Opdracht 4; herwerken openingsscène en uitbreiden met drie scènes. Haddie

Haddie
8 mrt 2018 · 4 keer gelezen · 0 keer geliket

Opdracht 4. Herwerken openingsscéne en uitbreiden met drie scénes. Haddie

 

Openingsscène herschreven. Haddie

 

‘Je bent de eerste’ zegt Ewoud als ik wat aarzelend ‘De erfzonde’ binnenstap. Instinctmatig buig ik lichtjes mijn hoofd als ik de drempel over ga. Bovenaan, op de steilste helling van de Brugstraat lijken de huizen zo klein.

Ik ga alvast aan één van de tafeltjes zitten met uitzicht op de straat, zo kan ik iedereen zien aankomen.

‘Kan ik je al iets te drinken brengen?’ ‘Het komt nog van de gezamenlijke rekening’, knipoogt Ewoud.

Wat zou ik kunnen drinken om die harde knoop in mijn maag te verzachten. Het liefst sloeg ik nu een paar borrels achterover maar ik wil mijn neef niet verontrusten met die bestelling om tien uur ’s morgens.  En een dubbele tong is wel het laatste wat ik nu nodig heb.

“Een glaasje water graag’, bestel ik.  Dat zal helpen tegen die droge mond.

Waarom moest ik het mezelf zo moeilijk maken. Ik had in alle gemoedsrust naar hier kunnen rijden en ervan kunnen genieten om iedereen nog eens terug te zien.

Eén glaasje water zal niet volstaan, voel ik,  maar meer is ook niet aan te raden. Daar moet je van plassen. 

Ik verwonder me over de toenemende spanning in mijn maag . Straks moet ik nog overgeven. Ik weet ondertussen wel dat de rede soms niet opgewassen is  tegen het gevoel maar ik dacht dat ik dit ondertussen allang onder de knie had.

 

Langzaam druppelen ze binnen. Ik blijf uiteindelijk recht staan want telkens komt er weer iemand binnen die ik moet begroeten.  ’Lang geleden dat we elkaar zagen, hoe gaat het ondertussen met je?’ herhaal ik verschillende keren.  Het leidt wat af, al blijft het gevoel in mijn maag zeuren.

Daar zijn ook mijn kinderen. Ze lijken groot in deze kleine ruimte. De volgende generatie in volle wasdom, midden in het leven, mooi en sterk.

Ik heb hen de fakkel niet doorgegeven. Soms kan ik niet geloven dat het me gelukt is. 

‘ Zal het lukken mam’, vraagt Marieke bezorgd. Ik glimlach geruststellend naar haar.

Het koffiehuisje raakt stilaan vol.  Iedereen is er ongeveer. We moeten vertrekken, willen we op tijd zijn voor de dienst.

 

Ik zit vooraan tussen mijn broers en zussen, in de rug gesteund door mijn kinderen.

‘Je kan mailen met de voorganger’ had Ingrid, mijn schoonzus me laten weten. Voorganger, zo heet blijkbaar de man die de dienst leidt. Ik wilde zeker zijn dat er een lezenaar stond en dat er een goeie micro voorhanden was. Mijn stem heeft niet de draagkracht om een hele kerk te bedienen.  

De voorganger leest een tekst uit De Korintiërs. Het gaat over sterke vrouwen. Hij had de tekst niet slechter kunnen kiezen.  De opeenvolgende rituele handelingen zijn vertrouwd en tegelijk vreemd. Wierook en wijwater. Het duurt allemaal te lang.

Dan hoor ik mijn naam. Ik sta recht en loop naar voor. Alle ogen zijn nu op mij gericht. De lezenaar biedt een welkome steun. Ik kijk de kerk rond. Ik sta in haar schoenen.  Zo moet zij zich gevoeld hebben, vijftig jaar geleden.

Voor mij op de lezenaar ligt de tekst die ik gisteravond moeizaam bij elkaar schreef.

Ik adem diep in en met de kracht die me nog rest, richt ik mij tot de aanwezigen in de kerk:

 

 Beste familie en vrienden,

 

Onlangs was ik op bezoek bij mijn moeder. Het was in de vooravond. Zij lag al in bed . Ik schoof een stoel bij. 

Ze praatte over de oorlog. De tocht met de tram door Aalst naar hun huis dat ze in puin aantrof.  De herinnering aan de onzekerheid of haar moeder en een paar broers het overleefd hadden, verbleekte bij die van haar pop die in het bombardement bleef. ‘Vader vond dat ik te oud geworden was voor een nieuwe pop’, zei ze, na zoveel jaren nog steeds verongelijkt. Ze was vijftien.

