Diamonds on the Soles of her Shoes/Paul Simon- Sheaboter trekt bijtjes aan, merkt ze. Ze zoomen gedurig rond haar benen en scheren af en toe zacht langs haar nek. Telkens schrikt ze op en slaat het al lang vertrokken insect wild weg. De zon brandt van rechts op haar gezicht en eigenlijk is het kleed dat ze draagt te warm. Ze hoort alleen maar natuur, de bijen, het gekwetter van vogels en als grondtoon het kabbelen van de beek die net achter de haag een verdiepinkje daalt. Hemelser wordt het niet en toch is ze ongemakkelijk. Omdat ze iets zou moeten maar het niet aan het doen is. Geld verdienen? Iets produceren? Maar ze wil terugdenken aan het feest van mama.
De hele oprit staat vol wagens. Mama heeft ze allemaal weten te verzamelen, ook diegenen die niet meer met elkaar praten. Hoewel ze van alle genodigden het korst bij wonen, komen ze toch laat aan. Ze parkeren op straat. De schapen beginnen meteen en zoals altijd overdreven hard te blaten. De jongens lopen al door, achterom via de tuin naar de keuken, tot ze al het volk opmerken. Mama zou het aperitief op het ‘oosterterras’ geven. ‘Daar blijft de zon zo mooi lang hangen en dan hoeft al dat volk niet voor mijn keuken te staan’. Het is een gezellige boel, ze spot meteen Tony, klein maar nog steeds dik. Het feestvarken. Hij wordt 72. Een wit hemd, breed open aan de hals. Ze drinken bubbels. Linda brengt hapjes rond. Iedereen is er, hier en daar ook iemand die ze niet meteen kan plaatsen. Ze feliciteert eerst Tony, en werkt dan de ronde af waarin hij staat. De zon schijnt fel, maar verderop komen donkere wolken aanschuiven. De kinderen zeggen iedereen beleefd gedag en lopen dan recht naar de trampoline. Ze is trots op haar kinderen, het zijn toffe, zotte jongens, mooi, en heel verschillend. Het is goed dat ze niet wegkruipen achter haar rok maar iedereen gewoon dag zeggen. Zonder flauwekul, met vertrouwen.
Mama heeft de ronde partytafels gezet, en een buffettafel voor de drank. Het doet goed deze mensen terug te zien. Altijd. Patrick kent bijna iedereen. Ze merkt dat hij ontspannen is, dat hij zijn best doet. Tony is nieuw voor hem en ze weet dat hij zo dadelijk prijs zal hebben. Ze krijgt een glas van papa. Hij speelt die rol voortreffelijk, die van gastheer onder regie van mama. ‘Paulus, nu dit, Paulus, nu dat’. Hij kijkt haar over zijn bril aan, een monkellach, zijn bovenlichaam helt overdreven naar achter en zijn knieën veren meer dan gewoonlijk, hetgeen hem iets energieks geeft. Ze ziet aan die houding dat hij er zin in heeft – de houding en het enthousiasme waarmee hij ieders glas bijschenkt– en natuurlijk de muziekkeuze. Paul Simon vandaag, Diamonds on the Soles of her Shoes, net dat tikkeltje te luid. Dat doet papa altijd bij feesten, de muziek te luid zetten. Ze vraagt zich telkens opnieuw af of het aan haar ligt dat ze de kakafonie van geluiden niet goed verdraagt of dat hij hardhorig wordt, of dat hij zijn zelfgekozen, dagelijkse isolement op een sociale happening als deze wil overcompenseren door alles tegoed te willen doen. Ze spot mama. Ze komt met een lege vaas vanuit het huis en is zoals altijd blij hen te zien. Heel even gaat haar ‘dirigentenknop’ af en knuffelt ze hen uitgebreid, tot ook dat voorbij is en ze ‘Lindaatje’ en ‘Paulus’ met een volgende opdracht belast. Linda brengt soepjes rond – een van vele amuse gueules- in kleine aardenwerken bekertjes. Groene soep met een oranje bloemetje erin. Mama huurt die kommetjes niet, ze heeftze om dit soort feestjes te geven. Vijfentwintig of meer aardewerken kommetjes voor de soep en dezelfde aantallen aangepaste bordjes voor alle hapjes die volgen. Ze is vervuld van geluk wanneer ze een feest geeft, niet zozeer omdat ze alle vrienden dan terugziet - dat natuurlijk ook - maar vooral de acte zelf ze allemaal bij elkaar te brengen geeft haar een diepe voldoening. Daar de motor van te zijn, het te initiëren en te orkestreren, na te denken over de plaats van handeling (starten op het oosterterras, daarna onder de pergola en als uitwijkmogelijkheid de living), de kleuren van de servetten en de tafelkleden en dat doortrekken in de keuze van de bloemen, het uitzoeken van recepten, gewaagde combinaties maken, Linda een dag op voorhand inschakelen om de zetels te versleuren en de tafels al te dekken en dan - de dag zelf - alles vlot laten verlopen. Zijis maître d’orchestreen ze is de beste in haar vak.
