Nazomer 2017
Sheaboter trekt bijtjes aan, merk ik. Ze zoomen gedurig rond mijn benen en scheren af en toe zacht langs mijn nek. Telkens schrik ik op en sla het al lang vertrokken insect wild weg. De zon brandt van rechts op mijn gezicht en eigenlijk is het kleed dat ik draag te warm. Ik hoor alleen maar natuur, de haan die vooraan in de straat, zo’n anderhalve kilometer voorop, kraait, de bijen, het gekwetter van vogels en als grondtoon het kabbelen van de beek die net achter de haag een verdiepinkje daalt. Hemelser wordt het niet en toch ben ik ongemakkelijk. Omdat ik iets zou moeten maar het niet aan het doen ben. Geld verdienen? Iets produceren? Maar ik wil terugdenken aan het feest van mama.
De hele oprit staat vol wagens. Mama heeft ze allemaal weten te verzamelen, ook diegenen die niet meer met elkaar praten. Hoewel we van alle genodigden het korst bij wonen, komen we toch laat aan. We parkeren op straat. De schapen beginnen meteen en zoals altijd overdreven hard te blaten. Ook wij zijn blij hen terug te zien. De jongens lopen al door, achterom via de tuin naar de keuken, tot ze al het volk opmerken. Mama zou het aperitief op het ‘oosterterras’ geven. ‘Daar blijft de zon zo mooi lang hangen en dan hoeft al dat volk niet voor mijn keuken te staan’. Het is een gezellige boel, ik spot meteen Tony, klein maar nog steeds dik. Het feestvarken. Hij wordt 72. Een wit hemd, breed open aan de hals. Ze drinken bubbels. Linda brengt hapjes rond. Iedereen is er, hier en daar ook iemand die ik niet meteen kan plaatsen. Ik feliciteer eerst Tony, en werk dan de ronde af waarin hij staat: Vera, Francine en Erik, iemand die ik niet ken en die zich als Nicole voorstelt. ‘Door jou heb ik ‘Het achtste leven voor Brilka’ gelezen’ zegt ze, ‘en het was fan-tas-tisch’. Juist, mama had me inspiratie gevraagd en ik had dàt boek getipt.
De zon schijnt fel, maar verderop komen donkere wolken aanschuiven. De kinderen zeggen iedereen beleefd gedag en lopen dan recht naar de trampoline. Ik ben trots op mijn kinderen, het zijn fijne, zotte jongens, mooi, en heel verschillend. Het is goed dat ze niet wegkruipen achter mijn rok maar iedereen gewoon dag zeggen. Zonder flauwekul, met vertrouwen.
Mama heeft de ronde partytafels gezet, en een buffettafel voor de drank. Het is fijn om deze mensen terug te zien. Altijd. Marc kent bijna iedereen. Ik merk dat hij ontspannen is, dat hij zijn best doet. Tony is nieuw voor hem en ik weet dat hij zo dadelijk prijs zal hebben. Ik krijg een glas van papa. Hij speelt die rol voortreffelijk, die van gastheer onder regie van mijn moeder. ‘Paulus, nu dit, Paulus, nu dat’. Hij kijkt haar over zijn bril aan, een monkellach, zijn bovenlichaam helt overdreven naar achter en zijn knieën veren meer dan gewoonlijk, hetgeen hem iets energieks geeft. Ik zie aan die houding dat hij er zin in heeft – de houding en het enthousiasme waarmee hij ieders glas bijschenkt– en natuurlijk de muziekkeuze. Paul Simon vandaag, Diamonds on the Soles of her Shoes, net dat tikkeltje te luid. Dat doet papa altijd bij feesten, de muziek te luid zetten. Ik vraag me telkens opnieuw af of het aan mij ligt dat ik de kakafonie van geluiden niet goed verdraag of dat hij hardhorig wordt, of dat hij zijn zelfgekozen, dagelijkse isolement op een sociale happening als deze wil overcompenseren door alles te goed te willen doen. Ik spot mama. Ze komt met een lege vaas vanuit het huis en is zoals altijd blij ons te zien. Heel even gaat haar ‘dirigentenknop’ af en knuffelt ze ons uitgebreid, tot ook dat voorbij is en ze ‘Lindaatje’ en ‘Paulus’ met een volgende opdracht belast. Linda brengt soepjes rond – een van vele amuse gueules - in kleine aardenwerken bekertjes. Groene soep met een oranje bloemetje erin. Mama huurt die kommetjes niet, ze heeft ze om dit soort feestjes te geven. Vijfentwintig of meer aardewerken kommetjes voor de soep en dezelfde aantallen aangepaste bordjes voor alle hapjes die volgen. Ze is vervuld van geluk wanneer ze een feest geeft, niet zozeer omdat ze alle vrienden dan terugziet - dat natuurlijk ook - maar vooral de acte zelf ze allemaal bij elkaar te brengen geeft haar een diepe voldoening. Daar de motor van te zijn, het te initiëren en te orkestreren, na te denken over de plaats van handeling (starten op het oosterterras, daarna onder de pergola en als uitwijkmogelijkheid de living), de kleuren van de servetten en de tafelkleden en dat doortrekken in de keuze van de bloemen, het uitzoeken van recepten, gewaagde combinaties maken en door er met ons over te praten, ze mentaal proeven én verbeteren, Linda een dag op voorhand inschakelen om de zetels te versleuren en de tafels al te dekken en dan - de dag zelf - alles vlot laten verlopen. Zij is maître d’orcheste en ze is de beste in haar vak.
