Opdracht 4 - Veerle Schaltin

19 mrt 2018 · 6 keer gelezen · 0 keer geliket

De straat ligt er verlaten bij. Geen zuchtje wind doet op deze zomerdag de plataanbladeren op het plein ook maar een tikje wiebelen. Farahilde parkeert haar wagen vlak voor de oprit van haar ouderlijk huis. Haar sleutel sputtert tegen als ze hem in het slot van de voordeur omdraait. De deur kraakt als ze ze openduwt. De trap met tapis plein naar de eerste verdieping kreunt onder haar voetstappen. In de living staan één zetel en een reusachtige boekenkast vol boeken. Verder is het er leeg. Geen planten meer op de vroeger overvolle vensterbanken. Geen kaders aan de muren. En nergens nog de altijd rondslingerende paperassen.

Haar ouders zijn vandaag naar een assistentiewoning verhuisd. Eigenlijk zijn ze daar te jong voor, maar haar vader is ziek, en haar moeder denkt de zorgen voor hem niet alleen aan te kunnen.

Zij en Luc moeten boeken komen kiezen. Wat ze niet meenemen, wordt naar de kringloopwinkel gebracht. Toch gooit ze zich niet op de boekenkast. Ze neemt wel nog een trap naar boven en loopt haar oude slaapkamer in. Het paarse behang daar bladdert af. Op een schab staan vergeten kaften. Het lichtkoordje dat altijd boven haar bed hing, bevindt zich eenzaam aan de muur. Ze knipt het licht aan en uit. Dan kijkt ze door het raam. De tuin van Ilse waar ze zo vaak ging spelen. De dakgoot waar Luc nog ingeklommen is om ’s nachts bij de buurjongens op bezoek te gaan. De muur waarlangs ze zelf met buurjongen Eric communiceerde. Eén klop. Ben jij daar? Twee kloppen. Ik kan niet slapen. Drie kloppen. Zien we elkaar morgen op straat? Ze bonkt nog een keer. Niet te luid, want de buurman zou het kunnen horen. Dan staart ze weer uit het raam. De Montreal waar ze verstoppertje speelde. Het huis van de Pukkie waarmee ze bijna dagelijks ging wandelen. Daken van nieuwe huizen waar vroeger bomen stonden waarin ze kampen bouwde.

Luc blijft lang weg. Had hij nog werk in de serviceflat? Ze vindt het niet erg. Haar voeten willen immers niet meer bewegen.  Als ze zichzelf uiteindelijk toch de kamer uit dwingt, voelt ze een zeurende pijn zoals wanneer je een pleister van een wonde trekt om hem te verversen.

Ze piept even in de slaapkamer van haar ouders. Onbekende meubels. Een beddenbak met slechts één lattenbodem. Ernaast een paar sloffen met gaten. Vanuit de badkamer schreeuwen twee felroze lavabo’s haar toe. Vroeger was er slechts één, een witte. Ze slentert de trap naar de living af.

Daar laat ze haar handpalm langs de vele boeken glijden. Bij de dichtbundel ‘Dingen die niet overgaan’ hapert ze even. Hoeveel gedichten heeft ze niet overgeschreven uit dit boek? Sommige kent ze nog van buiten. ‘Multatuli’ springt haar in het oog, en ‘Cécile’, een boek met dezelfde naam als haar moeder. Ze durft geen enkel boek uit de kast te nemen. Als Luc eraan komt, zou hij kunnen denken dat ze al gekozen heeft zonder op hem te wachten. Ze tuurt in de leegte. Dan ploft ze in de zetel en kijkt opnieuw naar buiten, naar de straatkant nu. Daar was haar thuis.

 

Ze ziet de camionet van dertig jaar geleden. Het is een even zomerse dag. Haar vader, Walter en zijzelf sjouwen af en aan met valiezen, zakken en dozen. Ze stapelen ze in de garage om ze daarna zo slim mogelijk in de camionet te plaatsen. Haar moeder loopt in de weg. Af en toe verzet ze iets. Ze heeft een brede glimlach op haar gezicht.

Farahilde stommelt de trap af met meer pakken dan haar armen eigenlijk kunnen dragen, als plots een gebrul door de gang klinkt: ‘Wie heeft die dozen op de plaats van mijn fiets gezet?’

Luc is onverwacht thuisgekomen. Van het schrikken trapt ze mis, maar ze weet zich toch staande te houden. In een wip is ze in de garage en ziet ze hoe Luc zijn fiets woest bovenop haar dozen smijt.

