. Ze zou nooit een goede vrouw voor een typische Afrikaanse man kunnen zijn. Ze is te vrijgevochten. Generaties hebben vrouwen in haar land er over gedaan om te staan waar ze nu staan.   Als de zon pal boven hen staat en de lucht net een haardroger is, komen ze aan in het dorp. De dorpschef verwelkomt hen en brengt enkele vrouwen en mannen op een erf bijeen. Allen zetten zich met gestrekte benen op rieten matten op de grond, de mannen langs één kant en de vrouwen langs een andere kant. Via de tolk, stelt de witte vrouw zichzelf voor en begint gegevens voor haar enquête te verzamelen. ‘Met hoeveel wonen jullie in een gezin?’ ‘Wat hebben jullie dit jaar geoogst?’ ‘Wat hebben jullie gisteren gegeten?’ De antwoorden zijn hard. Eenmaal per dag eten ze. Een vrouw had een koe verkocht om haar kind vrij te kopen dat door de Arabieren als slaaf gevangen was genomen. Een man had twee koeien geruild voor voedsel voor zijn kinderen.   Mensen zijn slim. Hoe minder voedsel ze beweren te hebben, hoe meer eten de grote vogel hen zal brengen. Ook Mabior vertaalt in het voordeel van zijn volk en vergroot de tekorten. Nochtans, de honger staat te lezen in de zichtbaar mislukte oogsten, de zeer schamele maaltijden en de zeer magere lichamen. Vliegtuigen zullen de komende maanden weer tonnen voedsel uit de lucht komen droppen. Op het einde van het gesprek, danken ze de witte vrouw. Een vrouw, toegetakeld door de Arabieren, heft hees haar stem boven de roepende massa. ‘Dank je voor je bezoek. We zijn blij dat je gekomen bent. We zijn nu gerust over de toekomst want jij zal ons helpen.’ De schouders van witte vrouw worden zwaar. ‘Ik zal jullie boodschap overbrengen. Jammer genoeg is er niet zoveel voedsel.’   De witte vrouw en Mabior staan op en voeren nog twee groepsgesprekken met andere dorpsbewoners. Ze probeert zich te concentreren. Haar maag grolt. Uit respect voor wie voor haar zit, eet en drinkt ze niet. Haar ogen dwalen af naar de diep gegroefde handen, de uitgemergelde kinderen die aan de moeders hangen, de schaarse en grauwe kledij van de mensen en de verdorde akkers. De gesprekken zijn tegen drie uur afgelopen. Vanaf nu moeten ze zich haasten. Zo niet zullen ze in een hut ergens onderweg moeten slapen. Ze hebben slechts drie uur om de 18 km naar hun kampplaats te stappen. In het donker is dit gebied levensgevaarlijk. Sissende slangen. Verscholen rebellen. Via uitgedroogde tuinen verlaten ze het dorp. Opeens trekt een hoopje in de schaduw van een hut de aandacht van de witte vrouw. Een vrouw ligt roerloos op een rieten mat onder een deken. Het zweet staat op haar hoofd. Ze rilt. De witte vrouw kijkt naar de vrouw die overgelaten is aan de natuur en de kracht van lokale geneesheren, gaat rustig op haar hurken naast haar zitten en houdt de wezenloze hand van de vrouw een moment lang vast. ‘Een malaria-aanval’, zegt Mabior, ‘Ze heeft een infuus nodig maar er is geen hospitaal in de omgeving. Vorige week is haar dochter aan malaria overleden’. Zullen de nog zes levende kinderen kunnen opgroeien met een moeder aan hun zij? Of zullen ze het leven met een moederleegte verder bewandelen?   -----------------------------------------------------  ‘Mislukkingen vormen de vruchtbare bodem waarop nieuwe bloemen bloeien’ Lisette Thooft    De modderwegen liggen er droger bij. Ze wandelen met snelle voet. Nu en dan kruisen ze een tegenligger. Mabior stopt. ‘Hallo’, groet Mabior. ‘Hallo’, antwoordt de tegenligger. ‘Hoe gaat het?’ ‘Goed, en met jou’. ‘Ook goed, en met je familie’ ‘Goed, en bij jou?’ ‘Goed, waar kom je vandaan?’ De vrouw loopt wat verder, wacht in de schaduw van een boom en verjaagt de vliegen op haar gezicht. Haar T-shirt en gezicht zijn nat van de inspanning en de volle zon. Hallo, hoe gaat het? En de familie? En de dieren? Ze kent de traditie om elkaar ten volle te begroeten vanuit Mali, Congo en Guinea. In haar thuisland knikte ze wel eens dag naar onbekenden vanwege de Afrikaanse gewoonte. Zelden kreeg ze een groet terug. Meestal bleven de mensen in hun eigen wereld verder stappen of keken ze achterom om te zien naar wie de vrouw geknikt had. Het gesprek van Mabior met de man gaat verder. De tijd ook. Ze zet zich neer op een omgevallen boom. Voor haar lopen rode mieren vlijtig in een rij voorbij. Waar gaan ze heen? Wat drijft hen? Waarom loopt zij hier rond?   Maanden geleden vloog ze van Vietnam naar Kenia. Ze mocht haar valies uitpakken in een appartement in het centrum van Nairobi. Op het eerste zicht had alles normaal geleken. Al snel overviel haar het donker van de kamers zonder elektriciteit. De onhandigheid van een kraan zonder water. Het horen van haarzelf in afwezigheid van muziek, telefoon of internet. De angst om op straat, in de wagen of in huis overvallen te worden. Op het eerste zicht had ook de stad een modern voorkomen. Hoge flatgebouwen. Brede geasfalteerde wegen. Rijdende wagens en bussen. Mannen in kostuum en vrouwen in tailleur. Pas daarna had ze de kinderen gezien die snuivend aan flessen gevuld met geurige lijm door de straten slenterden. De mensen die water schepten uit beken. De mensen die kilometers stapten bij gebrek aan geld voor het openbaar vervoer. De overvolle minibussen. De zingende kerken met een uitgesproken geloof. Haar werkterrein was echter Zuid-Soedan. Als de oorlog er te hevig woekerde, palaverde collega’s met haar in het kantoor in Nairobi over de noodhulppramma’s. Als de oorlog weer even verborgen was, werd ze met een rugzak naar Zuid-Soedan gevlogen om de programma’s op te volgen. De contrasten van de verschillende werelden en het steeds weer op een andere plaats waakzaam zijn, brachten haar in de war. Gelukkig had ze enkele keren de werelden achter zich kunnen laten. Zo ook die ene keer. Met de hulp van een lokale gids had ze in het midden van de nacht de tweede hoogste berg van Afrika beklommen. De zwarte man had langzaam met regelmatige pas voor haar gestapt. In zijn voetsporen was ze hem gevolgd. Enkel zwart zand en rotsblokken had ze te overwinnen. Haar adem had bij elke stap naar zuurstof gesnakt. Haar hart had diep in de aders gebonkt. Na drie uur had hij haar met een vaste greep over de laatste rots van de immens hoge berg getrokken. De wind had haar ijzig en hard geslagen en achter een rots gedreven. De donkere bergwanden hadden geleidelijk vorm gekregen. Fluo. Roze. Blauw. Grijs. Enkele minuten later was de zon opgekomen en was de wereld heel ver onder haar voeten wakker geworden. Ze had zich toen afgevraagd of ze ooit een man zou vinden om de bergtoppen van het leven te beklimmen. Jaren later, tien om precies te zijn, zou ze de zwarte man terug opzoeken en zouden ze samen de trein nemen. Elk op hun manier. Soms zou ze even afstappen, onbedacht op een trein springen of tevergeefs achter een trein aanhollen. Soms zou hij op een sneltrein zitten en zij op een stoptrein. Of omgekeerd. En soms zouden ze in dezelfde wagon naast elkaar hand in hand van het voorbijglijdende landschap genieten.   ‘Let’s go’. Het gesprek is afgelopen. Zonder woorden drijven Mabior en de vrouw hun snelheid op. Juist na het vallen van de nacht naderen ze de kampplaats. De collega’s snellen hen tegemoet. Arm in arm stappen ze de kampplaats met zijn vier tenten, voedselbevoorrading, lange afstandsradio en vijf kampwachters binnen. De witte vrouw kruipt in haar tent, zoekt droge kleren en gaat naar de badplaats. Ze hangt haar lendendoek voor de opening van de open ruimte, kleedt zich uit, zet zich gehurkt voor de kuip met water, zeept zich in en spoelt zich met een plastieken beker af. Het zweet en de warmte glijden van haar lichaam. Van alle kanten vallen muggen haar echter aan. Uit schrik voor malaria sluit ze haar ontspanningsmoment vlug af.   Netjes gewassen zet ze zich bij de anderen aan tafel. Ze eten maïspap met bonen uit blik en praten over de dag. In het donker vanachter de mangoboom duikt plots een man op. ‘Hello?’ fluistert de man zacht. Een vrouw en drie kinderen verschijnen eveneens op het toneel. ‘Sorry Madam, we zijn al 2 dagen op de vlucht. Ons dorp is volledig verwoest. We gaan naar het volgende vluchtelingenkamp. Kunnen jullie ons alstublieft wat water geven?’ Mabior geeft aan een kampwachter de opdracht water te brengen. De vluchtelingen trekken zich terug onder de boom en drinken in enkele seconden het water op. Ze verdwijnen opnieuw in het donker. De witte vrouw kijkt de man met een bundel om zijn schouder, de vrouw met een baby op de rug gebonden en de kleine kinderen op hun blote voeten en gescheurde T-shirts na. Als kind genoot ze van spannende nachtspelletjes bij de jeugdbeweging, van koekjes na een wandeling en van olijke verjaardagsfeestjes. Wie zou ze zijn mocht ze hier geboren zijn?   Terwijl de anderen nog napraten, neemt ze haar notitieboekje. ‘Ze komen aangevlogen van verre met tienen, honderden, duizenden   Alles hebben ze mee Niets hebben ze achtergelaten behalve hun nest   Op zoek naar water, voedsel en een veilige plek trekken ze verder opgejaagd door de wind’   Niet voor lang. De muggen vinden haar billen doorheen de gevlochten stoel.  -----------------------------------------------------  ‘Men hoeft de wereld niet te begrijpen, men moet alleen zijn plaats erin weten te vinden.’ Albert Einstein    Om acht uur zit ze met een volle maag in kleermakerszit in haar iglotent. Warm en vochtig. Ze neemt een kleine spiegel. Een bloedrood gezicht en blauwe ogen staren haar aan. Ze glimlacht. Met behulp van een lamp op zonne-energie schrijft ze in haar dagboek. ‘Het was een lange indrukwekkende dag. Ik ben hier de blanke. Mensen verwachten, dat als ze wat vragen, ze het zullen krijgen. Ik weet niet wat zeggen als ik een meisje van 18 zie met haar drie kinderen en hoor dat ze net weduwe geworden is door een nachtelijke aanval van de rebellen. Ik probeer open te staan voor de vele kronkelingen in het leven. Waar draait het leven rond, als je zomaar doodgeschoten kan worden, als je gekwetst kan worden voor het leven en als plots alles gedaan kan zijn? Laat me hard zijn. Laat me zacht zijn. Laat me een ander zijn. Laat me mezelf zijn. Laat me opgewekt zijn. Laat me triestig zijn. Laat me mijn ogen openen. Laat me mijn ogen sluiten. Daar waar nodig.’   Na een uur legt ze zich neer op een mat en probeert te slapen. Tevergeefs. Buiten wordt er in het dorp op de drum gespeeld en luid gezongen. Waarschijnlijk dansen ze rond een vuur. Waarschijnlijk is er weer iemand overleden. Ze luistert. Eens temeer snapt ze niets van deze diepgewortelde cultuur. Ze doorbladert haar leesboek over de kunst van geven en ontvangen. ‘Met alle bochten en wendingen vindt de rivier tenslotte haar weg naar de zee. Doorsta het met een gerust hart en hoopvolle verwachting.’   Het gezang en de warmte in haar kleine tent nemen toe. Haar hoofd ontploft. Bijna. Ze spuit zich in met anti-muggenspray en ritst geluidloos de tent open. Met een lendendoek om haar pyjama, sluipt ze op teenslippers het kamp uit en komt onmiddellijk bij de airstrip. Ze kijkt naar de langgerekte en onverharde landingsstrook omsingeld door hoge grassen. Weg kan ze niet. Zolang het regent, worden vluchten afgelast. Bovendien zijn er in het hele gebied geen wegen en wagens.   Onder een kleine maan wandelt ze geruisloos over de airstrip. De putten en de kleine grashopen zijn nauwelijks te onderscheiden. Ze doet de teenslippers uit en stopt ze tussen haar rug en lendendoek. De open vlakte lijkt vrij van wilde beesten. De frontlijn met de vechtende mannen is ver en de wrede bandietenbendes zijn al in dagen niet gesignaleerd. Al lang is ze niet meer gaan lopen. Als vrouw mag ze in Soedan niet lopen en in Nairobi is het te gevaarlijk. Ze speurt de omgeving nogmaals af. Niemand. Ze geeft haar voeten en lichaam de vrijheid en loopt langzaam. Haar pas versnelt en versnelt. Van ver lijkt ze een vertrekkend vliegtuig. Haar voeten kunnen met moeite volgen.   Plots in het midden van de airstrip stopt ze. Het getrommel van de drum weergalmt zeer ver. Alleen haar hijgen doorbreekt de rust van de nacht. Vele duizenden sterren fonkelen hoog. Vlug vindt ze Orion. Hij staat helder boven haar. Ze glimlacht. In een piepklein afgelegen dorp in Laos had ze Orion, met de hulp van een man, ontdekt. De man was net zoals zij op dat moment toerist. Zacht had hij een arm rond haar schouder geslagen. Vol geduld had hij tussen de vele sterren aan de donkerblauwe hemel de zeven sterren aangewezen. De voeten, de handen en het zwaard. Bij afscheid hadden ze een hand gegeven, in de ogen gekeken en elkaar nog een goede reis gewenst. Niets meer en niets minder. Ondertussen heeft Orion haar overal vergezeld, op een bed in een afgelegen dorp in Mali, in de woestijn in India, op het strand in Vietnam en op een Maya tempel in Guatemala.   Ze stapt langzaam en aandachtig terug naar haar tent. Ze kijkt achter zich. Overal sporen van blote voeten. De hare zijn ertussen geprint. ---------------------------------------------------------   Toen aan een klein meisje werd gevraagd waar ze woonde, zei ze: ‘Waar moeder is’. Keith L. Brooks   De zwarte man trekt de deur dicht. Zijn stappen weergalmen en dijen weg op het einde van de lange, kale gang. De witte vrouw buigt zich over de metalen tafel in de hoek van de witte kamer. Zij zal net zoals miljarden vrouwen over de hele wereld dit gebeuren zonder partner doorstaan. Ze neemt een donkerbruine stift en schrijft sierlijk een naam op een hard kaartje. Nog eens. En nog eens. De kaartjes zal ze weldra naar vrienden en kennissen kunnen sturen. Eindelijk. Na al die jaren. De witte vrouw glimlacht met de naam. Zoon van de zee. 9 maanden geleden zwierf ze samen met de zwarte man weken door de groene heuvels van zijn land. Ze leefden op het ritme van de dag en van wat ze ter plaatse bij de boeren of in kleine winkels konden kopen. De zon wees hen de richting. S’ nachts sliepen ze in hun tent op de velden van de boeren of verscholen in de bossen. Zo ook die dag. Ze waren een heuvel helemaal naar boven geklommen. Onderweg hadden ze bloemen geplukt. Rode, witte, gele, blauwe. Lange en korte. Met twee takken en een draad van haar sjaal hadden ze een kruis gemaakt. Op de top van de heuvel, te midden van andere heuvels, hadden ze op hat gras geknield en het kruis in een hoopje zand geplaatst met de bloemen er omheen. In stilte hadden ze hun hoofd gebogen en waren ze bij de neef van de witte vrouw. De neef had het leven niet overleefd. Hij had de dag voorheen zijn laatste kracht gebruikt om zichzelf te bevrijden van de pijn die hem dagelijks achtervolgde. De familie van de vrouw had haar gebeld en gevraagd naar haar moederland terug te komen voor de viering. Ze had geweigerd. Ze had beslist om haar leven in eigen handen te nemen en zich te nestelen in de armen van de zwarte man. Die nacht hoog in de heuvels ver van de bewoonde wereld dicht bij de natuur ontstond Mtoto. Kind van de natuur.   De witte vrouw wrijft over haar buik. Mtoto is op weg naar de buitenwereld. Samen met Mtoto wacht ze op het moment. Ze krijgt weer een buikkramp, staat op, waggelt naar het bed en legt zich neer. De vrouw staart naar buiten. De zon schijnt hard. Het is drie uur. Deze ochtend werd ze plots ongerust. Mtoto bewoog zich niet meer in haar ronde, gespannen buik. De zwarte man had over haar buik gewreven en haar gezegd dat alles goed kwam. Ze was met hem naast haar rustig naar het ziekenhuis gereden. In het ziekenhuis was haar water gebroken. Samen met de zwarte man was ze naar buiten gestapt om de spullen voor Mtoto in de auto op straat te halen. Heel even had ze gedacht om weer naar huis te rijden. Naar het huis dat ze een maand geleden had gekocht. Het huis dat hun thuis mocht worden. De zwarte man had haar hand genomen en samen waren ze het ziekenhuis met zijn vele verdiepingen, gangen en kamers opnieuw binnen gestapt. Binnen was de zwarte man de witte vrouw gevolgd. Hij was stil. Muisstil. Beweeglijk stil. Hij was pas twee weken in het land van de vrouw. In het land dat zo overdonderend anders was dan het zijne. In het land dat hem altijd zou roepen omwille van de witte vrouw en de kinderen.   Ze krijgt een kramp. Nog één. Ze ademt zoals ze geleerd heeft in de prenatale groepslessen. Diep in en rustig uit. Ook daar was ze als enige zonder partner. Diep in en rustig uit. De krampen volgen zich sneller op. Ze drukt op een knop naast haar bed. Een verpleegster en dokter komen de kamer na vijf minuten binnen. Ze kijkt hen met grote ogen aan. De verpleegsters legt de benen van de witte vrouw over de kniesteunen van het bed en houdt haar linkse hand vast. De vrouw luistert naar de duidelijke instructies van de dokter. Met drie vrouwen moet het lukken, stelt ze zichzelf gerust. Ze ademt. Ze perst. Ze ademt. Ze perst. Plots, zichzelf van niets bewust, knipt de dokter haar. In een flits is ze terug in Congo. Bij de pijn van de diep verkrachtte vrouwen en kinderen. Drie maanden geleden bezocht ze voor haar werk samen met Mtoto de vrouwen. Ze had hen gesproken. De vrouwen en kinderen waren door hun familie verstoten omdat ze door de verminking niet meer zindelijk waren en stonken. Mensen. Beesten. De vrouwen hadden haar buik aangeraakt, geglimlacht en haar succes toegewenst.   De dokter maant haar aan dat ze moet persen, dat het anders nooit zal lukken. Ze perst. De pijn is overheersend. De knip scheurt verder. Er is geen weg terug. Ook al zou het ziekenhuis in brand staan. Al zou de hele wereld trillen. Ze moet, willen of niet, de eindstreep halen. Mtoto heeft de buitenlucht nodig. Ze knijpt haar ogen dicht, voelt de hand van de verpleegster, zondert zich van de wereld af en perst. Van heel diep komt een schreeuw. De schreeuw. Mama. Mama. De woorden weergalmen in de kamer. In haar weergalmt de vraag. Hoe zal ze ooit zonder moeder een goede moeder kunnen zijn? En dan. De opluchting. De verlossing. De verpleegster legt de kleine, donkerroze jongen op de buik van de vrouw. De kleine jongen snuffelt. De witte vrouw brengt hem voorzichtig iets hoger vlakbij haar borst. De kleine jongen nestelt zich met opgetrokken kikkerbilletjes op haar blote bovenlichaam en zuigt met zijn rode glimmende lippen zachtjes aan haar tepel. De waakvlam van de vrouw ontvlamt. Haar borst stuwt. Haar hart gloeit. Haar ogen staan hemelsblauw zoals het heldere kleur van een oceaan na een hevige storm. De kamer is stil. De witte vrouw wordt genaaid. De verminkte vrouwen en meisjes in Congo niet. De dokter legt langzaam haar benen van de kniesteunen op het bed en trekt een laken over haar. De vrouw neemt een doek van het land van de zwarte man en legt het over de kleine jongen. Hij zuigt verder. Bloedvlekken overal. Op haar T-shirt. Op zijn rug. Op haar handen. Op zijn gezicht. Gekleurd door het leven gaan ze samen de wereld tegemoet.   