Ik zie vanuit mijn ooghoek dat het zover is. Tony heeft Marc beet. Daar was geen ontkomen aan. Er is natuurlijk het gemeenschappelijk ‘Antwerpenaarschap’ en ook Tony is blijkbaar niet bestand tegen de zoete lokroep dat het bv-schap uitstraalt. Marc weet dat ik Tony het archetype van de pedante Antwerpenaar vind, daarvan heb ik hem over de jaren heen al heel wat voorbeelden gegeven. Voor zover ik me kon herinneren – mijn hele bewuste leven– is Tony een moppentapper van het soort dat in feite niet geestig is – of dat vonden wij toch niet. Meestal waren het moppen in de trend van ‘Antwerpen dit en zus en zo, en de rest is parking’, en hoe de Limburgers daar als sloom en bijna achterlijk bij afsteken. Wij konden daar al heel snel alleen maar groen om lachen, niet zozeer omdat wij zelf in Limburg wonen en Tony wél om de haverklap bij ons op bezoek kwam, maar vooral de herhaling ervan verveelde ons. Bij elk bezoek werden diezelfde grollen opnieuw verteld, en wij begrepen daar de zin niet van. Wat ik daarentegen wel wonderlijk aan hem vond, was dat hij zijn leven aan jaartallen ophing als in: ‘In 74, toen ik als arts in opleiding stage liep in Egypte en bijna werd opgegeten door een krokodil in de Nijl’, terwijl ik mijn jonge leven aan geen enkel jaartal behalve mijn geboortejaar kon vastknopen. Tony is psychiater en nooit getrouwd. Hij is altijd écht alleen geweest en naarmate zijn grappen ook andere mensen begonnen te vervelen, werd hij hoe langer hoe minder genodigd. Deze keer heeft iedereen het opgebracht om voor hem samen te komen. Hij is altijd verliefd geweest op mijn moeder – of dat beweerde zij toch - maar dat belette hem niet om ook te koketteren met de andere vrouwen van hun vriendenkring. Mietje bijvoorbeeld, waar ik intussen mee sta te babbelen. Ze is niets veranderd in die vijfendertig jaren. Nog altijd een bloedmooie brunette met een fragiel Limburgs accent. Haar woorden weloverwogen gekozen. Lange haren in een paardenstraat, kastanjebruine ogen, een smal gezicht met zachte gelaatstrekken. Gracieuze, slanke vingers, maar ook knokig dankzij het minutieuze werk als juwelenontwerpster. Ze vertelt over David, over Jo en Sara, en haar kleinkinderen. Hoe Jo en David zo ondernemend zijn, en het harde leven van Sara als alleenstaande moeder en onderzoeker. Dat ze alle drie een zeilboot hebben en nog vaak allemaal samen met haar en Harry gaan zeilen. En dat ze geen juwelen meer maakt omdat ze geen eigen atelier meer heeft. In vijf, zes zinnen is een heel leven bijgepraat. Ondertussen eet ik onophoudelijk kaaskoekjes, nootjes en de hapjes die worden rondgebracht. Ik kan er niet vanaf blijven en voel me al snel verzadigd. Anso komt erbij staan. Ze moet net toegekomen zijn. Ze ziet er moe uit, maar ze straalt. Ze heeft nog maar pas een restaurant geopend en je ziet aan haar dat ze fysiek bijna geen marge meer heeft. Ze is graatmager en ze is de enige van ons drie die altijd al last heeft gehad van migraine. Ze staat heel scherp. Maar ik zie dat zij hier ook van geniet. Al die vrienden samen.
