‘De natuurlijke vonken hebben meer kracht
dan de bedachte dingen.’ Toon Hermans
De jaren gaan voorbij. De vrouw gaat werken, organiseert de verbouwingen thuis, verzorgt het huishouden en speelt moeder en partner. Het lichaam van de blanke vrouw geeft nu en dan storingssignalen maar ze ploetert verder. Ze wacht tot haar automatische piloot terug op volle toeren zal overslaan. Tevergeefs.
Ergens midden november zit de vrouw zoals de meeste werkdagen op kantoor voor de computer. Ze focust zich op de zwarte doos. Zeventien nieuwe mails. Een navorming moet georganiseerd worden. Drie vergaderingen moeten voorbereid worden. Een visietekst moet voor de 23ste keer herlezen worden. Ze tuurt naar de mails.
De woorden dringen niet binnen. Haar vingers krijgt ze niet in beweging. Haar hoofd ook niet. Ze tuurt naar buiten. De zon schijnt. Mensen lopen over straat. Ergens heen. De gedachten van de vrouw glijden zacht weg naar een safaritrip in een natuurpark in Afrika lang geleden. Ze werkte toen voor een voedselorganisatie in een door oorlog geteisterd land, had twee weken vrij en trok met haar vader onder begeleiding van een lokale gids in een jeep door een uitgestrekte savanne vlakte.
Een grote kudde wilde beesten rende voor hun wielen voorbij. Vanop afstand sloeg de vrouw en de vader de beesten gade. De kudde rende vermoedelijk al dagen. Het gedaver van de hoeven op de veel te droge aarde was oorverdovend. Water zochten ze. Leven. Gnoes, zebra’s en antilopen renden als één groep met duizenden samen. Allen renden ze hun instinct om erbij te horen en te overleven achterna.
Een grote gnoe rende aan de zijlijn mee. De pas van het beest vertraagde. Het beest stopte even en rende weer verder. Stop en verder. Stop en voortdoen. De kudde bleef naast het beest op hogere snelheid verder rennen. De afstand tussen de kudde en het beest werd groter. Het beest herpakte zich minder vlot. Het zakte door zijn poten. Het duwde op zijn voorpoten maar zijn zware lichaam kreeg het niet op. Het legde uiteindelijk zijn hoofd neer op de gebarsten grond en strekte zijn poten. Het wedijveren, het steeds verder crossen op zoek naar morgen was voorbij. Het gedaver van de kudde dijde weg. Enkel een grote stofwolk bleef aan de horizon achter. De buik van het beest ging op en neer. Samen met de hitte van de zon en de uitgesproken stilte wachtte het beest op wat komen zou.
Is het moment voor de vrouw ook reeds gekomen? Nee, een kreet in haar schreeuwt het uit. Ze wilt er nog zijn voor haar kinderen, man, vader en broer. Rond haar rennen mensen mee met de snel draaiende wereld mee en vallen nu en dan af alsof ze door een kogelstoter werden weggeslingerd. Zij wilt halt houden om daarna met volle toeren te draaien, weliswaar met de buitenlucht en de stilte als bondgenoot.
Ze tuurt naar de vier witte muren om zich heen en buigt zich terug over de computer, zonder resultaat. Met een krop in de keel belt de vrouw na enkele uren de dokter. Eenmaal bij de dokter hoeft ze maar twee zinnen te zeggen. Haar tranen vertellen de rest. Met een briefje van 9cm op 18cm staat ze na vijftien minuten buiten. Ze rijdt traag met haar grijze auto naar school om de kinderen op te halen.
Bij de schoolpoort aangekomen, stapt de vrouw uit en loopt snel naar binnen. De kinderopvang is vijftig minuten geleden gestart. De kinderen zien de moeder aankomen en spelen vlijtig met de andere kinderen verder. De moeder kijkt hen aan en zoekt hun boekentas, vest en brooddoos. Na tien minuten rennen de kinderen naar de moeder en wandelen ze hand in hand naar de auto. De jongens maken luid door elkaar lawaai. Hun dag zal zich in volle glorie thuis verder zetten. De moeder krijgt hen in de auto, maakt hen in de kinderstoel vast en sluit hun deur. Alvorens zelf in te stappen absorbeert ze vlug enkele minuten de kalmte van het verlaten dorpsplein. Ze probeert voldoende zuurstof op te nemen om zonder tranen en geroep aan de avondshift thuis te beginnen.
Onderweg maken de jongens hun gordels open. De moeder maakt zich boos. De jongens spelen onder elkaar verder. Thuis gekomen, opent ze hun deur. Als kuikens die veel te lang binnen hebben gezeten, lopen ze de kleine tuin in en slingeren aan de schommel. Beiden willen op het enigste schommelzitje. Vervolgens willen ze beiden aan de enigste turnringen. De moeder doet de achterdeur dicht, kijkt van achter het raam naar de kinderen en begeeft zich naar het kookaanrecht.
