We waren ouder geworden.
Enige lachrimpels hadden zich meester gemaakt in de jongedame haar gezicht. Enige jaren van verstand waren nu tot haar doorgedrongen.
Op een zonnige lentedag stapte het lieflijk meisje met Het Lief een oude alombekende galerij binnen. Na al die jaren was ze nog steeds begeesterd door kunst in de grote zin van het woord. Zij had Het Lief na lang aan de oren zeuren, eindelijk kunnen overtuigen.
Eénmaal voet aan wal gezet, viel haar een opvallend stel kijkers meteen op. Of was het Het Lief dat doodleuk haar natuurlijke schoonheid reflecteerde op een schilderij? Was het Het Lief dat toevallig vertelde dat hij op die jadegroene ogen verliefd was geworden?
Schichtig zocht ze naar een naamkaartje wat aan zijn anonimiteit radicaal een eind zou maken. Het was dan toch waar. Ze wist het zeker, de kunstenaar was na al die jaren het meisje in haar niet vergeten.
Plots overheerste een stilte in het pand. Je kon zelfs een speld horen vallen op de ijskoude grond. Zo diep verzonken, waren zowel de gedachten van de jongedame in kwestie als dat van Het Lief.
Bij Het Lief overviel de jaloezie hem genadeloos. De angst om haar alsnog te verliezen, moest het geweest zijn. Het Lief had immers enkel het talent om haar te beminnen maar niet om haar te bezingen.
In het licht der duisternis, in dat somber pand, kwam de kunstenaar opeens ten tonele. Op een luttele miniseconde stond hij bij het meisje vandaan waar hij na al die tijd nog hevige gevoelens voor omarmde. De vrouw met een iet of wat lichtgebogen ruggengraat, een mager lichaam maar onmiddellijk herkenbaar aan de lange vuurrode manen, staarde hij ongedwongen aan. Alle gedachten raasden door zijn hoofd. Wat nu? Durfde hij het aan om haar aan te spreken? Maar net op dat moment pakten Het Lief en zijn vrouw elkaar nog steviger vast.
Hij, getekend door een hard bestaan, zag het echt niet zitten om juist nu het woord aan te gaan met het meisje dat hem, de artiest, altijd om één of andere magische reden, had betoverd.
De haren op haar rug sloegen schalks overeind. Het meisje voelde zich aangestaard, als een hen in een hanenhok. De schaduw die haar verraste, verviel in het niets met het licht. Net op dat moment draaide zij zich om. Toch zag de jongedame geen schim meer. Als een vlucht naar Egypte maakte hij zich uit de voeten. Het meisje zal nooit geweten hebben dat hij die dag tot op enkele meters van haar stond. Of toch…