Een aantal mensen die ik nog niet had gegroet, lopen nu richting pergola met servies in de handen. Annick, tante Nouch, Thierry, en Benny, die in feite in de weg loopt. Het zijn oude versies van hun jonge zelf. Goed geconserveerd. Kloek en blakend. Ze hebben zich allemaal mooi gemaakt voor het feest en ze ruiken lekker. Iedereen wordt ingeschakeld. Op aangeven van mama wordt in de tuin gedekt. Ze wil het erop wagen. De servetten liggen net en dan komt er een flinke zucht wind. Ze dansen over de tafel naar links, het gazon op. De lucht is donkergrijs. ‘Het gaat langs ons heen scheren, scheren maar niet raken.’ Samen met Benny monster ik de lucht. Hij heeft een soort van piep in zijn stem, die elk moment lijkt te gaan breken. ‘Wij gaan gespaard blijven’. Maar dat is natuurlijk niet zo. Tante Nouch loopt achter de servetten aan. Het is een koddig zicht. Nu komen ook de kinderen erbij. Hun schoenen staan nog bij de trampoline. Ze rennen het gras op, de dansende servetten en tante Nouch achterna. Ik roep hen op te letten voor de ‘kippenkak’. Dat wordt zo stilaan een running gag in de familie, sinds papa kortgeleden geen vat meer had op de kippen die mama koopt en waarvan ze verwacht dat hij ze verzorgt. Het is begonnen bij de gigantische kippenren die ‘doorbraakplekken’ vertoonde waar papa niet tegenop gewassen bleek. Sindsdien laat hij de kippen de vrije loop in de tuin en vermenigvuldigen ze zich aan een razend tempo. We hebben er nu 34, waarvan 27 kuikens. Hij schijnt die chaos niet onprettig te vinden. Volgens mij doet het mijn vader denken aan het utopisch samenleven in een bucolische tuin zoals Epicurus dat placht te doen en zoals hij zelf zijn studententijd in Leuven doorbracht met de vrienden die hier vandaag verzameld zijn. Een zoete herinnering aan vroeger, die hij nu op kleine schaal aan zijn kippen gunt. Maar ondertussen schijten die kippen wel de hele tuin onder. Of misschien is het een kleine daad van verzet van hem aan het adres van mijn moeder, die hem gedurig commandeert.
Ik hoor nu een scherp en dwingend ‘Leen’ door de tuin galmen. Tante Nouche. Mijn mama heeft een hekel aan die naam, maar ze berust in alle kuren van haar zus. ‘Leen’ komt aangesneld en er wordt overlegd of ze wel doorgaan met dekken. Er is veel wind – ook de jurken en de haartooi van de genodigden lijken nu overgeleverd aan de grillen van de wind– en er zijn regendruppels gesignaleerd. We horen in de verte de fruitkanonnen afgaan die de wolken moeten verdrijven. Mama beslist dat het toch de living wordt. Geen probleem, daar was ze op voorzien. De hele ribambelle gaat terug naar binnen – kussens, servies, bloemstukjes - behalve de loodzware, oerdegelijke tuinstoelen die zo net met man en macht werden aangesleurd, die mogen blijven staan.