Ze ziet vanuit haar ooghoek dat het zover is. Tony heeft Patrick beet. Daar was geen ontkomen aan. Er is natuurlijk het gemeenschappelijk ‘Antwerpenaarschap’ en ook Tony is blijkbaar niet bestand tegen de zoete lokroep dat het bv-schap uitstraalt. Patrick weet dat ze Tony het archetype van de pedante Antwerpenaar vindt, daarvan heeft ze hem over de jaren heen al heel wat voorbeelden gegeven. Voor zover ze zich kan herinneren – haar hele bewuste leven– is Tony een moppentapper van het soort dat in feite niet geestig is – of dat vonden zij toch niet. Meestal waren het moppen in de trend van ‘Antwerpen dit en zus en zo, en de rest is parking’, en hoe de Limburgers daar als sloom en bijna achterlijk bij afsteken. Zij konden daar al heel snel alleen maar groen om lachen, niet zozeer omdat ze zelf in Limburg wonen en Tony wél om de haverklap bij hen op bezoek kwam, maar vooral de herhaling ervan verveelde hen. Bij elk bezoek werden diezelfde grollen opnieuw verteld, en zij begrepen daar de zin niet van. Tony is psychiater en nooit getrouwd. Hij is altijd écht alleengeweest en naarmate zijn grappen ook andere mensen begonnen te vervelen, werd hij hoe langer hoe minder genodigd. Deze keer heeft iedereen het opgebracht om voor hem samen te komen.
Een aantal mensen die ze nog niet had gegroet, lopen richting pergola met servies in de handen. Annick, tante Nouch, Thierry, en Benny, die in feite in de weg loopt. Het zijn oude versies van hun jonge zelf. Goed geconserveerd. Kloek en blakend. Ze hebben zich allemaal mooi gemaakt voor het feest en ze ruiken lekker. Iedereen wordt ingeschakeld. Op aangeven van mama wordt in de tuin gedekt. Ze wil het erop wagen. De servetten liggen net en dan komt er een flinke zucht wind. Ze dansen over de tafel naar links, het gazon op. De lucht is donkergrijs. ‘Het gaat langs ons heen scheren, scheren maar niet raken.’ Samen met Benny monstert ze de lucht. Hij heeft een soort van piep in zijn stem, die elk moment lijkt te gaan breken. ‘Wij gaan gespaard blijven’. Maar dat is natuurlijk niet zo. Tante Nouch loopt achter de servetten aan. Het is een koddig zicht. Nu komen ook de kinderen erbij. Hun schoenen staan nog bij de trampoline. Ze rennen het gras op, de dansende servetten en tante Nouch achterna. Ze roept haar kinderen op te letten voor de ‘kippenkak’. Dat wordt zo stilaan een running gag in de familie, sinds papa kortgeleden geen vat meer had op de kippen die mama koopt en waarvan ze verwacht dat hij ze verzorgt. Het is begonnen bij de gigantische kippenren die ‘doorbraakplekken’ vertoonde waar papa niet tegenop gewassen bleek. Sindsdien laat hij de kippen de vrije loop en vermenigvuldigen ze zich aan een razend tempo. Ze hebben er nu vierendertig, waarvan zevenentwintig kuikens. Hij schijnt die chaos niet onprettig te vinden. Volgens haar doet het papa denken aan het bucolische samenleven zoals Epicurus dat placht te doen en zoals hij zelf zijn studententijd in Leuven doorbracht met de vrienden die hier vandaag verzameld zijn. Een zoete herinnering aan vroeger, die hij nu op kleine schaal aan zijn kippen gunt. Maar ondertussen schijten ze wel de hele tuin onder. Of misschien is het een kleine daad van verzet van hem aan het adres van mama, die hem gedurig commandeert.
