Samira

23 okt 2014 · 0 keer gelezen · 0 keer geliket

Ik moet je een verhaal vertellen over een jonge vrouw. Ze was niet knap of beroemd en ik kende haar nauwelijks, maar ze had Iets. Iets ondefinieerbaars. Iets waardoor mannen hun hoofd omdraaiden als ze voorbij gewandeld kwam. Iets waardoor ze zelfs vergaten te fluiten. Iets waardoor gesprekken stokten en woorden onuitgesproken in kelen bleven steken wanneer zij in de buurt was. Niet veel vrouwen hebben dat ongrijpbare, haast goddelijke Iets. Het is even begerenswaardig als alles wat net buiten handbereik ligt van een kind dat vastgesnoerd zit in zijn buggy.
Ze heette Samira. En mijn eerdere bewering dat ze niet knap zou zijn, is wat ik misschien liever had gewild. Ze was bloedmooi! Haar schoonheid was van zo’n aard dat ze met één enkele oogopslag ieder mannenhart op hol kon doen slaan. Menig vrouwenhart stond dan ook even stil bij het aanschouwen van het effect dat Samira op hun partner had. Zelfs de zonsondergang verbleekte naast haar. Gelukkig was ze niet perfect. Perfectie zou afbreuk doen aan wie ze was. Velen verbergen zich voor de ware felheid van het licht achter de sluier die angst heet. Zij kende geen angst, durfde de wereld recht in de ogen te kijken tot het de wereld zelf was die zijn blik neersloeg.
Bij sommigen wakkerde ze begeerte aan. Passie en pure lust. Alleen naar haar kijken, leek al een zedenmisdrijf. Anderen verbitterden in afgunst bij enkel het horen van haar naam. ‘Samira’ werkte sneller dan slangengif naar het jaloerse hart. Er waren er die haar durf benijdden en wensten dat ze een fractie bezaten van haar zorgeloos en ietwat onbezonnen gedrag. Dat ze gewoon erg egoïstisch was, lag dichter bij de waarheid. Ze had een rijke fantasie en schuwde een leugen niet als dat voor haar beter uitkwam. Hierbij ontzag ze niets of niemand, ze plaatste zichzelf altijd op de voorgrond.
Voor je verder leest, gebiedt de eerlijkheid mij te zeggen dat je op de duur niet meer zal weten waar de oprechtheid stopt en het verzinsel begint. Zelfs ik raakte helemaal verstrengeld met verzonnen waarheden en onware leugens. Het woord oprechtheid is misschien niet helemaal op zijn plaats, want Samira was altijd oprecht. Dat was nu net het probleem: ze was ziek. Ze geloofde haar eigen leugens. Deze zelfgecreëerde wereld van beuzelarijen was haar realiteit. Doordat mensen zich blind staarden op haar uiterlijk en door de charme waarmee ze elk verhaal boeiend en met het grootste gemak bracht, is nooit iemand op de gedachte gekomen om de echtheid van haar vertelsels te onderzoeken. Omdat mijn relatie met haar nogal innig was, merkte ik na een tijd dat er in haar puzzel vaak stukjes ontbraken. Het was pas na een jaar dat ik er de vinger op kon leggen. Als ik haar erop wees dat er zelfs een medische term voor haar aandoening bestond, dan wuifde ze dit al lachend weg. Niemand kon haar in een hokje steken. De pseudologia fantastica werd onder de mat geveegd bij het andere vuil en er werd nooit meer over gepraat. Samira’s zeefdrukkerij van diepe indrukken draaide op volle toeren zonder beperkte oplage. Mijn ontmoeting met haar was er één van louter toeval. Of misschien ook niet. Bij haar wist je dat nooit zeker.


Ik heb net mijn avondje vertier met een paar maten betaald aan de kroegbaas. Op het moment dat ik mijn ribfluwelen jas van de kapstok haal, zwaait de deur van de kroeg met een klingelend geluid open. Een vrouw waait even fris als het zomers avondbriesje naar binnen. Haar zwarte haren glanzen als rivierwater in de nacht. Haar lichaam maakt de strakke jeans die ze draagt tot een verheven kledingstuk en met een stem van warme melk met honing zegt ze iets. Ik vang slechts flarden op. Het is een haast onmogelijke opdracht om me te concentreren op haar woorden die zinnen vormen, want dat betekent dat ik een einde moet maken aan mijn onbeschoft staren. Ik ben haar net beginnen uitkleden met mijn ogen wanneer ze me bij de arm neemt. Als een mak lam volg ik haar naar buiten. ‘Auto’ en ‘startproblemen’ zijn de enige woorden die ik meen opgepikt te hebben. Het kan evengoed wat anders zijn. Mijn geest is beneveld en niet enkel door de Duvels die ik gedronken heb. Ze heeft nog steeds mijn arm vast. Haar ranke hand ligt licht als een engelenvleugel op mijn naakte huid. Zo zou een engelenvleugel toch moeten zijn. Plots vind ik mijn woorden terug. Ze komen nog niet in een samenhangende volgorde naar buiten, maar de klank van mijn eigen stem geeft me opnieuw wat houvast.
    ‘Pro-problemen… wie ben… euhm… waar…’