Ik zoek mijn man. Hij staat op het gazon bij Annick. Ze zijn blijkbaar druk verwikkeld in een gesprek want de druppels deren hen niet. Ze is nog altijd een mooie vrouw, de huid van haar gezicht na een heel leven nog steeds strakgespannen over de brede jukbeenderen als van het leer over een tamboerijn. Het is onbegrijpelijk dat in die textuur toch rimpeltjes aanwezig zijn, rond en om de ogen. Ze is altijd verzorgd maar zelden knap gekleed. Ook vandaag draagt ze een wat ouderwetse rok met losse plooien over haar brede heupen en in een appelblauwzeegroen dat niet flatteert. Ze praten over Genk. Annick is van opleiding archeologe en ze is gek op alles wat naar geschiedenis ruikt. Bovendien is ze van Waterschei en ik weet nu dat Marc haar over het huis in de Stalenstraat heeft gevraagd. Maar deze keer moet ze het antwoord schuldig blijven. De cité kent ze als haar broekzak maar het huis achterin kent ze niet. Ik heb Annick altijd gemogen. Ze is belezen, erudiet en geïnteresseerd zonder zich ooit op te dringen, én ze kent echt veel van culturele geschiedenis. Ze is nu de partner van Benny, al een hele poos eigenlijk. Benny heeft drie goedaardige hersentumoren achter de kiezen en is daardoor deels verlamd. Toch stapt hij nog, al is dat wankel en met een stok. Ik kijk vanop het gazon hoe hij het trapje van het terras naar ons wil nemen: het is één trapje in een smalle doorgang aan beide kanten begrensd door kniehoge buxus. Ik kijk of hij zich zal mistellen en struikelen, want zijn voet sleept wat en is verdraaid. Maar het lukt natuurlijk. Hij heeft in zijn eigenaardige stap een eigen vaardigheid ontwikkelt die nu zijn ‘normaal’ is. Benny’s echte vrouw kon de pech niet aan en heeft hem verlaten. Misschien was hij onhandelbaar geworden? Of misschien was zijn karakter veranderd na zoveel operaties? Benny was nogal breedsprakerig vroeger, luidruchtig ook, met bulder lachen en zo. Liefst samen met Thierry. Ik denk dat papa in Leuven bewust het gezelschap van die mannen zocht, om zijn stille kant in evenwicht te brengen. Het is het type mannen waarbij de mop altijd om de hoek ligt en zelden mislukt omdat ze die zo weten te orkestreren dat je gedwongen wordt te lachen. Als je dat maar mondjesmaat doet is het ook niet erg omdat niemand harder lacht dan zijzelf. Maar Benny was dus alleen komen te staan en had ook zijn flamboyante, alomtegenwoordige zelf wat verloren. En Annick was allang niet meer de vriendin van mijn vader. Ik weet er het fijne niet van waarom dat is afgesprongen. Het meest waarschijnlijke antwoord is allicht dat mijn beide ouders hadden ingezien dat een ‘ménage à quâtre’ op de lange termijn minder vanzelfsprekend is dan de eerste, gloedrijke, vrije jaren deden vermoeden. Maar iets in me zegt dat Annick er uiteindelijk een punt achter zette. Een sterke vrouw, weduwe van vier kinderen, die geen zin meer had en genoeg zelfrespect om niet voor altijd slechts een weliswaar felbegeerde, maar toch een ‘nevenvrouw’ te blijven. En dus dwong ze papa om een keuze te maken. Het is me nog steeds een raadsel waarom papa niet gekozen heeft voor deze vrouw. Ik denk dat hij tot lang daarna verteerd werd door liefdesverdriet en zijn hart toen een stukje is gescheurd.
Ik zoek de blik van mijn man. Hij staat te praten met Harry. Ik merk dat hij door wil. Ik zou liever blijven maar hij wil een toertje gaan doen in de omgeving. Huizen kijken. Dat doen we graag, het is een soort van ‘gezamenlijk project’, soms denk ik dat het een surrogaat is voor de verstandhouding die we niet hebben. En bij elk mooi huis dat we zien, prikt hij ook de mogelijke droom die eraan vasthangt onmiddellijk kapot. We ontdekken die middag Vechmaal, een dorpje op een kwartier van mijn ouders maar nog steeds in het heuvelrijke Haspengouw. We onthouden het voor een volgende wandeling. Drie uur later keren we weer. Het is een prachtig tafereel. Nu zitten ze wel onder de pergola. De zon komt van de andere kant, lager, gloedrijk, minder fel. Een geanimeerde bende, onderuit geschoven, de flessen wijn bijna leeg, en daarachter onze kinderen. Ze voetballen met Liliana. Ik neem wat van het desserten buffet en vul ook een bordje voor Linda. Ze is in de keuken en wast de laatste borden af. Alles is proper. Ze loopt wat gebukt, ziet er moe uit. We zitten samen op het terras voor de keuken. Ook daar schijnt de zon nu. ‘Hoelang ben je nu bij ons?’, vraag ik. ‘Van toen Thomas geboren is. Ka kwam hier werken in het atelier en ik gaf Thomas het flesje.’ Thomas is 19 geworden dit jaar. Ik zie dat mijn jongste in zijn ogen wrijft. Onze kinderen zijn moe. We stappen op.