‘Nu gaat ze weg! Is ’t nu nog nie goed?’ tiert Walter. Hij pakt de fiets en zet hem bruut aan de overkant.

Farahilde gooit haar zakken neer en sleept de dozen zo vlug mogelijk naar buiten. Luc wipt van zijn ene been op zijn andere. Ze denkt dat hij Walter te lijf zal gaan. Maar dan draait hij zich om en stampt de trap op. Haar moeder staat er roerloos bij. Haar glimlach is nu een streep. Zodra ze de deur van Lucs kamer hoort dichtslaan, verandert hij toch weer in een voorzichtige lach. Ze verdwijnt ook naar boven. Walter drukt Farahilde even stevig tegen zich aan. Dan werken ze zonder nog iets te zeggen harder door dan eerst. Als de camionet volgeladen is, en de garage leeg, zet haar vader Lucs fiets terug op zijn plaats.

Walter en Farahilde stappen in de camionet. Haar vader heft zijn arm als ze wegrijden. Ze zwaaien flauwtjes terug.

 

Ze hoort een autodeur dichtklappen. Luc is eindelijk daar. De boeken zijn snel

verdeeld. Luc neemt enkele boeken uit de kast die hij zeker wil hebben. De andere krijgt Farahilde, want ‘hij heeft geen tijd om te lezen’. Het gros van de boeken die zij niet meeneemt, legt hij toch op zijn stapel. Met meer boeken dan haar armen eigenlijk kunnen dragen stommelt ze de trap af. De treden kreunen een allerlaatste keer onder haar voeten. Het voelt alsof ze nu pas echt verhuist. Ze is gehaast. Ze wil dit afscheid niet rekken. Ze gooit de boeken op de achterbank van haar auto, en wuift naar Luc, terwijl ze het portier dicht zwaait. ‘Tot later!’

Haar handen trillen op het stuur als ze de straat uitrijdt.

 

 

 

 

 

 

 

‘Weet dat je wordt bemind en gesteund op deze reis,’ fluistert Farahilde tegen het kind dat  Walter in haar armen legt. Ze drukt hem dicht tegen haar borst, streelt zijn bolle wangen en de haartjes op zijn hoofd, en glimlacht. ‘Dag, Johannes!’

Nu pas valt het mistdeken dat haar de voorbije uren omwikkelde af en beseft ze dat dit kind het hare is. Dat zij hem op de wereld heeft gezet en de rest van haar dagen voor hem zal zorgen.

 

Rond half zes wordt ze wakker door een immense plas water die uit haar vagina gutst. Ze stoot Walter aan. ‘Lap, het is van dat!’

Het duurt even voor hij zijn ogen open krijgt. Dan springt hij uit bed en haalt meteen het beddengoed af. Terwijl zij onder de douche staat, dweilt hij de slaapkamer. Ze nemen de koffer die ze pas gisterenavond heeft klaargezet en rijden langs benevelde velden en lege straten naar het ziekenhuis.

‘Goeiemorgen. Mijn water is gebroken,’ zegt ze tegen de receptioniste.

‘Ik heb gebeld,’ vult Walter aan, ‘Het is voor een keizersnede.’

‘Waarschijnlijk toch. Eergisteren lag ons kindje nog dwars.’ Ze haalt haar schouders op. ‘Ik heb hem nog voelen bewegen, maar of hij voldoende gedraaid is om gewoon te kunnen bevallen…’

‘Wacht hier even,’ antwoordt de receptioniste, ‘De verpleegster haalt jullie zo meteen op.’

Een vrouw in een wit pak brengt hen naar de verloskamer. Farahilde krijgt een riem om haar bolle buik. Zodra die met de monitor verbonden is, zien ze hun kind op het scherm.

‘Het hartje klopt normaal,’ stelt de verpleegster hen gerust. ‘Er is ook nog voldoende vocht in de vruchtzak. Maar ik denk niet dat hij gedraaid is. De dokter zal straks uitsluitsel geven. Zij is nog niet aanwezig. Heb je weeën?’

Farahilde schudt haar hoofd.

Dan valt de blik van de verpleegster op Farahildes handen. ‘Jij hebt rode nagels! We moeten de huidskleur onder je nagels kunnen zien.’ Ze beent weg en komt terug met een pot aceton en een pak watten.

Terwijl ze op de gynaecoloog wachten, verwijdert Farahilde het rode kleurtje.

