nu de molens blijven draaien
en de paarden blijven rennen
over oneindig groene velden
en jij daar stralend op zit
en heel even naar ons zwaait
dan voel ik die hand door mijn haren gaan
en dan ga ik met de mijne door de jouwe
en je trekt ons mee op het paard
en we wapperen in de wind
die de molens weer laat draaien
ons heel even weer laat zingen
als we reizen, van ster tot ster
door een oneindig zwarte gloed
dan mogen we niet treuren
want we weten: wat ook waar is
het is goed