Ik schraap mijn keel en doe een stap opzij. Het verlies van haar aanraking doet een lichte huivering door mijn ruggenmerg trekken, ik kom weer tot mezelf. Terwijl ik mijn jas aantrek, vraag ik waar haar wagen staat en wat juist het probleem is. Ze loopt voor me en toont haar ‘auto’ die achter de hoek geparkeerd staat. Ik doe wat waarschijnlijk iedereen doet wiens blik dit vehikel kruist: breed glimlachen. Hoe kan je ook anders wanneer je voor iets staat dat veel weg heeft van een Flintstone-mobiel die een flower power make-over heeft ondergaan? De felgekleurde bloemen op de lila 2PK staren me uitdagend aan. Ik lik de flauwe opmerking die op mijn lippen ligt, met één beweging van mijn tong weg.

    ‘Ik was aan het rijden op de autosnelweg toen mijn snelheid plots begon af te nemen. De eerstvolgende afrit ben ik er afgereden en ik heb me nog net aan de kant kunnen zetten. Toen was het helemaal gedaan.’ Ze opent de motorkap en buigt voorover. ‘Een tijd geleden heb ik hetzelfde gehad en toen was één van de bougies losgeschoten.’
Ik ben me erg bewust van de aangename tinteling die zich in mijn kruis voltrekt. Snel knoop ik mijn driekwarts jas dicht, die nauwelijks lang genoeg blijkt om de opkomende zwelling aan het zicht te onttrekken. Nergens op haar welgevormde achterste zie ik lijntjes van ondergoed afgetekend. Zou ze een string dragen? Met moeite wrik ik mijn ogen los van dit oh zo heerlijke en begeerlijke lichaamsdeel. Met een schok zie ik dat ze met een vragende blik naar me kijkt. Ik heb blijkbaar weer iets gemist. De hitte stijgt naar boven en ik voel dat mijn wangen in brand staan. Er is onmiddellijke actie vereist.
    ‘Ga jij achter het stuur zitten en op mijn teken mag je de auto starten. Ik zal eens kijken of ik hem aan de praat krijg.’
    ‘Haar.’
    ‘Pardon?’
    ‘Mijn auto is vrouwelijk. Ik dacht dat dàt wel duidelijk is.’ Ze stapt langs de bestuurderskant in en klapt het raampje naar boven.
Glimlachend duik ik onder de motorkap. Ik krab in mijn haar. Waarschijnlijk weet zij er meer van dan ik. Hoe moeilijk kan het zijn? Ik zie vier zekeringen en een heleboel draadjes, iets dat de motor zou kunnen zijn en dikke dampkapbuizen die naar de achterkant leiden en waarschijnlijk dienst doen als verwarming. Het ziet er allemaal heel erg rudimentair uit, om niet te zeggen primitief. Omdat ik niet weet waar ik moet beginnen, doe ik teken dat ze de motor mag starten, misschien dat dan de onbestaande garagist diep in mij toch naar boven komt.
Terwijl ze de sleutel in het contact omdraait, slaat de motor aan met een diep ronkend geluid alsof er honderd katten liggen te snorren. Verbouwereerd staar ik ernaar.
Terwijl de motor stationair draait, slaat het portier dicht en nog voor ik iets kan zeggen, hangt ze rond mijn nek. Haar kus op mijn wang brandt in mijn hart. Ook ik ronk.
    ‘Wat was nu het probleem? Hoe heb je het opgelost?’ roept ze enthousiast uit terwijl ze me weer loslaat.
    ‘Euh, een draadje naar de alternator hing los’, lieg ik. Ik weet zelfs niet waar dat ding zich bevindt. Gelukkig vraagt ze het me niet.
    ‘Godzijdank! Ik dacht hier de nacht te moeten doorbrengen. Kom, stap in, dan rijden we naar mij.’
Met gefronste wenkbrauwen kijk ik haar aan, een vragende blik in mijn ogen.
    ‘Ik wil je bedanken voor je moeite. Ik heb thuis nog lekkere kruidenthee staan. Koffie drink ik niet. Allez, hop, ik vraag het slechts één keer.’
Ik laat het me ook maar één keer zeggen. Zonder verdere aarzeling stap ik in.
Terwijl we rijden, bedenk ik dat dit wel de raarste avond uit mijn leven is.
‘Ik weet niet eens je naam’, onderbreek ik haar monoloog. Sinds we vertrokken zijn, heeft zij de hele tijd het woord gevoerd. Ik genoot van het warm timbre van haar stem. Omdat ik geen einde wilde maken aan de ononderbroken woordenwaterval, heb ik haar laten praten.
    ‘Samira’, antwoordt ze.
Ik hoor haar naam als het gefluister op een zuchtje wind, als een nauwelijks waarneembare streling, licht en luchtig in mijn hart.
    ‘Samira’, herhaal ik. Ik proef de letters in mijn mond. De klank van haar naam blijft kleven op mijn lippen en barst uiteen op mijn smaakpapillen in een zoet palet van duizend en een ongekende en veelbelovende aroma’s.
    ‘En jij?’
    ‘…Gregory.’ Bij de ‘o’ schiet mijn stem uit. Ik klink even onzeker als een puber die net de baard in de keel heeft gekregen.
Ik probeer te luisteren naar wat ze zegt, hoor enkel warme klanken. Ik knik glimlachend als ik denk dat ze bevestiging vraagt, niet wetende wat ze zojuist tegen me zei. Knikken is altijd goed. Ik vertrouw mijn eigen stem niet. Uit angst dat mijn tong dingen zal zeggen die ik denk. Dingen ik met haar zou willen doen. Dus zwijg ik. En glimlach.

