Scene 1
We eten stokbrook. Ik gebruik mijn eigen mes, een prachtig gevormde Gwalarn die met het klein blauw-groene touwtje van altijd vasthangt aan mijn vareuse. Eerst een stevige klot zouten boter en dan een laagje abrikozenconfituur. Er bestaat geen beter ontbijt. Het wakke brood, de frisheid van de scherpe botersmaak en het zoete, zachte van de confituur. Ik spoel na met oploskoffie en sluit de ogen. De zon is al warm op mijn hals en rechterkaak. De boten naast ons ontwaken. Ik luister naar de stalen koorden die tegen de masten klapperen. Ik geniet nog even van mijn blote benen en voeten in de zon en maak me dan klaar voor vertrek.
Het wordt stilaan laagtij, het water stroomt de engte uit richting zee en we profiteren daarvan om zonder veel moeite weg te komen. De vaargeul is al redelijk ondiep, de rotsen steken hier en daar boven het water uit. Ludovic navigeert. Hij is heel goed. Hij ziet eruit als een jonge, joodse intellectueel met bruin krullend haar en een uitgesproken grote neus. Ik vind hem knap. Hij heeft iets onoverwinnelijks, staat relax in het leven. Ik neem het roer. Daar ben ik goed in. Vooral als de zee wild is en de golven haar in een groot alfabet van v’s omtoveren, wil je mij aan dat roer hebben. Dan dans ik met de boot en geef hem de ruimte die hij opeist om de golf af te glijden. Maar omgekeerd trek ik stevig bij als de voorsteven de golf inklieft en erover moet. Op het eind komen we precies uit waar het moet. Maar nu is het rustig varen. De zee is kalm. Het water klotst tegen de boeg. We varen een hele dag en tegen vijf uur leggen we ons voor anker ter hoogte van Ploumanac. Je kan er met deze stroming onmogelijk binnenvaren. De ketting van het anker staat strak gespannen. Het zal niet makkelijk zijn om straks foutloos te vertrekken. We wachten op het juiste tijdstip, wanneer laag-en hoogtij elkaar afwisselen en er minder weerstand is van het water. Anders smakken we tegen de rotsen. Het is een riskant manoeuver waarbij communicatie alles is. Ludovic neemt deze keer het roer. Marjan doet de fok. Ik zal het anker lichten, zo trekken dat de boot er net boven ligt en dan, wanneer het loskomt van de bodem, brullen naar Marjan dat ze de fok moet hijsen want anders zijn we de speelbal van de stroming. De ketting is glibberig, koud en pijnlijk in mijn handen. Hij schuurt en bovendien zit ik in een ongemakkelijke houding. Mijn reddingsvest maakt bewegen lastig. Het anker komt los en ik brul. Marjan hijst de fok en ik merk dat ik op haar touw sta. Het zeil flappert en snokt dan en ik til me kapot aan die onhandige ijzeren reus. De adrenaline raast door me heen. Ik sukkel met m’n laarzen, probeer grip te krijgen tegen de lage rand van de boot, zodat ik me kan afduwen om naar achter te leunen en dat anker binnen kan trekken. Het moet vooraan in de boeg door het valluik. Ik maak me klein zodat de wind haar werk kan doen in die fok. Dat gaat moeilijk met die laarzen en zwemvest, maar Marjan en Ludovic doen uitstekend werk. Het anker ligt op zijn plaats. De ketting gooi ik er achter aan, mijn pink zit er even tussengedraaid en er gaat wat vel af. Pijn. Schudden met de hand. Ik doe het luik dicht en kruip gehurkt naar achteren. We varen Ploumanac binnen. Ploumanac, Perros-Guirec, Trébeurden, Loquivy. De woorden smaken als stoere zeebonken in mijn mond. Het is een wereld die ik vooral ken vanuit de boot, een kustlijn met merkpunten, watertorens, rotsen die in lijn moeten liggen met de kerktoren zodat we koers kunnen houden, en ‘s avonds een haventje, het weerbericht