Ze hoort een scherp en dwingend ‘Leen’ door de tuin galmen. Tante Nouche. Mama heeft een hekel aan die naam, maar ze berust in alle kuren van haar zus. ‘Leen’ komt aangesneld en er wordt overlegd of ze wel doorgaan met dekken. Er is veel wind en er zijn regendruppels gesignaleerd. Ze horen in de verte de fruitkanonnen afgaan die de wolken moeten verdrijven. Mama beslist dat het toch de living wordt. Geen probleem, daar was ze op voorzien. De hele ribambelle gaat terug naar binnen – kussens, servies, bloemstukjes - behalve de loodzware, oerdegelijke tuinstoelen die zo net met man en macht werden aangesleurd, die mogen blijven staan.
Ze zoekt haar man. Hij staat op het gazon bij Annick. Ze zijn blijkbaar druk verwikkeld in een gesprek want de druppels deren hen niet. Ze is nog altijd een mooie vrouw, de huid van haar gezicht na een heel leven nog steeds strakgespannen over de brede jukbeenderen als van het leer over een tamboerijn. Het is onbegrijpelijk dat in die textuur toch rimpeltjes aanwezig zijn, rond en om de ogen. Ze is altijd verzorgd maar zelden knap gekleed. Ook vandaag draagt ze een wat ouderwetse rok met losse plooien over haar brede heupen en in een appelblauwzeegroen dat niet flatteert. Annick is van opleiding archeologe en ze is gek op alles wat naar geschiedenis ruikt. Ze heeft Annick altijd gemogen. Ze is belezen, erudiet en geïnteresseerd zonder zich ooit op te dringen. Ze is nu de partner van Benny, al een hele poos eigenlijk.Benny heeft drie goedaardige hersentumoren achter de kiezen en is daardoor deels verlamd. Toch stapt hij nog, al is dat wankel en met een stok. Terwijl Patrick en Annick verder praten, kijkt zij vanop het gazon hoe hij het trapje van het terras naar hen wil nemen: het is één trapje in een smalle doorgang aan beide kanten begrensd door kniehoge buxus. Ze kijkt of hij zich zal mistellen en struikelen, want zijn voet sleept wat en is verdraaid. Maar het lukt natuurlijk. Hij heeft in zijn eigenaardige stap een eigen vaardigheid ontwikkeld die nu zijn ‘normaal’ is. Benny’s echte vrouw kon de pech niet aan en heeft hem verlaten. Misschien was hij onhandelbaar geworden? Of misschien was zijn karakter veranderd na zoveel operaties? Benny was nogal breedsprakerig vroeger, luidruchtig ook, met bulder lachen en zo. Door de operaties heeft hij zijn flamboyante, alomtegenwoordige zelf wat verloren. En Annick was allang niet meer de vriendin van haar vader. Ze weet er het fijne niet van waarom dat is afgesprongen. Het meest waarschijnlijke antwoord is allicht dat haar beide ouders hadden ingezien dat een ‘ménage à quâtre’ op de lange termijn minder vanzelfsprekend is dan de eerste, gloedrijke, vrije jaren deden vermoeden. Maar iets in haar zegt dat Annick er uiteindelijk een punt achter zette. Een sterke vrouw, weduwe van vier kinderen, die geen zin meer had en genoeg zelfrespect om niet voor altijd slechts een weliswaar felbegeerde, maar toch een ‘nevenvrouw’ te blijven. En dus dwong ze papa om een keuze te maken. Het is haar nog steeds een raadsel waarom papa niet gekozen heeft voor deze vrouw. Ze denkt dat hij tot lang daarna verteerd werd door liefdesverdriet en zijn hart toen een stukje is gescheurd.