Ik had me geen zorgen hoeven maken. De voordeur zit nauwelijks in het slot of ze duwt me met mijn rug tegen de muur. De wereld draait om ons heen om abrupt te stoppen als haar zinnelijke lippen de mijne aanraken. Zacht en verrukkelijk trekt ze met een langgerokken kus mijn hele ziel naar buiten. Met één hand rukt ze aan mijn haar, de andere tast in mijn kruis. Ik gooi mijn jas op de grond zonder me van haar lippen los te maken. We zijn nog steeds niet verder geraakt dan de gang. Ze duwt me ruw op een stoel die daar staat, schopt haar jeans en string op de grond en gaat op me zitten. Mijn broek hangt op mijn enkels. Ze berijdt me als een wilde furie. Ik bijt door haar bloesje heen, ik trek hard aan haar ravenzwarte haren, zet mijn vingers in het zachte vlees van haar billen en beweeg mijn heupen in hetzelfde ritme als dat van haar. Mijn borst gaat hevig op en neer tegen haar nog steeds bedekte borstjes. Ik voel haar longen zwoegen als ze samen met mij hijgt. Haar nagels trekken sporen door mijn T-shirt heen dat nu tegen mijn rug plakt van het zweet. Haar kreunen explodeert in een luide gil van extase en op datzelfde moment splijt ik open als een rijpe zaaddoos en geef al mijn gedachten, al mijn verdriet en vreugde, al mijn lusten en mijn lasten bloot.
    ‘Thee?’, vraagt ze, nog nahijgend. We schieten allebei in de lach.
    ‘Waarom koos je mij uit in het café?’, vraag ik haar terwijl we onze kleren schikken.
    ‘Jij leek me de beste partij om nageslacht mee te produceren’, zegt ze heel serieus.
Mijn hart staat samen met de tijd even stil. Haar luide, hartelijke lach vult plots de lege ruimte.
    ‘Je had je gezicht moeten zien’, hikt ze nog na. ‘Je stond toevallig vlak naast de deur en ik vond de rode kleur van de jas in je handen zo mooi. Scharlaken.’

Een jaar later zijn we getrouwd.

Als ik ooit ergens beweerd zou hebben dat ik haar nauwelijks kende, is dat zeker niet gelogen. Zelfs na zeven jaar was elke dag opnieuw een verrassing. Vermoeiend? Ja. Maar nooit saai. Er zijn momenten dat ik er terug naar verlang, mij resten enkel nog de herinneringen. Gelukkig heeft de tijd de scherpe randjes eraf gepolijst, want ze zijn niet altijd even mooi. Die vervlogen gedachten zijn als aangebrande melk op de bodem van mijn ziel. Ze zijn zo hard aangekoekt dat enkel vloeibare soda ze er nog afkrijgt. Zij was mijn soda. Zij was zo aanwezig, dat ik geen herinneringen nodig had. Nu heb ik geen soda meer en blijft het verleden aan mijn bodem kleven. Ik verlang naar rust, blijf mezelf kwellen door verkoolde resten los te peuteren tot mijn nagels helemaal kapot zijn van het krabben aan vroeger.

Ik sta voor haar droomhuis met de makelaar. Na twee maanden zeuren heb ik toegegeven, ons appartementje is echt wel te klein aan het worden voor onszelf, onze uitdijende inboedel en twee katten. Ik vind het huis te groot, zij vindt het perfect voor als we aan gezinsuitbreiding zouden beginnen. Omdat ze niet aandringt, ga ik daar niet verder op in. Iets verzwijgen is niet hetzelfde als liegen en ik wil haar niet kwijt aan een onvervulde kinderwens. Mijn keel knijpt samen aan enkel de gedachte zonder haar. Haar hele bestaan drijft op een poel van verzinsels, dus zal zo één geheim de zaak ook niet maken, toch? Het huis kan ik haar niet weigeren als ze mij aankijkt met die speciale jij-bent-van-mij-en-voor-jou-doe-ik-alles-als-je-dit-huis-voor-me-koopt-blik? Al naargelang de situatie kan het laatste deel anders worden ingezet. Ik ben de contrabas waarvan zij de snaren bespeelt. Geniaal als een volleerd musicus heeft ze nog geen valse noot geproduceerd. Hier sta ik dus. Al twintig minuten. De makelaar begint ongeduldig te worden.
    ‘We kunnen misschien alvast naar binnen gaan, in afwachting dat uw vrouw komt.’
    ‘Als u het niet erg vindt, dan blijf ik liever buiten wachten, ik zou graag samen met haar naar binnen gaan. Ik ben er zeker van dat ze er zo meteen aankomt.’

