Anke Senden

Gebruikersnaam Anke Senden

Teksten

reflectieverslag Schrijfdag

Op de schrijfdag stonden er twee activiteiten op mijn programma: in de voormiddag volgde ik de workshop ‘The Write Stuff’ van Willem Frederik Daem; in de namiddag mocht ik mee aanschuiven bij Daniel Billiet voor het literair spreekuur.   De workshop van Willem Frederik Daem stelde teleur. Nog afgezien van het feit dat de workshopgever twintig minuten te laat kwam, gaf hij de indruk totaal niet voorbereid te zijn. Hij had schrijfopdrachten uitgewerkt die niet goed afgestemd waren op het publiek van toch al enigszins ervaren schrijvers dat hij voor zich had. De omkaderende uitleg die hij gaf, was op zich wel zinvol, maar zo ongestructureerd en à l’improviste gebracht dat er in veel tijd weinig relevante informatie overgedragen werd. Ik had de indruk dat veel mensen net als ik op hun honger bleven zitten omdat Daem nauwelijks inging op datgene waar de workshop volgens de promotietekst (geschreven door Daem zelf) over zou gaan: omgaan met uitstelgedrag. Met deze workshop heb ik als schrijfdocent in spe vooral gezien hoe het niet moet. In dat opzicht was het zeer leerrijk omdat ik door de gebrekkige aanpak het belang van enkele vuistregels nu des te beter inzie. De belangrijkste vuistregel is dat je heel goed moet weten voor welk publiek je een cursus geeft: je moet je zo goed mogelijk informeren over het niveau, de voorkennis en de verwachtingen van de deelnemers. Dat betekent niet dat je iedere deelnemer op voorhand afzonderlijk moet aanschrijven, maar zonder een correct algemeen beeld van je publiek is je workshop gedoemd om te mislukken. Met dat algemeen beeld moet je je dan grondig voorbereiden en op z’n minst in je hoofd een lijn hebben van wat je tijdens de workshop allemaal wilt behandelen. Daarnaast heb ik ook geleerd dat een schrijfdocent van zijn kant correcte informatie moet geven over de inhoud van de cursus of workshop. In de aankondiging van de cursus mogen geen onderwerpen staan die uiteindelijk totaal niet aan bod komen. Anders haken mensen af.   ’s Namiddags observeerde ik het Literair spreekuur voor poëzie bij Daniel Billiet. Daarbij wil ik eerst iets opmerken over de organisatie achter het spreekuur: ik heb van twee deelnemers het spreekuur mogen bijwonen en bij alletwee waren er fouten gebeurd bij het doorgeven van de teksten. Bij de eerste was de lay-out van de gedichten dermate veranderd dat vijf afzonderlijke gedichten opeens één lang gedicht werden, wat uiteraard een heel andere interpretatie opleverde. Bij de tweede deelnemer was de inzending voor poëzie geweigerd omdat ze te prozaïsch zou zijn (wat naderhand geenszins het geval bleek te zijn); als alternatief had de deelnemer dan maar een column opgestuurd, een genre dat de organisatie blijkbaar geschikter achtte voor een spreekuur poëzie. Bij de eigenlijke observatie was ik verbaasd door de houding van Daniel Billiet. Ik ken Daniel als iemand die recht voor de raap is, maar dan vooral wanneer hij les geeft aan gevorderde schrijvers, die zelf goed weten waar ze staan en in eerste instantie willen weten hoe ze hun gedichten kunnen verbeteren. Ik had gedacht dat hij omzichtiger te werk zou gaan bij de erg beginnende schrijvers die de twee deelnemers aan het spreekuur waren, wat niet het geval bleek. Zo zou ik er niet direct aan iemand vragen hoe oud hij was toen hij een bepaalde tekst schreef, zeker niet als je door wat er in de tekst staat, ziet dat hij van recente datum is. Ik zeg niet dat de feedback an sich niet correct was, maar de manier waarop Daniel die feedback aanbracht, druiste regelrecht in tegen de principes dat je feedback stapsgewijs opbouwt, van positief naar werkpunten. Dat zou ik zelf beduidend voorzichtiger aanpakken.   Leesverslag Anna Cornelis   Je hebt een tekst geschreven over de aanslagen in Parijs en wat die bij de ‘ik’ uit het verhaal teweegbrachten. Wat mij meteen opviel, was het originele standpunt dat je de ik-figuur laat innemen inneemt. Meestal kijken we vanuit de veilige thuis omgeving naar de gruwel die er veraf gebeurt. Nu kijken we vanaf veraf naar de gruwel die er thuis gebeurt. Die omkering van de normale situatie maakte op mij als lezer een bevreemdende en daardoor krachtige indruk. Het dwong mij op een andere manier over de situatie te denken.   De eerste paragraaf (strofe?) trok mij vlot in de beleving van de ik-figuur. Je opent krachtig met een vraag die meteen een gevoel van onmacht en radeloosheid weergeeft, en mij prikkelde om verder te lezen. Ik wilde weten wat er gebeurd was. In de tweede zin keer je de vertrouwde situatie om: veraf (hotelbed) wordt dichtbij en dichtbij (thuis) wordt veraf. In de derde zin geef je het ongemak van de ik-figuur overtuigend weer met korte zinnen als gedachteflitsen. Ook bij de rest van de paragraaf (‘Misschien zit… de deur achter me dicht.’) ervaarde ik door je manier van beschrijven de onrust waar de ‘ik’ mee geconfronteerd wordt.   