Er wordt op de deur geklopt. De zwarte man stapt geruisloos de kamer binnen. Hij komt bij het bed van de witte vrouw en de kleine jongen. Hij streelt hen beiden, gaat naast hen zitten en bekijkt hen stilzwijgend. Zijn zwartbruine ogen stralen, zijn witte tanden glinsteren en zijn donkere huid blinkt. Geleidelijk vinden ze enkele woorden. Later op de avond komt de vader van de vrouw. Fier tot achter zijn oren. Ze bespreken het gebeuren, toosten op het leven en maken foto’s. De zwarte man is op zijn manier beleefd aanwezig, streelt de kleine jongen geregeld, glimlacht naar haar en tast het nieuwe land af met de voelsprieten van zijn verre land. Laat na toegestane bezoekuur vertrekken de twee mannen.   De kleine jongen blijft de hele nacht aan de borst en op de lege buik van de witte vrouw. Een doek en haar hand vergezellen hem. De vrouw aanschouwt hem. Het wonderlijke geschenk van de natuur. Het geschenk dat steeds groter zou worden. Hij geeuwt, strekt zich uit, drinkt gretig, boert, slaapt en ademt. Piepkleine handen ontspannen tot vuisten. Een handpalmklein hoofd met pikzwarte platte haren. Vredig op haar. Ze dommelt nu en dan in. Morgen zal ze hem verfrissen. Morgen zal ze hem kleden.  -----------------------------------------------------   ‘De natuurlijke vonken hebben meer kracht dan de bedachte dingen.’ Toon Hermans    De jaren gaan voorbij. De vrouw schenkt het licht aan een tweede zoon. Ze gaat werken, organiseert de verbouwingen thuis, verzorgt het huishouden en speelt moeder en partner. Het lichaam van de witte vrouw geeft nu en dan storingssignalen maar ze ploetert verder. Ze wacht tot haar automatische piloot terug op volle toeren zal overslaan. Tevergeefs.   Ergens midden november zit de vrouw zoals de meeste werkdagen op kantoor voor de computer. Ze focust zich op de zwarte doos. Zeventien nieuwe mails. Een navorming moet georganiseerd worden. Drie vergaderingen moeten voorbereid worden. Een visietekst moet voor de 23ste keer herlezen worden. Ze tuurt naar de mails. De woorden dringen niet binnen. Haar vingers krijgt ze niet in beweging. Haar hoofd ook niet. Ze tuurt naar buiten. De zon schijnt. Mensen lopen over straat. Ergens heen. De gedachten van de vrouw glijden zacht weg naar een safaritrip in een natuurpark in Afrika lang geleden. Ze werkte toen voor een voedselorganisatie in een door oorlog geteisterd land, had twee weken vrij en trok met haar vader onder begeleiding van een lokale gids in een jeep door een uitgestrekte savanne vlakte. Een grote kudde wilde beesten rende voor hun wielen voorbij. Vanop afstand sloegen de vrouw en de vader de beesten gade. De kudde rende vermoedelijk al dagen. Het gedaver van de hoeven op de veel te droge aarde was oorverdovend. Water zochten ze. Leven. Gnoes, zebra’s en antilopen renden als één groep met duizenden samen. Allen renden ze hun instinct om erbij te horen en te overleven achterna. Een grote gnoe rende aan de zijlijn mee. De pas van het beest vertraagde. Het beest stopte even en rende weer verder. Stop en verder. Stop en voortdoen. De kudde bleef naast het beest op hogere snelheid verder rennen. De afstand tussen de kudde en het beest werd groter. Het beest herpakte zich minder vlot. Het zakte door zijn poten. Het duwde op zijn voorpoten maar zijn zware lichaam kreeg het niet op. Het legde uiteindelijk zijn hoofd neer op de gebarsten grond en strekte zijn poten. Het wedijveren, het steeds verder crossen op zoek naar morgen was voorbij. Het gedaver van de kudde dijde weg. Enkel een grote stofwolk bleef aan de horizon achter. De buik van het beest ging op en neer. Samen met de hitte van de zon en de uitgesproken stilte wachtte het beest op wat komen zou.   Het schreeuwt in haar. Ze wil er nog zijn voor haar kinderen, man, vader en broer. Rond haar rennen mensen mee met de kudde en vallen nu en dan af. Zij wil halt houden om daarna op volle toeren te draaien, weliswaar met de buitenlucht en de stilte als bondgenoot.   Ze tuurt naar de vier witte muren om zich heen en buigt zich opnieuw over de computer, zonder resultaat. Met een krop in de keel belt de vrouw na enkele uren de dokter. Eenmaal bij de dokter hoeft ze maar twee zinnen te zeggen. Haar tranen vertellen de rest. Met een briefje van 9cm op 18cm staat ze na vijftien minuten buiten. Ze rijdt traag met haar grijze auto naar school om de kinderen op te halen. Bij de schoolpoort aangekomen, stapt de vrouw uit en loopt snel naar binnen. De kinderopvang is vijftig minuten geleden gestart. De kinderen zien de moeder aankomen en spelen vlijtig met de andere kinderen verder. De moeder kijkt hen aan en zoekt hun boekentas, vest en brooddoos. Na tien minuten rennen de kinderen naar de moeder en wandelen ze hand in hand naar de auto. De jongens maken luid door elkaar lawaai. Hun dag zal zich in volle glorie thuis verder zetten. De moeder krijgt hen in de auto, maakt hen in de kinderstoel vast en sluit hun deur. Alvorens zelf in te stappen absorbeert ze vlug enkele minuten de kalmte van het verlaten dorpsplein. Ze probeert voldoende zuurstof op te nemen om zonder tranen en geroep aan de avondshift thuis te beginnen. Onderweg maken de jongens hun gordels los. De moeder maakt zich boos. De jongens spelen onder elkaar verder. Eenmaal thuis, opent ze hun deur. Als kuikens die veel te lang binnen hebben gezeten, lopen ze de kleine tuin in en slingeren aan de schommel. Beiden willen op het enige schommelzitje. Vervolgens willen ze beiden aan de enige turnringen. De moeder doet de achterdeur dicht, kijkt van achter het raam naar de kinderen en sleept zich naar het kookaanrecht.   Zoals elke werkdag, komt de zwarte man om 17u08 van zijn werk terug. De witte vrouw opent de achterdeur. Ze geven elkaar een kus. De ogen van de vrouw staan rood. Hij kijkt haar vragend aan. Ze snikt en zegt dat ze een tijdje thuis moet blijven van de dokter. De zwarte man omhelst haar in stilte en zegt met volle stem dat alles goed komt. De vrouw herpakt zich en kookt verder. Na het eten, doet de zwarte man de afwas en brengt de vrouw de kinderen naar bed. De vrouw stapt traag naar boven, alsof ze met elke trede meer leeg vloeit. Ondertussen bereiden de kinderen boven hun leescocon voor. Ze sluiten de gordijnen van hun kamer, steken het licht aan en plaatsen alle hoofdkussens op één bed. De moeder schudt haar hoofd en glimlacht. De kinderen glimlachen terug en geven haar elk hun favoriete prentenboek. Ze leest met wankele stem enkele pagina’s voor. De kinderen slaan de volgende pagina om en willen meer. Zij niet. De kinderen geven niet op. Zij wel. Zonder klank beeldt de moeder roodkapje en de wolf uit. De kinderen lachen luid en improviseren mee. Zonder klank gebiedt ze hen na een tijdje te gaan slapen. Ze kruipen in hun bed. De moeder stopt hen onder de lakens en geeft een kus. Ze omhelzen haar innig. Zonder klank staat ze op, werpt hen een laatste handkus toe, knipt het licht uit en gaat ook slapen. Onmiddellijk glijdt ze net zoals Doornroosje in een diepe, vredige slaap.   De volgende dagen volbrengt ze traag haar moederlijke taken, slaapt veel overdag en maakt kleine wandelingen. De computer laat ze dicht en opent soms haar dagboek. ‘Verdorie toch. Ik wil in actie schieten maar het lukt me niet. Soms trilt mijn hele lichaam alsof het diep van binnen uitgehongerd is en geen vijf minuten langer rechtop kan staan. Ik ben net een marionet die door buitenaf bestuurd wordt en waarvan de touwtjes elk moment kunnen doorknappen. Straks kunnen ze me met een vuilblik opvegen. Rust heb ik nodig zonder die moeheid die mijn tijd steeds opslorpt om te slapen. Hoe zou het leven zijn mochten de jongens een grootmoeder hebben die even mijn rol kon overnemen? Ik snak ook naar een babbel met mijn man, naar echtheid. Maar hij is tegenwoordig in zijn wereld terug getrokken. Ik zit weer met een vreemde aan tafel. Vroeger gaven we elkaar lof bloosden we samen rood raakten we elkaar aan vlogen we oneindig ver weg   Nu blijft geen woord over enkel een diep ademhalen een licht snurken tijdens slapeloze nachten’   En toen. Enkele dagen later belt een vriendin van de vrouw en vertelt haar over een cursus ‘spreken voor publiek’ met als eindopdracht een speech van twintig minuten voor een groot publiek. De woorden van de vriendin raken het hart van de vrouw. Plotseling slaat een vonk aan. Tranen komen naar boven. Meer dan zeven jaar lukte het de vrouw niet om te schrijven. Zeven jaar was ze druk bezig met haar nieuwe leven, omringd door de twee jongens en de man. Letters vormden geen woorden en het papier bleef wit. Zou ze eindelijk de remmen durven los te laten en de verhalen van de wereld naar buiten brengen? Zou ze eindelijk een boodschap de wereld mogen insturen? De volgende dag schrijft de vrouw zich in voor de cursus. Ze zou enkele zaterdagen les krijgen met vijf andere cursisten en via webcam zou ze de theorie te horen krijgen. De daaropvolgende maanden wakkert de cursus de geest van de vrouw aan.   Dankzij woorden reist ze zonder vliegtuigticket naar de plaatsen waar ze ooit werkte en naar de mensen die ze ooit ontmoette. Soms komen tranen naar boven, verrast een glimlach haar of kunnen haar vingers bij het schrijven haar woordenstroom niet snel genoeg volgen. Haar lichaam blijft echter broos en heeft meer slaap nodig. De dokter schrijft de vrouw nog enkele briefjes voor. Elke dag na het afzetten van de kinderen aan school, maakt ze een wandeling. Na een tijd ziet ze de blaadjes van de struiken en de eenden in de beek, hoort ze de auto’s in de verte en de vogels in de lucht, voelt ze de glimlach in haar hart en krijgt ze meer zuurstof. Het liefst stapt ze naar de top van de heuvel. In de verte ziet ze dan een andere heuvel waarachter Afrika, Azië en de hele wereld zich schuilhouden. Eenmaal thuis maakt ze thee met theeblaadjes van het land waar ze vier jaar woonde, gaat aan de grote eettafel zitten met zicht op de hoge plataan van de buren, zet haar rode leesbril op en neemt een stylo. De blauwe inkt van de stylo raakt het magische, witte blad en brengt de vrouw punt voor punt dichter bij wat haar bezig houdt en bij wat in haar verborgen zit. Onuitwisbaar.   Na 21 weken, krijgt de vrouw eindelijk zicht op de boodschap van haar speech en schrijft de intro. ‘Goede namiddag. Ik weet niet of het jullie al overkomen is, maar eind vorig jaar had ik een dipje. Mijn werk lukte niet. Mijn kinderen weerspiegelden me meer dan ooit, en mijn man had het nog moeilijker om me te begrijpen. Ik had nood om nog eens op reis te gaan en verloren te lopen. Ik had nood om nog eens stil te staan bij mijn leven. Ik zocht en uiteindelijk vond ik wat ik nodig had. Het werd een zes maand durende tocht met vallen en opstaan en met een duidelijke eindbestemming. Een speech geven voor jullie op de eerste zomerdag.’   Voldaan kijkt ze naar de plataan. Een zwarte vogel brengt een takje naar het nest hoog in de boom en vliegt vervolgens ijverig weg. Ze slurpt traag van de groene thee. ‘-------------------------------------------------- 'Geef een mens het idee dat hij bijzonder is, en hij gaat bijzonder doen.’ A. Honkoop   De grote dag breekt aan. Vandaag zal de vrouw haar speech brengen in een theaterzaal in de stad. Ook al is het zondag, de witte vrouw staat vroeg op. Ze ontbijt met de kinderen, maakt een appelcake voor haar medecursisten en verdringt haar moeheid met groene thee. De zwarte man heeft de hele nacht ontspannen in gezelschap van de teevee en een fles drank en slaapt nog diep, zich niet bewust van de stress die de vrouw aan het opslorpen is. Na twee uur kan de vrouw de drukte van de kinderen niet meer aan. Ze roept de zwarte man wakker. Het liefst zou ze zich nu afzonderen zoals ze vroeger deed bij haar examens. Toen liet ze haar zenuwen door haar hele lijf kruipen om er elke vezel wakker te maken en om zich te concentreren op wat nodig was. De man staat snel beneden. Met een glimlach maakt hij zijn thee en maant hij de kinderen aan om hun speelgoed op te ruimen. De vrouw maakt het middageten voor de kinderen klaar en verwelkomt de babysit. Na een half uur zitten de man en de vrouw in de auto. Terwijl de witte vrouw de snelweg oprijdt, vraagt ze de zwarte man stil te zijn. Aan 120 km per uur draagt ze haar speech op. Ook hier had ze het liefst alleen geweest om zich helemaal diep met de speech te verbinden. Het voorstel aan de man om met een vriendin van de vrouw naar de theaterzaal te rijden, had geen gehoor bij hem gevonden. De man wou het liefst bij de vrouw zijn.   Aan de theaterzaal nemen ze afscheid. De man zal voor enkele uren de stad intrekken en op tijd voor de speech terug zijn. De vrouw stapt het theatergebouw binnen met een koffer met daarin drie broeken, vier bloezen en twee paar schoenen. De docente, een bekende actrice, en de vijf medecursisten verwelkomen haar. Tijdens de repetitie loopt het mis. De vrouw stapt het podium op. De zaal met zijn lege, roodfluwelen zetels kijkt haar aan. De grootsheid overvalt haar en op slag is ze helemaal haar tekst kwijt. Ze kan geen woord uitbrengen. Alles is weg. Ze is weer het kleine kind die niet weet hoe haar zeer mondige vader te beantwoorden. Ze is weer de studente die door een militair in Afrika brutaal wordt aangesproken. Ze is weer de jongvolwassene die haar mening niet mocht geven in Azië. Tranen ontspringen in haar ooghoeken. Ze wil weg. De deur uit. De wijde wereld in.   De docente kijkt de vrouw teder aan, begeleidt haar van het podium en zegt dat alles goed komt. In de kleedkamer kiest de docente voor de vrouw een groene, aansluitende, Aziatische bloes, een witte lange broek en smalle blauwe schoenen uit de koffer en vlecht de haren van de vrouw. In de coulissen neemt de witte vrouw plaats op een stoel naast de medecursisten en focust zich op de ademhaling. Haar gezicht staat strak en de glimlach is weg.   Nog twee sprekers en de vrouw mag opkomen. Even denkt ze terug aan de korte vakantie van enkele weken terug. Het was haar toen gelukt om thuis een week vrij te krijgen. Ze was een week naar een Grieks eiland getrokken. De uitgestrekte zee, de golfslagen, het vers gekookte eten en de eenpersoonskamer hadden haar rust gebracht. De vrouw had er na enkele rustdagen, bladzijden vol geschreven met woorden van pijn, liefde, verdriet en dankbaarheid en met vertrekpunt de moeder, de zwarte man, de kinderen en de hele grote wereld. Op een bergtop had ze, met energie in de aders, haar speech opgedragen aan de uitgestrekte lucht. De nacht voor het vertrek van het kleine eiland had de vrouw, aangemoedigd door de zwoele buitenwind, de vol gekrabbelde bladzijden verzameld en verbrand. Met de as in een witte Kleenex was ze op een rots vlak aan het zeewater geklommen. Toen een grote golf haar dreigde te overspoelen, had ze het pakje ver in de zee gesmeten. De Kleenex had zich geopend en de as had enkele seconden door de lucht gedwarreld alvorens in de donkere zee terecht te belanden. Op dat moment was de volle maan achter de wolken te voorschijn gekomen en had ze zich gerealiseerd dat ze net ouder geworden was dan haar moeder ooit geweest was.   De witte vrouw slikt. Haar moeder zit ook deze keer niet tussen het publiek. De vrouw slikt opnieuw en kijkt naar de docente. De docente geeft teken dat ze recht mag staan en kondigt de vrouw aan. Het publiek applaudisseert luid. De vrouw neemt diep adem, recht haar rug, brengt de borstkas naar voor en stapt het podium op. De vrouw kijkt de donkere, volle zaal in, glimlacht en begint de speech. De adrenaline doet haar werk. De woorden zijn teruggekomen. Het publiek beweegt mee en lacht op geregelde momenten. De vrouw spreekt eindelijk uit wat ze jaren in zich draagt en benoemt hoe ze de wereld ziet. Ze prijst ook Meneer Bao, een Aziatische man van zestig, die jaren in concentratiekampen doorbracht en met haar over de ‘art of living’ filosofeerde. Ze prijst Mevrouw Mimosa, een oude vrouw, die haar man en twee kinderen verloor in de Kaukasus oorlog en die de witte vrouw dagelijks bedankte voor de maaltijd van het voedselprogramma.   De twintig minuten vliegen snel voort. Nog even en de speech is voorbij. Ze neemt een slok water en zet het laatste deel van de speech in. ‘Vaak als ik de bomen met hun takken zie wuiven, als ik de vele auto’s als door de straten mieren zie krioelen en als ik mijn kinderen spontaan zie spelen, Dan denk ik, wat zou het super zijn, als we vlugger stop zeggen aan al de moetes en vlugger foerten. Wat zou het super zijn als we de tijd nemen voor een glimlach in ons hart. En ja ik stel me dan een wereld voor waarin we allen de wereld zien als één bol met respect voor elkaar. Laat de bloem in u zelf bloeien. Ze is uniek, en geniet van de bloemen om u heen. Dank u.’ Het publiek applaudisseert luid. Zoals het hoort, buigt ze twee keer diep en met een brede glimlach verlaat ze opgelucht het podium. In het café van het theater wachten haar vader, vrienden en de zwarte man de vrouw met lof op. De vader voert het hoogste woord. Met een warm gezicht geeft de vrouw iedereen een kus. De zwarte man staat er afwezig stralend bij. De vrouw trakteert iedereen en bedankt hen voor hun komst en steun.   Bij het afscheid, feliciteert de docente de vrouw en raadt haar aan meer speechervaring op te doen. De witte vrouw bloost en krijgt het warm van binnen. Na die dag, contacteert de vrouw enkele organisaties met het voorstel om te komen spreken. Niemand is geïnteresseerd. Speechen begraaft ze voor ooit misschien. Schrijven houdt ze warm. Soms zit ze vast en soms schrijft ze enkele regels. Soms moedigt iemand haar aan en soms drijven de vlinders in haar buik de vrouw naar hogere oorden.   Dertig jaar na de dood van haar moeder zit de vrouw aan de grote eettafel met zicht op de hoge plataan, zet ze haar rode leesbril op en schrijft in stilte de laatste woorden van haar boek ‘Lieve mama. Rust in vrede. Je kleinkinderen zijn trots op jou. In mijn verhalen en in mijn glimlach leef je verder. Dank je wel.’ Ze zet haar bril af, strijkt door haar witgrijze haren, staat op, opent de deur en stapt naar buiten.    