Zo zeker ben ik daar niet van. Na nog eens vijftien minuten geeft de makelaar er de brui aan.
    ‘Sorry, ik heb ook andere klanten die aan het wachten zijn. Mocht u alsnog geïnteresseerd zijn, belt u me dan.’
Een uur later zeg ik het droomhuis vaarwel en ga naar huis. Zonder droomvrouw.
    ‘Je gelooft nooit wat ik heb meegemaakt!’, roept ze vanuit de woonkamer als ze mij hoort binnenkomen.
Nee, inderdaad niet.
    ‘Ik ben benieuwd wat er zo belangrijk was dat je je huis ervoor hebt laten schieten.’ Met gekruiste armen sta ik voor haar. Ik ben niet kwaad, hoogstens wat geïrriteerd.
    ‘Ik heb een kind omvergereden.’ Ze zegt het haast triomfantelijk.
    ‘Wàt heb je gedaan?!’
    ‘Ik kon pas om één uur weg op het werk en fietste nogal stevig door. In de verte zag ik twee jochies spelen, ze renden achter elkaar zonder acht te slaan op het verkeer. Op het moment dat ik ze wilde passeren, dook één van hen onder mijn fiets, ondanks het feit dat ik de hele tijd aan het bellen was. Van ontwijken was geen sprake meer, dus reed ik erover. Met een misselijkmakend gekraak hoorde ik iets versplinteren. Ik stopte en zette mijn fiets aan de kant om te gaan kijken hoe het met het jochie was. Achter een dubbele kinderkoets zag ik hun moeder aan komen hollen. Het was vreselijk Greg!’
Ik ga naast haar in de zetel zitten. Afwezig streelt ze de kat op haar schoot en met haar blik naar binnen gericht, gaat ze verder.
    ‘Dat mens kwam in alle staten naar me toe en begon me in het Hebreeuws uit te schelden. Ik kon nog net haar handtas ontwijken. Proberen uit te leggen dat het een ongeluk was, lukte niet erg. Zij gooide zich op mij en krabde haast mijn ogen uit. Om me te verweren, greep ik haar haar vast dat tot mijn grote schrik meegaf. Ik had een pruik in mijn handen. Ik zweer het Greg! Het was sterker dan mezelf, ik heb me daar bijna een ongeluk gelachen. Ik kon er echt niks aan doen.’
    ‘En het kind?’, help ik haar herinneren.
    ‘Ah, ja. Dat had niks. Een paar schrammen en builen en zijn bril was helemaal versplinterd. Toen hij na een paar minuten van de schrik bekomen was, rende hij alweer achter zijn broertje aan. Die joodse dame beet zich echter in me vast als een wildklem. Ze eiste dat ik contant zou betalen voor de geleden morele en lichamelijke schade van haar zoon. En voor de bril. Ik beet haar toe dat ik het roekeloos gedrag van haar zoon niet wenste te belonen en dat mijn verzekering de bril zou vergoeden. Het heeft een tijdje geduurd eer ik haar kon overtuigen dat niet ík, maar haar kind een gevaar op de weg was.’
    ‘Je had op zijn minst kunnen verwittigen, zodat ik en de makelaar wisten of Mevrouw Samira ons nog het genoegen zou schenken om zichzelf tevoorschijn te toveren!’
    ‘Ik ben net thuis en nog aan het bekomen. Ik kon je trouwens niet bellen, want ik was mijn gsm hier vergeten. Bovendien zal dat huis niet gaan lopen, want het staat al drie maanden te koop omdat de vraagprijs veel te hoog is.’

Ze zet met een druk op de afstandsbediening de televisie op en geeft daarmee aan dat ons gesprek is afgelopen.

Enkele dagen later is het huis van ons. Ik vraag niet hoe Samira het voor elkaar gekregen heeft. Na een kort onderonsje met de eigenaar, heeft die ons bod aanvaardt.

