“Piet?” riep ze uit, verraste ongeloof in haar stem. Zij had hen al van ver in de gaten. Eerst het meisje, halflang asblond haar, een bruin, ontspannen gezicht, zelfverzekerde blik, en een donkerblauw kleedje, duur in al zijn eenvoud, dat was eraan te zien. Dan pas hem, in een witte T-shirt, jeans en dikke, bruine mefisto’s - veel te warm voor de tijd van het jaar - die hem ondanks hun plompheid toch allure gaven. Zij waren druk pratend vanuit ‘Pieter De Somer’ het binnenplein van het ‘Paus’ over gewandeld. ‘Paus’ was zijn plek geweest, vijf jaar lang. TEW. Niet zo’n moeilijke studie. Een verlengde van de middelbare school, maar moeilijk genoeg voor hem. Zijn thesis had hij over de kunstsector geschreven - schilderijen - op aangeven van zijn moeder Annick welteverstaan, want zijn hart lag bij auto’s en voetbal.
Sabine en Lien stonden aan de overzijde, op de drempel van het Hogeschoolplein met het Pauscollege. Het binnenplein lag er verlaten bij. De dag was nog jong en ondanks het seizoen – het was begin juli - hing er een aangename koelte in de lucht. De meeste studenten hadden Leuven al verlaten. Zij niet. Ze lummelden wat aan in de gelukzalige tussentijd die enkel het studentenleven kenmerkt. Het vacuüm van enkele dagen waarin de tijd geen tijd is en er, na de heroïsche examenprestatie, een gevoel van volledig zorgenloosheid hangt. Het plezierige niemandsland waarin alles kan en alles mag omdat het verdict nog niet is gevallen en er bij gebrek aan vonnis, niemand al voorwaarden kan opleggen. Nu was dat laatste voor de twee vrouwen een mindere zorg: zij haalden zonder al te grote inspanning jaar in jaar uit eerste zit en naarmate de jaren vorderden voegden zij daar telkens nog een graad aan toe. Het enige waar zij op dit moment mee bezig waren, was het zich overgeven aan de totale ontspanning, op een plek waar ze graag rondhingen. Het Paus was weliswaar mannelijk terrein, maar er hing ook een zware nostalgie in de lucht die een merkwaardige aantrekkingskracht op hen beide uitoefende, alsof het de geschiedenis zelf was die je uitnodigde in haar vertrekken te vertoeven. Het ‘Paus’ als de statige verpersoonlijking van waar de respectabele universiteitsinstelling al jarenlang voor stond: grandeur, eruditie, betrouwbaarheid, degelijkheid. Het college was al generaties lang ingenomen door veelbelovende zonen van de hogere sociale klasse en de vrije beroepers die goed verdienen en waar het metier van vader op zoon werd doorgegeven. Speelvogels die hun studies met schijnbaar gemak door walsten in het onwankelbaar geloof dat het succes van hun ouders mutatis mutandis op hen zou overvloeien.
Piet was een uitzondering op die regel geweest. Hij bleef staan, keek op, en onderzocht haar gezicht. Het duurde lang vooraleer hij aarzelend ‘Biene?’ wist uit te brengen. Die naam had Sabine – behalve bij haar thuis – al in geen jaren meer door iemand horen uitspreken. Zij droeg sinds haar studententijd een geheel nieuwe bijnaam waarvan zij vond dat die robuuster was en daarom beter bij haar paste. Ze lachte. Hij ook, eerst een grote, enthousiaste lach en glinsters in de ogen, daarna dat stel ruwe handen voor zijn verbaasde mond: “Ik zou je nooit herkend hebben!”
Ze vonden het niet onprettig elkaar terug te zien. Zij had nog nauwelijks aan hen gedacht en was verrast te merken dat hij dezelfde was gebleven. Ze scheelden vijf jaar, hij had bij de oudste kinderen gehoord en was veruit de sympathiekste geweest, ongecompliceerd – hij hield van auto’s en van voetbal en van Duran Duran. Geen streken, niet betrokken in amoureuze intriges – of toch niet met hen – geen behoefte te verleiden of te ‘oefenen’. Zij was de op een na jongste geweest, de lenigste, de kwieke spring-in’t-veld waarvan hij als oudste jongen weinig last had gehad. Bijna tien jaar was het geleden dat zij elkaar niet meer hadden gezien. Haar herinnering aan hem was zuiver – ongetroubleerd. Zij hadden het nooit nodig gevonden om de draad terug op te pikken maar nu ze hier zo stonden was het evenmin onaangenaam.
De pauze knop die een decennium geleden was ingedrukt, werd met deze ontmoeting afgezet. Levenslijnen kwamen terug bij elkaar. Minder verstikkend en, anders dan toen, uit vrije wil. Ze waren volwassenen nu, of toch bijna. Roel zou niet veel later met Anne-Sophie gaan samenwonen, Piet zou Sabine geregeld in Antwerpen opzoeken en ook Annick zou opnieuw een plaats innemen in het leven van haar ouders, op een volkomen natuurlijke, maar ook de enig denkbare manier: aan de zijde van Benny, een oude studiegenoot van hun beide vaders. Zo vulden zij elkaars leven, kleurden het, smaakten het.