Kristien Vliegen
0 0

Ode aan jou, deel 1 - Kristien

Hoe het allemaal juist is gegaan, weet ze niet meer. Ze weet wel nog dat ze soms vleugels kreeg. Brede, krachtige vleugels. Dan vloog ze weg. Heel even. Heel hoog. Genoot ze van de uitgestrekte lappen grond, van de blokken die figuren vormden, van de stippen die over de kronkelende lijnen bewogen, van de wind rond haar lijf. Boven wist ze niet wie ze was.   Ze vloog. Ze was vrij. Tot plots de zon te warm werd en ze, als door een donderslag, weer op de grond terecht kwam en weer zichzelf werd. Ze krabbelde recht en begon te stappen. Kilometers en nog eens kilometers. Stap voor stap sloeg de automatische piloot aan en wist ze wanneer ze stop had moeten zeggen, wanneer ze had moeten doorgaan en wanneer ze had geleefd. Helemaal echt. Telkens opnieuw. ________________________________________________________________________________________   ‘Een vogel zingt niet omdat hij een antwoord heeft. Hij zingt omdat hij een lied heeft.’ Maya Angelou   Een groot meisje stapt op de dijk. De lucht kleurt rozig, blauwig grijs. Onder haar wijde vest verstopt ze haar lichaam en houdt ze haar hart strak. Ze stapt arm in arm met een vrouw. De moeder. Naast hen stapt een man. De vader. Ze luistert gedeisd naast de moeder, knikt en antwoordt kort. De vader geeft nu en dan een opmerking. Het grote meisje knikt nog meer.   Het wandelen gaat traag. Te traag. Het meisje stopt plots, opent de rits van de vest, glimlacht naar de moeder en vader, draait zich om en rent over het strand naar het water. De haren van het meisje wapperen in de wind. De vest fladdert mee. Ze rent en rent. De hele wereld zit op haar hielen. Grote en kleine mensen. Dikke en dunne. De vader en de moeder. De lucht waait hard en het zand snijdt diep. Ze rent verder. De zee houdt haar echter tegen. Ze stopt, staart naar de horizon en haalt diep adem. Standvastig staat ze daar. Opgenomen in vrije rust. Omgeven door gezichtsvolle verhalen. Een traan op haar wang verklapt haar hart. Pablo. Op vakantie in het buitenland had ze de arme kleine jongen elke dag eten kunnen geven ondanks het protest van de moeder en de vader. Sofie. Op school luisterde ze naar de verscheurende verhalen van haar vriendin en beloofde zichzelf deze niet verder te vertellen. De nacht ervoor had ze een boek over Gupta in het verre Buitenland gelezen. De letters hadden beelden gevormd. De beelden waren levens geworden, levens met oren en ogen, met kinderen en zorgen, met honger en dorst. De moeder was de kamer van het grote meisje binnen gedrongen en het boek afgepakt. Het meisje was met rode ogen ingeslapen.   De golfslag maakt het meisje wakker. Ze begint met de armen cirkels in de lucht te tekenen, springt op en neer en loopt parallel met de zeelijn verder. Richting ondergaande zon. Een witte Kleenex die ze uit haar zak haalt om haar neus te kuisen, valt op het zand en waait weg. Het meisje rent de zakdoek achterna. Ze bukt zich. Op dat moment neemt de wind de zakdoek opnieuw mee. Ze glimlacht, speelt hond en rent het papiertje achterna.   De moeder en de vader zwaaien naar haar. Ze zwaait terug. Uitgewaaid loopt ze naar hen terug. Arm in arm stappen ze verder. Zonder woorden.   Thuisgekomen, nestelt het meisje zich in haar kamer, gaat achter de bureau zitten en legt 13 schelpen in wit, grijs, dof blauw en beige op de witte Kleenex naast zich neer. Ze neemt het dagboek en buigt zich diep.   'Een kind op afstand braaf braaf gemaakt door een omgeving een omgeving van knikken en aanvaarden   Een kind op afstand wild wild gemaakt door vragen vragen van waarom en twijfels   Een kind op afstand wijs wijs gemaakt door zwijgen zwijgen van stilte en feiten’   Mama je slikt dagelijks zoveel pillen, 5 's morgens, 4 's middags en 4 's avonds. Jouw lichaam is op. Verdorie toch. Je maakt je druk over mijn kledij, over de boeken die ik lees en over mijn gewicht. Verdorie toch. Wat kan ik voor jou doen? Hoe kan ik er voor jou zijn? Mijn hart vult zich met wat het ziet. Ik ben wie ik ben. Of dat probeer ik toch. Waarom kan ik mijn wereld niet met jou delen?’   Ze klapt haar dagboek dicht, stapt naar beneden en gaat naast de moeder in de zetel zitten. Ze kijken elkaar aan, praten over het weer, overlopen het medicatieschema van de dag, eten samen warme appelcake en glimlachen. Na een tijdje buigt het meisje zich naar de moeder toe, verwijdert het fuchsia aquagroene hoofdsjaaltje van de moeder, neemt een dagcrème en smeert het droge haarloze hoofd van de moeder in. Zacht en broos. De moeder sluit haar ogen. Het meisje ook.  -------------------------------------------------   fluo roze blauw ieder moment ontvouwen andere kleuren   In enkele dagen is het groot meisje jongvolwassen geworden. De moeder van het meisje zou het op deze manier niet gewenst hebben. De winter is op komst. Ooit zou het meisje ervan dromen om voor een groot publiek te spreken. Vandaag krijgt ze die kans. Buiten ligt een wit sereen laagje sneeuw die de geluiden dempt. Binnen in de grote witte ruimte met haar hoge plafond, bruine stoelen en doffe wierookgeur wachten donker geklede toehoorders. In grote getallen. Van ver gekomen. Ze bewegen wat onrustig op hun stoelen en kuchen nu en dan om hun droge keel te ontlasten. De jongvolwassene stapt naar voor. Het liefst zou ze nu op het strand lopen. Vrij van het weten dat ze een stukje meer alleen verder moet. Vrij van het verdriet van nooit meer. In haar hand draagt ze de tekst die ze vijf dagen geleden schreef. Ze zat toen naast het bed van de moeder. De lakens waren kraak wit gesteven. De ontsmettingsgeur overheerste de boeketten rozen en de korven met fruit. De moeder ademde zwaar in en uit en liet haar handen opgeblazen door het vocht van de baxters rusten op haar buik. Het meisje met een lichaam dat sprekend leek op de jongere generatie van het doorgelegen lichaam van de moeder liet haar hart spreken.   ‘Hier zit ik dan, wachtend op het moment dat je me weer zal aansporen ik weet wel hoe het zou moeten jij was immers mijn bloedverwante mijn mama, mijn vriendin, mijn voorbeeld   Jij, die altijd zo goed kon luisteren Jij, die zelf op zwakke momenten, niemand wou lastig vallen Jij, die de bloemekes hun stengeltjes schuin afsneed, opdat ze toch wat langer zouden bloeien Jij, die als je een kind zag, een knipoogje, een vriendelijk woord gaf   ´T ja : woorden schieten me vaak te kort maar de essentie blijft gemakkelijk uit te drukken: jij   Vergeet nooit: jouw glimlach laat bij iedereen een vlammetje na   Dank je. Je dochter'    Ze kijkt naar het publiek. Enkele gezichten glimlachen naar haar. Ze zoekt de ruimte af. Hier en daar zit een bekende. De hele ruimte is gevuld. Van overal kwamen ze voor haar moeder. De moeder is vandaag een beevee. Ze hoopt dat de man die beweert haar lief te hebben, de ruimte zal opkleuren en haar straks zal ondersteunen. Maanden hadden ze uren gepraat en weken hadden ze samen opgetrokken ondanks het afwijzende oog van de moeder en de vader. De gekleurde man wou zich settelen in het Noorden. De jongvolwassene was hiervoor een mogelijke kandidaat. De jongvolwassene had genoten van de gesprekken met een werelds accent. Haar lichaam had ze echter voor zichzelf weten te houden. Nu weet ze dat dit de juiste beslissing was. Alle gezichten voor haar zijn winters bleek.   Ze kucht, kijkt naar de kist voor haar en krachtig draagt ze de tekst op aan haar moeder. Het hele gebeuren is een groot toneelstuk. Voor haar leeft de moeder verder. In haar verhalen. In haar glimlach. In haar kijk naar de wereld. Zakdoeken worden bovengehaald. Ingetogen verlaat ze het podium. Ze neemt terug plaats tussen haar vader en broer. Ze voelt hun warmte.    ------------------------------------------------ ‘de hele wereld is een schouwtoneel en alle mensen zijn maar acteurs.’ William Shakespeare    De jongvolwassene herneemt haar studies. Ze concentreert zich, neemt deel aan de studentenactiviteiten en speelt moeder in het WE. De wereld blijft haar lokken. Waarvoor wou haar moeder haar beschermen? Zal ze de tocht vol uitdagingen, ontmoetingen, vraagtekens en van moeder-zijn aan kunnen? Voor haar eindwerk vertrekt ze voor de eerste keer naar het andere continent. Afrika. De vader brengt de jongvolwassene in een donker blauw kostuum, lichtblauw gestreept hemd en donker rode kravat naar de luchthaven. Hij vertelt haar over zijn business trips. En over de gevaren alsof hij er zelf bij was. Ze knikt, glimlacht en belooft hem dat alles goed komt. Ze omhelzen elkaar. De studente neemt haar valies en stapt de douane door. Aan de andere kant van de wereld zou ze opgewacht worden door een dame van haar land.   Na een lange vlucht komt ze aan. Het douanepersoneel kijkt de witte studente indringend aan en vraagt wat ze voor hen meebrengt. Ze kijkt hen verward aan, glimlacht en stapt verder naar buiten. In de zwarte massa gedrukt tegen een hoge metalen omheining ziet ze een witte dame staan. De enige. Snel stapt de studente naar de witte dame. Ze geven elkaar een stevige handdruk. De dame, Thérèse, neemt de valies over. Samen met drie zwarte dames stappen ze naar een lichtgrijze auto. Thérèse, een dame van rond de 60 jaar, neemt het stuur en ze rijden weg van de luchthaven. De zwoele kleverige warmte, de overheersende chaos, de krakkemikkige wagens en de petroleumlichten in de kraampjes langs de straten maken de studente stil. De wagen ontwijkt diepe putten, slaat de drukke hoofdstraat af, rijdt door kleine stegen en komt tot stilstand voor een klein geel gebouw te midden van een grote verzorgde tuin. Een witte en zwarte vrouw verwelkomen haar.   De volgende ochtend om 5 uur komt een zwarte man de studente ophalen. Ze stappen langs de spoorweg en vele kleine steegjes. Doorheen de buitenwijken. Zwarte schimmen lopen snel langs haar voorbij met of zonder gewicht op het hoofd of verkopen brood, nootjes of bananen gehurkt naast de weg. De drift om te overleven drijft hen voort. Een drift om eten voor de dag te vinden. Evenals geld voor water en houtskool. De studente beweegt met hen onopvallend mee. In het donker met een doek rond haar hoofd en losse kleren is ze onzichtbaar. Voor even. Na een uur komen ze aan het sojamelk bedrijf. Hier zal de studente informatie voor haar eindwerk moeten verzamelen. Thérèse en de drie dames van de dag ervoor zijn al druk bezig de sojabonen te wassen en de machines klaar te maken. De studente draait mee. Na de middag gaan ze de sojamelk aan een zeer lage prijs verkopen in de sloppenwijken. Erna stapt ze met de zwarte man terug naar het klooster. Het avondeten gebeurt in de grote zaal beneden. De witte en zwarte moederoverste praten kort tegen de studente, maar praten niet met elkaar en bedienen elkaar niet. IJzig stil. De student propt zich uit verveling vol met soep, hoofdgerecht en dessert en snelt naar haar kamer. De vier muren brengen haar echter geen rust. Ze neemt haar dagboek en gaat op bed zitten. ‘Vorige week kon ik nog gaan wandelen waar ik wou. Nu is mijn wandelgebied beperkt tot een kleine tuin. Opgesloten als een beest in de dierentuin. Eergisteren droomde ik nog van Afrika. Nu ben ik er en zit tussen vier muren. Met twee ramen zo hoog dat ik niet kan buiten kijken. Vandaag zag ik weer die vele mensen stappen. Blijkbaar kilometers en kilometers. Bij ons kan je de bus nemen. Is er plaats voorzien voor oude mensen, een kinderkoets en gehandicapten. Alles netjes geregeld. Hier worden de mensen als beesten gepropt in taxi-minibussen. Zelfs dat vervoermiddel kunnen de meeste niet betalen. Soeur Colette, een dikke zwarte non die gezellig lijkt, en Soeur Marie Louise, een witte, magere non die op alles een opmerking geeft, willen beiden het hoogste woord voeren en brengen me ook niet dichter bij Afrika.’ Buiten op straat speelt muziek opgewekt luid. Roepen kinderen naar elkaar alsof er een grote voetbalmatch gespeeld wordt. De studente mag niet naar buiten. Enkel onder begeleiding. En niet s ‘avonds. De poorten van het klooster zijn al lang op slot alsof ze elk moment een aanval verwachten.   De volgende maanden volgt de witte vrouw dit dagritme tijdens de werkweek. Ze komt de laatste nieuwtjes op een luchtige wijze te weten, de prijsstijgingen, de sluiting van benzinestations, de knagende honger en de uitzichtloosheid van de huidige regering. Ze stelt vragen, glimlacht , leert de lokale taal en observeert. Ze wordt vertrouwd met het leven in de grootstad en past de lokale gewoontes toe die voor haar haalbaar zijn. Eten met de handen. Zich wassen in een plastieken bassin. Gaan slapen kort na zonsondergang.   Het is vrijdag. Thérèse nodigt de studente uit om voor het WE bij haar thuis te komen. De ogen van de studente stralen. Ze rijden de stad uit. Naar de universiteitscampus. De nacht valt met een snelheid zoals het gordijn in de schouwburg na een toneelvoorstelling. Op de campus staan vele grote gebouwen. Wat een glorie. Voor een donkergrijze poort stopt Thérèse en claxonneert. Een jong meisje opent de poort. De studente stapt uit. Een groep zingende en dansende kinderen verwelkomt haar. De studente kleurt rood en stapt met aan elke hand een kind het huis binnen. Het grote huis van Thérèse. 35 jaar geleden kwam Thérèse, als bioloog, samen met haar man en hun vier kinderen, aan om les te geven aan de universiteit. Geconfronteerd door de moeilijkheden van vele studenten, openden ze hun huis voor enkele alleenstaande moederstudenten. Door de jaren heen, kwamen er meer bewoners bij, waaronder ook wees- en straatkinderen. Het geloof in God hield hen recht. De volgende ochtend wandelen drie moederstudenten met de witte studente over de campus en plaatsen haar in het middelpunt van de belangstelling. De campus is verlaten. Kapotte vensters. Afgeschilferde gele verf op de groenvochtige gebouwen. Vergane glorie.   Na een mens-vol weekend wordt de studente terug aan het steriele klooster afgezet. De kilte overvalt haar en ze trekt zich terug in haar kamer. ‘Wat een wereld. Op straat is de situatie gespannen. Ik verdiep me niet in de politiek want het is veel te complex. Ik ben maar een simpele student. De professoren en leerkrachten worden al maanden niet betaald door de overheid en staken nu. De universiteit is voor onbeperkte tijd dicht. Sommige studenten waren bijna afgestudeerd, bijna klaar om eindelijk geld te verdienen. Nu wachten ze gelaten. Hoe zou je zelf zijn? Normaal slapen de studenten met vijf of zes in klamme eenpersoonskamers. Hun aula’s zijn muffig en te klein voor de vele studenten. Rechtstaand moeten ze les volgen en alles noteren want syllabi zijn te duur. Vier studenten vroegen me om een beurs te regelen zodat ze in het Noorden een toekomst kunnen uitbouwen.’ Ze zucht, sluit haar dagboek, gaat op het bed liggen en staart naar de ventilator aan het plafond. Net de schroeven van een helikopter. De elektriciteit valt uit. De muziek buiten en de helikopter ook. Twee vliegen zoemen rond haar hoofd verder.  ------------------------------------------------------   de zwarte vogel pikt met zijn bek op het dicht bevroren water    Elk weekend gaat de witte studente naar het huis van Thérèse. Ook deze keer. Buiten op straat rommelt het. De studente wordt aangemaand naar binnen te gaan. Vanuit de stoel op het donkere terras staat ze recht. Ze wuift naar de drie zwarte studenten die in het maanlicht de wacht houden over het grote, verduisterde huis en gaat op de tast naar binnen. Haar ogen wennen aan het donker. Alle kamers liggen vol met matrassen, kleren, boeken en mensen. Ze doet haar sandalen uit en legt zich op een matras op de grond in de gang. Naast haar liggen een baby, een moeder en studenten. Ze slaat een doek om zich heen en valt in slaap. Ze schrikt wakker en gooit het beest dat over haar gezicht kruipt weg. De lange kakkerlak vliegt weg en zet zich vast op de muur naast haar. Ze slaapt niet meer in. De stilte buiten wordt nu en dan verbroken door een kreet of een knal. Op de tast zoekt ze haar zaklamp. Ze zet zich recht en neemt het dagboek uit haar rugzak. ‘Ik ben zo ongerust. Buiten wordt er geschoten. Militairen hebben belangrijke plaatsen ingenomen. Ik zou graag papa en Steven verwittigen maar de telefoon is al drie dagen afgesneden. We kunnen niet weg want de auto is leeg en in de stad is er geen benzine meer. Straks plunderen ze misschien ons huis en zullen ze mij en al deze lieve onschuldige mensen afslachten. Wat zal papa zonder zijn dochter doen en Steven zonder zijn zus? Nee ik wil leven. Ik wil het overleven. Die militairen voelen zich nu de koning te rijk. Maar voor hoelang?’.   Het wordt licht. De studente staat op, plaatst de matras achter een deur en groet de huisgenoten die wakker zijn. Het dagritme hervat zich. Kinderen lopen overal rond. Buiten werken enkele studenten in de moestuin. De witte studente moet binnenblijven. Onrustwekkende berichten sijpelen binnen. De militairen zijn op 200 meter van het huis aan het plunderen. De studenten verstoppen hun diploma’s in een put in de tuin en nodigen de witte studente uit hetzelfde te doen. De studente geeft hen haar pasport en fototoestel. Thérèse organiseert het middagmaal. De witte studente volgt haar en helpt de studenten met het snijden van de maniokbladeren uit de tuin. Het gebeuren in de stad is het middelpunt van de conversaties. Allen lachen ze met het voorval dat een man de etalage van een schoenwinkel leeggehaald en thuis ontdekte dat hij alleen schoenen voor de linkervoet meegebracht had. Het middagmaal is klaar. Thérèse brengt een kom rijst en groenten naar het terras. Twaalf kinderen zitten met een plastieken bord voor zich. Ze volgen met volle ogen de kom. Thérèse schept op. In slilte slokken ze hun bord leeg.   De spanning in huis stijgt. Op elke hoek van het huis houden de bewoners scherp de wacht. Plots wordt aan de poort gebeld. Iedereen in huis is alert. Zijn het de militairen? Misschien een buur in nood? Een studente schuift voorzichtig het uitkijkluifel van de poort open. Een zwarte man in zwart kostuum en witte das staat voor de poort, maant haar aan de poort te openen en de witte vrouw snel te roepen. Thérèse komt tussen beiden, verstaat de man en roept haar landgenoot. Een zwarte wagen rijdt de oprit op. De studente moet mee. Er is geen tijd om deftig afscheid te nemen. Met tranen in de ogen omarmt ze vlug enkele kinderen en Thérèse en neemt haar pasport, fototoestel en rugzak van een jonge moeder aan. De studente stapt traag in de wagen en zwaait van achter de geblindeerde vensters naar het luchtledige. Niemand kan haar zien. De poort wordt vlug dicht gedaan. Ze staart naar het voorbijglijdende straatbeeld. De straat is leeg. Mensen zijn binnen gebleven voor de veiligheid. Alles is geplunderd, overal glasscherven, in brand gestoken benzinestations en autowrakken. Alles is vernield door mensenhanden. Alsof een troep mieren een krekel aanviel en enkel het skelet overliet. Zelfbediening voor de sterksten. Ze komen aan op de ambassade van het land van de studente. De bewaker herkent de nummerplaat. De poort gaat open en de bewaker commandeert hen met zijn mitrailleur snel binnen te komen. De wagen rijdt binnen. De studente is veilig. Haar collega’s en vrienden buiten niet. Zij moet vluchten. Thérèse mag blijven. In de ambassade loopt het vol witte mensen. Na een uur krijgen ze zalm, kaviaar, hesp, kaas en brood voorgeschoteld. Er wordt gegeten. De studente eet niet. Ze kan niet. Zij in het huis van Thérèse ook niet. De kinderen eten er maïsmeel met water, zonder melk, zonder suiker, zonder vlees. Bedden zijn geïnstalleerd in de gangen en kamers. Er wordt geslapen. De studente schrijft afscheidsbrieven voor de mensen bij Thérèse en neemt haar dagboek. ‘Overal Ogen Monden Gewoonten   En toch, de jouwe zijn anders.   Het zijn de jouwe’ Ze sluit haar ogen en is bij het leven van Thérèse. ------------------------------------------------------    ‘als hij kon toveren, kon toveren, kon toveren, kon toveren, dan hielden alle mensen van elkaar’ Herman Van Veen   Het huis om haar heen is groot. Te groot. De kamers bewoond door bedden, matrassen, kasten en tapijten zijn leeg. Een week geleden lag ze omringd op een matras op de grond in het huis bij Thérèse. De muren zwijgen. Buiten rijdt een eenzame auto voorbij. De studente stapt uit bed, laat het water over haar lichaam vloeien, trekt een broek en een T-shirt aan en springt op de fiets.   