De baby ligt inderdaad nog steeds dwars. Farahilde wordt naar de operatiezaal gereden. Walter loopt er achteraan. Eerst moet ze op haar zij gaan liggen en krijgt ze een spuit in haar rug. Dan zetten ze een hoge tafel met een groen tafellaken over haar buik. Die beneemt haar alle zicht. Walter houdt haar hand stevig vast. Plots komt een straal pipi boven de tafel uit. De dokter en haar assistent lachen.

‘Proficiat, mevrouw!’ Een verpleegster toont een kind in een doek. Farahilde strijkt met een vinger langs zijn gezichtje. Dan is de verpleegster alweer weg. ‘Kom maar mee, papa!’

Walter volgt haar tot achter een glazen wand.

‘Drie kilo honderdnegentig,’ roept iemand, ‘achtenveertig centimeter, apgarscore tien-tien-tien.’

 ‘We gaan al naar de kamer,’ komt Walter zeggen. Hij zoent Farahilde. Een vertwijfelde blik. ‘Tot gauw.’

De dokters trekken en duwen aan en in haar buik. Dan rollen ze haar de recoveryroom in. Naast haar staan twee bedden met slapende mensen. Voor haar hangt een klok met wijzers die trager tikken dan normaal. Ze probeert ze met haar ogen te verschuiven. Pas na een eeuwigheid brengt een verpleegster haar naar de kamer waar Walter met de baby op haar wacht.

 

Ze drukt het kind nog dichter naar zich toe. Walter kruipt tegen haar aan. Hij schuift zijn vinger in het vuistje van de baby. Zo zitten ze daar een hele tijd met drie in één cocon.

Een verpleegster verstoort de stilte. ‘Heb je de baby al aangelegd?’

‘Hij slaapt,’ verontschuldigt ze zich.

‘Hij moet toch eten. Hoe sneller je hem aanlegt, hoe beter voor de melkproductie.’

Walter verhuist naar de stoel aan het raam. De verpleegster maakt het operatieschort los en trekt het naar beneden. Ze verschuift het kind zodat zijn lippen de moedertepel raken. Er gebeurt niets. De verpleegster neemt de borst in haar handen en duwt ze in de kindermond. ‘Ondersteun ze zelf met je vrije hand,’ beveelt ze. Zacht tikt ze enkele keren tegen de wang van de baby. De jongen sabbelt even. Haast meteen valt hij weer in slaap.

‘Blijf tikjes geven,’ spoort de verpleegster Farahilde aan. ‘Als hij een beetje heeft gedronken, probeer je de andere borst.’ Ze verlaat de kamer.

Het kind dommelt meteen weer in. Farahilde probeert hem met tikjes te wekken.  Ze duwt haar tepel naar zijn mond toe. Walter komt weer dichterbij zitten. Als hij over de wang van de jongen wrijft, tuit die even zijn lippen. Veel melk krijgt hij echter niet binnen. Na een poosje proberen ze de andere kant. Ze krijgen het kind niet goed gelegd en zo vindt hij de tepel niet.

‘Ik kan het niet,’ zucht Farahilde.

Uiteindelijk bellen ze om hulp. De verpleegster legt een kussen onder Farahildes arm. Enkele tikjes op de wang en de baby zuigt. De verpleegster lacht. ‘Maak je geen zorgen. Als hij niet genoeg drinkt, geven we hem straks wel wat suikerwater.’

Farahilde trekt grote ogen. Ze hoort de moor fluiten en de lepel waarmee Moéke de suiker onder het kokende water roerde in het glas rinkelen. Speeksel vormt zich net als toen in haar mond. Het was lang wachten tot het water weer wat afgekoeld was en haar mierzoete troost kon brengen. Een voorrecht dat je alleen ten deel viel als je ziek was. Haar kersverse kind is niet ziek. Hij is moe. En zijzelf is te stom om hem te kunnen voeden. ‘Dat wil ik niet,’ zegt ze.

De verpleegster heeft de deurklink al vast. Ze fronst haar voorhoofd. ‘Hij heeft toch iets nodig om aan te sterken.’

Om beurten duwen Farahilde en Walter de tepel tussen de lippen van de jongen. Na een poos neemt Walter de baby over en legt hem in het plexiglazen bedje naast het raam.  ‘We proberen het straks wel opnieuw. Hij is te moe nu.’

Wat later verschijnt het hoofd van de verpleegster in de deuropening. ‘Is het gelukt?’

