Ik ben het vierde kind van mijn ouders in vijf jaar tijd.
Na mijn geboorte adviseerde de dokter om het bij vier kinderen te houden.
Er kwamen nog drie kinderen na.
Als ik twee jaar ben is er geen plaats op de schoot van mijn moeder. Mijn jongste broertje is pas geboren. Hij ligt aan de borst. Na dat zesde kind is mijn moeder uitgeput. Mijn andere broertje dat elf maanden jonger is dan ik, begint net wat schommelend te lopen. Mijn moeder is geen Shiva met vier armen. Ik vind troost op het schommelpaardje waar ik zelf op en af kan kruipen en waar ik mezelf in slaap schommel.
Ik heb niemand nodig voor troost en veiligheid.
Ik ben 16 jaar. Ik ben verliefd op een jongen die een paar straten verder woont. Als ik van school kom loopt hij vaak met een paar vrienden voor mij uit naar huis. Als ze blijven staan vertraag ik mijn pas zodat ik ze niet voorbij moet steken. Soms steek ik de straat over.
Ik kijk hem nooit aan. Ik ken zijn naam niet en doe geen enkele moeite om hem te achterhalen. Ik spreek met niemand over deze verliefdheid en niemand merkt wat aan mij.
Twee maanden zomervakantie doen het gevoel langzaam slijten totdat het op een dag helemaal weg is.
De opluchting.
Ik hoop dat dit gevoel me nooit meer in de greep krijgt. Het brengt enkel onrust, angst, schaamte en pijn.
Ik ben 17 jaar. Ik ben verwonderd dat Hugo verliefd op me is. Hij wordt mijn eerste vriendje. Hij kiest dat, niet ik. Dat is veiliger. Ik hou me op de vlakte. Ik ben de perfecte kopie van mijn moeder, ik blijf onopvallend op de achtergrond.
Als iemand me in die achtergrond opmerkt, ben ik verwonderd en onwennig.
Als iemand me op dat moment zou vertellen dat ik me op een dag vanuit die achtergrond op de voorgrond zal werken en voor een groep zal staan, zou ik vol ongeloof het hoofd schudden.
Op dat moment ben ik nog lichtjaren verwijderd van deze toekomst.
Dertig jaar later sta ik in het ondertussen vertrouwde opleidingslokaal van de bank in de Kreupelenstraat in Brussel. Twaalf deelnemers heb ik deze keer. Zoals gewoonlijk zijn er meer vrouwen dan mannen die ingeschreven hebben op de opleiding sociale vaardigheden. Vaak zijn het de mensen in de kantoren. De druk op de mensen in de bank is groot.
Een tweedaagse is te kort maar ik geef ze zoveel mogelijk praktische bagage mee. Al de vaardigheden, en de nodige hulpmiddelen, die ik zelf moeizaam verwierf, verwerk ik er in.
‘Dat kan ik met mijn puberzoon ook gebruiken’ zegt een vrouw opgelucht als we het territoriummodel bespreken en oefenen met de principes van geweldloze communicatie.
Ik kijk naar de naamkaartjes. Rita. Haar gezicht komt me bekend voor. Ze lacht me vriendelijk toe. In de pauze komt ze naar me toe. ‘Ken je me niet meer?’ vraagt ze.
Rita Liekens. We volgden twintig jaar geleden samen een bijscholingscursus. Ze is wat ouder geworden, maar ze heeft nog altijd hetzelfde vriendelijke gezicht.
We lunchen samen.
‘Ik ben verbijsterd’, zegt ze ‘Waar is het verlegen meisje van 20 jaar geleden gebleven? Je sprak niet’, herinnert ze zich. ‘Hoe ben je zo ver gekomen?’ vraagt ze oprecht verwonderd.
Het is een lang verhaal. Zelfs met twee lunchpauzes hebben we niet genoeg. Ze verzorgt nog steeds liefdevol haar man die na een ongeval in een rolstoel belandde.
Na elke opleiding moet elke deelnemer een evaluatieformulier invullen en op verschillende items punten geven. Ze geeft overal tienen met een uitroepteken.