Ze stapt de supermarkt binnen. Roze, witte, gele yoghurt. Water in blauwe, groene en witte flessen. Een hele frigowand vol soorten vlees. Een hele wand vol soorten brood. Bakken stampvol met groenten en fruit. Ze staart naar haar boodschappenlijst, haar benen zijn als lood en ze kijkt opnieuw rond zich heen. Stapvoets vult ze haar winkelkar.   Een week geleden had ze moeten vluchten. Ze was in een cohorte van 15 wagens gevuld met andere witte mensen naar de luchthaven gebracht. Langs leeggeroofde bureaus, gebroken ruiten en kapotgeschoten transportbanden werden ze naar het vliegveld geleid. Daar hadden ze uren in de blakende zon op een vliegtuig gewacht. Sommigen hadden bagage. Anderen stonden er in een T-shirt en pantoffels. Sommigen waren vanop hun dak met een helikopter bevrijd geweest. Anderen waren met eigen vervoer naar de verzamelplaatsen voor de witte mensen gereden. Een raamloos goederenvliegtuig had de vluchtende witte mensen naar de hoofdstad van het buurland gebracht. Van daaruit waren vrouwen en kinderen met een passagiersvliegtuig naar het land van de studente overgebracht. In de vroege ochtend was de studente gewikkeld in een deken wazig uitgestapt en werd ze naar het militaire ziekenhuis geleid. Warme koffie en croissants vulden de opvangruimte. Ooit zouden massa’s mensen uit het zwarte continent en omgeving naar haar land trekken. Over land en zee. In een vrachtwagen. Opgesloten. Op een boot. Overladen. Wie zou hen verwelkomen?   Beladen fietst ze naar huis. Ze kneedt, wast, kookt en bakt de ingrediënten urenlang. Ze gaat helemaal op in de radio en zingt luidkeels mee ‘you can go your own way’. Plots hoort ze een sleutel in de voordeur. De vader van de studente stapt met zijn aktentas binnen samen met de broer die van zijn kot terugkomt. Ze geven elkaar een kus. Het huis vult zich op slag met stemmen. De vader trekt zich met zijn aktentas terug in zijn bureau. De broer duikt in de zetel. De studente neemt de zak van de broer, propt de kleren in de wasmachine en nestelt zich opnieuw in de keuken.   Eindelijk rinkelt de deurbel verschillende keren. Ze omhelst de bezoekers. De grootmoeder omhelst ze het innigst. Een week geleden was de vader op zakenreis. De grootmoeder was de studente met een taxi komen ophalen aan het militaire ziekenhuis. Met tranen in de ogen waren ze in elkaars armen gevallen en hadden ze elkaars geur opgemerkt. Eau de Cologne 4711 en ongewassen droog Afrikaans stof. Al vlug zit de hele familie rond de gevulde tafel. Zelfgemaakt suikerbrood. Rijstpap gebaseerd op het recept van de grootmoeder. Een kom sla met een vinaigrette van olijfolie, balsamicoazijn en yoghurt. Zeven soorten kaas. Vijf soorten vlees. Een groentetaart van broccoli, prei en zalm. Een fles rode en witte wijn.   De studente staat op en stapt naar de diaprojector. Ze laat de dia’s spreken en geeft nu en dan een korte uitleg. ‘Hier stap ik door een sloppenwijk om de soyamelk rond te delen.’ ‘Je bent zeker wel blij dat je terug bent?’ ‘Dit is Maman Thérèse en de alleenstaande moeders die ze een thuis geeft.’ ‘Ze zien er zo gelukkig uit.’ ‘Dit zijn Dieu en Symeon. De twee broers zijn vier en zes. Hun moeder is drie jaar geleden gestorven en hun vader is onbekend. Op een bepaald moment kon hun grootmoeder niet langer voor hen zorgen. Ze wou de kinderen niet de straat opsturen in de gevaarlijke sloppenwijk en bracht ze via via naar Maman Thérèse. Isa, een alleenstaande moeder die net haar enige zoon verloren had, nam de twee jongens aan. De grote dagelijkse vreugde van de jongens is om naar school te gaan en hun nieuwe mama rond zich te hebben.’ ‘Wat een schattige jongens.’ ‘Hier eten straatkinderen bij Thérèse rijst en maniokbladeren.’ ‘Je rijstpap is verrukkelijk. De bruine suiker erbij maakt het helemaal af.’ De familie lacht en praat er op los.   Kort voor middernacht is het huis opnieuw leeg. De broer gaat slapen. De vader en de studente ruimen alles op. In haar kamer haalt ze het dagboek uit haar rugzak. ‘Vandaag was de hele familie er. Je broers en zussen, de nichten en neven. Ik heb je weer enorm gemist. Hocus pocus pas. Kom alsjeblief nog eenmaal terug. Al is het maar voor een week, een dag, een uur of vijf seconden. Juist lang genoeg om je nog eens goed vast te houden, nog eens diep in je ogen te kijken, je te verwennen, je geur op te snuiven en je stem te horen. Vandaag had ik ook o zo graag voor mijn vrienden in Afrika gekookt.’   Het Weekend is kort. De vader brengt de studente tegen valavond naar het station. Met haar rugzak stapt ze tussen de menigte naar het volle perron. De trein stopt. In massa drummen de studenten zich op de trein. De lege plaatsen zijn snel ingenomen. Allemaal. Enkel rond één tafeltje zijn nog drie zitplaatsen vrij. De studente stapt er recht op af, laat zich neer ploffen en glimlacht naar de gekleurde dame voor zich. De trein komt in beweging. De studente ook. ------------------------------------------------------    ‘klaar voor wat groeien zal?’   Langzaam opent ze de enveloppe. ‘Bonjour. Comment ça va? We stellen het goed. Dieu en Simon vragen elke dag wanneer je terug komt. Jouw sjaal houdt me ’s nachts warm. Begroet je vader en je broer van mij. God zege je. Isa’. Ze vouwt het papiertje met de blauwe letters dicht en glimlacht door het raam naar de lichtblauwe zomerhemel, bezaaid met zachte witte wolken. Ook al functioneren de post en de telefoon in het Afrikaanse land niet, toch heeft deze brief haar via via bereikt. Vervolgens blaast ze op haar vlakke hand in de richting van de wolken en stuurt hen een boodschap voor Isa.   De studente trekt een pull aan, springt op de fiets en installeert zich in de stadsbibliotheek met vele boeken om zich heen. Het witte blad voor haar blijft echter leeg. Ze zucht. Hoe kan ze wetenschappelijk haar bevindingen van Afrika weergeven als ze er voortijdig is moeten vertrekken en bijna geen gegevens verzamelde? Na twee uur verlaat ze de bib en fietst naar het station. Ze springt op het nippertje op de trein en komt net op tijd voor haar afspraak aan bij een hoogleraar die lang in Afrika werkte. Ze noteert en noteert. Hiermee zal haar eindwerk al wat geleerder overkomen. Na afloop gaat ze een broer van haar moeder bezoeken. Vol lof verwelkomt hij haar. Uren praten ze over zijn zus, haar moeder, en Afrika. Haar lijf warmt op.   Laat in de avond, bereikt ze haar kot. Nieuwsgierig kijkt ze in de brievenbus en vindt een spierwitte enveloppe met een blauwe stempel. Ze neemt langzaam de brief en leunt met haar rug tegen een muur. Het studentehuis klinkt stil. Ze gaat naar boven, zet zich op de stoel achter haar bureau, opent de brief waar ze al zolang op wacht en haalt het getypte A4 blad eruit. Traag leest ze letter voor letter. De vele verslagen en de verre bezoeken zijn beloond. De prof heeft haar aanhoord en geloofd. Zij is uitverkoren. De studenten in Afrika niet. Straks zal ze haar vader bellen. Straks zal ze naar de fuif gaan. Met de brief op haar borst, legt ze zich neer op bed. Haar lichaam neemt de vorm van de matras aan. Alle spanningen vloeien weg alsof een badstop uitgetrokken wordt.   Diep in de nacht schiet ze plots wakker. Ze gooit het donsdeken en de brief van zich af, wast haar ogen uit met koud water aan de lavabo in de hoek van de kamer en springt op de fiets. Enkele studenten verwelkomen haar. Het lawaai overdondert haar. Uiteindelijk dringt ze de ruimte met zijn drank- en lijfgeur binnen en geeft ze zich geleidelijk over aan de muziek. ‘if I could turn back time, ...’. Ze danst. Ze botst tegen de studenten naast haar. Ze blijft dansen. Met gesloten ogen. Met haar moeder. Met Thérèse. Dieu. Isa. Simon. En de hele wereld.   Felle lichten verbreken ineens de betovering. Met zijn achttien staan ze op een kale dansvloer. Lege bekers verspreid over de grond. Met zijn achttien. Belabberd. Opgewekt. Moe. De koning te rijk. Ze fietsen in zigzag naar de fakbar. Warme croissants wachten hen op. De studente is na haar ochtendgymnastiek helemaal wakker. Ze fietst naar de les. De anderen naar hun kot. Ze zet zich op de achterste rij. De prof verkondigt aan een halfvolle aula zijn geloof. Waterzuurstof. Koolstofverbindingen en nog veel meer. De studente slaat gade. Volgend jaar zal ze dankzij een beurs in het buitenland gaan studeren. Ze weet nog niet dat ze ook daar de andere kant van de wereld zal omhelzen en dat het land van de stageplaats haar tweede thuis zal worden. De muziek speelt na in haar hoofd ‘everything I do, I do it for you’.   ------------------------------------------------------   ‘Mensen struikelen niet over bergen, alleen over molshopen’ Confucius    Als kind kon ze moeilijk buiten de lijntjes kleuren. Ondertussen leerde ze, als ze snakte naar lucht, lijnen uit te gommen en te hertekenen. Bladzijden vol te krabbelen. Kleuren op haar manier te mengen. Kladpapieren weg te gooien. Kleurenplaten te creëren die voldeden aan de normen van de buitenwereld.   Het hotel slaapt. Ze neemt haar rugzak en verlaat de kamer die ze reeds betaalde. Zonder zaklamp stapt ze de koele, donkere ochtend in. Het dorp dommelt in de bergmist. Hier en daar hoort ze gerommel in een huis. Ze laat het hooggelegen dorp met zijn bergvolk achter. Haar stappen weergalmen over de verlaten asfalt. Ze heeft twaalf uur de tijd om het station in de grote grensstad helemaal beneden te bereiken. Volgens de hotelbaas zou de trein naar de hoofdstad om 7 uur vertrekken.   Boven de bergen komen langgerekte zonnestralen geleidelijk tussen de wolken door. De hemel overheerst. Roos. Oranje. Grijs. De mist verbergt geheimzinnig de rijstvelden en houten dorpen in de vallei. Ze haalt diep adem en laat de frisse, verse ochtendlucht door haar lichaam stromen. Ze stapt en zucht. Nog een maand en haar stage zit erop. De voorbije maanden mocht de witte vrouw met een lokaal team het land mee afgereizen. In verafgelegen plekken hadden ze kinderen gewogen en enquêtes afgenomen. Het team sprak met moeite Engels en had haar op de achtergrond gehouden. Ze was te jong, Westers en een vrouw. Het team kon haar naam niet uitspreken en had haar Vy, blije kleine meid, genoemd.   De cadans van haar voetstappen brengen de vrouw rust. Morgen zal ze zich opnieuw integreren in de drukte en op kantoor aan het stageverslag werken. Van overal vervoegen mensen in indigoblauwe kledij de hoofdweg, bepakt met brandhout of landbouwgereedschap. De witte vrouw stapt hen voorbij en zegt goedendag in hun taal. De zon warmt de berg en de weg meer en meer op. Geregeld drinkt ze water van haar fles. Een volgeladen bus teutert en stopt. Ze schudt het hoofd. De bus rijdt verder.   Nog een maand. Het afscheid zal moeilijk zijn, vooral van haar nieuwe vriend. Enkele maanden geleden leerden ze elkaar kennen in een café. Hij had rechten en Engels gestudeerd en werkte in de hoofdstad. Uren zaten ze naast elkaar aan meertjes in de stad en redeneerden over het leven. Hun samenzijn is verdoken, vooral voor zijn ouders en haar vader. Nu en dan sluipt hij weliswaar haar guesthouse s’ nachts binnen en vertrekt hij voor iemand opstaat. Dankzij hem heeft ze een stuk van het andere leven geproefd. In zijn armen verdrinkt ze graag, veilig naar de diepte van de oceaan.   Als de grensstad beneden opduikt, zet ze zich aan de kant van de weg en eet de kleefrijst die ze de dag ervoor kocht langzaam op. Al snel komt een bergvrouw in een indigoblauwe bloes, rok en hoofddoek bij haar staan. Ze is tenger en ingetogen. De witte vrouw staat op en wil de bergvrouw kleefrijst geven. De bergvrouw glimlacht warm, schudt het hoofd en haalt vanonder haar bloes een verfrommelde foto. Op de foto staat de bergvrouw met een heel klein meisje op haar arm en naast haar een opgeklede dame met een strakke blik. De bergvrouw vertelt een gans verhaal. Soms stralen haar ogen. Soms staan ze verdrietig. Ondertussen sust ze het kind gebonden op haar rug door op de benen te wiegen en houdt ze de kleine jongen dichtbij haar in de gaten. De witte vrouw verstaat hier en daar een woord. Meisje. Ik mama. Dochter. Grote stad. Nieuwe mama. Nu acht jaar. Nu school. De vrouw bekijkt de foto aandachtig en steekt verschillende keren haar duim op. De twee vrouwen glimlachen naar elkaar, zijn bij het kleine meisje, houden elkaars hand vast en vervolgen elk hun weg.   Het drinkwater van de vrouw geraakt op. Tevergeefs zoekt ze kraampjes onderweg. Uiteindelijk vraagt ze een oude man die aan de kant van de weg zit, water. Hij doet teken te volgen. Ze loopt hem langs een paadje achterna. Ze bereiken een houten huisje. Op het erf van platgestampte aarde dolen een bijna kale kip en een hangbuikvarken rond. De man nodigt de vrouw uit om naar binnen te gaan. Ze aarzelt. Op dat ogenblik komen een meisje en een oudere vrouw het huis uit. Ze begroeten elkaar in de lokale taal. De witte vrouw stapt binnen. Het is er halfdonker en broeierig warm. Ze gaat op een houten bank zitten, krijgt water om haar twee flessen op te vullen en staat op. De man vraagt haar te wachten tot zijn echtgenote terugkomt. Hij neemt de rode thermos met bloemenmotief, giet warm water op de losse thee in een gebarsten theepot en geeft haar een kopje lichtgroene thee. Bitter en scherp. De middagzon zakt dieper. Na bijna twee uur komt de echtgenote fier de kamer binnen. Ze zet een kom rijst en gekookte kip neer voor de vrouw. De vrouw heeft geen honger. Ze wil zo vlug mogelijk vertrekken. Uit beleefdheid vult ze een kommetje met rijst en een stukje kip. De man, echtgenote en meisje kijken naar de vrouw en hun kip. Met stokjes eet ze het kommetje snel leeg en steekt haar duim om hoog. Allen glimlachen. Bij het afscheid schudden ze elkaar stevig de hand.   Ze herneemt de weg. De zon blijft zakken. Voorbij elke bocht komt een nieuwe bocht. De grote stad ver beneden lijkt een fata morgana. Onbereikbaar. Ze verhoogt haar tempo.   De veertig kilometer haalt ze. Om precies 18 uur stapt ze voldaan het station binnen. Haar T-shirt en hele lijf zijn nat van het zweten. Haar voeten zijn oververhit van de asfalt. Plots klopt iets niet. Tot haar ontzetting is het loket gesloten. Ze loopt vlug rond het station op zoek naar het juiste loket. Tevergeefs. Het station is leeg.   In de verte ziet ze een spoorwegwerker. Overstuur loopt ze naar hem. De man informeert haar dat er eenmaal per dag een trein naar de hoofdstad rijdt telkens om 17 uur. Ze krijgt tranen in de ogen. Haar hotelbaas had 7 uur gezegd. De spoorwegwerker nodigt haar uit om bij zijn collega’s thee te drinken. Ze twijfelt even. Zou ze de man vertrouwen? Zou ze beter in het donker een kamer zoeken in de stad op 3 kilometer? Ze is moe. De vrouw volgt tenslotte de man. Al vlug zitten tien mannen, even bezweet en stinkend als de vrouw, rond haar in een donker lokaal dat verlicht wordt door een kaars. Ze trekt haar schuchter terug op een rieten mat tegen de muur. Een man brengt haar een kopje thee en kijkt haar begerig aan. De vrouw zet het kopje neer, wendt haar hoofd af en neemt een zaklamp en dagboek uit haar rugzak. ‘Wat een WE. Ver in de bergen maakte ik lange wandelingen. De rijstterrassen waren indrukwekkend. De kinderen onbezonnen. De mensen leven er in harmonie met de natuur en hebben nog bijna geen buitenlanders gezien. Daarnet ontmoette ik een lieve mama. Ze gaf haar kind weg aan een rijke dame met veel beloftes. De rijke dame zou voor het kind zorgen en het naar school laten gaan. Wie ben ik om te zeggen dat dit goed of slecht is? Het is zo vreselijk dat de mama niet de middelen heeft om zelf voor haar kind te zorgen, ook al ploetert ze elke dag op de rijstvelden. Hopelijk had de dame uit de grote stad inderdaad goede bedoelingen. Hopelijk zien het meisje en de mama elkaar terug. Nu zit ik hier vast. Ik weet niet hoe ik hier weg geraak. Verdorie. Ik had beter die toeterende bus genomen.’   De mannen kaarten en letten niet meer op de witte vrouw. De vrouw is het wachten echter beu en vraagt hen hoe ze in de hoofdstad kan geraken. Er blijkt nog één goederentrein om 23 uur te vertrekken. Ze krijgt hoop. Met een spoorwegwerker stapt ze over de sporen. Na lang praten en smeken, mag ze van de machinist mee.   Als enige passagier bestijgt ze de trein. In de hoek van een wagon vindt ze een houten kist en gaat erop zitten. Niet lang erna vertrekt de trein. Ze rijdt wiebelend de donkere nacht in. Opgelucht. Weg van die grote drukke grensstad. Weg van de mannen die haar vuile opmerkingen toeslingeren.   Door de openstaande treindeur laat ze het luisterspel op haar indringen. Het knarsen van de geroeste wielen op de sporen. De krekels in uitgestrekte vlaktes. De blaffende honden in de ijle nacht. De fluitende spoorwegsignalen langs verlaten oversteekplaatsen. Na uren haalt ze de lendendoek van Afrika uit de rugzak, legt die op de vuile metalen vloer en gaat erop neerliggen, met al haar kleren aan en haar hand om de rugzakriem. Ze sluit haar ogen. Morgen zal ze als stadsmens met een deftige schoudertas en een gestreken bloes en broek achter haar bureau zitten. Ze sluit haar ogen en denkt aan de mama die haar kleine meisje een toekomst wou geven, aan haar vriend die haar morgenavond zal vasthouden en aan het gezin dat haar hun laatste kip weggaf. Wiegend valt ze in slaap.    ------------------------------------------------------   ‘Een vriend is iemand bij wie je de volledige vrijheid krijgt jezelf te zijn.’ Jim Morrison   Stapvoets en nog trager rijdt de witte vrouw, als een kameleon onopvallend, op de brommer in een menigte van honderden mensen. Mensen op brommers, in bussen, op fietsen of in auto’s. Zoals in een kikkenhok, zijn ze allen op elkaar geprangd. Het zweet loopt over het gezicht van de vrouw. Haar bloes plakt aan haar lijf. Het is vijf uur, kleverig warm en klammig vochtig. De miljoenenstad draait op zijn drukst. Het verkeer staat daverend stil. Een man wringt zich met zijn fiets boven het hoofd door het vastgedraaid verkeer en duwt de witte vrouw bijna omver. Ze roept hem na. De politieman in het midden van het kruispunt is nauwelijks zichtbaar en fluit tevergeefs naar de fietsman. De uitlaatgassen bevangen de vrouw. Ze kijkt wanhopig naar de lucht. Haar hoofd zit vol. Het heeft zuurstof nodig, duizenden liters en meer.   Na de stampvolle straten, rijdt ze een kleine steegje in. Ze ademt opnieuw. Kinderen spelen op straat. Vrouwen verkopen noedelssoep, in rijst gerolde gebakken bananen of rijstpudding met kokosmelk. De drukte glijdt geleidelijk van haar schouders. Voor een klein, wit huis met een metalen deur stopt ze en toetert. Meneer Bao, een man van ongeveer zestig, opent de deur. ‘Welcome, kom binnen’. Ze geven elkaar de hand. Hij duwt haar brommer de woonkamer binnen. Ze laat haar sandalen aan de deur staan en gaat rechtstreeks naar de keuken achteraan. Mevrouw Hang, zijn echtgenote, komt de vrouw glimlachend tegemoet. Ze omhelzen elkaar. ‘Kom je voor je wekelijkse les?’ ‘ja, en ook voor jouw gezelligheid en lekkere eten’. Ze lachen beiden.   Ze stapt terug naar de woonkamer met overal schilderijen en sculpturen van meneer Bao. Hij is verzonken in een boek. De diepe groeven in het gelaat en het taaie lichaam vertellen zijn verleden. Jaren zat hij opgesloten in heropvoedingskampen omdat hij in de oorlog samengewerkt had met de Fransen en Amerikanen. Zijn kinderen was het gelukt om als bootpeople naar Amerika te vluchten. Hijzelf en zijn vrouw nog niet. Vijf maanden geleden was de witte vrouw haar werk in de visfabriek beu. De lokale bazen waren het grootse deel van de tijd afwezig, de arbeiders kregen een hongerloon en de machines en de visconserven boeiden haar niet. Ze had nood iets bij te leren en wou de lokale denkwereld beter verstaan. In het instituut voor traditionele Oosterse geneeskunde had ze Meneer Bao, die er les gaf over de ‘art of living’, ontmoet. Vanaf toen hadden ze elkaar wekelijks gezien.   