opdracht 4 Elisabeth Leysen

15 mrt 2018 · 0 keer gelezen · 0 keer geliket

Het huwelijksfeest moest een feest met kerstbomen worden. Ze droeg een donkerbruin kleed en donkerbruine schoenen, bekleed met zijde. Ze was in de jurkenwinkel eerst plichtsbewust naar wit gaan kijken, maar wit was niets voor haar, dat vond de verkoopster ook. Ze wilde een kleed dat haar deed denken aan Russische verhalen van winters en paleizen in de sneeuw.

 

Ze was een winterkind, geboren in december. Ze was nog maar enkele maanden oud en mocht al met de sneeuwman op de foto. Haar vader, de sneeuwman en zij, in de tuin van het oude huis. De sneeuwman droeg een zwarte hoed. Het was stil in het oude huis met de sneeuwman. Buiten was het winter en binnen speelde ze met haar winkeltje. Het winkeltje had schuifjes en vakjes en doosjes. Soms kwam er iemand winkelen. Als er niemand kwam winkelen, dan schreef ze in een boekje. Na de winter kwam de zomer met een broertje. En nog twee winters later kwam de lente met een zusje. Op zondag gingen ze met z’n allen naar het nieuwe huis met de grote tuin. Het nieuwe huis was nog niet af en de tuin ook nog niet. Haar vader gaf les en in het weekend bouwde hij aan het nieuwe huis. Zo duurt het wel een tijdje. In de grote tuin waren hoge bergen zand. Haar vader plukte bloemetjes en plantte die op de bergen. Hij zette haar en haar kleine broer boven op een berg en dan gleden ze naar beneden.

 

In de zomer was het nieuwe huis met de grote tuin klaar. Achter de grote tuin lag een pad en velden en een grote weide. In de weide woonde een ezel. Als je het pad volgde en dan ook nog de rivier, dan was je heel ver weg van huis. Veel liever bouwde ze een kamp in de hoek van de tuin, onder de eiken naast de Weymouthden. Ze plukte madeliefjes en knoopte ze aan elkaar tot een halssnoer. In de zomer was er elk jaar een groot pannenkoekenfeest in de tuin van het nieuwe huis, met alle neefjes en nichtjes. De tantes bakten pannenkoeken en de nonkels maakten een groot kampvuur.

 

En dan kwam Alfie. Alfie von Heikenstein, zo heette ze. Alfie had een boekje met haar naam in. Alfie was een rashond. Het moest een rashond zijn met een boekje erbij, zei haar vader, want anders was je niet zeker dat de hond niet meteen ziek zou worden en doodgaan. Ze hadden al eens een hond gekocht op de dierenmarkt in Mol, maar dat dier was heel erg ziek geworden en doodgegaan. Op een dag zijn ze Alfie gaan kopen, met de auto, bij een meneer in Nederland. De meneer woonde in een straat met allemaal dezelfde huizen en in de tuin had hij een groot hok met honden. Ze mochten kiezen uit twee honden, Alfie en Daisy. Ze kozen voor Alfie. Ze mochten Alfie nu wel meenemen, zei de meneer, maar op zekere dag zou hij komen kijken of ze wel goed voor Alfie zorgden. Als bleek dat ze niet goed voor Alfie hadden gezorgd, dan zou de meneer haar gewoon weer meenemen. Ze zorgden heel goed voor Alfie en toch heeft ze gehuild, elke nacht, drie weken aan een stuk. Alfie was wel groot, maar toch was ze nog heel klein, zei haar vader. Ze waren bang dat de buren boos zouden worden en zeggen dat het zo echt niet meer verder kon, maar dat hebben ze niet gedaan. Alfie woonde in een groot hok in de tuin. Dat hok was te klein voor mensen, maar als ze heel verdrietig was, dan kroop ze toch mee in het hok. Dat mocht van Alfie. Als ze op avontuur gingen, naar het water met het eilandje achter de Zandstraat, dan ging Alfie mee. Op zekere dag is Alfie heel erg ziek geworden en moest haar vader met Alfie naar de dierenarts. De dierenarts kon Alfie niet meer genezen. Toen haar vader terug was van de dierenarts, zonder Alfie, heeft hij heel lang bij het hok gezeten, tot het donker was. Na Alfie hebben ze nooit nog een hond gekocht, ook niet een hond met een boekje.

 

Ze kon heel lang naar het donker kijken. Als ze maar lang genoeg keek, dan kwamen ze misschien, tante Martha en nonkel Marcel en nichtjes Conny en Maggy. Tante Martha was de jongste zus van haar moeder. Als tante Martha er was, werd alles anders. Je kon haar in het hele huis horen lachen. Als tante Martha er was, hoefde ze niet vroeg te gaan slapen en mocht ze opblijven en mee televisie kijken.