De glazen kast vol poppen in de woonkamer kon dat verlies nooit goedmaken.

Ze haalde anekdotes op, sommige had ik al meerdere keren gehoord, andere leken nieuw of was ik ze misschien vergeten?

Ze lachte bij de herinnering hoe nonkel Iwein hun tante Ella altijd nadeed als die op bezoek kwam. Haar broer, nonkel Iwein was de animator en imitator van de familie.

Ze vertelde over de trouwfeesten van haar broers en zussen. Ik begreep dat die nogal eens thuis gevierd werden en dat mijn moeder dan gewoonlijk in de keuken te vinden was, ver weg van het feestgedruis.

We haalden herinneringen op over tante Madeleine en het huis in de Vredestraat. Wij, een gezin met zeven puberende kinderen, trokken in bij de alleenstaande zus van mijn grootvader. Een hele uitdaging voor beide partijen.

Iedereen noemde mijn moeder, naast moeken zoals wij haar noemden, Bea of Beken. We lachten bij de herinnering hoe, dit keer mijn broer  Maarten,  tante Madeleine vaak nadeed en van Beatrijs, zoals ze mijn moeder altijd aansprak, Treabijs maakte.

Doorheen al die verhalen ging de vooravond ongemerkt over in de avond. ‘Het wordt laat’, zei ik, ‘Ik stap maar eens op’. Maar zij was nog niet moe en uitzonderlijk in een praatgrage bui. Het ene verhaal riep het andere op, en niet altijd in logische volgorde. Mijn moeder benadrukte dat haar rol in al die verhalen er bij voorkeur altijd één geweest was achter de coulissen.

En toen vertelde ze over de enige keren in haar leven dat ze, weliswaar niet van harte, toch vanachter de coulissen gekomen was en in de schijnwerpers gestaan had. Al kwam het licht dan vooral van de kerkkaarsen.

Mijn broers en zussen zullen het zich nog herinneren dat onze ouders, in het laatste jaar dat we in Melsele woonden, lid waren van  een bezinningsgroep. Deze ‘gezinsgroep’ zoals ze dat noemden, stond onder leiding van de onderpastoor. Zijn naam ben ik vergeten.

In vergelijking met haar dorpsgenoten had mijn moeder een mooie taal en een goeie uitspraak. Er werd in haar ouderlijk huis, zoals ook bij ons thuis, AN gesproken - toen heette dat nog ABN - wat in die tijd eerder uitzonderlijk was. Omwille van die mooie uitspraak stelde de onderpastoor mijn moeder voor om elke week voor te lezen in de mis. Mijn moeder was als de dood om dat te doen maar het kwam niet in haar op - en het was in die tijd ook niet gebruikelijk - om nee te zeggen tegen een pastoor of een onderpastoor…  

Daar is gelukkig verandering in gekomen’.

 

Ik pauzeer even, er wordt hier en daar wat gegniffeld. De voorganger staat schuin rechts voor me. Ik zie hoe zijn wenkbrauwen even de hoogte inschieten.

Ik ontspan mijn schouders, verplaats even mijn voeten en vervolg dan:

 

‘Elke week stierf mijn moeder duizend doden als ze vooraan in de kerk haar tekst voorlas. De spanning kondigde zich al aan halverwege de week en nam gestaag toe richting zondag. Het wende nooit en ze repte er ook nooit met één woord over. Ik zag als kind mijn moeder daar staan, totaal onwetend over de beproeving die ze doorstond daar vooraan, met alle ogen op haar gericht.

Aan deze voorleeszondagen kwam er abrupt een einde met de grote tragedie die ons gezin trof. We verhuisden naar Geraardsbergen en daar was geen pastoor of onderpastoor die mijn moeder ertoe verleidde om die plek vooraan in de kerk terug in te nemen en jammer, er deden zich ook geen gelegenheden meer voor die haar er toe bewogen om zich nog eens op het voorplan te begeven.

 Bescheiden. Het staat terecht op haar rouwbrief want deze kwaliteit heeft mijn moeder haar hele leven tot in de finesse gecultiveerd en zelfs tot kunst verheven. 

Vandaag zijn we hier om afscheid te nemen van mijn moeder, om haar, even nog eens, in de schijnwerpers te zetten.

Daarom sta ik hier vooraan in de kerk op de plek  waar zij zoveel jaar geleden zichzelf overtrof om zondag na zondag haar veilige plek achter de coulissen te verlaten om zich in het licht te wagen.

Ik wens haar toe dat ze zich nu in het licht mag vermeien, eindelijk bevrijd van alle schroom en angst.’