De deur knalt dicht. Bonkende voetstappen op de trap. Weer een deur die luid dichtslaat. Denderende stappen boven mijn hoofd. Niets meer. Ik hol naar boven.
    ‘Samira? Alles ok?’
    ‘Mannen zijn klootzakken!’
    ‘Bedankt, hé.’ Ze draait zich om en ik schrik van haar gezicht. ‘Wie heeft dat gedaan? Dat ik die klootzak eens een lesje leer!’
    ‘Rustig, schat. Ik kan mijn mannetje wel staan. Ik heb alles onder controle.’ Ze betast voorzichtig haar opgezwollen oog. Het zit half dicht en de huid er rond ziet er blauwgrijs uit.
    ‘Wil je dan vertellen wat er gebeurd is, wie heeft je zo toegetakeld? Waar is dit gebeurd? Je bent voor de rest toch in orde?’
Ze zucht.

    ‘Ik was langs de Schelde aan het fietsen, richting fietserstunnel toen er plotseling iemand naast mij kwam rijden. Het was een gast was die ik kende, Jan. Hij zat in dezelfde school als ik, een jaar hoger. We geraakten aan de praat en net voor de tunnel gooide hij zijn fiets voor de mijne. Ik moest keihard in de remmen gaan en begreep totaal niet waar hij naartoe wilde. Dacht eerst nog dat het een grapje was. Het werd me pas duidelijk toen hij me bij mijn arm greep en me van mijn fiets wilde trekken.’ Ze slikt duidelijk hoorbaar. Ik knik haar bemoedigend toe.
    ‘Hij riep me toe ‘dat hij me eens zou laten voelen wat ik had gemist op school’. In paniek tastte ik naar het busje traangas in mijn jaszak. Omdat ik weerstand bood, sloeg hij me recht op mijn oog.’
Onwillekeurig gaat haar hand opnieuw naar de zwelling. Haar amberkleurige ogen staan vol met tranen. Tranen van woede, weet ik.
    ‘Ik duizelde van de impact van de slag, de adrenaline hield me overeind. In een impuls heb ik recht in zijn gezicht gespoten. Hij sloeg dubbel op de grond en riep dat zijn ogen eruit brandden. De woorden ‘hoer’ en ‘vuile teef’ achtervolgden me vanuit de verte, want ik ben als een gek mijn fiets opgesprongen en huiswaarts gereden.’
    ‘Oh, lieve schat toch!’ Ik neem haar in mijn armen en voel hoe ze zich ontspant.
    ‘Ben je al aangifte gaan doen bij de politie?’, vraag ik in haar haar. Ze verstart en maakt zich los uit mijn omhelzing.
    ‘Ben je gek?! Wat moet ik dan zeggen? Ja, inspecteur, hij wilde me verkrachten denk ik. De reden? Hij was de Don Juan van de school en heeft het nooit kunnen verkroppen dat hij mij niet heeft kunnen krijgen. Als enige. De anderen gingen allemaal plat voor hem. Hoe ik hem heb kunnen afschudden? Euhm, door traangas te gebruiken. Ja, schat, dat is inderdaad een supergoed idee! Dan krijg ik een proces verbaal aan mijn been voor verboden wapendracht en kan ik mijn busje afgeven. Wie gaat me volgende keer dan beschermen als een gek me wilt aanranden? Ik kan moeilijk met een bodyguard rondlopen, hé.’
Nog voor mijn lippen een woord kunnen vormen, gaat ze verder.
    ‘Ik ben in orde. De dokter heeft me heel volgende week thuis geschreven. Zó kan ik uiteraard niet gaan werken.’
    ‘Ah, was dat niet die week dat je baas je verlof geweigerd had? Dat komt dan uiteindelijk toch goed uit.’
Haar ogen schieten vuur.
    ‘Wat bedoel je daar nu weer mee? Denk je dat ik voor mijn plezier zo rondloop?’
    ‘Kalmeer eens. Ik bedoel gewoon wat ik zeg. Je hoeft je niet aangevallen te voelen.’
Ze draait zich abrupt om en loopt naar haar hobbykamer. Ik hoor haar de sleutel omdraaien.

Zo sluit ze me een tijdje buiten. Niet enkel uit die kamer, ook uit haar hart. Voor enkele uren toch. Daarna zal ze niet sorry komen zeggen, dat doet ze nooit. Nog nooit heeft ze een duimbreed toegegeven, hoewel ze soms durft zeggen dat ze van mening is veranderd. Ze zal gewoon doen alsof er niets is voorgevallen. Net zo hard als ze mij kan verwonden, kan ze mij ook weer eindeloos liefhebben. Haar Tuin van Eden is mijn rustpunt. Ik heb haar lief zoals een man een vrouw nog nooit heeft liefgehad, ondanks het feit dat ik vermoed dat ze lacht als ik bloed en dat ze enkel interesse veinst als het in haar eigen voordeel kan uitdraaien. Hiervoor ben ik bereid om alle schuld op mij te nemen, want zij zal altijd dé vrouw zijn voor mij. Als je vindt dat dit melig klinkt, dan heb je haar nog nooit ontmoet. Ik moet haar met veel mannen delen. Gelukkig heb ik de exclusiviteit over haar lichaam.