‘Ik kan het nog steeds niet geloven’, zegt ze bij het afscheid, ‘Je doet dit fantastisch, maar ik had het nooit kunnen denken. Het is onvoorstelbaar. Blijf dit vooral doen!’
Ze omhelst me krachtig.
Vakantie in Zuid-Engeland
Het is zachtjes beginnen regenen. We kwamen aan met regen. We vertrekken opnieuw met regen. Daar tussen liggen, als een oase, veertien zonnige dagen.
Mike zwaait ons uit. We blijven elkaar aankijken tot hij een wazige vlek geworden is.
We zullen elkaar nooit meer terugzien.
Hij weet het niet, en ik begrijp ook niet hoe hij het gedaan heeft, maar hij heeft bewerkstelligd waar ik zelf niet toe in staat was. Hij heeft me bevrijd van de demonen die mijn leven tot een hel maakten.
Nooit was ik er meer aan toe om even weg te zijn uit de vertrouwde omgeving.
‘Away from everything’ staat er in de aankondiging van het vakantiehuisje dat we, in het begin van de zomer, met het hele gezin huren.
‘Everything’ is de man die mijn leven binnengedrongen is.
‘Let it please be him, oh dear God, it must be him, it must be him, or I shall die’
zingt Vikki Carr gepassioneerd en ik met haar, terwijl ik tegelijk bid en smeek om me te verlossen van deze gesel, van de onweerstaanbare drang om bij deze man te zijn, door hem bemind te worden. Mijn verstand weet dat het een verloren zaak is. Ik wil mijn veilige haven niet in gevaar brengen voor een man die enkel wil spelen, een man die ik even begeerlijk als weerzinwekkend vind.
Het verlangen drijft me naar buiten, uit de schulp waar ik me al jaren veilig schuil houd. De afkeer, de schaamte en de angst dringen me telkens terug, maar ik vind geen rust meer in mijn schuilplaats.
Ik neem een vriendin in vertrouwen maar ik vertel niet over de pijn van het dwangmatig verlangen en de diepe schaamte over de weerzin. Het bevestigt het gevoel dat er iets mis met me is, net zoals er iets mis was met mijn vader. Ik mobiliseer al mijn redelijk verstand en besluit telkens weer om ermee te stoppen.
Het lukt niet.
Ik ga dood als ik hem niet zie.
Een vakantie in Engeland zal me een rustpauze geven en de nodige afstand om terug wat op krachten te komen.
Mijn man slaapt, ook tijdens deze vakantie, zoals gewoonlijk tot de middag. Hij is onwetend van de uitzichtloze strijd die ik dagelijks eenzaam voer tegen de monsterlijke verliefdheid waar ik me diep over schaam.
Mijn man heeft geen idee dat ik me soms voel alsof ik langzaam aan het sterven ben, dat ik voortdurend een krop in de keel heb die het slikken moeilijk maakt. Hij merkt niet dat ik kilo na kilo verlies, net zoals mijn moeder het ook niet merkte in dat eerste jaar na de dood van mijn vader. In het eerste jaar van het Lyceum. In het eerste jaar in Gent.
I am a master in disguise.
Mike werkt in Londen maar woont op zijn landgoed in Zuid Engeland waar wij deze zonnige zomer een paar kamers huren, die hij de flat noemt. Hij houdt van het buitenleven, van zijn honden, van het leven in zijn vijver.
Mike is net veertig jaar geworden. Hij kan niet geloven dat hij al zo oud is. Hij zegt het vrolijk. Elke ochtend maakt hij thee met melk en suiker en praten we in zijn keuken over het leven.
Mijn man slaapt. De kinderen spelen in de tuin en met de honden en ik zit bij Mike in de keuken met de opengeslagen deuren. Doorheen de dagen kom ik stilaan terug tot leven. Ik bind een roze strik in mijn haar. De zon schijnt. We lachen. De laatste dag blijf ik achter om de flat schoon te maken voor ons vertrek. In plaats daarvan bedrijven we de liefde.
De eerste en de laatste keer.
“My darling”, zegt hij ‘I don’t want to be rough but we have to dress up’.
Ik moet terug naar mijn leven. Ik ben voorlopig genezen. Deze keer heeft Mike me bevrijd van de demonen.
De volgende keer zal ik het zelf moeten doen.