 

Ik kijk de kerk rond. Ik voel opnieuw hoe alle ogen op mij gericht zijn. Het heeft nu iets geruststellend. Ik sta terug in mijn eigen schoenen. Deze plaats hoort mij toe. Langzaam loop ik terug naar mijn stoel. Ik zie de opluchting in de ogen van de familieleden op de eerste rijen.

Ze kennen de strijd.

Ze vreesden een onverbloemd portret.

Het is niet wat ze denken: ‘Over de doden niets dan goeds’. 

Het was de juiste symbolische handeling: ik raapte de draad op, vergeten op de oude kerkvloer.

 

 

Vervolg opdracht 4: uitbreiden met drie scénes.

Mijn tijdlijn is een verzameling van data, feiten en personen. Ik heb gekozen om er drie personen uit te lichten: mijn moeder, mijn oudste zus en de onderwijzeres van het zesde leerjaar. Dit is nodig om de latere scénes te kunnen begrijpen.

 

 

Mijn moeder beleeft in haar laatste levensjaren de gelukkigste van haar leven. Niets moet meer. Ze is niet meer goed te been en ze heeft de ziekte van Ménière, die het risico op vallen verhoogt. Het biedt haar een uitstekend excuus om zich niet meer buiten de deur te begeven. Haar wereld is gekrompen tot dertig vierkante meter. Ik vraag haar of ze het niet mist, de wereld daarbuiten en of ze geen zin heeft om zich eens te laten rondrijden.

‘Oh nee, daar heb ik geen behoefte aan’, haast ze zich te zeggen, ‘Ik heb genoeg aan mijn boeken en aan mijn kruiswoordraadsels. Ik verveel mij nooit.’ Mijn moeder leest bij voorkeur thrillers en detectiveverhalen, al gaat het lezen steeds moeizamer.

‘De dokter heeft gezegd dat het heel goed is dat ik mijn geest zo blijf trainen en dat ik zo goed blijf bewegen’, zegt ze trots, terwijl ze enkel wat over en weer schuifelt op haar dertig vierkante meter.

Ze wil graag de dokter ter wille zijn. Gezagsgetrouw blijft ze tot haar laatste snik. ‘Als ik iets nodig heb, haal ik het zelf uit de kast’, zegt ze. ‘Mij niet gezien dat ik me laat dienen!’

Mijn moeder houdt er stiekem van om zich te laten dienen. Elke dag staat er een team klaar om haar te helpen. Haar eten wordt  gebracht, haar kinderen doen de boodschappen en onderhouden de tuin, waar ze trouwens zelden in komt. De dames van familiehulp helpen haar met het dagelijkse toilet en met de schoonmaak.

Ik gun haar deze luxe. Ze staat in schril contrast met de levensomstandigheden in haar jonge jaren waar ze moest zorgen voor een groot gezin in een huis zonder de gemakken die nu vanzelfsprekend zijn. Een huis zonder badkamer, zonder wasmachine en met enkel een buiten-wc.

Ik zie nog het beeld van mijn moeder op haar knieën, gebogen voor de kachel in de woonkamer, de enige verwarming in het huis. Elke ochtend maakte ze eerst de kachel leeg en schoon om hem daarna met papier en hout terug aan te steken en vervolgens de hele dag met kolen brandend te houden. Later kwam de continu-kachel die ’s nachts heel licht bleef smeulen en ’s morgens enkel moest opgerakeld en opnieuw bijgevuld worden. 

De koperen kolenkit, die regelmatig in de kelder bijgevuld werd,  stond altijd klaar naast de kachel.

Mijn moeder geniet op haar oude dag van een voor haar luxueuze situatie, met als belangrijkste element dat ze gevrijwaard is van alle sociale verplichtingen.

En voor mijn moeder zijn alle sociale contacten, verplichtingen.

 

Dat was altijd al zo.

Als ik tien jaar ben en mijn moeder bevraag over haar vriendinnen vroeger, zegt ze heel beslist:

‘Ik had geen vriendinnen’. ‘Met wie speelde je dan?’ vraag ik verwonderd. ‘Ik speelde met mijn pop’, zegt mijn moeder. ‘En met je broers en zussen dan?’, probeer ik nog.

‘Nee’, zegt mijn moeder, ‘Die speelden te wild. Ik breide poppenkleertjes en soms ook een trui’. Ze vertelt opnieuw het verhaal van de mooie trui die ze gebreid had en die ze vervolgens aan haar zus gaf omdat die de trui zo mooi vond.

‘Maar jij had daar al dat werk aan gedaan!’, zeg ik.

‘En dan’, zegt mijn moeder.