Ze schiet me de hoogte in waar haar euforie me licht in het hoofd maakt en zo dronken als een bende olifanten die aan een gistende jeneverbesstruik heeft gezeten. Om even later de afgrond in te duiken met de snelheid van een slechtvalk die achter een prooi aanzit. Dan suis ik achter haar aan om te voorkomen dat ze beneden te pletter stort. De tijd tussen deze twee uiterste punten van haar benjisprong kan een fractie van een seconde bedragen. Soms is het een sprong in slow motion en zitten er enkele weken tussen. Dat zijn voor mij dan weken waarin ik alles van haar gedaan krijg of weken waarin ik haar niet kan bereiken en ze gewoon haar eigen zin doet. Zo is ze. Het is een vermoeiende bezigheid, getrouwd zijn met haar. Maar alleszins geen dode streep op een hartmonitor.


    ‘Gre-eg?’
    ‘Ja, liefje.’ Ik kijk half op uit de krant. Zij zit aan de salontafel op haar laptop te tokkelen.
    ‘Wat vind jij een mooie meisjesnaam?’
    ‘Hoe bedoel je?’ Ik leg de krant neer en kijk verontrust haar kant uit.
    ‘Wel, stel dat ik zwanger zou zijn en dat het een meisje is, dan mag jij uiteraard mee de naam kiezen.’ Ze kijkt me uitdagend aan. Ik ben vrijwel zeker dat ze niet zwanger is en kijk haar met opgetrokken wenkbrauwen aan.
    ‘Wat wil je nu eigenlijk zeggen?’
    ‘Ik zou graag kinderen willen, Greg. Niet over een paar jaar. Nu!’
Deze discussie hebben we de laatste tijd wel vaker. Ik zucht.
    ‘Ik niet. Het gaat niet. Nu niet en over een paar jaar ook niet.’
    ‘Wat bedoel je met ‘Het gaat niet’? Wil je niet?’
    ‘Ik… euh… ik… wil je gewoon voor mij alleen.’ Dit is slechts een halve waarheid. Als ik het haar vertel, ben ik haar kwijt.
    ‘Egoïst!’ Het tokkelen wordt luider.
    ‘Ik heb totaal geen behoefte aan blèrende jong rond mijn benen. Als je je echt wilt voortplanten, dan zoek je maar iemand anders!’
    ‘Misschien doe ik dat ook wel!’, roept ze boos terwijl ze naar buiten dendert en de deur met een knal dichtsmijt. Vroeg of laat zal ik het haar toch moeten vertellen.

    ‘Zin in dessert?’

Aan de ondeugende lichtjes in haar ogen weet ik dat ze niet gewoon een zoet afsluitertje bedoelt om onze smaakpapillen te bevredigen. Of net wel. Ze opent de deur van de diepvries en haalt er vanilleroomijs uit. Ik leg de handdoek weg en laat de rest van de vaat staan wanneer ze met ontbloot bovenlijf op de keukentafel gaat liggen. Haar tepels worden hard wanneer ze het ijskoude goedje in mislukte bolletjes tussen haar borsten en op haar buik lepelt. Ik volg het onderste ijsbergje met mijn ogen naar haar navel en lik het op voordat de warmte van haar lichaam het doet smelten. Ik ben niet snel genoeg, ik wil alles proeven en niet enkel ijs, laat me afleiden door haar zinnelijke vormen. Kleine crèmekleurige straaltjes lopen kleverig langs haar taille naar beneden en druppen op de tafel. Haar zout op mijn lippen prikkelt me. Ik rits haar broek open en trek die langzaam uit. Met mijn tanden pak ik het bovenste randje van haar kanten slipje beet en trek dit naar beneden.
    ‘Wees je een beetje voorzichtig, tijger?’
    ‘Altijd toch, Sam.’
    ‘Doe nu maar extra voorzichtig.’
Ik stop met mijn broek uit te trekken.
    ‘Hoe bedoel je? Heb ik je gisteren pijn gedaan?’
    ‘Nee, dat is het niet,…’ ze laat een weloverwogen stilte vallen ‘ik ben zwanger.’
Ik trek mijn broek terug aan, knoop hem dicht en zet de doos ijs terug in de diepvries samen met mijn geilheid.
Ik bekijk haar: een stuk vlees dat op tafel ligt, klaar om geconsumeerd te worden. Hoe heb ik zo blind kunnen zijn? Meewarig schud ik mijn hoofd en met opeengeklemde kaken loop ik de trap op.
    ‘Schatje!’ hoor ik haar smekend vanachter de gesloten keukendeur roepen.
Als ik nu mijn mond opentrek, dan is het geheid ruzie en sta ik niet in voor mezelf. Ik kies dus voor de tweede slechtste oplossing: ik haal mijn motor uit de garage en ga rijden. Ongecontroleerd en veel te snel scheur ik door de bochten. De nacht breng ik door bij mijn ouders. Mijn gsm zet ik af.