De witte vrouw gaat met haar notitieblok voor Meneer Bao op de frisse stenenvloer zitten. Hij schenkt haar een kopje thee in. De donkergroene theeblaadjes zakken naar de bodem. Ze neemt een slok van de lichtgroene, heldere thee. Hij vertelt over de kunst om te ademen. De kunst om naar een bloem te kijken. Hij gaat dieper in op de kunst om te eten; over het kauwen van de rijst, het kleine rijstplantje en de mensen in de rijstvelden. Ze luistert en stelt vele vragen. Zijn levensinterpretaties klinken als zoete sprookjes. Onbevangen gaat ze er in mee. Een uitlaatklep voor even. Ooit zouden in haar thuisland, mensen overrompeld worden door de consumptiemaatschappij en ook snakken naar nieuwe overlevingsstrategieën. Boeken over mindfullness, duizenden stappen, nooit meer diëten en vertragen zouden als champignons uit de grond rijzen. Mensen zouden de boeken kopen, lezen of aan hun ToDo-lijst toevoegen.   Mevrouw Hang komt binnen en plaats een grote ronde, metalen dienblad met schalen op de vloer. Gebakken garnalen, tofu in tomaten saus, gestoomde spinazie, gekookte kip en papajasalade. Uit de rijstkoker schept Mevrouw Hang kommetjes rijst in. De vrouw neemt haar kommetje met twee handen aan en buigt het hoofd licht. Met zijn drie eten en praten ze hele avond verder.   De vrouw rijdt naar haar kamer boven het naaiatelier. De ruimte van vier op vier met zijn witte vloer, bureau, boekenkast en stoel, en het grote terras met zijn bamboezetel stralen deze keer rust uit.   In de vroege ochtend staat ze op. Op het terras stretcht ze zich volgens de oefeningen van Meneer Bao. Ze wast zich boven een plastieken kuip, kleedt zich aan en vertrekt met de brommer. Bij een straatverkoopster bestelt ze een kom noedelssoep en slurpt deze snel op.   Na vele drukke wegen komt ze aan in het visbedrijf. Negendertig arbeiders pellen garnalen. De drie bazen zitten achter hun bureau. Een ervan spreekt de vrouw aan. De productielijn die de baas uit haar land hier opstartte, loopt alweer vast en de ingeblikte garnalen geven niet de gewenste kwaliteit. De hele ochtend zoeken ze samen naar een oplossing.   Kort na de middag krijgt ze een fax, ‘Onze afspraak vanavond gaat niet door’. Haar baas bekijkt haar nieuwsgierig. Ze steekt de fax weg, stapt zonder woorden het gebouw uit en wandelt de straat op. Haar hoofd tolt. Ze had een baan gezocht in het land van haar vriend en ook gevonden, weliswaar in een stad op 2000 km van hem vandaan. Hij had haar gefeliciteerd en was blij geweest. Ze hadden afgesproken elkaar om de drie maand te zien, afwisselend bij haar en bij hem. Deze keer zou hij vanavond landen en een heel WE blijven. Verdorie, ze keek zo naar zijn komst uit. Hoe zal ze het WE nu overbruggen? Ze snakt naar ruimte en beweging. Waar kan ze heen? Als ze terug stapt naar het visbedrijf, glimlacht ze. Haar vriend had haar baas niet veel info voor roddelpraat gegeven. Straks zal ze haar vriend bellen en zullen ze elkaar weer moed inspreken.   De volgende ochtend fietst ze naar het busstation en vindt een bus die naar de grootste badplaats zal rijden. De chauffeur sjort haar fiets vast naast de andere bagage op het dak. Met een overvolle bus verlaten ze de miljoenenstad. De vrouw zit vooraan naast het raam. De wind is haar reisgezel. Kilometers voor de badplaats stapt ze af. Parallel met de kustlijn fietst ze naar een vissersdorp, waarvan ze gehoord heeft dat het er rustig is en vrij van hoogbouw en drukke stranden. Ze passeert zoutwinnings- en rijstvelden en dunbewoonde dorpen. In een simpel, klein hotel vlak aan het strand vindt ze een kamer. Ook al lonkt de zeegeur haar, toch trekt ze zich terug in haar kamer.   Na het middagdutje, wandelt ze naar de zee. De zonnestralen nemen af in kracht en worden aangenaam. Haar oog valt op een grote zandheuvel enkele kilometers verder vlak aan zee. Langs de zeelijn, stapt ze met blote voeten door het water dat bijna geluidloos aanspoelt. Al snel zijn er geen strandgangers meer. Ze passeert een bos met dichte, donkergroene naaldbomen en een vervallen pagode. Na een uur staat ze beneden aan de heuvel. Vol moed, klautert ze de heuvel met zijn los, fijn zand op. Helemaal boven aan vindt ze de ideale ontspannngsplek. Een grotesk zicht. Een weidse zee. Kilometers strand helemaal verlaten. Een zwoele avondbries.   In kleermakerszit gaat ze op het zachte, witte zand zitten, drinkt een slok water, neemt het dagboek en kijkt naar de gladde zee. Een eenzame vogel vliegt voorbij. Ze neemt haar pen. ‘in de stilte word ik stil hoor ik de stilte die steeds dieper dieper gaat tot niets meer te horen is   en alleen jij in beeld komt’   Ze recht haar rug, legt haar handen gevouwen in haar schoot en kijkt met half gesloten ogen naar de verre horizon. Geleidelijk sluit ze haar ogen. Ze volgt de adem in haar lichaam, rustig in en uit. Ze ziet zichzelf als een bloem, fris; als een berg, stevig; als water, weerspiegelend; en als ruimte, vrij. Haar gezicht ontspant. Haar gedachten laat ze op witte wolken voorbij vliegen. Met gesloten ogen neemt ze de ruimte en de geluiden rond haar waar. De laatste zonnestralen raken haar teder.   Uit het niets hoort ze plots een hond blaffen. Ze opent haar ogen en springt recht. Een man met drie honden aan de leiband stapt met forse stap de heuvel op. Haar hart gaat tekeer. Haar voelsprieten hebben haar in de steek gelaten. Enkele jaren geleden had ze zichzelf beloofd altijd en overal extra waakzaam te zijn. Ze had toen met een lokale gids een vulkaan beklommen. Op de top had ze zich neergelegd om even te rusten. Compleet onverwachts had hij, echtgenoot en vader van zes kinderen, op haar gesprongen. Ze had hem kordaat weggeduwd en aangesproken. Ongeschonden was ze toen beneden geraakt.   Ze steekt vlug het dagboek en de fleswater in de rugzak. Te laat. De man staat naast haar, bekijkt haar zonder woorden van kop tot teen en houdt zijn blik op haar zak. ‘Xin chao, hallo’, uit ze onzeker en verzet haar voeten. De man bromt iets onverstaanbaar. Ze daalt heel langzaam de heuvel af. De man volgt haar op de voet. ‘Anh co khoe khong? Hoe gaat het?’ Hij bromt weer iets. ‘Het is hier mooi’. Ze wil het beest in de man gedempt houden. ‘Je hebt een mooi land’. Ze verwacht geen antwoord. De man blijft plakkend naast haar wandelen en jut zijn honden op. Ze versnelt. Hij ook. Ze wijst naar de honden. ‘Dep, mooi’. De man knikt. Eindelijk contact. Ze wijst naar de zee, ‘mooi’. Naar de bomen, ‘mooi’. Naar de lucht, ‘mooi’. De lichten van het dorp komen dichterbij. De stem van de vrouw krijgt kracht en haar lichaam meer lucht. Het strandt vult zich met koppels en kleine groepen mensen. Ze wijst naar de heuvel achter haar ‘mooi’. De man stopt en draait zich om. Razendsnel loopt ze op een groep mensen in. De man wil haar volgen maar krijgt zijn honden niet snel mee. Ze loopt vele meters. Abrupt vertraagt ze en stapt gebukt met een koppel mee, het dorp in.   Hijgend valt ze haar hotelkamer binnen, vergrendelt de deur, sluit de ramen en gooit zich op bed. Slechts na een uur staat ze op en neemt een douche. Het water spoelt het zand, het zweet en de bibber in haar lijf weg.   De volgende ochtend verlaat ze heel vroeg haar kamer, fietst hard, neemt een bus en komt in de namiddag in haar kamer in de miljoenenstad aan.   Het rusten en ontspannen lukt niet. Teveel lawaai buiten. Te warm. Teveel gedachten. Ze neemt haar brommer en rijdt naar het zwembad. Onder water is het stil en wordt ze kalm, telkens voor dertig seconde. Afgekoeld leest ze een boek in een nabijgelegen eettent en neemt haar pen. ‘de straat een groot toneelstuk vele acteurs maar achter elk gelaat een eigen verhaal’   Met de wind in haar haren en bloes, rijdt ze naar huis. De hoofdweg is rustig. Ze slaat een steegje in. De kalmte verwelkomt haar. Televisies zijn uitgezet en mensen slapen. Ze stopt voor het huis van de kleermaker, opent de deur en zet de brommer voorzichtig tussen de toonbank en de naaimachine. Op de tippen van haar tenen loopt ze naar de bovenverdieping. Ze opent het grote raam, hangt over de balustrade van het terras en slaat de taferelen in de verschillende leefruimtes van de buren gade. Iedereen lijkt te slapen. Alvorens naar binnen te gaan, staart ze nog even naar de maan. Wat zou haar vriend nu doen? Zouden haar broer, vader en vrienden deze avond ook naar de maan kijken?   Binnen rolt ze de rieten mat open, hangt het roze muskietennet op en trekt een losse lichtkatoenen pyjama aan. Onder het net legt ze zich uitgestrekt neer en luistert naar de ronkende ventilatoren in de verte. Pas morgen om 5 uur, zal het orkest opnieuw beginnen. Het schreeuwen van de straatverkopers, de klaagliederen van voorbijtrekkende begrafenisstoeten, het toeteren van de brommers en het roepen van de mensen. Pas morgen zal ze opnieuw naar de fabriek gaan. ---------------------------------------------------------------- ‘de enige manier om te komen waar je wilt zijn, is te zijn waar je bent’, Anna Vali    De jonge vrouw staat op het perron. Naast haar staat een jonge man, de broer van de vrouw, en een metalen valies, met net afgewogen 23 kilogram. Zij is de enige die weet dat ze in het land die ze in haar hart draagt Vy wordt genoemd. Het land waar ze 2 jaar woonde. Het land met zijn overdrukke straten, zijn miljoenen bezige mensen en zijn uitgestrekte rijstvelden.    Ze ziet de trein dichterbij komen, steeds dichter. De broer maakt grapjes. Zij laat de grappen over haar heenglijden zoals de regendruppels over een blad. De trein stopt. Zij is niet gehaast. De broer reikt haar de valies aan. Ze treuzelt, ze kijkt om zich heen en neemt uiteindelijk de valies aan. Ze stapt op, zet de valies neer en hangt aan de deur naar buiten. Zou ze het wagen om op het perron te springen? Zou ze de valies alleen de lange reis laten maken? Zou ze de organisatie die strijdt tegen de honger in de wereld en die haar verwacht in het hoofdkantoor in het buurland in de steek laten? Enkele maanden was ze terug in haar thuisland. Ze had er vrienden opnieuw ontmoet. Ze had werk gezocht en nu gevonden. De wereld verkennen, voelen en beleven. En toch. Het afscheid is telkens een opgave. De conducteur fluit. De jonge vrouw haalt diep adem en zwaait enthousiast naar de broer. Een volgende keer zal ze blijven.   De reis duurt lang. Uren en uren. Al die tijd kijkt de jonge vrouw uit het raam, met haar blik op het voorbijglijdende landschap. Alleen zij weet dat achter de horizon en nog veel verder haar vriend nu op de brommer rijdt, nu op kantoor zit, nu rijstsoep slurpt en straks gaat slapen met een lege kant in bed. Dat hoopt ze toch. Eindelijk, na vijf uur, bereikt de trein de bestemming. De jonge vrouw blijft zitten. De trein verlaten betekent zich opnieuw openen voor een onbekende stad, onbekende mensen en een onbekend project. Een minuut. Twee. Drie. Ze zucht, neemt de valies en houdt deze stevig vast. Binnen een week zou ze de valies volledig kunnen uitpakken. De winter- en zomerkleren. De broekzakgrote wekker met één AA batterij. De toiletspullen met een volle tube tandpasta. De kleine CD speler op batterijen met twee CD’s. Het dagboek met vier kleuren stylo’s, een potlood en 11 kleurpotloden. Een foto van haar vriend, moeder, vader en broer. Exact 23 kilogram bekende spullen. Zonder zichzelf mee gerekend.   Ze stapt uit en kijkt om zich heen. Het is koud. De mensen op het perron begeven zich allen in één richting, zoals een stoet van mieren die een mierennest opbouwt. De jonge vrouw schakelt over op de automatische piloot. Ze volgt de massa. In haar hand omklemt ze stevig de zware valies. Het bekende wil ze niet kwijt. De massa blijft zich voortbewegen. Ze laat zich leiden. Plots staat ze buiten het station op straat. De regent overvalt haar.  Met de valies tussen haar voeten, haalt ze een papiertje uit haar vest met de eindbestemming van de dag erop. Ze is een doorreizende bezoeker. Of zouden ze haar hier vluchteling noemen? Of toch niet? Ze heeft een eigen identiteitskaart op zak en heeft maar enkele uren gereisd. De ogen van de jonge vrouw speuren de straat af. Een man komt op haar afgestapt. Ze neemt haar valies, kijkt recht voor zich uit en stapt met volle stap naar de rij ordelijk geparkeerde taxi’s. Zonder woord, doet ze een portier open en stapt in.   De taxichauffeur spreekt de jonge vrouw met een vreemd accent aan. Ze glimlacht. De auto vertrekt geluidloos tussen de vele auto’s. Steeds verder van het station. Ze ontspant. In de metalen doos met de zachte kussens is ze veilig voor de buitenwereld. Een verkennend gesprek ontvouwt zich. Ze luistert en stelt meer vragen. Ze staart uit het raam. Hoge gebouwen. Rechte asfaltwegen. Mensen met aktentassen, mensen in jogging, mensen met een kind. Ergens heen. Ook zij.  ----------------------------------------------------------------   ‘Plan je toekomst, maar doe het in potlood’, Jon Bon Jovi   Twee zwart geklede oude vrouwen lopen alleen op een verlaten weg in een uitgestrekte vlakte zonder enig teken van leven in de naaste omgeving. De één ondersteunt de ander. Beide lopen ze krom. Ergens heen. Vanuit een rode Lada staart de jonge vrouw hen aan. Een van hen doet teken naar de auto om te stoppen. De chauffeur naast de jonge vrouw rijdt om de oude vrouwen, baboesjkas, heen. Ze kijkt naar de chauffeur met gefronste wenkbrauwen en vervolgens door de achterruit. De baboesjkas strompelen in het midden van de weg verder. Zij hebben een lang leven gezwoegd en nieuwe pagina’s van hun unieke levensverhaal beleefd. Miljarden en nog veel meer zijn hen voorgegaan. Deze twee zijn misschien op zoek naar voedsel of een dokter of op weg naar de begraafplaats van één van hun kinderen.   De jonge vrouw concentreert zich op de gaten in de weg. Terwijl haar vrienden in het thuisland een hele dag achter de computer werken, zit zij in gezelschap in de auto. Uitgestrekte vlaktes glijden langs haar voorbij, evenals gebombardeerde huizen en opgeblazen bruggen. In het Russisch praten twee collega’s op de achterbank en speelt de muziek levendig revolutionair. Plots remt Viktor, de chauffeur, bruusk. Hij brengt de Lada tot stilstand voor enkele gewapende soldaten. Iedereen stapt rustig uit. De soldaten aan de controlepost doorzoeken de Lada. Soldaten, tralies, prikkeldraad, geweren, met daartussen de simpele mens. Mensen hebben hier geleerd los te laten, open te staan voor iets nieuws, met kapot geschoten ramen midden in de winter zonder verwarming te slapen naast de lege bedden van de vermiste familieleden. Een en al zen. Na negen maand is de jonge vrouw het nog niet gewoon. De eerste dag was ze via een stuk niemandsland het onbekende land binnengestapt. Naast haar liepen enkele zwaarbepakte jonge vrouwen, oude mensen met duwkarren en kinderen, net zoals haar grootvader heel lang geleden voedsel over de grens had gesmokkeld. Viktor die haar had opgehaald met de Lada, had haar joviaal begroet ‘Welcome to hell’. Ze had toen niet beseft dat ze politie zou moeten spelen, dat ze geen technische ondersteuning van de werkgever zou krijgen en dat communicatie met het thuisfront enkel via moeilijk leesbare faxen en trage brieven zou verlopen.   Ze stappen terug in. Viktor zet de muziek wat luider. Een uur later komen ze aan een kantine in een groot gebouw. Een mollige dame met een witte voorschort op sportschoenen komt de jonge vrouw tegemoet. Ze omhelzen elkaar teder. De wereld staat even stil. Hun harten versmelten. De jonge vrouw houdt heel even haar moeder vast. De dame, Luda, houdt heel even haar dochter vast en heeft tranen in de ogen, net zoals de vorige keren. De jonge vrouw heeft blijkbaar dezelfde bleke gelaatskleur, hetzelfde bruine stijl haar en de zelfde grote schoenmaat als de dochter van Luda. De dochter die Luda ooit hoopt terug te horen. De dochter die tijdens de oorlog in de vroege ochtend naar Rusland vluchtte. Richting vrede. Richting toekomst. ‘Kak dela? Hoe gaat het?’. De jonge vrouw doorbreekt het slepende gemis. ‘Goed’, glimlacht Luda, ‘wacht hier even. Ik verwachtte je’. Luda snelt het gebouw binnen, komt met glinsterende ogen terug en geeft de vrouw een zelfgemaakte lekkernij. Walnoten geregen aan een draad en gedoopt in druivensap dik gezoet met gesmokkelde suiker. De vrouw bergt de lekkernij voorzichtig tussen enkele papieren in haar draagtas op. Arm in arm stappen ze de kantine binnen. De kilte van de winter hangt nog in de ruimtes. Ze hernemen hun taken. De jonge vrouw inspecteert de netheid van de keuken, controleert de bevoorrading en checkt de lijst van de geselecteerden voor de voedselhulp. De twee collega’s volgen haar voorbeeld. Luda roert met lege blik opnieuw in de immense kookpotten.   De jonge vrouw stapt door de grote blauwe kantine. Honderden uitverkorenen voor de maaltijd zijn geduffeld in gewatteerde mantels, wollige mutsen, robuuste berenmutsen en warme sjaals. Een feest voor het oog. Met een homp wit brood, een bord plat gekookte rijst met bruine bonen en een tas gesuikerde thee zitten ze aan vierkante tafels versierd met een dennentak in een flesje. Sommige uitverkorenen staren naar hun bord. Anderen gaan op in het gezelschap van de kantine. Aan een tafeltje in de hoek herkent ze Mimosa, de dame met de rode lippenstift, het witte haar, de lichtgroene hoed en de fiere blik. Mimosa was vroeger lerares Duits. Sinds de oorlog heeft ze geen inkomen meer, zijn ook haar kinderen gevlucht en is haar man omgekomen. Mimosa staat moeizaam recht. ‘Kak dela?’ De jonge vrouw geeft Mimosa een hand en ondersteunt haar. Geleidelijk vindt Mimosa woorden in het Duits. ‘Gans gut. Ik ben vandaag zo blij. Vroeger gaf ik geld aan het Rode Kruis om de armen in Afrika te helpen. Nu zijn jullie gekomen om ons eten te geven’. De jonge vrouw bloost. ‘Dank je, we leven allemaal op dezelfde bol. We kunnen elkaar beter helpen, niet? Ik ben ook blij dat ik je mocht leren kennen.’ Op wankele benen maakt Mimosa een kleine rondedans.   In de keuken verdelen de kokkinnen het eten dat nog in de potten overblijft onder elkaar. De jonge vrouw en de twee collega’s schuiven mee aan de tafel. Ze praten over de laatste nieuwtjes en maken grappen. Luda geeft hen een bord warme rijst met malse bonen. De vrouw eet gezapig. In het thuisland hebben haar vrienden nu een brooddoos of een belegd krokant broodje voor zich. Met stralende ogen laat ze Luda het bord opnieuw vullen. Ooit zal ze op haar lijn letten. In de namiddag gaat ze met de twee collega’s enkele mogelijke kandidaten voor voedselhulp bezoeken. Net als het donker gevallen is en de avondklok startte, bereiken ze de omheining van het ex-hotel. Het viersterrenhotel was in de oorlog compleet vernield. Stukken ervan werden gerenoveerd en hebben nu kantoor- en slaapkamers voor internationale organisaties.   Ze stapt naar haar kantoor, installeert zich achter het bureau en analyseert de gegevens die ze de laatste weken verzamelde tijdens de voedseluitdeling. Ze houdt het niet lang vol. Na tien minuten neemt ze haar dagboek en laat haar pen spreken. ‘Mama, het was weer een speciale dag. Vandaag bezocht ik enkele families. Het eerste gezin woonde met zes kinderen in een klein houten huis op een heuvel. Naast de kachel waar de bonen op pruttelden zaten tien kuikens in een open bak. Een jongen fluisterde in het oor van zijn moeder dat hij Engels wou leren want hij vond mijn taal mooi. Ik gaf de jongen een knuffel. Hij glimlachte zijn melktanden bloot. Ik kom uit een land waar ik na schooltijd naar huis fietste en waar ik bij mijn thuiskomst de kasten maar moest openen om mijn buik te vullen. Wat kon ik deze magere jongen vertellen? Ik bezocht ook een vrouw van ongeveer 45 jaar. Ze woonde in een huis in een groene tuin. Een deel van het huis was buiten gebruik want er was een bom in gevallen. Ik stelde wat vragen voor het project. Ze antwoordde verlegen en verontschuldigde zich dat ze ons geen koffie en noten kon aanbieden. Ze was verpleegster, had geen werk, was niet getrouwd, werd geliefd door de mensen in het dorp en had een weesmeisje van negen jaar geadopteerd. Het meisje zat teruggetrokken op een stoel mee te luisteren. Na een tijdje vertelde de vrouw dat ze sinds drie maand een stekende pijn had onder haar oksel. Ze voelde er een bobbeltje dat steeds groter werd en wilde dat ik er aan voelde. Ze was nog niet naar de dokter geweest want ze had geen geld om de bus te betalen, laat staan de consultatie en medicijnen. Ik kom uit een land waar mensen, ondanks goede verzorging, sterven aan kanker, net zoals jij. Wat kon ik deze vrouw zeggen?’   Ze sluit haar ogen. De beelden blijven. Wie is wie in deze wereld? Wie is zij om te beslissen wie er wel of geen eten krijgt? Met welk doel lijden mensen? Waarom is ze op deze plaats terecht gekomen? Wanneer niemand in de gang meer te horen is, stapt ze met het