 

Mijn moeder praat bij voorkeur niet over zichzelf. Ze heeft het liever over haar familie. Niet over haar kinderen en kleinkinderen maar over de mensen uit haar ouderlijk huis. Ze is trots dat ze deel uitmaakt van deze familie. Ook al voelt ze zich de minste, iets van de mythische glans, die ze hen toebedeelt,  straalt ook op haar af.

Denkt ze.

Als mijn moeder anekdotes vertelt over haar vader en moeder en over haar broers en zussen, zit er dezelfde ondertoon in haar stem als in de stem van juffrouw Thérèse, als ze de verhalen vertelt over de Heilige Familie: Maria, Jozef, en Jezus.  

Als ik tien jaar ben kan ik mij niet voorstellen dat mijn neven en nichten gewoon naar school gaan en de dagelijkse dingen doen die wij doen.

 

(In de definitieve tekst zal hier opvolgend een verhaal komen over de familie van mijn moeder)

 

Het fotoalbum

Mijn broer Olav verzamelt foto’s en documenten over de familie. Ik ben op bezoek om zijn jongste kleindochtertje Mona te bewonderen, een schattig meisje van nauwelijks 3 kg.

‘Neem het fotoalbum gerust mee’, zegt hij, wijzend op het dikke, in rood leer gebonden boek dat op de tafel ligt. ‘We komen het deze zomer wel ophalen’, zegt zijn vrouw, Ingrid, ‘ Dan geraken we eens in Leuven.’

 

Het rood lederen fotoalbum is in twee delen opgesplitst. Het eerste deel is gewijd aan de familie van mijn vader, het tweede deel aan die van mijn moeder.

Daar start ik mee.

Ik bekijk zorgvuldig de foto’s van mijn jonge moeder. Ik ben op zoek naar oude sporen van het extreme gedrag dat haar later zo kenmerkt.

 

De zwartwit foto, tweeëntwintig op zestien cm, is genomen in de tuin van haar ouderlijk huis in de Albert Liénartstraat in Aalst. Het huis dat niet lang daarna zal gebombardeerd worden. De tuin is een typische ommuurde stadstuin met gesnoeide boompjes die langs de muren opgroeien. Vooraan, op een tapijt in het gras, zitten vier jongere broers en zussen van mijn moeder.

Centraal op de foto staat een tuinbank. Aan de rechterkant zit mijn grootmoeder met haar jongste kind op schoot. Ik zie een mooie, fijngebouwde jonge vrouw. Het is haar niet aan te zien dat ze al tien kinderen gebaard heeft. Ze staan allemaal op deze foto. Naast haar zit haar oudste dochter, glimlachend naar haar jongste zusje op haar moeders schoot. Op de uiterste linkerkant van de tuinbank zit mijn moeder. Ik schat haar twaalf jaar. Ze laat een grote ruimte op de bank tussen haar en haar oudste zus, alsof ze zich wat distantieert. Dit effect wordt nog versterkt door de licht gebogen schouders. Ze heeft een donker kleedje aan met geruite kraag en manchetten. Haar handen rusten in haar schoot. Het hoofd met het donkere kroeshaar, uit haar gezicht gehouden met twee speldjes, is licht gebogen. Vanuit deze schuwe positie kijkt ze voorzichtig glimlachend in de lens.

Achter de tuinbank staat mijn grootvader met zijn gezicht in de richting van de twee rechtstaande oudste zonen. Hij kijkt naar zijn jongste zoontje dat op de leuning van de tuinbank staat, gesteund door de oudste broer.  Daardoor staat mijn grootvader in profiel. Op deze en ook op andere foto’s lijkt hij sprekend op Freud.

 

 

Mijn kleindochtertje is anderhalf. Ze zit in de kinderstoel en houdt haar handjes voor haar ogen. Ze ziet niemand meer en ze denkt dat niemand haar ziet. ‘Waar is Finneke nu toch’ vraagt mijn dochter Marieke gespeeld bezorgd. Dan haalt ze haar handjes voor haar oogjes weg en kraait van plezier. Daar is ze terug!

Ze had haar oogjes toe en was er van overtuigd dat niemand haar zag.

Finneke is twee en ze begint te beseffen dat alleen haar oogjes sluiten niet voldoende is om niet gezien te worden.

 

Mijn moeder was een expert  in haar ogen sluiten.

‘Wat niet weet, niet deert’.

Ze vertaalde het naar ‘ik ben niet nieuwsgierig’. De meest elementaire vraag: ’Hoe gaat het?’ heb ik haar nooit weten stellen.

