Al het kwaad met wortel uitgerukt,
klont klodders grond die mij pijn deden.
Wil ik mijn bloemenperk verbreden
moet iets dood, boven mij grond gebukt.
Iets is het gemoed van onvrede,
zij verbrandt mijn oogst van geluk.
Ontluikend plezier de kop ingedrukt
woekerend wanneer onbestreden.
Ik hield van dat wilde, die veldtocht.
Mijn zalvingen met goedkope bocht
schreven mij naar een kort genezen.
Mijn zaad was goed en is gerezen,
ik zie wat het wil en ben beducht,
trek mezelf uit maar het komt terug.