aangeplakt aan de cabine van de havenmeester en – niet onbelangrijk - een douche. Ik monster de omgeving. Ploumanac heeft een vuurtoren met ‘quatre éclats tous les dix secondes’. De omgeving is ruw en schraal. De elementen hebben hier een filter op de kleuren gezet, zoals fel licht alles verbleekt: het groen van het helmgras is vooral zilver, het blauw van de loopbrug is vaal en er lijkt een laagje korrelig zand over te hangen. Ik krab in mijn haar. Het plakt op mijn voorhoofd door de spetters zee, de brandende zon en de resten zonnecreme. De zon heeft mijn haardos uitgedroogd en ik kan het nu precies breken. Wanneer ik mijn ogen groot open doe en de wenkbrauwen naar boven gooi, trekt m’n hele voorhoofd. Het gloeit en allicht heeft het de kleur van een babykreeft. God weet hoe ik eruit zie. Ik voel dat mijn haar alle kanten op staat. Door de wind en de vochtige lucht is het beginnen te kroezelen en heb ik net een heiligenkroontje van friezelhaar. Mijn hoofdhuid jeukt en ik voel korstjes. Ik kan er niet afblijven en krab ze van mijn hoofd los. Het is zaak ze uit mijn haar te trekken zonder ze te verliezen. Daarvoor moet ik het korstje heel stevig met m’n nagels beethouden en het als een klein kind dat van een glijbaan roetsjt goed begeleiden tot aan een haarpunt. Het verlangen naar die douche is onhoudbaar. En nadien een broek aantrekken die nog niet vuil is, misschien de donkerblauwe met onderaan elastieken en grote zakken op de heupen. Een frisse T-shirt en daarover mijn dierbare Glazik, rozig en afgekleurd door de zon. Ludovic komt naar boven met drie frisse pinten. Marjan volgt met nootjes en verse worst.
Scene 2:
Zij heeft Gene en Tine uitgenodigd, en natuurlijk schuiven George, Ben en Maren aan. En de kinderen. Wanneer ze Limme op de binnenkoer de kaarsen ziet plaatsen, stopt ze met sla wassen en blijft ze voor het grote, open raam staan. Hij ziet er goed uit, haar oudste kind, zo groot en zo lenig. Zijn broek is te kort geworden, merkt ze nu. Als hij nu toch maar wat meer zou willen vertellen over wat er in hem omgaat, denkt ze bezorgd, maar ze wordt uit die gedachte gerukt door Kasper Jan die met veel zwier de binnenplaats oprijdt en net voor zijn broer zijn fiets stevig doet slippen. Hij laat z’n fiets met een smak vallen en springt op de rug van zijn oudere broer. “Kasper jan, heb je die eetbare bloemen gevonden?” onderbreekt ze hun gedol. “Jip” roept hij terug en komt naar haar toe gelopen. Dat kind doet haar denken aan een frisse, volle boerenaardappel, vers van het veld. Hij is ookgroot maar veel steviger, geblokter dan zijn broer, enthousiast, wild en onbekommerd. Hij doet niet liever dan met zijn handen in de aarde wroeten, zich vuil maken, de spieren gebruiken.
Samen met hem stroomt er een heerlijk koele lucht binnen in de grote, oude leefkeuken.
“Ik heb ook bessen geplukt, mama. Ik dacht: ‘die zullen haar sla extra pimpen’, en zodus, tada: besjes.” Hij opent zijn hand, toont zijn trofee en buigt zich naar haar toe, plakt een zoen op haar voorhoofd.
“Gaan jullie vanavond spelen?”
“We gaan wat jammenals je dat bedoelt, mama. We hebben niets voorbereid maar we doen wel wat. Liever geen drums, dacht ik, toch?”, dat laatste woord rekt hij en laat hij naar boven lopen. Hij doet dat expres en laat intussen zijn wenkbrauwen op en neer dansen.
“liever geen drums, zoon”
“Wie komen er?”
“The Ususal Suspects: Gene en Tine, George, Ben en Maren, want het is haarboek.
“Mmmm….., Guitige, Gulle Maren…. Mogen Karel en Toni ook mee aanschuiven, ze komen straks langs?”