Als ik op bezoek kom en ik op mijn beurt wèl vraag hoe het met haar gaat, is haar antwoord er gewoonlijk een in de pluralis majestatis en een variant op: ‘We mogen niet klagen. We laten het hoofd niet hangen. We houden er de moed in.’

 

Mijn moeder is in de voorbije dertig jaar welgeteld twee keer bij mij thuis geweest. Ze bracht haar kruiswoordpuzzels mee en zat wat ongemakkelijk in de zetel te wachten tot ze terug naar huis kon.

Ik nam haar mee naar de winkelstraat waar ze in hoog tempo door beende. Af en toe bleef ik staan voor een winkel waar ik inschatte dat de uitgestalde waar haar zou kunnen interesseren. ‘Ik heb niks nodig’, zei ze en ze stapte verder. Ik gaf het op om haar uit te nodigen en te gaan ophalen. Het was voor ons beiden een beproeving.

Ze belde me ook enkel als ze een praktische mededeling had. Praktische mededelingen, die ons beiden aangingen, waren schaars.

 

Op een dag krijg ik telefoon van mijn moeder.

Het is een paar maanden geleden dat we elkaar nog hoorden.

Het gaat niet goed met mij en dan is mijn moeder het slechts denkbare gezelschap. Mijn moeder valt meteen met de deur in huis. ‘Ik  heb een nieuw telefoonnummer’ zegt ze ‘schrijf je het even op’.

‘Ik werd de afgelopen maanden regelmatig opgebeld en dan hoorde ik niks aan de andere kant. Ik was er toch niet gerust in’ vervolgt ze, ‘Katrien heeft er voor gezorgd dat ik een nieuw nummer gekregen heb.’

Het blijft even stil. Door de krop in mijn keel kan ik enkel wat onsamenhangende woorden uitbrengen. Ze haakt in. Ik merk in de week daarna dat ze 500 BF (nu zo’n 20€) op mijn rekening gestort heeft. Daarmee is de kwestie afgesloten. Er wordt nooit meer op terug gekomen.

Wat niet weet, niet deert.

 

Ik vraag me af hoe ze omging met de aandoening van mijn vader, maar dat is een absolute no go area.

Ik begrijp mijn vader wel steeds beter maar dat kan ik niet met mijn moeder delen.

 

In een interview met Adriaan Van Dis * vertelt Stephen Fry over een documentaire die hij maakte over bipolaire stoornis, een aandoening waarop hij zelf al op zijn veertiende gediagnostiseerd werd. Hij vertelt:

 

Ik sprak met een voormalige kapitein-luitenant ter zee. Hij deed een zelfmoordpoging door onder een grote vrachtwagen te lopen. Die verbrijzelden zijn benen. Hij heeft me de littekens laten zien. Het was gruwelijk. Tweeën een half jaar lang werden zijn benen voortdurend terug gebroken door de orthopedist om ze dan met pinnen terug vast te zetten. Deze kapitein-luitenant ter zee keek in de camera en zei: ik wil dat je lezers en kijkers goed beseffen dat de pijn in mijn benen die ik na mijn zelfmoordpoging drie jaar lang doorstond, niets was in vergelijking met de pijn die me ertoe gedreven had een eind aan mijn leven te maken’

 

 * voetnoot:  DWDD NPO1 8 maart 2018 'Hier is Adriaan Van Dis'

 

‘We leven in een maatschappij met meer taboes dan een tijd geleden, de jaren van de vrijheid zijn voorbij’, zegt Rik Torfs  in een interview in Humo.*

*Voetnoot: Humo nr.4035/01 van 2/1/2018

Hij heeft mijn moeder niet gekend.

Wij,  Beatrijs, de koningin der taboes.

Op die vooravond, aan de rand van haar bed, deed de pijnstillende morfine zijn werk. De prefrontale kwab liet steken vallen. Ze antwoordde me verrassend gewillig op vragen die vroeger onbeantwoord bleven.

 

Het is onbegonnen werk om op te sommen waar niet over gepraat kon worden. Uiteindelijk bleef over: het weer, haar familie, de gezondheidsklachten - enkel de hare en zolang ze niet te intiem waren -  het ophemelen van haar huishoudhulp en afkeurende commentaar op het gedrag van anderen en in het bijzonder op het gedrag van mijn oudste zus.

 

Mijn oudste zus

Behalve mijn broers Olav en Maarten hebben we allemaal plechtige namen. Mijn oudste zus heet Katharina. Ze wordt Kaatje genoemd, een naam die ze op haar zestien belachelijk vindt. Ze wil voortaan aangesproken worden met Katy, naar de hit van het moment van Marc Aryan. Na een tijdje vindt ze ook Katy te kinderachtig. Ze kiest uiteindelijk voor Katrien. Het duurt een tijd voor iedereen er aan gewend is. Maar als we haar met haar oude naam aanspreken antwoordt ze niet.