Zoals elke werkdag, komt de zwarte man om 17u08 van zijn werk terug. De blanke vrouw opent de achterdeur. Ze geven elkaar een kus. De ogen van de vrouw staan rood. Hij kijkt haar vragend aan. Snikkend zegt ze dat ze een tijdje thuis moet blijven van de dokter. De zwarte man omhelst haar in stilte en zegt met volle stem dat alles goed komt. De vrouw herpakt zich en kookt verder.
Na het eten, doet de zwarte man de afwas en brengt de vrouw de kinderen naar bed. De vrouw stapt traag naar boven, alsof ze met elke trede meer leeg vloeit. Ondertussen bereiden de kinderen boven hun lees cocon voor. Ze sluiten de gordijnen van hun kamer, steken het licht aan en plaatsen alle hoofdkussens op één bed. De moeder schudt haar hoofd en glimlacht. De kinderen glimlachen terug en geven haar elk hun favoriete prentenboek.
Ze leest met wankele stem enkele pagina’s voor. De kinderen slaan de volgende pagina om en willen meer. Zij niet. De kinderen geven niet op. Zij wel. Zonder klank beeldt de moeder roodkapje en de wolf uit. De kinderen lachen luid en improviseren mee. Zonder klank gebiedt ze hen na een tijdje te gaan slapen. Ze kruipen in hun bed. De moeder stopt hen onder de lakens en geeft een kus. Ze omhelzen haar innig. Zonder klank staat ze op, werpt hen een laatste handkus toe, knipt het licht uit en gaat ook slapen. Onmiddellijk glijdt ze net zoals Doornroosje in een diepe, vredige slaap.
De volgende dagen volbrengt ze traag haar moederlijke taken, slaapt veel overdag en maakt kleine wandelingen. De computer laat ze dicht. Soms opent ze haar dagboek.
‘Verdorie toch. Ik wil in actie schieten maar het lukt me niet. Soms trilt mijn ganse lichaam alsof het diep van binnen uitgehongerd is en geen vijf minuten langer recht op kan staan. Ik ben net een marionet die door buitenaf bestuurd wordt en waarvan de touwtjes elk moment kunnen doorknappen. Straks kunnen ze me met een vuilblik opvegen. Rust heb ik nodig zonder die moeheid die mijn tijd steeds opslorpt om te slapen. Hoe zou het leven zijn mochten de jongens een grootmoeder hebben die even mijn rol kon overnemen?
Ik snak ook naar een babbel met mijn man, naar echtheid. Maar hij is tegenwoordig in zijn wereld terug getrokken. Ik zit weer met een vreemde aan tafel.
Vroeger
gaven we elkaar lof
bloosden we samen rood
raakten we elkaar aan
vlogen we oneindig ver weg
Nu
blijft geen woord over
enkel een diep ademhalen
een licht snurken
tijdens slapeloze nachten’
Enkele dagen later belt een vriendin van de vrouw en vertelt haar over een cursus ‘spreken voor publiek’ met als eindopdracht een speech van twintig minuten brengen voor een groot publiek. De woorden van de vriendin raken het hart van de vrouw.
Plotseling slaat een vonk aan. Tranen komen naar boven. Meer dan zeven jaar lukte het de vrouw niet om te schrijven. Zeven jaar was ze druk bezig met haar nieuwe leven die omringd was door de twee jongens en de man. Letters vormende geen woorden en het papier bleef wit. Zou ze eindelijk de remmen durven los te laten en de verhalen van de wereld naar buiten brengen? Zou ze eindelijk een boodschap de wereld mogen insturen?
De volgende dag schrijft de vrouw zich in voor de cursus. Ze zou enkele zaterdagen les krijgen met vijf andere cursisten en via webcam zou ze de theorie te horen krijgen. De daar opvolgende maanden wakkert de cursus de geest van de vrouw aan. Dankzij woorden reist ze zonder vliegtuigticket naar de plaatsen waar ze ooit werkte en naar de mensen die ze ooit ontmoette. Soms komen tranen naar boven, verrast een glimlach haar of kunnen haar vingers bij het schrijven haar woordenstroom niet snel genoeg volgen. Haar lichaam blijft echter broos en heeft meer slaap nodig. De dokter schrijft de vrouw nog enkele briefjes voor.
Elke dag na het afzetten van de kinderen aan school, maakt ze een wandeling. Na een tijd ziet ze de blaadjes van de struiken en de eenden in de beek, hoort ze de auto’s in de verte en de vogels in de lucht, voelt ze de glimlach in haar hart en krijgt ze meer zuurstof. Het liefst stapt ze naar de top van de heuvel. In de verte ziet ze dan een andere heuvel waarachter Afrika, Azië en de ganse wereld zich schuilhouden.