“Natuurlijk, maar dan moet je de tafel veranderen. Ik had voor negen gedekt. Vraag aan Limme of hij ook nog iemand verwacht.”
“Neen, ik verwacht niemand”, lacht Willem Frederik die de deur openzwaait en op zijn moeder afstapt. Hij knuffelt haar en fluistert in haar oor: “de kaarsen: check”.
“Zullen we vanavond de Ballade doen, Kaps?” Willem Frederik staat in het midden van de keuken, met de rug naar de piano, kin omhoog en de schouders naar achteren geklapt. Luid en zeer formeel declameert hij, zijn armen maken grote gebaren:
“Frères humains, qui après nous vivez,
N'ayez les cœurs contre nous endurcis,
Car, si pitié de nous pauvres avez”
waarna hij abrupt stopt en naar de sla op tafel staart.
“Die salade is prachtig, mama, die paarse bloemen erin. Kan je die opeten?” Willem Frederik houdt van mooie dingen, heeft een oog om kleuren te combineren, maar van praktische zaken kent hij niets.
“Het zijn viooltjes, natuurlijk zijn ze eetbaar, spast” antwoordt zijn broer schertsend maar liefdevol en tikt hem in het voorbijgaan op zijn krullenbol. Willem Fredrik gaat hem achterna en knijpt hem in de lende. “Flink hoor, dikzak, flink, flink, flink”.
“Vergeet die tafel niet, Kasper Jan”, roept ze hen achterna, maar ze zijn al in de living verdwenen. Het huis is ruw, robuust maar gezellig. De zetels in de living lijken al een heel leven mee te gaan. Ze staan wat schots en scheef op de blauwe steen. De grote open haard doet heel het huis ruiken naar verkoold hout. Alle deuren staan hele dagen open, alsof iedereen op elk moment mag binnenwaaien: vrienden, katten, hommels, een verloren rups. Om op de binnenkoer te komen moet je eerst een poort door, volledig overwoekerd door klimop, en een pad langs. Wat dieper ligt de oude molen, met rechts het woonhuis, en dwars daarop de ‘werkplaats’. De uitgever kan er via de achterkeuken rechtstreeks binnen, maar dat doet ze nooit. Ze gaat naar haar werk via de binnenkoer. Dat zullen ze vanavond ook doen, voor het eten. Met z’n allen naar de overkant, waar Marens eerste boek ligt. Ze was meteen verkocht toen ze het werk van de jonge vrouw voor het eerst zag. Ruwe, zelfzekeren lijnen, geblokte composities, nonchalante, ingekleurde vlakken en gedurfde kleurencombinaties. Preciesde beeldtaal die nodig was voor het verhaal dat al een tijdje op haar bureau lag. Twee landheren die elkaar naar het leven staan maar tegelijkertijd niets zijn zonder elkaar. Ze wilde er een avant-gardistische toets in en had samen met Maren de werken van Léger, Picasso en Gontscharova overlopen. Vooral wat ze in het theater hadden gedaan, de decors en kostuumontwerpen. Maren had er aanvankelijk moeite mee, maar ze bleef vragen stellen en zoeken naar hoe zij haar eigen beeldtaal trouw kon blijven en toch kon bereiken wat de uitgever in gedachten had. Ze was zelf met de oplossing gekomen door het accent te verleggen naar het circus, geïnspireerd door wat Léger daar eerder mee had gedaan. Het sloot beter aan bij het verhaal, voelde ze, verbeelde in letterlijke zin het groteske in de relatie van de twee landheren, en toen ze toonde wat ze ervan had gemaakt, wist de uitgever dat haar intuïtie haar niet in de steek had gelaten. Ben zou ook trots zijn op het resultaat. Zoals steeds had hij ook nu het perfecte papier gezocht, en een formaat en typografie dat het groteske een extra dimensie gaf en ja, het was een parel geworden. Ze zou er mee naar Frankrijk, Engeland en Duitsland gaan. Het zou internationaal landen, daar was ze zeker van, en die euforie wilde ze vanavond in hun samenzijn voelen. Tot laat in de nacht samen eten en muziek maken, met de ramen van de keuken groot open. Geen kat die hen in de ruime omgeving kon horen.