Mijn oudste zus krijgt voor haar zestiende verjaardag een dichtbundel met de titel ‘Mijn moeder was een heilige vrouw’, naar een gedicht van René de Clercq.

 

MIJN MOEDER

Mijn moeder was een heilige vrouw -
o daar ligt blijdschap in dien rouw -
mijn moeder was heilig, en rein, en zoet
als de melk van haar borst... O mijn moeder was 
goed!
En schoon, schoon oud! Niet één groef in haar 
wang,
haar oogen al ziel en haar woorden al zang!
Gij hoordet, gij zaagt haar, en vroegt, mijn vriend:
ach, jongen, waar hebt gij zo'n moeder verdiend?
En toch, gij wist nog niet half wat ze deed
uit verborgen zorgen; hoe hard zij streed
in de nederigheid van haar weduwsmart,
met een roos op 't gelaat en een doorn in het hart!
Haar kinderen schonk zij het brood uit haar mond,
tot het laatste bloed uit haar warme wond....
Mijn moeder!... Zoete gedachtenis,
beheers wat er goeds in mijn leven is!

 

Ze is verontwaardigd over zo’n ouderwets en stom cadeau. Ze droomt van heel andere dingen maar ze moet naar het Marialegioen en valt daar theatraal flauw. Tegen ons, haar jongere broers en zussen wijdt ze omstandig uit over de pijn van het langdurig bidden op de knieën en over de misselijkmakende geur van wierook.

Ze hoopt dat dit haar vrijstelling geeft voor toekomstige bijeenkomsten van het Marialegioen.

Mijn zus heeft weinig op met de devotie van mijn moeder. Ze verzet zich tegen diens pogingen om haar te behoeden voor de verlokkingen van het leven. Mijn zus wil leven en lachen, en voordragen.

‘ Langzaam gaat de trage man door de straten waar de matte stralen van de maan vallen.’

Ze leert ons, haar jongere broers en zussen, hoe het moet. De korte a moeten we uitspreken als o.

‘Longzaam gaat de trage mon longs de straten …’.

Wij oefenen graag mee. Mijn moeder vindt het maar niks dat voordragen en ook niet het babbelgrage van mijn zus, die iedereen in het dorp kent en hen aanspreekt in de Waaslandse tongval. Misprijzend noemt mijn moeder haar ‘de gazet van het dorp’.

Het verschil tussen moeder en dochter kan niet groter zijn. Mijn zus belichaamt alles wat mijn moeder niet kan, durft en wil zijn.

Ze gaat daarmee in tegen mijn moeders devies: ‘Hou je onopvallend op de achtergrond’

De plaats op de voorgrond is enkel voorbehouden aan de mensen van haar familie. Onze plek is, samen met haar, op de achtergrond, in de milde schaduw van haar ouders en andere, in haar ogen gezaghebbende familieleden.

 

Het gebeurt niet vaak dat er volk over de vloer komt in ons huis in Melsele. Pascal is bij iedereen een graag geziene gast.  Hij brengt kleur in ons vlakke bestaan. Hij is fotograaf. Hij legt ons leven vast in zwart en wit.

Hij komt voor mijn oudste zus. Mijn moeder is er blij mee, ze ziet in hem de gedroomde partij voor haar oudste dochter. Ze hoopt dat hij de geest wel terug in de fles krijgt.

Pascal heeft flaporen. Het was ons niet opgevallen, maar mijn zus wel. Ze gruwt ervan. Ze behandelt hem heel koel. Ze heeft een vrijer in het dorp.

 

 ‘Naar het volgende kerstfeest zal ik niet alleen komen’ vertrouwt mijn oudste zus me, veel jaren later, wat geheimzinnig toe. Ze doet haar uiterste best om de woorden van mijn moeder niet waar te maken. ‘Die geraakt nooit van de straat’, zegt mijn moeder terugkerend als mijn zus opnieuw komt aanzetten met een man die niet kan rekenen op haar goedkeuring.

Het kerstfeest gaat door in de Gasthuisstraat waar mijn moeder naar verhuisd is na de dood van tante Madeleine. De bank kocht het huis in de Vredestraat en brak het af tot de laatste steen.

‘Dit is Jean-Pierre’ stelt mijn zus trots haar vriend aan me voor. Ik zie het al bij de eerste oogopslag maar ik wil de triomfantelijke overmoed van mijn zus niet kelderen dat ze kan ontsnappen aan de herhalingsdwang en aan de bepaaldheid van mijn moeders woorden.