Eenmaal thuis maakt ze thee met theeblaadjes van het land waar ze vier jaar woonde, gaat aan de grote eettafel zitten met zicht op de hoge plataanboom van de buren, zet haar rode leesbril op en neemt een stylo. De blauwe inkt van de stylo raakt het magische, witte blad en brengt de vrouw punt voor punt dichter bij wat haar bezig houdt en bij wat in haar verborgen zit. Onuitwisbaar.
Na 21 weken, krijgt de vrouw eindelijk zicht op de boodschap van haar speech en schrijft ze de intro.
‘Goede namiddag. Ik weet niet of het is jullie al overkomen is, maar eind vorig jaar had ik een dipje. Mijn werk lukte niet. Mijn kinderen weerspiegelden me meer dan ooit, en mijn man had het nog moeilijker om me te begrijpen. Ik had nood om nog eens op reis te gaan en verlopen te lopen. Ik had nood om nog eens stil te staan bij mijn leven. Ik zocht en uiteindelijk vond ik wat ik nodig had. Het werd een zes maand durende tocht met vallen en opstaan en met een duidelijke eindbestemming. Een speech geven voor jullie op de eerste zomerdag.’
Voldaan kijkt ze naar de plataan. Een zwarte vogel brengt een takje naar het nest hoog in de boom en vliegt vervolgens ijverig weg. Ze slurpt traag van haar thee.
________________________________________________________________________________________
‘Geef een mens het idee dat hij bijzonder is,
en hij gaat bijzonder doen.’ A. Honkoop
De grote dag breekt aan. Vandaag zal de vrouw haar speech brengen in een theaterzaal in de stad. Ook al is het zondag, de blanke vrouw staat vroeg op. Ze ontbijt met de kinderen, maakt een appelcake voor haar medecursisten en verdringt haar moeheid met groene thee. De zwarte man heeft de ganse nacht ontspannen in gezelschap van de teevee en een fles drank en slaapt nog diep, zich niet bewust van de stress die de vrouw aan het opslorpen is.
Na twee uur kan de vrouw de drukte van de kinderen niet meer aan. Ze roept de zwarte man wakker. Het liefst zou de vrouw zich nu afzonderen zoals ze vroeger deed bij de examens. Toen liet ze haar zenuwen door haar ganse lijf kruipen om er elke vezel wakker te maken en om zich te concentreren op wat nodig was.
De man staat snel beneden. Met een glimlach maakt hij zijn thee en maant hij de kinderen aan om hun speelgoed op te ruimen. De vrouw maakt het middageten voor de kinderen klaar en verwelkomt de babysit.
Na een half uur zitten de man en de vrouw in de auto. Terwijl de blanke vrouw de snelweg oprijdt, vraagt ze de zwarte man stil te zijn. Aan 120 km per uur draagt ze haar speech op. Ook hier had ze het liefst alleen geweest om zich helemaal diep met de speech te verbinden. Het voorstel aan de man om met een vriendin van de vrouw naar de theaterzaal te rijden, had geen gehoor bij hem gevonden. De man wou het liefst bij de vrouw zijn.
Aan de theaterzaal nemen ze afscheid. De man zal voor enkele uren de stad intrekken en op tijd voor de speech terug zijn. De vrouw stapt het theatergebouw binnen met een koffer met daarin drie broeken, vier bloezen en twee paar schoenen. De docente, een bekende actrice, en de vijf medecursisten verwelkomen haar.
Tijdens de repetitie loopt het mis. De vrouw stapt het podium op. De lege, roodfluwelen zetels kijken haar aan. De grootsheid van de zaal overvalt haar en op slag is ze helemaal haar tekst kwijt. Ze kan geen woord uitbrengen. Alles is weg. Ze is weer het kleine kind die niet weet hoe haar zeer mondige vader te beantwoorden. Ze is weer de studente die door een militair in Afrika brutaal wordt aangesproken. Ze is weer de jong volwassene die haar mening niet mocht geven in Azië. Tranen ontspringen in haar ooghoeken. Ze wil weg. De deur uit. De wijde wereld in.
De docente kijkt de vrouw teder aan, begeleidt haar van het podium en zegt dat alles goed kom. In de kleedkamer kiest de docente voor de blanke vrouw een groene, aansluitende, Aziatische bloes, een witte lange broek en smalle blauwe schoenen uit de koffer en vlecht de haren van de vrouw. In de coulissen neemt de blanke vrouw plaats op een stoel naast de medecursisten en focust zich op de ademhaling. Haar gezicht staat strak en de glimlach is weg.