‘Ja!’ knikken Farahilde en Walter gelijktijdig.

Als de deur toegaat, kijken ze elkaar aan. Tranen wellen op in Farahildes ogen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

‘I’m singing in the rain, just singing in the rain…’ De muziek is nauwelijks hoorbaar in de kelder, maar Farahilde hoort hem wel, tussen het geroezemoes van de grote meisjes verderop aan de toog, het gejoel van de jongens die tussen en over de bergen kleren die overal verspreid liggen springen, en het herhaaldelijke ‘Stt…’ en ‘Zit stil!’ van de juffen die hen proberen rustig te houden door.  Helemaal alleen zit ze op de bank vlak aan het luik naar de zaal, op blote voeten en in een blauw maillot. Op wat brandende spotjes na is het pikdonker. Niemand merkt haar op. Ze bibbert. ‘What a glorious feeling…’ Ze zou boven moeten zijn en mee dansen. Wekenlang heeft ze elke woensdagmiddag geoefend. Ze kent nu alle passen en danst ook in de maat. En ze laat de paraplu, als Wilfried die naar haar gooit, haast nooit meer vallen. In het begin deed ze dat wel. Wilfried lachte haar dan uit. Dat deed hij ook als ze moest tuimelen en zo scheef rolde dat ze tegen hem aanbotste. Maar ondertussen heeft ze veel geoefend thuis in de tuin, en ze weet wel zeker dat ze vandaag recht zou rollen. Alleen die kus onder de paraplu op het allerlaatst, daar had ze nog tegenop gezien. Wilfried lachte dan altijd zo raar. Stiekem had ze liever met Dirk gekust. Maar die danste met Ann. Al wist ze niet wie vandaag met wie danste.

Toen ze zich daarnet, toen het bijna hun beurt was, op twee rijen voor de trap naar de zaal moesten klaarzetten, ontdekte de juf dat er een meisje te veel was. ‘Da’s waar ook,’ zuchtte ze, ‘Marc is ziek.’

Ze duwde alle meisjes een plaats vooruit, tot ze bij Farahilde kwam. Die nam ze bij haar schouder vast en drukte ze neer op de Zweedse bank. ‘Blijf jij maar hier.’

Het luik was opengegaan. De jongens marcheerden de zaal in met hun paraplu’s over hun schouder en de meisjes huppelden er achteraan. Farahilde bleef achter op de bank waar ze nog steeds zit. Piepkleine beestjes, net luizen, tuimelen rond in haar buik. Dat is vervelender dan in haar haren, want in haar buik kan ze niet eens krabben. Ze trekt haar benen op, grijpt haar knieën stevig vast en wiegt zacht heen en weer. Moeke en vake zitten in de zaal. Vragen zij zich af waar zij nu is? Ze staat op en slentert naar haar jas die helemaal aan de andere kant van de kelder hangt. Uit de binnenzak diept ze een bonnetje op. Aan de toog steekt ze het in de lucht. Het komt maar een klein stukje boven de tapkast uit. Het duurt dan ook even voor iemand het ziet. ‘Paprikachips alstublieft.’

Met de chips zet ze zich weer op de bank. Ze opent het zakje. ‘A smile on my face…’ De chips kraakt tussen haar tanden. Hij kruipt in de spleten en holtes in haar mond. Hij smaakt een beetje naar de zweetvoeten waar heel deze kelder naar ruikt. ‘I’m dancing and singing in the rain.’ Als het applaus tot in de kelder doordringt, laat ze de chips nog harder kraken. Het luik gaat open.

‘Ik heb het goed gedaan!’

‘En ik de paraplu niet laten vallen…’

‘Dat was plezant!’

‘Ik heb ons mama gezien!’

‘Mijn mama zat op de eerste rij!’

‘Mijn zus en mijn broer ook!’

‘Mijn zus applaudisseerde het hardst!’

‘Stt!’, sist de juf, ‘Jullie hebben het heel goed gedaan, maar ze mogen ons boven niet horen.’

Farahilde gooit haar zakje in de vuilbak. Ze neemt een tweede bonnetje uit haar jas en koopt nieuwe chips. Ze laat hem nu zo hard kraken dat dat het enige is wat ze nog hoort.

Geraakt door deze tekst? Maak het hartje rood of deel de woorden met je vrienden.

Zo geef je mee een stem aan de woorden van deze schrijver.

19 mrt 2018 · 6 keer gelezen · 0 keer geliket