Aan dat feest denkt ze, vol bewondering voor zoveel energie. Ze zijn in alle opzichten geslaagd, haar ouders. Behalve dan wat haarzelf betreft. Boordevol talent, veelbelovend en toch niet uit de startblokken gekomen. Wat durven ze vertellen over haar wanneer ze ergens op bezoek zijn en er wordt over de kinderen opgeschept? Ze blijf maar vasthangen in dat verleden, komt niet los van dat aardige nest. Haar dromen over net zo’n leven, met een grote vriendenkring, avontuurlijke reizen, veel cultuur, zwoele avonden vol discussie en galmende lachsalvo’s, een eigen, bloeiende zaak en de allure van een vrijgevochten, onafhankelijke vrouw. Niets daarvan heeft ze weten te realiseren. Ze hoort een auto dichtslaan op de oprit. Haar man is er. Hij vraagt haar wat ze aan het doen is. Wat ze gedaan heeft vandaag. Ze mompelt iets terug terwijl ze de tuin in loopt en naar de beek staart, daar waar het water een verdiepinkje valt en in een ijltempo wegstroomt.
Tompkin Square Park/Mumford and Sons- Ze is sinds gisteren in de rouw voor iemand die tien jaar geleden is gestorven. I am Heath Ledgeris heel heftig binnengekomen, de dood zelf, maar ook de kwetsbaarheid van het moederschap, de kwijtgespeelde jeugd, de verspilde talenten, de voorbije vriendschappen, de beloftes van die eerste liefde. Hoe je als een pijl zo de hoogte in kan schieten en zo nietsontziend prachtig kan knetteren, ze werd van haar sokken geblazen. De manier waarop hij zo onverdroten en bijna heldhaftig elk moment wil vastleggen, bevriezen, verdubbelen, vertienvoudigen, en tegelijkertijd zo veel aandacht en consideratie voor zijn vrienden hield, niet omhoogviel, wild bleef, zoals haar eerste lief, radicaal, voor zijn passie ging, geen aandacht voor de regels, zijn eigen pad volgen, mooi, om zachtjes te strelen, zo’n gezicht, bewust van zijn lichaam, dansend, aantrekkelijk, speels, eerlijk, geen doekjes, geen rol. Heel hard leven, niet stoppen, mensen meetrekken, aandacht vragen, ideeën hebben, ideeën uitvoeren, doen, niet twijfelen, springen, she was flabbergasted.
Ze is gisteren op slag terug verliefd geworden op iemand die tien jaar geleden is gestorven. Iemand die ze altijd had willen zijn. Ze heeft haar ware ik gisteren ontmoet. Iemand zoals ze in haar eerste lief heeft ontmoet, en in haar beste vriend, en in diens beste vriend, en iemand zoals zij nooit meer zal worden wanneer ze nu rondom zich kijkt. Ze weent om een tijdperk dat voorbij is en het is hartverscheurend. Er is niemand over die het kan begrijpen.
2024
Zij heeft Gene en Tine uitgenodigd, en natuurlijk schuiven George, Ben en Maren aan. Patrick en de kinderen. Wanneer ze Limme op de binnenkoer de kaarsen ziet plaatsen, stopt ze met sla wassen en blijft ze voor het grote, open raam staan. Hij ziet er goed uit, haar oudste kind, zo groot en zo lenig. Zijn broek is te kort geworden, merkt ze nu. Als hij nu toch maar wat meer zou willen vertellen over wat er in hem omgaat, maar ze wordt uit die gedachte gerukt door Kasper Jan die met veel zwier de binnenplaats oprijdt en net voor zijn broer zijn fiets stevig doet slippen. Hij laat hem met een smak vallen en springt op de rug van zijn oudere broer. “Kasper jan, heb je die eetbare bloemen gevonden?” onderbreekt ze hun gedol. “Jip” roept hij terug en komt naar haar toe gelopen. Dat kind doet haar denken aan een frisse, volle boerenaardappel, vers van het veld. Hij is ook groot maar veel steviger, geblokter dan zijn broer, enthousiast, wild en onbekommerd. Hij doet niet liever dan met zijn handen in de aarde wroeten, zich vuil maken, de spieren gebruiken.
