Doorheen de donkere dagen
geen stem die men herkent.
Lonken de zwarte vragen
die stellen wie je bent.
Geen rust die meer mag duren.
Al om is chaos groot.
Wat tel ik toch de uren.
De stilte is mijn nood.
De mist vervormd mijn visie
geen gedacht is nog geheel.
Niemand vraagt permissie.
Iedereen weet te veel.
Wat lonk ik naar de stilte.
De rust is daar zo groot.
Maar huist daar ook geen kilte?
Want ben je dan niet dood?