Kristien Vliegen
0 0

opdracht 6 - Kristien

‘De natuurlijke vonken hebben meer kracht dan de bedachte dingen.’ Toon Hermans    De jaren gaan voorbij. De vrouw gaat werken, organiseert de verbouwingen thuis, verzorgt het huishouden en speelt moeder en partner. Het lichaam van de blanke vrouw geeft nu en dan storingssignalen maar ze ploetert verder. Ze wacht tot haar automatische piloot terug op volle toeren zal overslaan. Tevergeefs. Ergens midden november zit de vrouw zoals de meeste werkdagen op kantoor voor de computer. Ze focust zich op de zwarte doos. Zeventien nieuwe mails. Een navorming moet georganiseerd worden. Drie vergaderingen moeten voorbereid worden. Een visietekst moet voor de 23ste keer herlezen worden. Ze tuurt naar de mails. De woorden dringen niet binnen. Haar vingers krijgt ze niet in beweging. Haar hoofd ook niet. Ze tuurt naar buiten. De zon schijnt. Mensen lopen over straat. Ergens heen. De gedachten van de vrouw glijden zacht weg naar een safaritrip in een natuurpark in Afrika lang geleden. Ze werkte toen voor een voedselorganisatie in een door oorlog geteisterd land, had twee weken vrij en trok met haar vader onder begeleiding van een lokale gids in een jeep door een uitgestrekte savanne vlakte. Een grote kudde wilde beesten rende voor hun wielen voorbij. Vanop afstand sloeg de vrouw en de vader de beesten gade. De kudde rende vermoedelijk al dagen. Het gedaver van de hoeven op de veel te droge aarde was oorverdovend. Water zochten ze. Leven. Gnoes, zebra’s en antilopen renden als één groep met duizenden samen. Allen renden ze hun instinct om erbij te horen en te overleven achterna. Een grote gnoe rende aan de zijlijn mee. De pas van het beest vertraagde. Het beest stopte even en rende weer verder. Stop en verder. Stop en voortdoen. De kudde bleef naast het beest op hogere snelheid verder rennen. De afstand tussen de kudde en het beest werd groter. Het beest herpakte zich minder vlot. Het zakte door zijn poten. Het duwde op zijn voorpoten maar zijn zware lichaam kreeg het niet op. Het legde uiteindelijk zijn hoofd neer op de gebarsten grond en strekte zijn poten. Het wedijveren, het steeds verder crossen op zoek naar morgen was voorbij. Het gedaver van de kudde dijde weg. Enkel een grote stofwolk bleef aan de horizon achter. De buik van het beest ging op en neer. Samen met de hitte van de zon en de uitgesproken stilte wachtte het beest op wat komen zou. Is het moment voor de vrouw  ook reeds gekomen? Nee, een kreet in haar schreeuwt het uit. Ze wilt er nog zijn voor haar kinderen, man, vader en broer.  Rond haar rennen mensen mee met de snel draaiende wereld mee en vallen nu en dan af alsof ze door een kogelstoter werden weggeslingerd. Zij wilt halt houden om daarna met volle toeren te draaien, weliswaar met de buitenlucht en de stilte als bondgenoot.   Ze tuurt naar de vier witte muren om zich heen en buigt zich terug over de computer, zonder resultaat. Met een krop in de keel belt de vrouw na enkele uren de dokter. Eenmaal bij de dokter hoeft ze maar twee zinnen te zeggen. Haar tranen vertellen de rest. Met een briefje van 9cm op 18cm staat ze na vijftien minuten buiten. Ze rijdt traag met haar grijze auto naar school om de kinderen op te halen. Bij de schoolpoort aangekomen, stapt de vrouw uit en loopt snel naar binnen. De kinderopvang is vijftig minuten geleden gestart. De kinderen zien de moeder aankomen en spelen vlijtig met de andere kinderen verder. De moeder kijkt hen aan en zoekt hun boekentas, vest en brooddoos. Na tien minuten rennen de kinderen naar de moeder en wandelen ze hand in hand naar de auto. De jongens maken luid door elkaar lawaai. Hun dag zal zich in volle glorie thuis verder zetten. De moeder krijgt hen in de auto, maakt hen in de kinderstoel vast en sluit hun deur. Alvorens zelf in te stappen absorbeert ze vlug enkele minuten de kalmte van het verlaten dorpsplein. Ze probeert voldoende zuurstof op te nemen om zonder tranen en geroep aan de avondshift thuis te beginnen. Onderweg maken de jongens hun gordels open. De moeder maakt zich boos. De jongens spelen onder elkaar verder. Thuis gekomen, opent ze hun deur. Als kuikens die veel te lang binnen hebben gezeten, lopen ze de kleine tuin in en slingeren aan de schommel. Beiden willen op het enigste schommelzitje. Vervolgens willen ze beiden aan de enigste turnringen. De moeder doet de achterdeur dicht, kijkt van achter het raam naar de kinderen en begeeft zich naar het kookaanrecht. Zoals elke werkdag, komt de zwarte man om 17u08 van zijn werk terug. De blanke vrouw opent de achterdeur. Ze geven elkaar een kus. De ogen  van de vrouw staan rood. Hij kijkt haar vragend aan. Snikkend zegt ze dat ze een tijdje thuis moet blijven van de dokter. De zwarte man omhelst haar in stilte en zegt met volle stem dat alles goed komt. De vrouw herpakt zich en kookt verder. Na het eten, doet de zwarte man de afwas en brengt de vrouw de kinderen naar bed. De vrouw stapt traag naar boven, alsof ze met elke trede meer leeg vloeit. Ondertussen bereiden de kinderen boven hun lees cocon voor. Ze sluiten de gordijnen van hun kamer, steken het licht aan en plaatsen alle hoofdkussens op één bed. De moeder schudt haar hoofd en glimlacht. De kinderen glimlachen terug en geven haar elk hun favoriete prentenboek. Ze leest met wankele stem enkele pagina’s voor. De kinderen slaan de volgende pagina om en willen meer. Zij niet. De kinderen geven niet op. Zij wel. Zonder klank beeldt de moeder roodkapje en de wolf uit. De kinderen lachen luid en improviseren mee.  Zonder klank gebiedt ze hen na een tijdje te gaan slapen. Ze kruipen in hun bed. De moeder stopt hen onder de lakens en geeft een kus. Ze omhelzen haar innig. Zonder klank staat ze op, werpt hen een laatste handkus  toe, knipt het licht uit en gaat ook slapen. Onmiddellijk glijdt ze net zoals Doornroosje in een diepe, vredige slaap.   De volgende dagen volbrengt ze traag haar moederlijke taken, slaapt veel overdag en maakt kleine wandelingen. De computer laat ze dicht. Soms opent ze haar dagboek. ‘Verdorie toch. Ik wil in actie schieten maar het lukt me niet. Soms trilt mijn ganse lichaam alsof het diep van binnen uitgehongerd is en geen vijf minuten langer recht op kan staan. Ik ben net een marionet die door buitenaf bestuurd wordt en waarvan de touwtjes elk moment kunnen doorknappen. Straks kunnen ze me met een vuilblik opvegen. Rust heb ik nodig zonder die moeheid die mijn tijd steeds opslorpt om te slapen. Hoe zou het leven zijn mochten de jongens een grootmoeder hebben die even mijn rol kon overnemen? Ik snak ook naar een babbel met mijn man, naar echtheid. Maar hij is tegenwoordig in zijn wereld terug getrokken. Ik zit weer met een vreemde aan tafel. Vroeger gaven we elkaar lof bloosden we samen rood raakten we elkaar aan vlogen we oneindig ver weg   Nu blijft geen woord over enkel een diep ademhalen een licht snurken tijdens slapeloze nachten’    Enkele dagen later belt een vriendin van de vrouw en vertelt haar over een cursus ‘spreken voor publiek’ met als eindopdracht  een speech van twintig minuten brengen voor een groot publiek. De woorden van de vriendin raken het hart van de vrouw. Plotseling slaat een vonk aan.  Tranen komen naar boven. Meer dan zeven jaar lukte het de vrouw niet om te schrijven. Zeven jaar was ze druk bezig met haar nieuwe leven die omringd was door de twee jongens en de man.  Letters vormende geen woorden en het papier bleef wit. Zou ze eindelijk de remmen durven los te laten en de verhalen van de wereld naar buiten brengen? Zou ze eindelijk een boodschap de wereld mogen insturen? De volgende dag schrijft de vrouw zich in voor de cursus. Ze zou enkele zaterdagen les krijgen met vijf andere cursisten en via webcam zou ze de theorie te horen krijgen. De daar opvolgende maanden wakkert de cursus de geest van de vrouw aan. Dankzij woorden reist ze zonder vliegtuigticket naar de plaatsen waar ze ooit werkte en naar de mensen die ze ooit ontmoette. Soms komen tranen naar boven, verrast een glimlach haar of kunnen haar vingers bij het schrijven haar woordenstroom niet snel genoeg volgen.  Haar lichaam blijft echter broos en heeft meer slaap nodig. De dokter schrijft de vrouw nog enkele briefjes voor.  Elke dag na het afzetten van de kinderen aan school, maakt ze een wandeling. Na een tijd ziet ze de blaadjes van de struiken en de eenden in de beek, hoort ze de auto’s in de verte en de vogels in de lucht, voelt ze de glimlach in haar hart en krijgt ze meer zuurstof. Het liefst stapt ze naar de top van de heuvel. In de verte ziet ze dan een andere heuvel waarachter Afrika, Azië en de ganse wereld zich schuilhouden. Eenmaal thuis maakt ze thee met theeblaadjes van het land waar ze vier jaar woonde, gaat aan de grote eettafel zitten met zicht op de hoge plataanboom van de buren, zet haar rode leesbril op en neemt een stylo. De blauwe inkt van de stylo raakt het magische, witte blad en brengt de vrouw punt voor punt dichter bij wat haar bezig houdt en bij wat in haar verborgen zit. Onuitwisbaar. Na 21 weken, krijgt de vrouw eindelijk zicht op de boodschap van haar speech en schrijft ze de intro. ‘Goede namiddag. Ik weet niet of het is jullie al overkomen is, maar eind vorig jaar had ik een dipje. Mijn werk lukte niet. Mijn kinderen weerspiegelden me meer dan ooit, en mijn man had het nog moeilijker om me te begrijpen. Ik had nood om nog eens op reis te gaan en verlopen te lopen. Ik had nood om nog eens stil te staan bij mijn leven. Ik zocht en uiteindelijk vond ik wat ik nodig had. Het werd een zes maand durende tocht met vallen en opstaan en met een duidelijke eindbestemming. Een speech geven voor jullie op de eerste zomerdag.’   Voldaan kijkt ze naar de plataan. Een zwarte vogel brengt een takje naar het nest hoog in de boom en vliegt vervolgens ijverig weg. Ze slurpt traag van haar thee. ________________________________________________________________________________________ ‘Geef een mens het idee dat hij bijzonder is, en hij gaat bijzonder doen.’ A. Honkoop    De grote dag breekt aan. Vandaag zal de vrouw haar speech brengen in een theaterzaal in de stad. Ook al is het zondag, de blanke vrouw staat vroeg op. Ze ontbijt met de kinderen, maakt een appelcake voor haar medecursisten en verdringt haar moeheid met groene thee. De zwarte man heeft de ganse nacht ontspannen in gezelschap van de teevee en een fles drank en slaapt nog diep, zich niet bewust van de stress die de vrouw aan het opslorpen is. Na twee uur kan de vrouw de drukte van de kinderen niet meer aan. Ze roept de zwarte man wakker.  Het liefst zou de vrouw zich nu afzonderen zoals ze vroeger deed bij de examens. Toen liet ze haar zenuwen door haar ganse lijf kruipen om er elke vezel wakker te maken en om zich te concentreren op wat nodig was. De man staat snel beneden. Met een glimlach maakt hij zijn thee en maant hij de kinderen aan om hun speelgoed op te ruimen. De vrouw maakt het middageten voor de kinderen klaar en verwelkomt de babysit. Na een half uur zitten de man en de vrouw in de auto. Terwijl de blanke vrouw de snelweg oprijdt, vraagt ze de zwarte man stil te zijn. Aan 120 km per uur draagt  ze haar speech op. Ook hier had ze het liefst alleen geweest om zich helemaal diep met de speech te verbinden. Het voorstel aan de man om met een vriendin van de vrouw naar de theaterzaal te rijden, had geen gehoor bij hem gevonden. De man wou het liefst bij de vrouw zijn. Aan de theaterzaal nemen ze afscheid. De man zal voor enkele uren de stad intrekken en op tijd voor de speech terug zijn. De vrouw stapt het theatergebouw binnen met een koffer met daarin drie broeken, vier bloezen en twee paar schoenen. De docente, een bekende actrice, en de vijf medecursisten verwelkomen haar.   Tijdens de repetitie loopt het mis. De vrouw stapt het podium op. De lege, roodfluwelen zetels kijken haar aan. De grootsheid van de zaal overvalt haar en op slag is ze helemaal haar tekst kwijt. Ze kan geen woord uitbrengen. Alles is weg. Ze is weer het kleine kind die niet weet hoe haar zeer mondige vader te beantwoorden. Ze is weer de studente die door een militair in Afrika brutaal wordt aangesproken. Ze is weer de jong volwassene die haar mening niet mocht geven in Azië. Tranen ontspringen in haar ooghoeken. Ze wil weg. De deur uit. De wijde wereld in.   De docente kijkt de vrouw teder aan, begeleidt haar van het podium en zegt dat alles goed kom. In de kleedkamer kiest de docente voor de blanke vrouw een groene, aansluitende, Aziatische bloes, een witte lange broek en smalle blauwe schoenen uit de koffer en vlecht de haren van de vrouw. In de coulissen neemt de blanke vrouw plaats op een stoel naast de medecursisten en focust zich op de ademhaling. Haar gezicht staat strak en de glimlach is weg. Nog twee sprekers en de vrouw mag opkomen. Even denkt ze terug aan de korte vakantie van enkele weken terug. Het was haar toen gelukt om thuis een week vrij te krijgen. Ze was een week naar een Grieks eiland getrokken. De uitgestrekte zee, de golfslagen, het vers gekookte eten en de eenpersoonskamer hadden haar rust gebracht. De vrouw had er na enkele rustdagen, bladzijden vol geschreven met woorden van pijn, liefde, verdriet en dankbaarheid en met vertrekpunt de moeder, de zwarte man, de kinderen en de ganse grote wereld.  Op een bergtop had ze, met energie in de aders, haar speech opgedragen aan de uitgestrekte lucht. De nacht voor het vertrek van het kleine eiland had de vrouw, aangemoedigd door de zwoele buitenwind, de vol gekrabbelde bladzijden verzameld en verbrand. Met de as in een witte Kleenex was ze op een rots vlak aan het zeewater geklommen. Toen een grote golf haar dreigde te overspoelen, had ze het pakje ver in de zee gesmeten. De Kleenex had zich geopend en de as had enkele seconden door de lucht gedwarreld alvorens in de donkere zee terecht te belanden. Op dat moment was de volle maan achter de wolken te voorschijn gekomen en had ze zich gerealiseerd dat ze net ouder geworden was dan haar moeder ooit geweest was.   De blanke vrouw slikt. Haar moeder zit ook deze keer niet tussen het publiek. De vrouw slikt opnieuw en kijkt naar de docente. De docente geeft teken dat ze recht mag staan en kondigt de vrouw aan.  Het publiek applaudisseert luid. De vrouw neemt diep adem, recht haar rug, brengt de borstkas naar voor en stapt het podium op. De vrouw kijkt de donkere, volle zaal in, glimlacht en begint de speech. De adrenaline doet haar werk. De woorden zijn teruggekomen. Het publiek beweegt mee en lacht op geregelde momenten. De vrouw spreekt eindelijk uit wat ze jaren in zich draagt en benoemt hoe ze de wereld ziet. Ze prijst ook Meneer Bao, een Aziatische man van zestig, die jaren in concentratiekampen doorbracht en met haar over de ‘art of living’  filosofeerde. Ze prijst Mevrouw Nanuli, een oude vrouw, die haar man en twee kinderen verloor in de Kaukasische oorlog en die de blanke vrouw dagelijks bedankte voor de maaltijd van het voedselprogramma.   De twintig minuten vliegen snel voort. Nog even en de speech is voorbij. Ze neemt een slok water en zet het laatste deel van de speech in. ‘Vaak als ik de bomen met hun takken zie wuiven, als ik de vele auto’s als mieren zie krioelen door de straten en als ik mijn kinderen spontaan zie spelen, Dan denk ik, wat zou het super zijn, als we vlugger stop zeggen aan al de moetes, als we vlugger foerten. Wat zou het super zijn als we de tijd nemen voor een glimlach in ons hart. En ja ik stel me dan een wereld voor waarin we allen de wereld zien als één bol met respect voor elkaar. Laat de bloem in u zelf bloeien. Ze is uniek, en geniet van de bloemen naast u. Dank u.’ Het publiek applaudisseert luid. Zoals het hoort, buigt ze twee maal diep en met een brede glimlach verlaat ze opgelucht het podium. In het café van het theater  wachten haar vader, vrienden en de zwarte man de vrouw met lof op. De vader neemt het hoogste woord. Met een warm gezicht geeft de vrouw iedereen een kus. De zwarte man staat er afwezig stralend bij. De vrouw trakteert iedereen en bedankt hen voor hun komst en steun.   Bij het afscheid, feliciteert de docente de vrouw en raadt haar aan meer speech ervaring op te doen. Van buiten en van binnen bloost de blanke vrouw rood. Na die dag, contacteert de vrouw enkele organisaties met het voorstel om te komen spreken. Niemand is geïnteresseerd in haar woorden. Het speechen begraaft ze voor ooit misschien. Het schrijven houdt ze warm. Soms zit ze vast en soms schrijft ze enkele regels. Soms moedigt iemand haar aan en soms drijven de vlinders in haar buik de vrouw naar hogere oorden.   Dertig jaar na de dood van haar moeder zit de vrouw aan de grote eettafel met zicht op de hoge plataanboom, zet ze haar rode leesbril op en schrijft in stilte de laatste woorden van haar boek ‘Lieve mama. Rust in vrede. Je kleinkinderen zijn trots op jou. In mijn verhalen en in mijn glimlach leef je verder. Dank je wel.’ Ze zet haar bril af, strijkt door haar witgrijze haren, staat op, opent de deur en stapt naar buiten.  

Kristien Vliegen
0 0

Opdracht 5 - Kristien

(gebaseerd op opdracht 3)    Mtoto   Het gezicht van de blanke vrouw straalt, net alsof ze niet weet wat haar te wachten staat. Ze kijkt hem aan. De zwarte man zegt dat alles goed komt en even gaat wandelen. Ze buigt zich over de metalen tafel in de hoek van de witte kamer. Hij kijkt haar aan, stapt naar de deur, trekt de deur dicht en staat in de kale, lege gang. De blanke vrouw was hem opnieuw komen opzoeken in zijn land. Hij had jaren op haar gewacht. Ze had koekjes meegebracht zelfgemaakt in haar land en zin om samen met hem zijn land te verkennen. Hij had haar naar de hoogste top van zijn land geleid. Zij had hem naar de zee, voor hem toen nog onbekend, meegenomen. De golven, het vele water en het strand hadden grote indruk op hem gemaakt. Toen die vele plaatsen niet voldoende waren voor de blanke vrouw, had hij haar voorgesteld de groene heuvels waar bijna nooit toeristen kwamen en zeker geen blanke te verkennen. Na twee dagen reizen met verschillende matatu’s, de minibus, had hij via via het vertrekpunt gevonden. Ze dwaalden weken over de heuvels en leefden op het ritme van de blanke vrouw. Laat opstaan. Rustig de dag starten. Tijd nemen voor een kus. Voor een knuffel. De zwarte man wist toen nog niet dat ze daar op vakantie modus leefde. Daar boven in de heuvels was hij een echte man geworden. Haar buik was sindsdien beginnen groeien, evenals Mtoto, kind.   De zwarte man stapt de gang door. De muren zijn steriel wit. Ook de vloer en de mensen die errond lopen. Zijn stappen weergalmen. Hij stapt de trap af en komt buiten. Lucht. De zon verwarmt zijn donkere huid. Hij ademt in en weet de auto van de blanke vrouw te vinden. Met haar sleutels opent hij de deur, installeert zich op de passagierszetel en zet de CD dat de blanke vrouw van zijn land meebracht op. Ook de komende dagen zou hij zich geregeld terug trekken in deze auto. De muziek brengt de zwarte man terug naar zijn land. Twee weken geleden had hij zijn rugzak gevuld met wat kleren en een paar schoenen en had hij enkele vrienden laten weten dat hij naar zijn vrouw in het Westen ging. Hij reed met een vriend naar de luchthaven. Alles leek zo onrealistisch. Zou hij straks echt met het vliegtuig wegvliegen? Zou hij echt naar een nieuw land gaan? Zou de blanke vrouw daar echt op hem wachten? Hij was geland en had haar gevonden. Overdonderend echt. Voor drie maand, de duur van zijn visum. Daarna zou hij terug naar zijn land gaan. Daarna zou hij wel zien.   De auto brengt hem geen rust. Na een tijdje stapt hij het ziekenhuis terug binnen. Vele verdiepingen, gangen en kamers. Hij vindt de kamer van de blanke vrouw terug. De deur is dicht. Met zijn oog gericht op de deur wandelt hij de gang heen en weer. Op een gegeven moment komt een dame in witte short de deur uit. De zwarte man stapt naar haar toe, kijkt haar aan en knikt met vragende ogen. De dame opent de deur voor hem. Hij glimlacht en stapt de kamer binnen. Op de buik van de blanke vrouw ligt Mtoto. Klein, samengekropen, rozig, met bloedvlekken. Zijn hart wordt vuur warm. Hij stapt langzaam naar haar en de kleine jongen toe en streelt hen. De blanke vrouw kijkt de zwarte man aan met ogen die stralen als bloemen en geeft hem de kleine jongen. Onwennig neemt hij Mtoto aan en kust de jongen. Geleidelijk vindt de zwarte man enkele woorden. Zijn zwartbruine ogen fonkelen, zijn witte tanden glinsteren en zijn donkere huid blinkt. Na een tijdje plaats hij de kleine jongen terug op de buik van de blanke vrouw en gaat naast hen op het bed zitten. De kleine jongen nestelt zich vlakbij de tepel van de blanke vrouw. Zijn vrouw. In zijn land geven de vrouwen ook de borst aan hun baby’s, wikkelen ze baby’s ook in doeken en slapen ze ook samen met hun baby’s in bed. In zijn land liggen de vrouwen echter met velen in een kamer op bedden met of zonder matras en zonder lakens. Hij glundert en heeft niets toe te voegen.   Later op de avond komt de vader van de blanke vrouw even langs. De oude blanke man kust de blanke vrouw en houdt fier de kleine jongen vast. Hij klopt op de schouder van de zwarte man alsof hij voor de eerste keer de zwarte man ziet en samen toosten ze met een glas champagne. Op het leven. De zwarte man straalt en is stil. In zijn land weet zijn bloedeigen vader niet dat hij hier is. Daar is hij één van de zovele kinderen van zijn vader. Daar wordt hij enkel aangesproken om geld te geven. Woorden worden er nauwelijks gewisseld.   Laat na toegestane bezoekuur vertrekt de zwarte man. Hij laat de blanke vrouw en de kleine jongen achter. Uiteindelijk stapt hij de donkere straat op. Leeg. Niemand te zien behalve een paar mensen. Hij weet de bushalte te vinden en bestudeert de voorbijrijdende bussen. Bus 23 moest hij nemen. Net zoals de anderen, steekt hij zijn hand uit. De bus stopt op zijn wenken. Hij stapt in en geeft de buskaart. Geld is niet nodig. Een oude dame zit kranig vooraan met een stok en naast haar een al even oude man. De zwarte man slentert naar achter in de bijna lege bus, blijft recht staan en staart naar buiten. Niemand spreekt hem aan. Voor een groot gebouw vol ramen stapt hij geruisloos uit. Nu kent hij de weg. Gehaast stapt hij door een parkje. In het land van de blanke vrouw mag dit. In zijn land niet. Daar loert de dood in het donker om de hoek. Zelf deed hij het wel eens als het niet anders kon. Zijn schoenen weerklinken op de straattegels in de zwoele donkere nacht. Eenmaal aan het appartement gekomen, beklimt hij de vier verdiepingen. In de studio is het stil. Muisstil. Hij trekt zijn schoenen uit en zet ze netjes naast de deur. Evenals zijn kleren. Uitgestrekt legt hij zich op bed neer en staart naar de sterren door het dakraam. Morgen zal hij Mtoto terug in zijn armen houden. Ook zijn vrouw. Vandaag ontmoette hij zijn kleine jongen. Zijn zoon.