Drie dagen later kom ik terug thuis. De kilte van onze burcht van leugens omarmt me. Ik hoor haar in de slaapkamer rondstommelen en schuif mijn bewijs onder de deur. Wat later staat ze voor me in mijn bureau. Ik kijk strak naar mijn zwarte computerscherm en doe net of ik haar niet zie.
    ‘Wat heeft dit te betekenen?’ Hysterisch duwt ze het papier onder mijn neus. Ik kijk haar aan met alle kalmte die ik kan opbrengen.
    ‘Dat document is het bewijs dat die embryo niet van mij kan zijn. Ik ben gesteriliseerd.’
Ze trekt wit weg en voor de eerste keer sinds ik haar ken, heeft ze niet meteen een pasklaar antwoord. Ze staart me aan met grote ogen waarin langzaam het besef doordringt.
    ‘Je denkt dat ik je heb bedrogen.’ Ze zegt het langzaam, alsof de zwaarte van het laatste woord daarmee gebroken kan worden. Met haar hand bedekt ze beverig haar trillende lippen. Ik zie de tranen dansen op haar onderste wimpers. Net voor ze vallen, keert ze mij de rug toe.
    ‘Nooit zal ik jou bedriegen.’ Haar stem klinkt gesmoord en iets in haar toon zegt me dat ze de waarheid spreekt. Hierover wel. Zacht trekt ze de deur achter zich dicht.

Een hele week lang vermijden we behendig elk contact. Ik word specialist in het ontwijken van haar blik. De ochtend van de zevende dag na haar aankondiging vind ik een artikel op mijn toetsenbord. Er zijn een aantal dingen met fluostift aangeduid. Ik kan eruit opmaken dat zwangerschap na sterilisatie van de man mogelijk is. Bij één op vijfduizend vijfhonderd herstelt de ingreep zich spontaan, ook wel rekanalisatie genoemd. Diezelfde avond verbreekt ze het stilzwijgen.
    ‘Ik zou het graag houden.’
    ‘Mijn sterilisatie heb ik met een bepaalde reden laten uitvoeren. Ik heb geen zin in gezinsuitbreiding.’
    ‘Kan je het niet zien als een teken dat het zo moet zijn?’ Ze klinkt haast wanhopig. Ik wil niet dat ons huwelijk strandt op de komst van een baby. Een kind dat ik niet wil. Ik ben niet van plan een duimbreed toe te geven, wel wil ik weten waar ik sta.
    ‘Hoever ben je?’
    ‘Acht weken volgens de predictor stick. Die heb ik al weggegooid’, voegt ze er snel aan toe.
    ‘Zullen we een afspraak maken met de gynaecoloog? Dan kunnen we daar rustig onze opties bespreken. Kan je deze week ergens?’
    ‘Ik ga morgen al naar dokter Van Praet. Ik wilde niet te lang wachten. Je mag gerust mee, hoor. Graag zelfs.’
Ik zucht.
    ‘Liefje, je weet dat ik morgen die belangrijke vergadering heb. Die ligt al weken vast. Kan je geen andere dag kiezen?’
    ‘Was ik vergeten. Het kon enkel zo snel omdat er iemand had afgebeld. Anders had ik nog twee weken moeten wachten.’
Ze belooft me dat we volgende keer zeker samen zullen gaan. Nadat zij is gaan slapen, kap ik in de kelder onze vuilniszak leeg. Tot mijn grote verbazing vind ik inderdaad de zwangerschapstest. Het testvenster is echter net zo min roze als een doodgeboren baby. Ik ruim het vuil op en steek de stick achterin de lade van mijn secretaire.

    ‘Alles is goed met ons, bedankt dat je het vraagt.’
    ‘Ik heb een rotdag op het werk gehad en zou graag eerst mijn jas uittrekken, dankjewel.’
Blijkbaar stelt haar baby het goed. Het maakt Samira niet zo veel uit dat het geslacht nog niet te zien is. En ja, ze is stellig overtuigd het te houden. Als ik wil, kan ik volgende maand mee.
De volgende dag bel ik Dr. Van Praet. Samira is nooit bij haar of haar collega’s geweest. Er is geen andere gynaecoloog met dezelfde naam in de buurt, nee. Onderwerp baby afgesloten. Voorlopig toch. De maand die hierop volgt lijkt ons leven weer zijn gewone gangetje te gaan. We omzeilen het B-woord terwijl Samira’s onzichtbare waarheid tussen ons in groeit, samen met zich opbouwende spanning. Ik vraag me af hoelang ze dit zal volhouden.