Aan dat feest van vorig weekend denk ik, en ik bewonder mijn ouders voor zoveel energie. Ze zijn in alle opzichten geslaagd. Behalve dan wat mij betreft. Boordevol talent, veelbelovend en toch niet uit de startblokken gekomen. Een eeuwige studax. Wat durven ze vertellen over mij wanneer ze ergens op bezoek zijn en er wordt over de kinderen opgeschept? Ik blijf maar vasthangen in dat verleden, kom niet los van dat aardige nest. Mijn dromen over net zo’n leven, met een grote vriendenkring, avontuurlijke reizen, veel cultuur, zwoele avonden vol discussie en galmende lachsalvo’s, een eigen, bloeiende zaak en de allure van een vrijgevochten, onafhankelijke vrouw. Niets daarvan heb ik weten te realiseren. Ik hoor een auto dichtslaan op de oprit. Mijn man is er. Hij vraagt me wat ik aan het doen ben. Wat ik gedaan heb vandaag. Ik mompel iets terug terwijl ik de tuin in loop en naar de beek staar, daar waar het water een verdiepinkje valt en in een ijltempo wegstroomt.
Herfst 1985
Ik sta in de beek naast het kasteel. Het water gutst bijna mijn laarzen in. Ik doe voorzichtig, wandel behoedzaam met een dikke steen en twee takken van de oever naar het midden. We bouwen een dam. Bik’s idee. Het is zaterdagochtend, Ardennen-weekend. Morgen is mijn verjaardag. Deze keer heeft mama een groot kasteel gehuurd, midden in een bos. Elk jaar heb ik het heerlijke gevoel dat ze dat hele weekend speciaal voor mij organiseert. Dit jaar zijn we zelfs met twintig! De Putten en de Valkenborghs zijn ook mee. Mijn handen zijn rood en bevroren, maar dat geeft niet, want ik hou van het geluid van het stromende water. Het voelt aan alsof we iets groots aan het doen zijn, iets belangrijks, iets onomkeerbaars. Ik ben vastberaden zo lang te bouwen tot het perfect is. Ka, Tom en Erik helpen mee. Niemand speelt baas. Bik legt wel uit hoe een dam precies werkt, maar dat is niet hetzelfde. Erik, dat is een baasspeler. Normaal zegt hij heel de tijd wat mijn grote zus moet doen. Alsof hij de baas over haar is. Erik is een stomme, egoïstische prut-etter, net als zijn vader, Jos. Ik weet niet wat Ka in hem heeft gezien. Met zijn bleke jeans en zijn lelijke loopschoenen altijd. En hij stinkt.
De anderen druppelen het kasteel uit, met laarzen en jas aan. “Bineke.” papa roept van aan de deur, “Kom, we gaan vertrekken.” Hij wacht tot ik bij hem ben. De anderen zijn groter en sneller, en zijn al met de rest mee vertrokken. Papa en ik zetten de pas erin. Ik zoek een stok om te schrapen. Hij moet groot genoeg zijn om op te leunen, stevig, maar niet te dik want dan krijg ik hem nooit geschraapt. Papa geeft me zijn zakmes. Bovenaan maak ik een scherpe punt. Om als wandelstok te dienen én om vissen te kunnen vangen in de dam straks. We hebben de rest ingehaald. Sara, Alwin en ik lopen op de hoge zijkant van de weg, een beetje in het bos, parallel met de groten. Het bos ruikt nat. Ik trap op de bladeren. Een beetje vochtig. Ze blijven aan mijn laarzen plakken. Ik mik met mijn stap op takken die onder de bladeren liggen. Ik hoop dat ze daardoor knappen. De wandeling duurt lang. Mijn benen worden moe.
“Is het nog ver? Nu hebben we toch al heel ver gestapt, papa?”
“Toch nog een eindje.”
Ik trek een vies gezicht. “Papa, ik kan echt niet meer.”
“Allez komaan, Bine” zegt papa half lachend, half kordaat.
Ik weet wat ik nu moet doen. Ik blijf staan. Papa loopt verder. Ik zet me op mijn hurken en kijk naar mijn laarzen. Mokkend. Ik probeer zonder mijn hoofd op te richten, te kijken of papa nog doorloopt of al gestopt is. Hij is gestopt en kijkt naar mij. “Kom nu, Binneke” Hij lacht, de lacht van een medestander. Nu nog even volhouden. Wanneer ik er zeker van ben dat hij me op zijn schouders zal tillen, loop ik naar hem. Nu geraak ik thuis zonder te stappen, ik zal van schouder op schouder worden overgeheveld tot we er zijn.