Kristien Vliegen
0 0

Opdracht 4 - Kristien

    Hoe het allemaal juist is gegaan, weet ze niet meer. Ze weet wel nog dat ze soms vleugels kreeg. Brede, krachtige vleugels. Dan vloog ze weg. Heel even. Heel hoog. Genoot ze van de uitgestrekte lappen grond, van de blokken die figuren vormden, van de stippen die over de kronkelende lijnen bewogen, van de wind rond haar lijf. Boven wist ze niet wie ze was. Ze vloog. Ze was vrij. Tot plots de zon te warm werd en ze, als door een donderslag, weer op de grond terecht kwam en weer zichzelf werd. Ze krabbelde recht en begon te stappen. Kilometers en nog eens kilometers. Stap voor stap sloeg de automatische piloot aan en wist ze wanneer ze stop had moeten zeggen, wanneer ze had moeten doorgaan en wanneer ze had geleefd. Helemaal echt. Telkens opnieuw.     __________________________________________________________________________________   ‘Een vogel zingt niet omdat hij een antwoord heeft. Hij zingt omdat hij een lied heeft.’ Maya Angelou    Een groot meisje stapt op de dijk. De lucht kleur rozig, blauwig grijs. Onder haar wijde vest verstopt ze haar lichaam en houdt ze haar hart strak. Ze stapt arm in arm met een vrouw. De moeder. Naast hen stapt een man. De vader. Ze luistert gedeisd naast de moeder, knikt en antwoordt kort. De vader geeft nu en dan een opmerking. Het grote meisje knikt nog meer. Het wandelen gaat traag. Te traag. Het meisje stopt plots, opent de rits van de vest, glimlacht naar de moeder en vader, draait zich om en rent over het strand naar het water. De haren van het meisje wapperen in de wind. De vest fladdert mee. Ze rent en rent. De ganse wereld zit op haar hielen. Grote en kleine mensen. Dikke en dunne. De vader en de moeder. De lucht waait hard en het zand snijdt diep. Ze rent verder. De zee houdt haar echter tegen. Ze stopt, staart naar de horizon en haalt diep adem. Standvastig staat ze daar. Opgenomen in vrije rust. Omgeven door gezichtsvolle verhalen. Een traan op haar wang verklapt haar hart. Pablo. Op vakantie in het buitenland had ze de arme kleine jongen elke dag eten kunnen geven ondanks het protest van de moeder en de vader. Sofie. Op school luisterde ze naar de verscheurende verhalen van haar vriendin en beloofde zichzelf deze niet verder te vertellen. De nacht ervoor had ze een boek over Gupta in het verre Buitenland gelezen. De letters hadden beelden gevormd. De beelden waren levens geworden, levens met oren en ogen, met kinderen en zorgen, met honger en dorst. De moeder had de kamer van het grote meisje binnen gedrongen en het boek afgepakt. Het meisje was met rode ogen ingeslapen.   De golfslag maakt het meisje wakker. Ze begint met de armen cirkels in de lucht te tekenen, springt op en neer en loopt parallel met de zeelijn verder. Richting ondergaande zon. Een witte Kleenex die ze uit haar zak haalt om haar neus te kuisen, valt op het zand en waait weg. Het meisje rent de zakdoek achterna. Ze bukt zich. Op dat moment neemt de wind de zakdoek terug mee. Ze glimlacht, speelt hond en rent het papiertje achterna.   De moeder en de vader zwaaien naar haar. Ze zwaait terug. Uitgewaaid loopt ze naar hen terug. Arm in arm stappen ze verder. Zonder woorden.   Thuisgekomen, nestelt het meisje zich in haar kamer, gaat achter de bureau zitten en legt 13 schelpen in wit, grijs, dof blauw en beige op de witte Kleenex naast zich neer. Ze neemt het dagboek en buigt zich diep.  'Een kind op afstand braaf braaf gemaakt door een omgeving een omgeving van knikken en aanvaarden   Een kind op afstand wild wild gemaakt door vragen vragen van waarom en twijfels   Een kind op afstand wijs wijs gemaakt door zwijgen zwijgen van stilte en feiten   Mama je slikt dagelijks zoveel pillen, 5 's morgens, 4 's middags en 4 's avonds. Jouw lichaam is op. Verdorie toch. Je maakt je druk over mijn kledij, over de boeken die ik lees en over mijn gewicht. Verdorie toch. Wat kan ik voor jou doen? Hoe kan ik er voor jou zijn? Mijn hart vult zich met wat het ziet. Ik ben wie ik ben. Of dat probeer ik toch. Waarom kan ik mijn wereld niet met jou delen?’   Ze klapt haar dagboek dicht, stapt naar beneden en gaat naast de moeder in de zetel zitten. Ze kijken elkaar aan, praten over het weer, overlopen het medicatieschema van de dag, eten samen warme appelcake en glimlachen. Na een tijdje buigt het meisje zich naar de moeder toe, verwijdert het fuchsia aquagroene hoofdsjaaltje van de moeder, neemt een dagcrème en smeert het droge haarloze hoofd van de moeder in. Zacht en broos. De moeder sluit haar ogen. Het meisje ook.   __________________________________________________________________________________   fluo roze blauw ieder moment ontvouwen andere kleuren   In enkele dagen is het groot meisje jong volwassen geworden. De moeder van het meisje zou het op deze manier niet gewenst hebben. De winter is op komst. Ooit zou het meisje ervan dromen om voor een groot publiek te spreken. Vandaag krijgt ze die kans. Buiten ligt een wit sereen laagje sneeuw die de geluiden dempt. Binnen in de grote witte ruimte met haar hoge plafond, bruine stoelen en doffe wierookgeur wachten donker geklede toehoorders. In grote getallen. Van ver gekomen. Ze bewegen wat onrustig op hun stoelen en kuchen nu en dan om hun droge keel te ontlasten. De jong volwassene stapt naar voor. Het liefst zou ze nu op het strand lopen. Vrij van het weten dat ze een stukje meer alleen verder moet. Vrij van het verdriet van nooit meer. In haar hand draagt ze de tekst dat ze vijf dagen geleden schreef. Ze zat toen naast het bed van de moeder. De lakens waren kraak wit gesteven. De ontsmettingsgeur overheerste de boeketten rozen en de korven met fruit. De moeder ademde zwaar in en uit en liet haar handen opgeblazen door het vocht van de baxters rusten op haar buik. Het meisje met een lichaam die sprekend leek op de jongere generatie van het doorgelegen lichaam van de moeder liet haar hart spreken.   ‘Hier ziet ik dan, wachtend op het moment dat je me weer zal aansporen ik weet wel hoe het zou moeten jij was immers mijn bloedverwante mijn mama, mijn vriendin, mijn voorbeeld   Jij, die altijd zo goed kon luisteren Jij, die zelf op zwakke momenten, niemand wou lastig vallen Jij, die de bloemekes hun stengeltjes schuin afsneed, opdat ze toch wat langer zouden bloeien Jij, die als een kind zag, een knipoogje, een vriendelijk woord gaf   ´T ja : woorden schieten me vaak te kort maar de essentie blijft gemakkelijk uit te drukken: jij   Vergeet nooit: jouw glimlach laat bij iedereen een vlammetje na Dank je. Je dochter'   De jong volwassene kijkt naar het publiek. Enkele gezichten glimlachen naar haar. Ze zoekt de ruimte af. Hier en daar zit een bekende. De ganse ruimte is gevuld. Van overal kwamen ze voor haar moeder. De moeder is vandaag een beevee. Ze hoopt dat de man die beweert haar lief te hebben, de ruimte zal opkleuren en haar straks zal ondersteunen. Maanden hadden ze uren gepraat en weken hadden ze samen opgetrokken ondanks het afwijzende oog van de moeder en de vader. De gekleurde man wou zich settelen in het Noorden. De jong volwassene was hiervoor een mogelijke kandidaat. De jong volwassene had genoten van de gesprekken met een werelds accent. Haar lichaam had ze echter voor zichzelf weten te houden. Nu weet ze dat dit de juiste beslissing was. Alle gezichten voor haar zijn winters bleek.   Ze kucht, kijkt naar de kist voor haar en overtuigd draagt ze de tekst op aan haar moeder. Het ganse gebeuren lijkt een groot toneelstuk. Voor haar leeft de moeder verder. In haar verhalen. In haar glimlach. In haar kijk naar de wereld. Zakdoeken worden bovengehaald. Ingetogen verlaat ze het podium. Ze neemt terug plaats tussen haar vader en broer. Ze voelt hun warmte.   __________________________________________________________________________________    ‘de hele wereld is een schouwtoneel en alle mensen zijn maar acteurs.’ William Shakespeare   De jong volwassene herneemt haar studies. Ze concentreert zich, neemt deel aan de studentenactiviteiten en speelt moeder in het WE. De wereld blijft haar lokken. Ze wil datgene ontdekken waarvoor haar moeder haar wilde beschermen. Ze weet nog niet dat het een tocht zal worden vol uitdagingen, ontmoetingen, vraagtekens en van moeder-zijn . Voor haar eindwerk vertrekt ze voor de eerste keer naar het andere continent. Afrika. De vader brengt de jong volwassene in een donker blauw kostuum en lichtblauw gestreept hemd naar de luchthaven. Hij vertelt haar over zijn business trips. En over de gevaren alsof hij er zelf bij was. Ze knikt, glimlacht en belooft hem dat alles goed komt. Ze omhelzen elkaar. De studente neemt haar valies en stapt de douane door. Aan de andere kant van de wereld zou ze opgewacht worden door een dame van haar land.   Na een lange vlucht komt ze aan. Het douane personeel kijkt de blanke studente indringend aan en vraagt wat ze voor hen meebrengt. Ze kijkt hen verward aan, glimlacht en stapt verder naar buiten. In de zwarte massa gedrukt tegen een hoge metalen omheining ziet ze een blanke dame staan. De enigste. Snel stapt de studente naar de blanke dame. Ze geven elkaar een stevige handdruk. De blanke dame, Thérèse, neemt de valies over. Samen met drie zwarte dames stappen ze naar een lichtgrijze auto. Therese, een dame van rond de 60 jaar, neemt het stuur en ze rijden weg van de luchthaven. De zwoele kleverige warmte, de overheersende chaos, de krakkemikkige wagens en de petroleumlichten in de kraampjes langs de straten maken de studente stil. De wagen ontwijkt diepe putten, slaat de drukke hoofdstraat af, rijdt door kleine stegen en komt tot stilstand voor een klein geel gebouw te midden van een grote verzorgde tuin. Een blanke en zwarte vrouw verwelkomen haar.   De volgende ochtend om 5 uur komt een zwarte man de studente ophalen. Ze stappen langs de spoorweg en vele kleine steegjes. Doorheen de buitenwijken. Zwarte schimmen lopen snel langs haar voorbij met of zonder gewicht op het hoofd of verkopen brood, nootjes of bananen gehurkt naast de weg. De drift om te overleven drijft hen voort. Een drift om eten voor de dag te vinden. Evenals geld voor water en houtskool. De studente beweegt met hen onopvallend mee. In het donker met een doek rond haar hoofd en losse kleren is ze onzichtbaar. Voor even. Na een uur komen ze aan het sojamelk bedrijf. Hier zal de studente informatie voor haar eindwerk moeten verzamelen. Thérèse en de drie dames van de dag ervoor zijn al druk bezig de sojabonen te wassen en de machines klaar te maken. De studente draait mee. Na de middag gaan ze de sojamelk aan een zeer lage prijs verkopen in de sloppenwijken. Erna stapt ze met de zwarte man terug naar het klooster. Het avondeten gebeurt in de grote zaal beneden. De blanke en zwarte moeder overste praten kort tegen de studente, maar praten niet met elkaar en bedienen elkaar niet. IJzig stil. De student propt zich uit verveling vol met soep, hoofdgerecht en dessert en snelt zich naar haar kamer. De vier muren brengen haar echter geen rust. Ze neemt haar dagboek en gaat op bed zitten. ‘Vorige week kon ik nog gaan wandelen waar ik wou. Nu is mijn wandelgebied beperkt tot een kleine tuin. Opgesloten als een beest in de dierentuin. Eergisteren droomde ik nog van Afrika. Nu ben ik en zit tussen vier muren. Met twee ramen zo hoog dat ik niet kan buiten kijken. Vandaag zag ik weer die vele mensen stappen. Blijkbaar kilometers en kilometers. Bij ons kan je de bus nemen. Is er plaats voorzien voor oude mensen, een kinderkoets en gehandicapten. Alles netjes geregeld. Hier worden de mensen als beesten, oo zij zijn ook al beesten, gepropt in taxi-minibussen. Zelf dat vervoermiddel kunnen de meeste niet betalen. Soeur Colette, een dikke zwarte non die gezellig lijkt, en Soeur Marie Louise, een witte, magere non die op alles een opmerking geeft, willen beiden de klok slaan en brengen me ook niet dichter bij Afrika.’ Buiten op straat speelt muziek opgewekt luid. Roepen kinderen naar elkaar alsof er een grote voetbalmatch gespeeld wordt. De studente mag niet naar buiten. Enkel onder begeleiding. En niet s ‘avonds. De poorten van het klooster zijn al lang op slot alsof ze elk moment een aanval verwachten.   De volgende maanden herhaalt dit dagritme de werkweek van de blanke studente. Ze komt de laatste nieuwtjes op een luchtige wijze te weten, de prijsstijgingen, de sluiting van benzinestations, de knagende honger en de uitzichtloosheid van de huidige regering. Ze stelt vragen, glimlacht , leert de lokale taal en observeert. Ze wordt vertrouwd met het leven in de grootstad en past de lokale gewoontes toe die voor haar haalbaar zijn. Eten met de handen. Zich wassen in een plastieken bassin. Gaan slapen kort na zonsondergang.   Het is vrijdag. Thérèse nodigt de studente uit om voor het WE bij haar thuis te komen. De ogen van de studente stralen. Ze rijden de stad uit. Naar de universiteitscampus. De nacht valt met een snelheid zoals het gordijn in de schouwburg na een toneelvoorstelling. Op de campus staan vele grote gebouwen. Wat een glorie. Voor een donkergrijze poort stopt Thérèse en claxonneert. Een jong meisje opent de poort. De studente stapt uit. Een groep zingende en dansende kinderen verwelkomt haar. De studente kleurt rood en stapt met aan elke hand een kind het huis binnen. Het grote huis van Thérèse. 35 jaar geleden kwam Thérèse, als bioloog, samen met haar man en hun vier kinderen, aan om les te geven aan de universiteit. Geconfronteerd door de moeilijkheden van vele studenten, openden ze hun huis voor enkele alleenstaande moederstudenten. Door de jaren heen, kwamen er meer bewoners bij, waaronder ook wees- en straatkinderen. Het geloof in God hield hen recht. De volgende ochtend wandelen drie moederstudenten met de blanke studente over de campus en plaatsen haar in het spotlicht. De campus is verlaten. Kapotte vensters. Afgeschilferde gele verf op de groenvochtige gebouwen. Vergane glorie. Na een mensvol weekend wordt de studente terug aan het steriele klooster afgezet. De kilte overvalt en ze trekt zich terug in haar kamer. ‘Wat een wereld. Op straat is de situatie gespannen. Ik verdiep me niet in de politiek want het is veel te complex. Ik ben maar een simpele student. De professoren en leerkrachten worden al maanden niet betaald door de overheid en staken nu. De universiteit is voor onbeperkt tijd dicht. Sommige studenten waren bijna afgestudeerd, bijna klaar om eindelijk geld te verdienen. Nu wachten ze gelaten. Hoe zou je zelf zijn? Normaal slapen de studenten met vijf of zes in klamme eenpersoonskamers. Hun aula’s zijn muffig en te klein voor de vele studenten. Rechtstaand moeten ze les volgen en alles noteren want syllabi zijn te duur. Vier studenten vroegen me om een beurs te regelen zodat ze in het Noorden een toekomst kunnen uitbouwen.’ Ze zucht, sluit haar dagboek, gaat op het bed liggen en staart naar de ventilator aan het plafond. Net de schroeven van een helikopter. De elektriciteit valt uit. De muziek buiten en de helikopter ook. Twee vliegen rond haar hoofd trekken zich er niets van aan.   __________________________________________________________________________________    de zwarte vogel pikt met zijn bek op het dicht bevroren water   Elk weekend gaat de blanke studente naar het huis van Thérèse. Ook deze keer. Buiten op straat rommelt het. De studente wordt aangemaand naar binnen te gaan. Vanuit de stoel op het donkere terras staat ze recht. Ze wuift naar de drie zwarte studenten die in het maanlicht de wacht houden over het grote, verduisterde huis en gaat op de tast naar binnen. Haar ogen wennen aan het donker. Alle kamers liggen vol met matrassen, kleren, boeken en mensen. Ze doet haar sandalen uit en legt zich op een matras op de grond in de gang. Naast haar liggen een baby, een moeder en studenten. Ze slaat een doek om zich heen en valt in slaap. Ze schrikt wakker en gooit het beest dat over haar gezicht kruipt weg. De lange kakkerlak vliegt weg en zet zich vast op de muur naast haar. Ze slaapt niet meer in. De stilte buiten wordt nu en dan verbroken door een kreet of een knal. Op de tast zoekt ze haar zaklamp. Ze zet zich recht en neemt het dagboek uit haar rugzak. ‘Ik ben zo ongerust. Buiten wordt er geschoten. Militairen hebben belangrijke plaatsen ingenomen. Ik zou graag papa en Steven verwittigen maar de telefoon is al drie dagen afgesneden. Straks plunderen ze misschien ons huis en zullen ze mij en al deze lieve onschuldige mensen afslachten. Wat zal papa zonder zijn dochter doen en Steven zonder zijn zus? Nee ik wil leven. Ik wil het overleven. Die militairen voelen zich nu de koning te rijk. Maar voor hoelang?’. Het wordt licht. De studente staat op, plaatst de matras achter een deur en groet de huisgenoten die wakker zijn. Het dagritme hervat zicht. Kinderen lopen overal rond. Buiten werken enkele studenten in de moestuin. De blanke studente moet binnenblijven. Onrustwekkende berichten sijpelen binnen. De militairen zijn op 200 meter van het huis aan het plunderen. De studenten verstoppen hun diploma’s in een put in de tuin en nodigen de blanke studente uit hetzelfde te doen. De blanke studente geeft hen haar pasport en fototoestel. Thérèse organiseert het middagmaal. De blanke studente volgt haar en helpt de studenten met het snijden van de maniokbladeren uit de tuin. Het gebeuren in de stad is het middelpunt van de conversaties. Allen lachen ze met het voorval dat een man de etalage van een schoenwinkel leeggehaald en thuis ontdekte dat hij alleen schoenen voor de linkervoet meebracht. Het middagmaal is klaar. Thérèse brengt een kom rijst en groenten naar het terras. Twaalf kinderen zitten met een plastieken bord voor zich. Ze volgen met volle ogen de kom. Thérèse schept op. In slilte slokken ze hun bord leeg.   De spanning in huis stijgt. Op elke hoek van het huis houden de bewoners scherp de wacht. Plots wordt aan de poort gebeld. Iedereen in huis is alert. Zijn het de militairen? Misschien een buur in nood? Een studente schuift voorzichtig het uitkijkluifel van de poort open. Een zwarte man in zwart kostuum en witte das staat voor de poort, maant haar aan de poort te openen en de blanke vrouw snel te roepen. Thérèse komt tussen beiden, verstaat de man en roept haar landgenoot. Een zwarte wagen rijdt de oprit op. De blanke studente moet mee. Er is geen tijd om deftig afscheid te nemen. Met tranen in de ogen omarmt ze vlug enkele kinderen en Thérèse en neemt haar pasport, fototoestel en rugzak van een jonge moeder aan. De blanke studente stapt traag in de wagen en zwaait van achter de geblindeerde vensters naar het luchtledige. Niemand kan haar zien. De poort wordt vlug dicht gedaan. Ze staart naar het voorbijglijdende straatbeeld. De straat is leeg. Mensen zijn binnen gebleven voor de veiligheid. Alles is geplunderd, overal glasscherven, in brand gestoken benzinestations en autowrakken. Alles is vernield door mensenhanden. Alsof een troep mieren een krekel aanviel en enkel het skelet overliet. Zelfbediening voor de sterksten. Ze komen aan op de ambassade van het land van de studente. De bewaker herkent de nummerplaat. De poort gaat open en de bewaker commandeert hen met zijn mitrailleur snel binnen te komen. De wagen rijdt binnen. De studente is veilig. Haar collega’s en vrienden buiten niet. Zij moet vluchten. Thérèse mag blijven. In de ambassade loopt het vol blanken. Na een uur krijgen ze zalm, kaviaar, hesp, kaas en brood voorgeschoteld. Er wordt gegeten. De studente eet niet. Ze kan niet. Zij in het huis van Thérèse ook niet. De kinderen eten er maïsmeel met water, zonder melk, zonder suiker, zonder vlees. Bedden zijn geïnstalleerd in de gangen en kamers. Er wordt geslapen. De studente schrijft afscheidsbrieven voor de mensen bij Thérèse en neemt haar dagboek. 'Overal Ogen Monden Gewoonten   En toch, de jouwe zijn anders.   Het zijn de jouwe' Ze sluit haar ogen en is bij het leven van Thérèse.                                         

