(gebaseerd op opdracht 3)
Mtoto
Het gezicht van de blanke vrouw straalt, net alsof ze niet weet wat haar te wachten staat. Ze kijkt hem aan. De zwarte man zegt dat alles goed komt en even gaat wandelen. Ze buigt zich over de metalen tafel in de hoek van de witte kamer. Hij kijkt haar aan, stapt naar de deur, trekt de deur dicht en staat in de kale, lege gang.
De blanke vrouw was hem opnieuw komen opzoeken in zijn land. Hij had jaren op haar gewacht. Ze had koekjes meegebracht zelfgemaakt in haar land en zin om samen met hem zijn land te verkennen. Hij had haar naar de hoogste top van zijn land geleid. Zij had hem naar de zee, voor hem toen nog onbekend, meegenomen. De golven, het vele water en het strand hadden grote indruk op hem gemaakt. Toen die vele plaatsen niet voldoende waren voor de blanke vrouw, had hij haar voorgesteld de groene heuvels waar bijna nooit toeristen kwamen en zeker geen blanke te verkennen. Na twee dagen reizen met verschillende matatu’s, de minibus, had hij via via het vertrekpunt gevonden. Ze dwaalden weken over de heuvels en leefden op het ritme van de blanke vrouw. Laat opstaan. Rustig de dag starten. Tijd nemen voor een kus. Voor een knuffel. De zwarte man wist toen nog niet dat ze daar op vakantie modus leefde. Daar boven in de heuvels was hij een echte man geworden. Haar buik was sindsdien beginnen groeien, evenals Mtoto, kind.
De zwarte man stapt de gang door. De muren zijn steriel wit. Ook de vloer en de mensen die errond lopen. Zijn stappen weergalmen. Hij stapt de trap af en komt buiten. Lucht. De zon verwarmt zijn donkere huid. Hij ademt in en weet de auto van de blanke vrouw te vinden. Met haar sleutels opent hij de deur, installeert zich op de passagierszetel en zet de CD dat de blanke vrouw van zijn land meebracht op. Ook de komende dagen zou hij zich geregeld terug trekken in deze auto.
De muziek brengt de zwarte man terug naar zijn land. Twee weken geleden had hij zijn rugzak gevuld met wat kleren en een paar schoenen en had hij enkele vrienden laten weten dat hij naar zijn vrouw in het Westen ging. Hij reed met een vriend naar de luchthaven. Alles leek zo onrealistisch. Zou hij straks echt met het vliegtuig wegvliegen? Zou hij echt naar een nieuw land gaan? Zou de blanke vrouw daar echt op hem wachten? Hij was geland en had haar gevonden. Overdonderend echt. Voor drie maand, de duur van zijn visum. Daarna zou hij terug naar zijn land gaan. Daarna zou hij wel zien.
De auto brengt hem geen rust. Na een tijdje stapt hij het ziekenhuis terug binnen. Vele verdiepingen, gangen en kamers. Hij vindt de kamer van de blanke vrouw terug. De deur is dicht. Met zijn oog gericht op de deur wandelt hij de gang heen en weer. Op een gegeven moment komt een dame in witte short de deur uit. De zwarte man stapt naar haar toe, kijkt haar aan en knikt met vragende ogen. De dame opent de deur voor hem. Hij glimlacht en stapt de kamer binnen. Op de buik van de blanke vrouw ligt Mtoto. Klein, samengekropen, rozig, met bloedvlekken. Zijn hart wordt vuur warm. Hij stapt langzaam naar haar en de kleine jongen toe en streelt hen. De blanke vrouw kijkt de zwarte man aan met ogen die stralen als bloemen en geeft hem de kleine jongen.
Onwennig neemt hij Mtoto aan en kust de jongen. Geleidelijk vindt de zwarte man enkele woorden. Zijn zwartbruine ogen fonkelen, zijn witte tanden glinsteren en zijn donkere huid blinkt. Na een tijdje plaats hij de kleine jongen terug op de buik van de blanke vrouw en gaat naast hen op het bed zitten. De kleine jongen nestelt zich vlakbij de tepel van de blanke vrouw. Zijn vrouw. In zijn land geven de vrouwen ook de borst aan hun baby’s, wikkelen ze baby’s ook in doeken en slapen ze ook samen met hun baby’s in bed. In zijn land liggen de vrouwen echter met velen in een kamer op bedden met of zonder matras en zonder lakens. Hij glundert en heeft niets toe te voegen.
Later op de avond komt de vader van de blanke vrouw even langs. De oude blanke man kust de blanke vrouw en houdt fier de kleine jongen vast. Hij klopt op de schouder van de zwarte man alsof hij voor de eerste keer de zwarte man ziet en samen toosten ze met een glas champagne. Op het leven. De zwarte man straalt en is stil. In zijn land weet zijn bloedeigen vader niet dat hij hier is. Daar is hij één van de zovele kinderen van zijn vader. Daar wordt hij enkel aangesproken om geld te geven. Woorden worden er nauwelijks gewisseld.
Laat na toegestane bezoekuur vertrekt de zwarte man. Hij laat de blanke vrouw en de kleine jongen achter. Uiteindelijk stapt hij de donkere straat op. Leeg. Niemand te zien behalve een paar mensen. Hij weet de bushalte te vinden en bestudeert de voorbijrijdende bussen. Bus 23 moest hij nemen. Net zoals de anderen, steekt hij zijn hand uit. De bus stopt op zijn wenken. Hij stapt in en geeft de buskaart. Geld is niet nodig. Een oude dame zit kranig vooraan met een stok en naast haar een al even oude man. De zwarte man slentert naar achter in de bijna lege bus, blijft recht staan en staart naar buiten. Niemand spreekt hem aan. Voor een groot gebouw vol ramen stapt hij geruisloos uit. Nu kent hij de weg. Gehaast stapt hij door een parkje. In het land van de blanke vrouw mag dit. In zijn land niet. Daar loert de dood in het donker om de hoek. Zelf deed hij het wel eens als het niet anders kon. Zijn schoenen weerklinken op de straattegels in de zwoele donkere nacht.
Eenmaal aan het appartement gekomen, beklimt hij de vier verdiepingen. In de studio is het stil. Muisstil. Hij trekt zijn schoenen uit en zet ze netjes naast de deur. Evenals zijn kleren.
Uitgestrekt legt hij zich op bed neer en staart naar de sterren door het dakraam. Morgen zal hij Mtoto terug in zijn armen houden. Ook zijn vrouw. Vandaag ontmoette hij zijn kleine jongen. Zijn zoon.