Vanaf de tweede paragraaf lees ik voor de verontwaardiging van de ik-figuur. Die verontwaardiging krijgt zijn neerslag in vragen die aan de lezer gericht worden. De lezer wordt ook persoonlijk aangesproken: ‘Waar bent u, 4 jaar later, wat valt nog binnen uw beeldbereik?’ Daarna volgt ‘Waar zijn wij?’. De overgang van ‘u’ naar ‘wij’ werkt retorisch zeer krachtig: de lezer wordt eerst individueel aangesproken, daarna wordt hij deel van een grote groep waar ook de spreker toe behoort. Zo trek je het gebrek aan actie van één persoon open naar een hele groep, de hele maatschappij. Met de zin ‘lijkt tijdig wegzappen het enige dat we nog kunnen doen’ leg je de link terug naar het begin van de tekst, waarin de ik-figuur zelf wegzapte.   Door je tekst heen trof ik een aantal beelden aan die indruk op mij maakten: ‘fantoomreactie’, de satirische neerzetting van ‘serieuze legerduo’s’ en de reactie van de extremisten. In de verontwaardiging die de ik-figuur uitdrukt, mis ik echter de suggestiviteit die in de eerste paragraaf wel aanwezig was. Door veel expliciete termen en grote woorden te gebruiken, zoals ‘populistische retoriek, overschilligheid, menselijkheid’ raakte de tekst mij een beetje kwijt. Die woorden en toevoegingen als ‘wist u dat’ en ‘en dat zou moeten volstaan’ maakten een erg belerende indruk op mij. Ik werd als lezer niet meer uitgedaagd om zelf te denken, zelf een mening te vormen.   Het hoofdpersonage, de ik-figuur, wil duidelijk verontwaardiging uitdrukken, maar geeft nu de indruk meegezogen te raken in de stroom van zijn eigen betoog en zelf de grote woorden en luide uitroepen te gebruiken waar hij een hekel aan heeft. Na een sterke eerste paragraaf haakte ik daar als lezer wat op af. Met enige herwerking kan dit wel een krachtig relaas zijn van de indrukken die de aanslagen in Parijs nagelaten hebben, zeker door het onverwachte standpunt.     Leesverslag Kim Pauwels   In je gedicht vertrek je vanuit een aantal beelden waar je een ik-figuur mee vergelijkt: een snaar, een ui, Orelia. Aan de hand van die beelden bouw je een verhaal uit tussen een ik-figuur en een ‘jij’.   In het deel ‘een snaar’ lees ik een zucht naar tederheid en verbondenheid. Wat mij bijbleef, waren de verzen ‘zucht, blaas, span/me niet aan’. Eerst bouw je een spanning op door te zeggen wat de ‘jij’ moet doen, daarna blijkt dat de ‘jij’ het zuchten, blazen en aanspannen vooral niet mag doen. Ook door ‘langs de sleutel/ een gebogen weg/ naar buiten.’ verraste mij. Ik vroeg alleen mij af of dat vers niet aan kracht zou winnen door ‘een gebogen weg’ weg te laten. Ik struikelde wat over het tweede vers ‘klaagt zij deemoedig’. ‘Deemoedig’ lijkt mij een vreemde combinatie bij klagen.   In het tweede deel ‘een ui’ zie ik vooral hoe de ‘ik’ zich wil blootgeven aan de ‘jij’, hoe de echte persoon worstelt met de opgehouden façade. Knap hoe je zoveel aspecten van een ui betrekt op een persoon. Je werkt geregeld met woordspelingen (‘ontwikkel wikkels, hol-bol) en dat woordspel komt ook in het de rest van het gedicht (‘Orelia’, ‘een spoorweg’) regelmatig terug. Dat leidt tot leuke vondsten, maar zoals voor alle goede dingen geldt dat je er best niet mee overdrijft. Ik wist niet goed wat ik aan moest met ‘Fruit wat groente was.’ Daarnaast had ik het moeilijk met het zeer vage begrip ‘hoedanigheid’ in je voor het overige zeer beeldend gedicht.   In ‘Orelia’ lees ik weer een ander aspect van de ‘ik’: het is iemand die brandt van passie, maar tegelijk het risico loopt daardoor op te branden. Wat ik bij ‘een ui’ over woordspel geschreven, is hier ook van kracht: leuk en intrigrerend, maar het best met mate.   In ‘een spoorweg’ daagt de ik-figuur de jij uit om uit de dagelijkse ratrace weg te sluipen en samen met hem/haar mooie momenten door te brengen. Opnieuw zie ik een aantal sterke beelden en verwoordingen: ‘koperdief’, ‘bliksem openbaar’, ‘vertraag je versperringen tot druppels’. Tussen de mooie beelden haakte ik echter een beetje af door algemene termen zoals ‘afstemming, beduidend’ en woorden die al zo veel zeggen (‘melancholie’) dat ze de lezer niet veel ruimte meer geven om zelf de sfeer van het gedicht in te vullen.   Wat ik van je gedicht zeker zal onthouden, is de beeldenrijkdom. Daarnaast blijkt uit de tekst ook een fijn gevoel voor woordspelingen. Op de plaatsen waar de tekst mij minder aanspreekt, staan bijna altijd algemene begrippen en vage woorden of juist termen die mij als lezer al te expliciet vertellen waar het over gaat. Die weglaten of vervangen door een sprekender alternatief zou de beelden nog beter tot hun recht laten komen.        

Anke Senden
2 0