Kristien Vliegen
0 0

Mtoto (opdracht 3, Kristien)

      Hoe het allemaal juist is gegaan, weet ze niet meer. Ze weet wel nog dat ze soms vleugels kreeg. Brede, krachtige vleugels. Dan vloog ze weg. Heel even. Heel hoog. Genoot ze van de uitgestrekte lappen grond, van de blokken die figuren vormden, van de stippen die over de kronkelende lijnen bewogen, van de wind rond haar lijf. Boven wist ze niet wie ze was.   Ze vloog. Ze was vrij. Tot plots de zon te warm werd en ze, als door een donderslag, weer op de grond terecht kwam en weer zichzelf werd. Ze krabbelde recht en begon te stappen. Kilometers en nog eens kilometers. Stap voor stap sloeg de automatische piloot aan en wist ze wanneer ze stop had moeten zeggen, wanneer ze had moeten doorgaan en wanneer ze had geleefd. Helemaal echt. Telkens opnieuw.           __________________________________________________________________________________   Mtoto[1]   'Toen aan een klein meisje werd gevraagd waar ze woonde, zei ze: ‘Waar moeder is’. '                             Keith L. Brooks     De zwarte man trekt de deur dicht. Zijn stappen weergalmen en dijen weg op het einde van de lange, kale gang. De blanke vrouw buigt zich over de metalen tafel in de hoek van de witte kamer. Zij zal net zoals miljarden vrouwen over de hele wereld dit gebeuren zonder partner doorstaan. Ze neemt een donkerbruine stift en schrijft sierlijk Dylan op een hard kaartje. Nog eens. En nog eens. De kaartjes zal ze weldra naar vrienden en kennissen kunnen sturen. Eindelijk. Na al die jaren. De blanke vrouw glimlacht bij de betekenis van de naam. Dylan. Zoon van de zee. 9 maanden geleden zwierf ze samen met de zwarte man weken door de groene heuvels van zijn land. Ze leefden op het ritme van de dag en van wat ze ter plaatse bij de boeren of in kleine winkels konden kopen. De zon wees hen de richting. S’ nachts sliepen ze in hun tent op de velden van de boeren of verscholen in de bossen. Zo ook die dag. Ze waren een heuvel helemaal naar boven geklommen. Onderweg hadden ze bloemen geplukt. Rode, witte, gele, blauwe. Lange en korte. Met twee takken en een draad van haar sjaal hadden ze een kruis gemaakt. Op de top van de heuvel, te midden van andere heuvels, hadden ze op hat gras geknield en het kruis in een hoopje zand geplaatst met de bloemen er omheen. In stilte hadden ze hun hoofd gebogen en waren ze bij de neef van de blanke vrouw. De neef had het leven niet overleefd. Hij had de dag voorheen zijn laatste kracht gebruikt om zichzelf te bevrijden van de pijn die hem dagelijks achtervolgde. De familie van de blanke vrouw had haar gebeld en gevraagd naar haar moederland terug te komen voor de viering. Ze had geweigerd. Ze had beslist om haar leven in eigen handen te nemen en zich te nestelen in de armen van de zwarte man. Die nacht hoog in de heuvels ver van de bewoonde wereld dicht bij de natuur ontstond Mtoto. Kind van de natuur.   De blanke vrouw wrijft over haar buik. Mtoto is op weg naar de buitenwereld. Samen met Mtoto wacht ze op het moment. Ze krijgt weer een buikkramp, staat op, waggelt naar het bed en legt zich neer. De blanke vrouw staart naar buiten. De zon schijnt hard. Het is drie uur. Deze ochtend werd ze plots ongerust. Mtoto bewoog zich niet meer in haar ronde, gespannen buik. De zwarte man had over haar buik gewreven en haar gezegd dat alles goed kwam. Ze was met hem naast haar rustig naar het ziekenhuis gereden. In het ziekenhuis was haar water gebroken. Samen met de zwarte man was ze naar buiten gestapt om de spullen voor Mtoto in de auto op straat te halen. Heel even had ze gedacht om weer naar huis te rijden. Naar het huis dat ze een maand geleden had gekocht. Het huis dat hun thuis mocht worden. De zwarte man had haar hand genomen en samen waren ze het ziekenhuis met zijn vele verdiepingen, gangen en kamers terug binnen gestapt. Binnen had de zwarte man de blanke vrouw gevolgd. Hij was stil. Muisstil. Beweeglijk stil. Hij was pas twee weken in het land van de blanke vrouw. In het land dat zo overdonderend anders was dan het zijne. In het land dat hem altijd zou roepen omwille van de blanke vrouw en de kinderen.   Ze krijgt een kramp. Nog één. Ze ademt zoals ze geleerd heeft in de prenatale groepslessen. Diep in en rustig uit. Ook daar was ze als enigste zonder partner. Diep in en rustig uit. De krampen volgen zich sneller op. Ze drukt op een knop naast haar bed. Een verpleegster en dokter komen de kamer na vijf minuten binnen. Ze kijkt hen met grote ogen aan. De verpleegsters legt de benen van de blanke vrouw over de kniesteunen van het bed en houdt haar linkse hand vast. De blanke vrouw luistert naar de duidelijke instructies van de dokter. Met drie vrouwen moet het lukken, stelt ze zichzelf gerust. Ze ademt. Ze perst. Ze ademt. Ze perst. Plots, zichzelf van niets bewust, knipt de dokter haar. In een flits is ze terug in Congo. Bij de pijn van de diep verkrachtte vrouwen en kinderen. Drie maanden geleden bezocht ze voor haar werk samen met Mtoto de vrouwen. Ze had hen gesproken. De vrouwen en kinderen waren door hun familie verstoten omdat ze door de verminking niet meer zindelijke waren en stonken. Mensen. Beesten. De vrouwen hadden aan haar buik gekomen, geglimlacht en haar succes toegewenst.   De dokter maant haar aan dat ze moet persen, dat het anders nooit zal lukken. Ze perst. De pijn is overheersend. De knip scheurt verder. Er is geen weg terug. Ook al zou het ziekenhuis in brand staan. Al zou de ganse wereld trillen. Ze moet, willen of niet, de eindstreep halen. Mtoto heeft de buitenlucht nodig. Ze knijpt haar ogen dicht, voelt de hand van de verpleegster, zondert zich van de wereld af en perst. Van heel diep komt een schreeuw. De schreeuw. Mama. Mama. De woorden weergalmen in de kamer. In haar weergalmt de vraag. Hoe zal ze ooit zonder moeder een goede moeder kunnen zijn? En dan. De opluchting. De verlossing. De verpleegster legt de kleine, donkerroze jongen op de buik van de blanke vrouw. De kleine jongen snuffelt. De blanke vrouw brengt hem voorzichtig iets hoger vlakbij haar borst. De kleine jongen nestelt zich met opgetrokken kikkerbilletjes op haar blote bovenlichaam en zuigt met zijn rode glimmende lippen zachtjes aan haar tepel. De waakvlam van de blanke vrouw ontvlamt. Haar borst stuwt. Haar hart gloeit. Haar ogen staan hemelsblauw zoals het heldere kleur van een oceaan na een hevige storm. De kamer is stil. De blanke vrouw wordt genaaid. De verminkte vrouwen en meisjes in Congo niet. De dokter legt langzaam haar benen van de kniesteunen op het bed en trekt een laken over haar. De blanke vrouw neemt een doek van het land van de zwarte man en legt het over de kleine jongen. Hij zuigt verder. Bloedvlekken overal. Op haar T-shirt. Op zijn rug. Op haar handen. Op zijn gezicht. Gekleurd door het leven gaan ze samen de wereld tegemoet.   Er wordt op de deur geklopt. De zwarte man stapt geruisloos de kamer binnen. Hij komt bij het bed van de blanke vrouw en de kleine jongen. Hij streelt hen beiden, gaat naast hen zitten en bekijkt hen stilzwijgend. Zijn zwartbruine ogen stralen, zijn witte tanden glinsteren en zijn donkere huid blinkt. Geleidelijk vinden ze enkele woorden. Later op de avond komt de vader van de blanke vrouw. Fier tot achter zijn oren. Ze bespreken het gebeuren, toosten op het leven en maken foto’s. De zwarte man is op zijn manier beleefd aanwezig, streelt de kleine jongen geregeld, glimlacht naar haar en tast het nieuwe land af met de voelsprieten van zijn verre land. Laat na toegestane bezoekuur vertrekken de twee mannen.   De kleine jongen blijft de ganse nacht aan de borst en op de lege buik van de blanke vrouw. Een doek en haar hand vergezellen hem. De blanke vrouw aanschouwt hem. Het wonderlijke geschenk van de natuur. Het geschenk dat steeds groter zou worden. Hij geeuwt, strekt zich uit, drinkt gretig, boert, slaapt en ademt. Piepkleine handen ontspannen tot vuisten. Een handpalm klein hoofd met pikzwarte platte haren. Vredig op haar.  Ze dommelt nu en dan in. Morgen zal ze hem verfrissen. Morgen zal ze hem kleden.               [1] Betekenis: kind

Kristien Vliegen
0 0

Maman Thérèse (opdracht 2, Kristien)

‘Je moet gaan slapen, Kathy. Je kan niets doen en het is beter dat ze geen blanken zien’, zegt Thérèse. Vanuit de stoel op het donkere terras staat Kathy recht. Ze wuift naar de drie studenten die in het maanlicht de wacht houden over het grote, verduisterde huis met naam Mont-Thabor en gaat op de tast naar binnen. Haar ogen wennen aan het donker. Alle kamers liggen vol met matrassen, kleren, boeken en mensen. Ze doet haar sandalen uit en legt zich op een matras op de grond in de gang. Naast haar liggen een baby met zijn moeder en studenten. Ze slaat een doek om zich heen en staart naar het plafond. Zaïre. Zeven weken geleden landde ze in de hoofdstad Kinshasa. De chaos op het vliegveld, de zwoele kleverige warmte, de vele zwarte mensen, de krakkemikkige wagens en de petroleumlichten van de kraampjes langs de straten overvielen haar toen. De ochtendlijke wandelingen doorheen de buitenwijken en de discussies met de lokale bevolking introduceerde haar tot een nieuwe wereld. Op een luchtige wijze kwam ze de laatste nieuwtjes te weten, de prijsstijgingen, de sluiting van benzinestations, de knagende honger van de bevolking en de uitzichtloosheid van de regering. Ze schrikt wakker. Ze gooit het beest dat over haar gezicht kruipt weg. De lange kakkerlak vliegt weg en zet zich vast op de muur naast haar. Ze slaapt niet meer in. De stilte buiten wordt nu en dan verbroken door een kreet of een knal. Op de tast zoekt ze haar zaklamp. Ze zet zich recht en neemt het dagboek uit haar rugzak. ‘Ik ben zo ongerust. Buiten wordt er geschoten. Militairen hebben belangrijke plaatsen ingenomen. Ik zou graag papa en Steven verwittigen maar de telefoon is al drie dagen afgesneden. Straks plunderen ze misschien ons huis en zullen ze mij en al deze lieve onschuldige mensen afslachten. Wat zal papa zonder zijn dochter doen en Steven zonder zijn zus? Nee ik wil leven. Ik wil het overleven. Die militairen voelen zich nu de koning te rijk. Maar voor hoelang?’. Het wordt licht. Kathy staat op, plaatst de matras achter een deur en groet de huisgenoten die wakker zijn. Buiten werken enkele studenten in de moestuin. Kathy moet binnenblijven. Onrustwekkende berichten sijpelen binnen. De militairen zijn op 200 meter van Mont-Thabor aan het plunderen. De studenten verstoppen hun diploma’s in een put in de tuin en nodigen Kathy uit hetzelfde te doen. Kathy geeft hen haar pasport en fototoestel. Thérèse komt aangelopen en leunt tegen de deuropening. ‘Kathy, l’ambassade Belge te cherche. Ze zoeken je. Ik heb het via radiocontact vernomen’. ‘Ah oui? En wat moet ik nu doen?’, vraagt Kathy. ‘Wij kunnen je nergens heen brengen want de benzine voor de wagen is op. Bovendien is het nu te gevaarlijk om op straat te gaan. Het komt wel in orde’. Thérèse stapt naar de keuken en organiseert het middagmaal. Kathy volgt haar en helpt de studenten met het snijden van de maniokbladeren uit de tuin. Het gebeuren in de stad is het middelpunt van de conversaties. ‘Gisteren heeft een man de etalage van een schoenwinkel leeggehaald. Maar toen hij thuis kwam was zijn vrouw woedend. Hij had alleen schoenen voor de linkervoet mee’. Ze lachen allemaal. Het middagmaal is klaar. Thérèse brengt een kom rijst en groenten naar het terras. Twaalf kinderen zitten met een plastieken bord voor zich. Ze volgen met volle ogen de kom. Thérèse schept op. ‘Bon appetît mes enfants’. In slilte slokken ze hun bord leeg. Thérèse komt terug binnen en kijkt bezorgd naar Kathy. ‘Wat ze morgen zullen eten weet ik nog niet’. Thérèse. Altijd opgewekt naar buiten. Altijd vol oplossingen en vooruitzichten. 35 jaar geleden kwam ze, als Belgische bioloog, samen met haar man en hun vier kinderen naar Kinshasa om les te geven aan de universiteit. Geconfronteerd door de moeilijkheden waar vele studenten mee kampten, openden ze hun grote huis voor enkele alleenstaande moederstudenten. Door de jaren heen, kwamen er ook steeds meer wees- en straatkinderen bij. Ze vormden hun huis om tot het gemeenschapshuis Mont-Thabor waar ieder een plaats en taken kreeg.   Het is drie uur. Er wordt aan de poort gebeld. Iedereen in huis is alert. Zijn het de militairen? Misschien een buur in nood? Een studente schuift voorzichtig het uitkijkluifel van de poort open. ‘Oui?’ vraagt ze beleefd. ‘Het is voor Kathy, la Belge.’ ‘Er zijn hier geen blanken’. Thérèse die het gesprek op afstand volgt, snelt naar de poort. ‘Oui, Monsieur. Kan ik je helpen?’ ‘De ambassade heeft me gestuurd om Kathy op te halen.’ ‘Ik versta het’. Thérèse opent de poort. Een zwarte wagen rijdt de oprit op. Kathy moet mee. Er is geen tijd om deftig afscheid te nemen. Ze omarmt vlug drie kinderen en Thérèse. ‘Thérèse, het is voorbij voor mij. Kan je alstublief aan iedereen zeggen dat ik moest vertrekken en dat ik het jammer vind dat ik geen afscheid kan nemen?’ Kathy heeft tranen in de ogen. ‘Pas de problème. Ik zal het doen. Denk nu en dan nog eens aan ons hier’, antwoordt Thérèse. Een jonge moeder brengt Kathy haar pasport, fototoestel en rugzak. Kathy stapt in. Kinderen en enkele volwassenen wuiven haar uit. Ze hangt uit het venster op de achterbank. De chauffeur roept kwaad ‘Ben je zot? Wil je je leven riskeren? Doe vlug het venster dicht.’ Kathy zwaait van achter de geblindeerde vensters verder naar het luchtledige. Niemand kan haar zien. De poort wordt vlug dicht gedaan. Ze staart naar het voorbijglijdende straatbeeld. De straat is leeg. Mensen zijn binnen gebleven voor de veiligheid. Alles is geplunderd, overal glasscherven, in brand gestoken benzinestations en autowrakken. Alles is vernield door mensenhanden. Alsof een troep mieren een krekel aanviel en enkel het skelet overliet. Zelfbediening voor de sterksten. Ze komen aan op de Belgische ambassade. De wachter herkent de nummerplaat. De poort gaat open en de wachter commandeert hen met zijn mitrailleur snel binnen te komen. De wagen rijdt binnen. Kathy is veilig. Haar Zaïrese collega’s en vrienden niet. Zij moet vluchten. Thérèse mag blijven. In de ambassade loopt het vol Belgen. Vol blanken. Na een uur krijgen ze zalm, kaviaar, hesp, kaas en brood voorgeschoteld. Er wordt gegeten. Kathy eet niet. Ze kan niet. Zij in het huis van Thérèse ook niet. De kinderen eten er maïsmeel met water, zonder melk, zonder suiker, zonder vlees. Bedden zijn geïnstalleerd in de gangen en kamers. Er wordt geslapen. Kathy schrijft afscheidsbrieven voor de mensen van Mont Thabor en neemt haar dagboek. ‘Overal Ogen Monden Gewoonten   En toch, de jouwe zijn anders.   Het zijn de jouwe’ Ze sluit haar ogen en is bij het leven van Thérèse.

Kristien Vliegen
0 0

opdracht 1

Roman: ‘Het kleine meisje van meneer Linh’, Philippe Claudel (pagina 7 tem 13)   ‘Een oude man staat op het achterdek van een boot. In zijn armen houdt hij een lichte koffer en een pasgeborene, nog lichter dan de koffer. De oude man heet meneer Linh. Hij is de enige die weet dat hij zo heet, want iedereen die het wist om hem heen gestorven. .... ‘     Een jonge vrouw staat op het perron. Naast haar staat een jonge man, de broer van de vrouw, en een metalen valies, met net afgewogen 23 kilogram. De jonge vrouw heet Kristien. Zij is de enige die weet dat ze in het land die ze in haar hart draagt Vi wordt genoemd. Het land waar ze 2 jaar woonde. Het land met zijn overdrukke straten, zijn miljoenen bezige mensen en zijn uitgestrekte rijstvelden.    Ze ziet de trein dichterbij komen, steeds dichter. De jonge man maakt grapjes. Zij laat de grappen over haar heenglijden zoals de regendruppels over een blad. De trein stopt. Zij is niet gehaast. De jong man reikt haar de valies aan. Ze treuzelt, ze kijkt om zich heen en neemt uiteindelijk de valies aan. Ze stapt, zet de valies neer en hangt aan de deur naar buiten. Zou ze het wagen om op het perron te springen? De valies alleen de lange reis te laten maken? Enkele maanden was ze terug in haar thuisland. Ze had er vrienden terug ontmoet. Ze had werk gezocht en nu gevonden. De wereld verkennen, voelen en beleven. En toch. Het afscheid is telkens een opgave. De conducteur fluit. De jonge vrouw haalt diep adem en zwaait enthousiast naar de jonge man. Een volgende keer zal ze blijven.   De reis duurt lang. Uren en uren. Al die tijd kijkt de jonge vrouw uit het raam, met haar blik op het voorbij glijdende landschap. Alleen zij weet dat achter de horizon en nog veel verder haar vriend nu op de brommer rijdt, nu op kantoor zit, nu rijstsoep slurpt en straks gaat slapen met een lege kant in bed. Dat hoopt ze toch. Eindelijk, na vijf uur, bereikt de trein de bestemming. De jonge vrouw blijft zitten. De trein verlaten betekent zich opnieuw openen voor een onbekende stad, onbekende mensen en een onbekend project. Ze zucht, neemt de valies en houdt het stevig vast. Binnen een week zou ze de valies volledig kunnen uitpakken. De winter- en zomerkleren. De geluidloze wekker. De toiletspullen met een volle tube tandpasta. De kleine CD speler op batterijen met twee CD’s. Het dagboek met vier kleuren stylo’s, een potlood en 11 kleurpotloden. Een foto van haar vriend, moeder, vader en broer. Exact 23 kilogram bekende spullen. Zonder zichzelf mee gerekend.   Ze stapt uit en kijkt om zich heen. Het is koud. De mensen op het perron begeven zich allen in één richting, zoals de stoet van mieren die aan een mierennest werkt. De jonge vrouw schakelt over op de automatische piloot. Ze volgt de massa. In haar hand omklemt ze stevig de zware valies. Het bekende wil ze niet kwijt. De massa blijft zich voortbewegen. Ze laat zich leiden. Plots staat ze buiten het station op straat. De regent overvalt haar.  Met de valies tussen haar voeten, haalt ze een papiertje uit haar vest met de eindbestemming van de dag erop. Ze is een doorreizende bezoeker. Of zouden ze haar hier vluchteling noemen? Of toch niet? Ze heeft een eigen identiteitskaart op zak en heeft maar enkele uren gereisd. De ogen van de jonge vrouw speuren de straat af. Een man komt op haar afgestapt. Ze neemt haar valies. Recht voor zich uitkijkend stapt ze met volle stap naar de rij net geparkeerde taxi’s. Zonder woord, doet ze een portaal open en stapt in.   De taxichauffeur spreekt de jonge vrouw met een vreemd accent aan. Ze glimlacht. De auto vertrekt geluidloos tussen de vele auto’s. Steeds verder van het station. Ze ontspant. In de metalen doos met de zachte kussens is ze veilig voor de buitenwereld. Een verkennend gesprek ontvouwt zich. Ze luistert en stelt meer vragen. Ze staart uit het raam. Hoge gebouwen. Rechte asfaltwegen. Mensen met actetassen, mensen in jogging, mensen met een kind. Ergens heen. Ook zij.  

Kristien Vliegen
0 0

Opleiding

Publicaties

Prijzen