 

Een paar maanden later ben ik op bezoek bij mijn moeder.

‘Katrien is terug alleen?’ vraag ik aan mijn moeder.

‘Ja, eindelijk. Ik begrijp niet, dat ze daar zo lang bij gebleven is’, zegt mijn moeder op die welbekende afkeurende toon, ‘Als een man je zo behandelt’.

‘Ik begrijp dat wel’ zeg ik.

Mijn moeder schuift onrustig op haar stoel.

Ik houd mij niet aan de regels van het spel en ondertussen weet ze dat ze me dit niet meer kan verbieden.

Ik ben een spelbreker.

Dit gesprek had als volgt moeten verlopen;

Mijn moeder: ‘Dat begrijp ik niet, enz.’ Ik: ‘Ja, t‘ is niet te verstaan’. Mijn moeder: ‘Dan moet ze achteraf ook niet komen klagen.’

Ik probeer mijn moeder duidelijk te maken dat menselijk gedrag soms door andere drijfveren dan de rede gestuurd wordt.

We bevinden ons op drijfzand.

‘Het gebeurt me ook altijd opnieuw dat ik verliefd word op een man die me niks te bieden heeft en waar ik terug afscheid moet van nemen, net als van mijn vader’, waag ik eraan toe te voegen.

Mijn moeder is een afwerende, gestolde, zwijgende massa geworden.  De lucht tussen ons verdicht zich en slorpen de woorden op die in het bijzijn van mijn moeder volkomen misplaatst zijn.

‘Verliefdheid’ is zo’n woord en, ‘mijn vader’.

Vermits ze al lang geleden gestopt is met iets te drinken aan te bieden als er iemand op bezoek komt, kan ze dit niet als vluchtweg aangrijpen.

De winkelbel gaat. Mijn moeder woont in de Gasthuisstraat in een voormalig winkelpand. De winkelruimte vooraan gebruikt ze niet en heeft ze wat opgesmukt met zelf gebreide dieren en prullaria. Deze verder lege ruimte zonder bestemming vormt een buffer tussen de buitenwereld en haar leefruimte. Het is de gracht voor de burcht. De ophaalbrug kan desgewenst opgehaald, maar bij voorkeur neergelaten worden.

Mijn broer komt binnen, de verlosser van het moment. Mijn moeder kan terug opgelucht ademhalen.

‘En, alles goed hier?, vraagt hij, terwijl hij ons onderzoekend aankijkt. ‘We mogen niet klagen’, antwoordt mijn moeder, nog voor ik iets heb kunnen zeggen.

 

Het zesde leerjaar

Ik zie ze nog allemaal voor me, de juffen van de lagere school.

In het vijfde leerjaar is onze juf een non.

Zuster Remigia heeft een lief, blozend gezicht.  Halverwege het jaar verlaat ze ons. De directrice van de lagere school, die we Moeder Overste noemen, komt in onze klas. Dat is zeer uitzonderlijk. Ze vertelt  ons dat zuster Remigia ziek is en herstelt in een ander klooster. De aanwezigheid van Moeder Overste is zo imponerend dat niemand een vraag durft te stellen, bijvoorbeeld welke ziekte ze heeft en of ze dit jaar nog terug naar onze klas komt.

Zuster Remigia komt niet meer terug naar onze klas.  Ze schrijft een brief waarin ze voor ieder van ons een attent woordje heeft. Een paar maanden later weet een meisje uit de hogere klas te vertellen dat zuster Remigia uit het klooster getreden is.

 

Juffrouw Thérèse is de onderwijzeres van het zesde leerjaar. De vrouwen van haar generatie moesten stoppen met lesgeven als ze trouwden. De oudere onderwijzeressen in onze school zijn ofwel nonnen ofwel ongehuwde dames. Jonge dochters worden ze genoemd.

Juffrouw Thérèse is een jonge dochter op leeftijd. Als ze voor de klas staat zijn haar wenkbrauwen altijd gefronst. Haar rechter boventand staat ingedrukt op haar onderste lip. Het geeft haar iets verbetens. De hoofdtonen van juffrouw Thérèse zijn grijs en bruin, ook al zijn de aanbevolen kleuren van de school blauw en wit, de kleuren van de maagd Maria, die ons tot voorbeeld moet strekken. Onze schorten zijn blauw en wit geruit,  onze plooirokken zijn donkerblauw, net als onze blazers, jassen en truien. De bloezen en kousen mogen wit zijn.