Tante Martha woonde in de Nieuwstraat, boven een supermarkt. Nonkel Marcel schilderde reclamepanelen. Hij schilderde dingen die je in de supermarkt kon kopen en schreef er dan in sierlijke cijfers de prijs bij. Toen ze haar eerste communie deed, had nonkel Marcel panelen geschilderd voor het feest, met de letters uit een liedje. Dank U voor deze nieuwe morgen, dank U voor deze nieuwe dag, dank U dat ik met al mijn zorgen bij U komen mag.

Op een zondagavond in maart kwam een auto de oprit opgereden, maar het was niet die  van tante Martha. Het was de auto nonkel Roger, een van de broers van haar moeder en van tante Martha. Nonkel Roger maakte altijd grapjes. Nu maakte hij geen grapjes. Ze hoorde de grote mensen praten over gas in de badkamer en het roostertje in de deur dat was afgeplakt omdat het anders tochtte en hoe Conny was gaan kloppen op de badkamerdeur omdat nonkel Marcel zo lang in bad bleef en het was tijd om naar de mis te vertrekken. Op vrijdag werd nonkel Marcel begraven. Ze zag voor het eerst de andere oma van Conny en Maggy en de broer van nonkel Marcel. De broer van nonkel Marcel leek heel erg op nonkel Marcel.

In de zomer huurde nonkel Roger een huis in Luxemburg, helemaal speciaal voor tante Martha en voor Conny en Maggy. Het was een groot huis, met genoeg plaats voor de hele familie. Vlakbij was een groot woud en als je daar ging wandelen als het donker was, dan kon je de everzwijnen horen. Je kon de everzwijnen niet zien, maar je kon ze wel horen ritselen.

 

Haar man groeide op in een huis zonder kerstbomen. Er moeten ooit wel kerstbomen zijn geweest, maar dan lang geleden. Voor een kerstboom moet je genoeg plaats hebben. Je moet opruimen en plaats maken. Er werd nauwelijks opgeruimd in het huis waar haar man opgroeide. Het was er dof en het rook er naar schimmel. Er was een kachel, maar die kon maar één kamer verwarmen. In de andere kamers was het koud. Weinig plaats voor een mooi gedekte tafel en weinig plaats voor blije gesprekken. Ze hoorde vooral verwijten. En toch heeft haar man mooie verhalen verteld bij de uitvaart van zijn ouders. Hij vertelde over de tijd dat het huis nog glansde en over de tafel die zijn grootvader had gemaakt en waaraan de grote Camille Huysmans ooit had gezeten.


Het was koud en het regende, de ochtend van het huwelijk, maar het werd een dag vol lichtjes. Na de plechtigheden trakteerde haar man het hele gezelschap in het café vlakbij het stadhuis en dan moesten ze weg, voor de foto’s. De fotograaf stelde voor om naar een oude spoorweg te gaan, dichtbij de Schelde. Ze wilden niet naar de Schelde. Ze hadden zo lang gehunkerd naar een eigen plek, een eigen huis. Nu ze dat huis gevonden hadden, gingen ze niet naar ergens anders voor foto’s. Vlakbij hun huis was een spoorweg met watertorens. Daar zijn de foto’s gemaakt, onder de spoorwegbrug en bij de watertorens.

 

Toen de ouders van haar man nog leefden, kocht ze elk jaar twee kerstbomen. Een hele grote voor haar huis met haar man en een kleine voor het huis van de ouders van haar man. Voor een kleine kerstboom was nog nét plaats. Ze moest even aandringen, want de ouders vonden het toch wel veel gedoe voor niets, maar als de lichtjes werden aangestoken, gingen hun ogen heel even glinsteren. Het grauwe huis ging er heel even van glimmen. En de verwijten gingen er heel even van verstommen. In de plaats van de verwijten kwamen de verhalen, de wonderlijke verhalen over een voorvader die met duizenden schapen helemaal van Friesland naar zijn bruid in de Rupelstreek was gekomen. En over de treinrit van zijn vader die krijgsgevangen was genomen en een brood had gekregen van Duitse soldaten. En over hoe haar man nog een kind was en aan de hand van zijn grootvader naar het winkeltje mocht.

 

Het huwelijksfeest was in een oranjerie, midden in een groot park. Binnen stonden de kerstbomen. Haar man had voorgelezen uit een tekst die hij voor haar had geschreven. Hoe zij had gewacht tot hij weg had durven gaan uit het grauwe huis zonder lichtjes en weg van de verwijten.

 

Wat hield ze van het verhaal van Assepoester. Assepoes kon niet mee naar het bal van de prins, maar dan kwam de toverfee en die toverde een mooie jurk en een gouden koets en glazen muiltjes. Ze hadden thuis het verhaal op een plaatje. Het plaatje zat in een boekje. Ze keek graag naar de tekeningen in het boekje. Als je een blad moest omdraaien, dan klonk er een belletje.

Geraakt door deze tekst? Maak het hartje rood of deel de woorden met je vrienden.

Zo geef je mee een stem aan de woorden van deze schrijver.

15 mrt 2018 · 0 keer gelezen · 0 keer geliket