Na het avondeten wandelen we naar het dorp. Het is al donker. Iemand maakt een wolvengeluid. Ik mag met de groten mee. Zonder volwassenen. Ik zit op de schouders van Bik en we zingen. De straat helt naar beneden, ze is nat en de verlichting doet het asfalt oplichten. We hebben één zaklamp mee. Ik voel me groot. In de verte horen we de bomen fluisteren.
Ik lig moe in de zetel en staar naar het vuur. Mama, Jos, en twee Valkies kaarten. Ze spelen kleurenwies. Ik kruip op mama’s schoot. Ze zegt me wat troef is. Ik probeer te onthouden welke kaarten er in de stapeltjes van de anderen liggen. Papa en Annick lezen in de zetel. De anderen spelen boven op de overloop. Er knalt een kastanje kapot. De vuurspetters vliegen de living in, maar niemand kijkt op. Ik mag ze uit het vuur halen, heel voorzichtig. Mijn gezicht wordt gloeiendheet. De geur van gepofte kastanjes is bijna zo goed als die van nat bos. Mama en Tom winnen. Mama wint altijd. Zij is de slimste van iedereen. Ik loop de gang in. Het is er koud. Mijn zussen zijn boven, samen met de andere kinderen. Ze maken een kamp met de matrassen. “Ik verhuis mijn matras naar jullie” hoor ik Anso zeggen. “Ik slaap niet meer in de kamer van mama. Ze maakt de hele tijd walgelijke geluiden met Jos. Ik doe alsof ik slaap maar ik hoor het toch”. Ik begrijp niet wat ze bedoelt, maar er is nog plaats op de overloop als we straks alle matrassen een beetje opschuiven.
Iedereen komt naar boven nu, om te slapen. Zelfs de volwassenen. We zijn lang mogen opblijven. Ik ga naar de kamer van mama en papa voor een kus. Papa ligt al in bed. Naast hem ligt Annick. Ik haat dit. Zal ik doen alsof er niets aan de hand is, of durf ik iets te zeggen? “Waarom lig jij niet bij mama?”
“Mama ligt in de andere kamer” lacht hij.
“Heb jij zo niet koud? Waar is je pyjama?”
Papa mompelt iets. Ik ga naar de gang en kruip op de matras, met mijn gezicht naar de muur. Het ruikt muf in het kasteel. De muur is klam en er brokkelt wat wit stof af. Morgen vieren we mijn verjaardag.
Zomer 1993
De vogels fluiten al vroeg. Ik ben het niet gewoon door de natuur gewekt te worden. Voorbijrijdende auto’s, ja, maar die snorren mee op het ritme van je ademhaling. Deze vogels zijn zo invasief, prikken je slaap kapot, dwingend. Mama heeft haar droomhuis gevonden. Eindelijk. Weg van de praktijk, zodat ze ’s avonds de deur achter zich dicht kan trekken en er een fysieke afstand is tussen haar en het werk. En ineens een Tabula Rasa van dat intens verstrengelde verleden. Open ruimte. Vrijheid. Anonimiteit. Ik ben kwaad. Ik mis ons prachtige rijhuis. Nu lig ik in een spuuglelijk, vrijstaand huis met een Oostenrijks soortig dak en een afbeelding van een eend boven de voordeur. Wel met een grote tuin maar afgelegen. Ik geraak nergens meer. Niet op café, en niet op fuiven. Voor de school hoeft het niet meer. Ik zit op internaat sinds vorig jaar. Zelf gekozen. Om Frans te leren. En omdat ik toch altijd alleen thuis ben tijdens de week. Ka zit op kot in Gent en Anso in Brussel. Mama en papa werken tot laat. Voor de weekends is dit huis echt niet praktisch. Op 10 kilometer van alles. Nu moet ik met de bus of met Herman. Gelukkig heb ik Herman.