Nog twee sprekers en de vrouw mag opkomen. Even denkt ze terug aan de korte vakantie van enkele weken terug. Het was haar toen gelukt om thuis een week vrij te krijgen. Ze was een week naar een Grieks eiland getrokken.
De uitgestrekte zee, de golfslagen, het vers gekookte eten en de eenpersoonskamer hadden haar rust gebracht. De vrouw had er na enkele rustdagen, bladzijden vol geschreven met woorden van pijn, liefde, verdriet en dankbaarheid en met vertrekpunt de moeder, de zwarte man, de kinderen en de ganse grote wereld. Op een bergtop had ze, met energie in de aders, haar speech opgedragen aan de uitgestrekte lucht.
De nacht voor het vertrek van het kleine eiland had de vrouw, aangemoedigd door de zwoele buitenwind, de vol gekrabbelde bladzijden verzameld en verbrand. Met de as in een witte Kleenex was ze op een rots vlak aan het zeewater geklommen. Toen een grote golf haar dreigde te overspoelen, had ze het pakje ver in de zee gesmeten. De Kleenex had zich geopend en de as had enkele seconden door de lucht gedwarreld alvorens in de donkere zee terecht te belanden. Op dat moment was de volle maan achter de wolken te voorschijn gekomen en had ze zich gerealiseerd dat ze net ouder geworden was dan haar moeder ooit geweest was.
De blanke vrouw slikt. Haar moeder zit ook deze keer niet tussen het publiek. De vrouw slikt opnieuw en kijkt naar de docente. De docente geeft teken dat ze recht mag staan en kondigt de vrouw aan. Het publiek applaudisseert luid. De vrouw neemt diep adem, recht haar rug, brengt de borstkas naar voor en stapt het podium op.
De vrouw kijkt de donkere, volle zaal in, glimlacht en begint de speech. De adrenaline doet haar werk. De woorden zijn teruggekomen. Het publiek beweegt mee en lacht op geregelde momenten. De vrouw spreekt eindelijk uit wat ze jaren in zich draagt en benoemt hoe ze de wereld ziet. Ze prijst ook Meneer Bao, een Aziatische man van zestig, die jaren in concentratiekampen doorbracht en met haar over de ‘art of living’ filosofeerde. Ze prijst Mevrouw Nanuli, een oude vrouw, die haar man en twee kinderen verloor in de Kaukasische oorlog en die de blanke vrouw dagelijks bedankte voor de maaltijd van het voedselprogramma.
De twintig minuten vliegen snel voort. Nog even en de speech is voorbij. Ze neemt een slok water en zet het laatste deel van de speech in.
‘Vaak als ik de bomen met hun takken zie wuiven, als ik de vele auto’s als mieren zie krioelen door de straten en als ik mijn kinderen spontaan zie spelen,
Dan denk ik, wat zou het super zijn, als we vlugger stop zeggen aan al de moetes, als we vlugger foerten.
Wat zou het super zijn als we de tijd nemen voor een glimlach in ons hart.
En ja ik stel me dan een wereld voor waarin we allen de wereld zien als één bol met respect voor elkaar.
Laat de bloem in u zelf bloeien. Ze is uniek, en geniet van de bloemen naast u.
Dank u.’
Het publiek applaudisseert luid. Zoals het hoort, buigt ze twee maal diep en met een brede glimlach verlaat ze opgelucht het podium.
In het café van het theater wachten haar vader, vrienden en de zwarte man de vrouw met lof op. De vader neemt het hoogste woord. Met een warm gezicht geeft de vrouw iedereen een kus. De zwarte man staat er afwezig stralend bij. De vrouw trakteert iedereen en bedankt hen voor hun komst en steun.
Bij het afscheid, feliciteert de docente de vrouw en raadt haar aan meer speech ervaring op te doen. Van buiten en van binnen bloost de blanke vrouw rood.
Na die dag, contacteert de vrouw enkele organisaties met het voorstel om te komen spreken. Niemand is geïnteresseerd in haar woorden. Het speechen begraaft ze voor ooit misschien. Het schrijven houdt ze warm. Soms zit ze vast en soms schrijft ze enkele regels. Soms moedigt iemand haar aan en soms drijven de vlinders in haar buik de vrouw naar hogere oorden.
Dertig jaar na de dood van haar moeder zit de vrouw aan de grote eettafel met zicht op de hoge plataanboom, zet ze haar rode leesbril op en schrijft in stilte de laatste woorden van haar boek ‘Lieve mama. Rust in vrede. Je kleinkinderen zijn trots op jou. In mijn verhalen en in mijn glimlach leef je verder. Dank je wel.’
Ze zet haar bril af, strijkt door haar witgrijze haren, staat op, opent de deur en stapt naar buiten.