Ik ben een goochelaar
Ik jongleer met ritmes en maten
Ik springt van trom naar trom
Roffel razendsnel
Sla beslist op ieder vel
Uit iedere cimbaal
Tover ik een klankenschaal
Traag of snel, zacht of fel
Ik ben een goochelaar
En vergis je niet
Ik heb nog vele truken klaar
(Opdracht Els)
‘Twee meeuwen zitten op de horizon te wachten.’
Stilte.
‘Het is toch zo. Zoals ze daar zitten.’
Niets.
‘Oké, ze zitten niet echt op de horizon, maar zo lijkt het toch.’
Weer niets.
‘Ik weet ook wel dat ze eigenlijk gewoon op die strandpaal zitten.’
‘Het was maar een manier van zeggen.’
‘Het klonk mooi. Vond ik toch.’
‘Ga je daar nu niets op zeggen?’
‘Ach, laat ook maar.’
‘Stomme beesten, stomme strandpaal’
‘Ben je nu nog altijd kwaad?’
‘Is dat het?’
(Opdracht Sharmila)