Er zijn twee zesde klassen. Juffrouw Rosa leidt de andere klas. Ze is van dezelfde leeftijd als juffrouw Thérèse. Haar hoofdkleur is oudroze.

Als we in de rij staan te wachten om naar onze klas te gaan, spreken ze Frans met elkaar. In hun jonge jaren was het onderwijs Franstalig. In het boerendorp waar we wonen is dit de enige mogelijkheid om deze vaardigheid te oefenen. Dat wij hen dan niet begrijpen, is mooi meegenomen.

 

Juffrouw Thérèse heeft zich tot missie gesteld om de jeugd te behoeden voor ijdelheid en zelfoverschatting.  Ze gebruikt graag het woord ‘hovaardigheid’. Daar zal ze ons van verlossen. Daarvoor neemt ze elke gelegenheid te baat om ons eraan te herinneren dat we niks voorstellen, niks kunnen en niks weten, ‘ook al zitten jullie nu al in het zesde leerjaar’, voegt ze er aan toe. Het komt niet in ons op om haar er op te wijzen dat haar onderwijs dan wel jammerlijk gefaald heeft.

 

Er is een uitstap gepland: met de bus naar het zwembad in Sint-Niklaas. Ik kan niet zwemmen en ik heb ook geen badpak dus ik blijf samen met nog een paar meisjes, die elk hun eigen reden hebben om niet mee te gaan naar het zwembad, achter bij juffrouw Thérèse in de klas. We krijgen rekenoefeningen. Ik had gehoopt op iets vrolijker, iets wat meer in de lijn van het zwemuitstapje. Ik stel me voor hoe mijn klasgenootjes zich vermaken, eerst in de bus – naast wie zou Linda zitten? -  daarna spelend in het water en daarna met een flesje chocolademelk in de hand. Het rekenblad blijft onaangeroerd. Juffrouw Thérèse kloft door de klas. Haar schoenen lijken een maat te groot. Bij elke stap dreigen ze uit te vallen. Ze ziet mijn leeg rekenblad.  Zelfs zonder naar haar te kijken weet ik hoe ze kijkt. De gefronste wenkbrauwen, de tand die wat dieper boort in de onderlip.

Ik ben geen held. Ik ben opgevoed  tot strikte gehoorzaamheid, een grote deugd volgens mijn moeder en volgens juffrouw Thérèse.  Mijn oudste zus wordt thuis dagelijks opgevoerd als voorbeeld hoe het niet moet. In onze klas is het Rita Verstappen die deze niet benijdenswaardige rol speelt. Soms moet ze helemaal alleen achteraan in de klas gaan zitten, soms vooraan op haar knieën op de trede met een boek op haar hoofd. Om te leren stil zitten. Dat leidt tot hilarisch taferelen waarbij sommige meisjes hun lach niet kunnen inhouden en juffrouw Thérèse steeds bozer wordt.

Juffrouw Thérèse staat naast mijn bank. Juffrouw Godelieve van het vierde leerjaar rook naar eau de cologne. Juffrouw Thérèse ruikt muf en vreugdeloos. Er is een kortsluiting in mijn hoofd. De cijfers dansen en springen op en neer, ze zwemmen!

‘Komt er nog wat van’, klinkt het naast me. Ik kan niet geloven dat ik mezelf hoor zeggen: ‘Nee’. 

Als door een wesp gestoken springt Juffrouw Thérèse op.

‘Alsof je deze extra oefeningen niet nodig hebt.  Deze hovaardij zal ik je wel eens afleren!’, roept ze door de klas.

Het komt vanuit mijn middenrif in schokkende bewegingen. Ik kan het niet tegenhouden. Ik slik en slik, ik trek mijn spieren samen, ik buig naar voor, ik probeer mijn adem in te houden. Het helpt niet, mijn hele lichaam schokt. ‘Ga naast je bank staan en je mag pas terug gaan zitten als je gestopt bent met deze belachelijke vertoning’, zegt ze. Ze kijkt me koud en kwaad aan. Ik sta lang naast de schoolbank. De andere meisjes zijn doodstil en buigen het hoofd boven de rekensommen. Juffrouw Thérèse is oppermachtig, ze wint de strijd. Ik krijg, na een bovenmenselijke inspanning, het uitstulpende verdriet ingeslikt en afgegrendeld.

Het wordt een levenswerk om dat middenrif terug ontgrendeld te krijgen.

Geraakt door deze tekst? Maak het hartje rood of deel de woorden met je vrienden.

Zo geef je mee een stem aan de woorden van deze schrijver.

Haddie
8 mrt 2018 · 4 keer gelezen · 0 keer geliket