Mama liet me eerste keuze voor de kamer. Ik slaap als enige beneden. Een kamer met blauwe natuursteen. Kil, lelijk maar mét open haard. Heel het huis is lelijk. Vol gelegd met alle mogelijke soorten tegels, afschuwelijk gecombineerd. Alsof de tegelfabrikant die hier vroeger woonde al de overschotjes heeft gebruikt. Deze keer heb ik niet begrepen wat mama erin zag. Maar zij ziet het dus, hoe het zal worden en wat ze ervan kan maken. Het is koud en klam in deze kamer. Ze ligt aan het Oosten en is als een extra legoblokje op het huis geplakt, een uitstulping, een aanhangsel. Met een klein terras. Er zit een vochtplek boven de haard en de muur boven mijn bed is een soort van ingemaakte legplankenkast waarmee ik niets kan. Herman heeft er op de achterkant van een immens stuk behangpapier in zijn sierlijk handschrift een gedicht over nachtbrakers overheen geplakt. Ook dat is esthetisch niet wat het moet zijn. Maar het is wel een mooi gedicht.
Vandaag staat mijn taak Frans op het programma. We moeten tussen een hele reeks poëziebundels van Franse surrealisten eentje kiezen en daar iets ‘vernieuwends’ mee doen. Ik wil een dansvoorstelling maken, met de gedichten van Paul Eluard. Ik versta zijn teksten niet altijd. Versta bijna niets eigenlijk. Maar twee gedichten wel en die vind ik top. Vandaag ga ik door heel de bundel, om alles te ontcijferen en er de lijn die ik in mijn hoofd heb, uit te halen. Straks komt ‘Antwerpen’ op bezoek. Mama heeft Tony en Thierry genodigd. Tony kan me helpen met het Frans, hij is tweetalig opgevoed en koketteert genoeg met zijn talenkennis. Ik wil tekst, muziek, dans en decor gebruiken. Zie het zo voor me. Sowieso de Gnossienne van Satie. En dan twee dansers en drie actes: liefde, twijfel, verval. Ik ben opgetogen over mijn idee. En vanavond, wanneer het af is, komt mijn lief.
Ik zie Charlie de oprit opwandelen. Hij heeft zijn gitaar in de hand. Zijn stijve, lange haren in een paardenstaart, zodat zijn brede nek zichtbaar is. Dat liften van hem vind ik geweldig cool.
Op slag verliefd was ik, toen ik hem voor het eerst zag. Een rebel, een eigenwijze superstar. Leek zich van niemand iets aan te trekken. Hij was van een andere stad, en ik wist niets over hem. Behalve dat hij er echt goed uitzag. Mijn vrienden zegden dat hij een nietsnut was. School skipte. Niets voor mij dus. Ik wist het niet, had nog nooit met hem gepraat. Toch had ik hem uitgenodigd voor een fuif, via een briefje dat Herman hem had bezorgd. En hij was wonderwel gekomen. In het laat. Ik had al te veel gedronken. Zonder een woord te wisselen waren we beginnen kussen. En kort daarop moest ik overgeven. Mijn vrienden vonden het een schande. Dat ik met een vreemde kuste. En in zo’n staat. “Sabine, wat doe je nu!”, half verontwaardigd, half bezorgd. Het was dus wat bizar begonnen maar nu waren we smoorverliefd. Charlie kon fantastisch zingen. Hij deed wat hij wilde, was brutaal en onbezorgd – maar voor zijn ouders een zorgenkind dat niet wilde studeren. Ik vond hem geweldig, wild, origineel. En naar mij luisterde hij wel. Ik zou hem wel op het rechte pad brengen. En daarmee het benepen en kortzichtig idee over zijn ‘andere achtergrond’ van mama en papa voor eens en altijd tenietdoen. Gelukkig waren ze van het principe van het ‘open huis’: laat al die lieven maar binnen komen, maar ook en vooral omdat we dan weten wie ze zijn, dan hoeft het niet in het geniep en dan is het ook des te rapper gedaan.
Ik loop naar buiten en we kussen lang. Ik voel dat hij me een briefje in de hand stopt. Leuk, we geven elkaar vaak kleine briefjes of spulletjes, lieve cadeautjes.
“Ik heb iets laten zetten wat je niet leuk zal vinden.
Maar het is onomkeerbaar en ik heb er goed over nagedacht.
Het staat op mijn schouder zodat ik het niet de hele tijd hoef te zien,
wanneer ik het dan beu ben, is dat precies een goede plek.
Het is klein en met een mooie vorm.
Hopelijk ben je niet boos.
Ik hou van je
Charlie.”
