soms waait de wind me weer
de tuin in en als vanouds
hak jij aanmaakhout
we trekken aan eenzelfde zeel met
slechts zestig jaar verschil en
sprokkelen dorre takken
we wikken en schikken brandstof
en ik aangevuurd maar schuchter
stapel als discipel
en gazettenpapier tot prop gewreven
steek ik aan met union match
en maar zuurstof wegen
dan bakken wij ons eten
in knettervinnen
barstend vel ruik ik
doorheen brandend hout
de opgeborgen geur van sprot
je wacht want weet wat ik je vraag
om zo straks solo te mogen
je aait en je knikt
vol genot stook ik
dronken door droge rook
tranen in mijn ogen