Samen met hem stroomt er een heerlijk koele lucht binnen in de grote, oude leefkeuken.
“Ik heb ook bessen geplukt, mama. Ik dacht: ‘die zullen haar sla extra pimpen’, en zodus, tada: besjes.” Hij opent zijn hand, toont zijn trofee en buigt zich naar haar toe, plakt een zoen op haar voorhoofd.
“Gaan jullie vanavond spelen?”
“We gaan wat jammenals je dat bedoelt, mama. We hebben niets voorbereid maar we doen wel wat. Liever geen drums, dacht ik, toch?”, dat laatste woord rekt hij en laat hij naar boven lopen. Hij doet dat expres en laat intussen zijn wenkbrauwen op en neer dansen.
“liever geen drums, zoon”
“Wie komen er?”
“The Ususal Suspects: Gene en Tine, George, Ben en Maren, want het is haarboek.
“Mmmm….., Guitige, Gulle Maren…. Mogen Karel en Toni ook mee aanschuiven, ze komen straks langs?”
“Natuurlijk, maar dan moet je de tafel veranderen. Ik had voor negen gedekt. Vraag aan Limme of hij ook nog iemand verwacht.”
“Neen, ik verwacht niemand”, lacht Willem Frederik die de deur openzwaait en op zijn moeder afstapt. Hij knuffelt haar en fluistert in haar oor: “de kaarsen: check”.
“Zullen we vanavond de Ballade doen, Kaps?” Willem Frederik staat in het midden van de keuken, met de rug naar de piano, kin omhoog en de schouders naar achteren geklapt. Luid en zeer formeel declameert hij, zijn armen maken grote gebaren:
“Frères humains, qui après nous vivez,
N'ayez les cœurs contre nous endurcis,
Car, si pitié de nous pauvres avez”
waarna hij abrupt stopt en naar de sla op tafel staart.
“Die salade is prachtig, mama, die paarse bloemen erin. Kan je die opeten?” Willem Frederik houdt van mooie dingen, heeft oog om kleuren te combineren, maar van praktische zaken kent hij niets.
“Het zijn viooltjes, natuurlijk zijn ze eetbaar, spast” antwoordt zijn broer schertsend maar liefdevol en tikt hem in het voorbijgaan op zijn woeste krullen. Willem Fredrik gaat hem achterna en knijpt hem in de lende. “Flink hoor, dikzak, flink, flink, flink”.
“Vergeet die tafel niet, Kasper Jan”, roept ze hen achterna, maar ze zijn al in de living verdwenen.
Het huis is ruw, robuust maar gezellig. De zetels in de living lijken al een heel leven mee te gaan. Ze staan wat schots en scheef op de blauwe steen. De grote open haard doet heel het huis ruiken naar verkoold hout. Alle deuren staan hele dagen open, alsof iedereen op elk moment mag binnenwaaien: vrienden, katten, hommels, een verloren rups. Om op de binnenkoer te komen moet je eerst een poort door, volledig overwoekerd door klimop, en een pad langs. Wat dieper ligt de oude molen, met rechts het woonhuis, en dwars daarop het atelier. Ze kan er via de achterkeuken rechtstreeks binnen, maar dat doet ze nooit. Ze gaat naar haar werk via de binnenkoer. Dat zullen ze vanavond ook doen, voor het eten. Met z’n allen naar de overkant, waar Marens eerste boek ligt. Ze was meteen verkocht toen ze het werk van deze jonge vrouw voor het eerst zag. Ruwe, zelfzekeren lijnen, geblokte composities, nonchalante, ingekleurde vlakken en gedurfde kleurencombinaties. Het was een parel geworden. Het boek zou internationaal landen, daar was ze zeker van, en die euforie wilde ze vanavond in hun samenzijn voelen. Tot laat in de nacht samen eten en muziek maken, met de ramen van de keuken groot open. Geen kat die hen in de ruime omgeving kon horen.