Ik kijk hem aan, vol ongeloof. “Mag ik het zien?” Hij opent zijn hemd en toont zijn schouder. Ik zie een klein mannetje, zwart, asymmetrisch, grafisch, ik herken het meteen. Het ventje van Einstürzende Neubauten. Ik kan er niet omheen, het is een goede keuze. Stoer én kwetsbaar. Maar ik voel ook boosheid. Onmacht. Een tattoo gaat nooit meer weg, het is dom. Ik hoor de echo van mama en papa in me gonzen. Ik vervloek mezelf.
Zomer 2016
Ik had nooit kunnen denken dat een mens zo moe kan zijn. Ik slaap uren aan een stuk in de speelkamer naast de keuken. Mama kookt er, de kinderen knutselen aan de keukentafel, ze lopen binnen en buiten, roepen, lachen, maar ik hoor niets. Ik ben doodop. Mama heeft de plek zo ingericht voor deze zomer dat ik dicht bij alles bij ben en toch kan rusten. ‘s Namiddag gaat het beter. Dan lig ik aan het zwembad en lees of teken, met m’n benen opgetrokken, altijd geplooid. Mijn buik trekt te veel om gewoon plat te liggen. Ik probeer opa te tekenen. Een tekening in eenvoudige zwarte lijnen. Het moet nog veel beter. Ik vind de vorm van zijn voorhoofd niet, terwijl dat net sprekend is. Mama zegt er niet veel over wanneer ze de tekeningen ziet, behalve ‘wie is dat?’. Ik weet dat ze vindt dat ik mijn tijd daarmee verdoe, dat ik vele talenten heb waar tekenen niet bij hoort.
Ze is onvermoeibaar, host van de ene activiteit in de andere. Ze maakt milkshake en speelt gezelschapsspellen met de kinderen. Ze draagt handdoeken aan om een kamp te maken in de tuin. Ze zoekt in kookboeken naar lekkere, nieuwe recepten en vraagt me wat ik ervan vind. Ze zwemt met de jongens. Ik zie dat mijn jongste moe is. Hij wrijft in z’n ogen. Mama zegt dat hij een rustje moet gaan doen. “Ik ben niet moe” probeert hij, maar zijn stem draagt de capitulatie in zich. Hij weet dat hij moet gaan rusten. Hierover is bij zijn mimi geen onderhandelingsmarge. Hij is afgedroogd, heeft geplast en komt de speelkamer in. Hij zoekt iets om naast zijn bedje te leggen. Een verbindingselement, zodat hij nog een deel van de wakkere wereld heel dichtbij heeft en het gevoel dat hij niet alles moet missen van wat er beneden in zijn afwezigheid gebeurt. Maar mimi is kordaat. Hij moet de tijd nu niet proberen te rekken. Dit is uitstelgedrag. Grote mensen zijn de baas. Jij bent klein. Er moet nu en onmiddellijk geluisterd worden. Dat hoor ik allemaal in de manier waarop ze plots, luid en streng zijn naam roept. Hij verschiet en springt op van dit onverwacht salvo, alsof hij betrapt is. Ik weet wat mijn kind nu voelt. Hoe zijn hart een klop maakt in zijn keel, geschrokken, onbegrepen, bang. Hij neemt haar hand, buigt zijn hoofd en begint onhoorbaar te wenen. Zijn gezicht verkrampt, zijn mond groot open zodat hij genoeg lucht kan happen om die dikke, pijnlijke bal onrecht in zijn buik weg te krijgen. Een moment is het onnatuurlijk stil, eentje die duidelijk maakt hoe klein en machteloos en onbegrepen hij zich voelt dat – zelfs al heeft hij zich flink bij het rustje neergelegd – hem die kleine, eigen beslissing toch wordt ontnomen. Zijn hoofd wordt rood en dan volgt een luide, diepe, hartverscheurende ween. Mijn hart scheurt, maar ik zeg niets. Mama is nu de baas. Mama is hier de baas. Zij doet alles en ze zorgt met hart en ziel voor ons. Hoe kan ik hier dan iets op zeggen? Ze kan dat niet verstaan, vindt integendeel dat ik teveel toegeef waardoor mijn kinderen ‘onhandelbaar’ zullen worden. Het is haar betrachting, haar hoop dat dat nog kan gekeerd worden, door wel duidelijk te zijn, kordaat en consequent.