Na een lange werkdag kom ik thuis. Ik hang mijn jas aan de kapstok en knip het licht aan.
    ‘Wat zit je hier in het donker te doen? Ik schrik me rot!’
De manier waarop ze in de zetel zit – met haar armen rond haar opgetrokken benen en haar hoofd tussen de knieën – doet me zachter praten. Ik gooi mijn tas op de grond en loop naar haar toe. Ze snikt met luide halen en schommelt met haar lichaam heen en weer. Het spanningsveld tussen ons is eindelijk gebroken wanneer ik haar in mijn armen wieg. Ik sus haar en vraag wat er is. Ze kijkt me aan. Haar ogen zijn gezwollen van het huilen, haar wangen roodbevlekt. Ze neemt niet eens de moeite om het snot dat bijna haar bovenlip raakt, af te vegen. Haar haren zitten in de waren. Ik hou van haar.
    ‘Ik heb deze ochtend het kind verloren’, fluistert ze hees. Haar stem kan nauwelijks de woorden dragen. Onsamenhangend vertelt ze iets over krampen, haar baby in het toilet en een vruchtje dat niet in orde bleek. Ze legt haar hoofd tegen mijn borst en schokt zonder geluid te maken. Ik streel zwijgend haar haren en haar rug. Zo zitten we daar de hele avond. Wanneer ze is gestopt met huilen en zwaar tegen me aanleunt, maak ik me los en til haar de trap op, naar bed. Voorzichtig trek ik haar kleren uit. Nadat ik haar heb ondergestopt, geef ik een kus op haar voorhoofd dat heet aanvoelt.
    ‘Ik kom zo bij je liggen, liefje’, fluister ik.
Op kousenvoeten loop ik naar beneden. Ik tast diep in de lade van mijn secretaire. Ik schud langzaam mijn hoofd. Voor de tweede keer belandt de predictor stick bij het vuil. Ik vraag me af hoe vaak ze eigenlijk tegen me liegt. Sommige van haar verzinsels heb ik na een tijd wel door. Ze fabriceert ze in zo’n hoog tempo dat de ene leugen nog niet over haar lippen is gerold, of de ander ligt al klaar. Meestal zijn het futiliteiten en vaak ga ik er in mee. Deze geveinsde zwangerschap heeft wel enorme proporties aangenomen.
Ik voel haar gloeien over haar hele lichaam als ik tegen haar aan kom liggen. In het midden van de nacht roept ze me wakker.
    ‘Gregory, ze komen achter me aan!’
In het zwakke schijnsel van het display van de wekkerradio zie ik zweetdruppels parelen op haar voorhoofd. Met verwijde pupillen ijlt ze zonder zich bewust te zijn van mij. Ze vertelt verwarde verhalen over een Joodse vrouw met een dubbele kinderwagen die de achtervolging inzet, haar mond met vlijmscherp gevijlde tanden vervaarlijk grotesk open- en dichtklappend. Ik hoor flarden zinnen waaruit ik kan opmaken dat Jan van haar school haar uiteindelijk dan toch heeft ingehaald, in de fietsertunnel. Zijn ogen zijn twee ingebrande gaten. Een baby zit haar achterna, een slagersmes in de handjes. Ze kan hem niet afschudden, hij is met een navelstreng aan haar verbonden. In de stilte tussen Jan en de baby vraag ik me af of ik toch niet beter de dokter van wacht laat komen. Maar ik wil haar geen moment alleen laten nu ze me nodig heeft, dus trek ik haar nog dichter tegen me aan. Tijdens haar onrustige stiltes slaap ik al wakend, als ze in verwarde dromen spreekt dan luister en waak ik, wachtend op haar ontwaken. Drie decennia opgebouwde leugens nemen wraak op haar, ze raakt erin verstrikt. Er zijn verzinsels bij waarop ik mijn leven heb gebouwd. Het maakt me niet uit. Ik ben nu hier, bij haar. Dit koortsdelirium duurt enkele uren voort, ze blijft dingen herhalen, alles wordt hoe langer, hoe onsamenhangender. Dan houdt het plots op.

Ik word wakker door de felheid en de warmte van de zonnegloed op mijn gezicht. Stofdeeltjes dansen in de stralen die zich doorheen de niet volledig gesloten gordijnen priemen. Ik houd Samira nog steeds stevig tegen me aangedrukt. Ze voelt koud aan.

She can kill with a smile, she can wound with her eyes. And she can ruin your faith with her casual lies…

‘Deze man is hier nu al een paar jaar. Sinds de dood van zijn vrouw zingt hij steeds hetzelfde liedje. Tijdens heldere momenten die uren of zelfs dagen kunnen duren, vertelt hij honderduit over zijn Samira. Luister op zo’n moment geduldig naar hem, maar laat je niet beetnemen. Zijn wereld is de onze niet. Als je hem klaarmaakt voor de nacht, vergeet hem dan zeker niet vast te binden, anders begint hij rond te dolen. De laatste keer dat een stagiaire had nagelaten dit te doen, hebben we hem pas de volgende middag terug gevonden. Hij zat in zijn ondergoed in het park. Gewoon op een bankje wat voor zich uit te staren.’

…and she’ll promise you more than the Garden of Eden, then she'll carelessly cut you and laugh while you're bleeding. But she’s always a woman to me.

Geraakt door deze tekst? Maak het hartje rood of deel de woorden met je vrienden.

Zo geef je mee een stem aan de woorden van deze schrijver.

23 okt 2014 · 0 keer gelezen · 0 keer geliket