Verdrinken in de zee van leven
Het gezicht in de spiegel is me vreemd. Holle ogen staren me aan. Geen sprankeltje leven te bekennen. De haast zwartkleurige pupillen worden benadrukt door de vreselijke zwarte wallen er onder. De ivoorkleurige huid is bleek, vaal en door het voedseltekort haast doorzichtig. Wie is dat meisje in de spiegel? Gefascineerd steek ik mijn hand uit en leg het tegen mijn wang op de spiegel. Ik probeer me voor te stellen hoe het voelt. De warme gerustellende hitte van een troostende hand. Tranen rollen over mijn wangen. Niets houdt het tegen. Dikke druppels hartenpijn en verdriet trekken brandende lijnen naar beneden. Het kerft en hoe hard mijn hand op de spiegel op wrijft. Ze verdwijnen niet. Doorheen mijn tranen staar ik naar het grimmige beeld. Het enige dat de nijd van mijn bestaan lijkt te overleven ligt als een donker aureool om mijn hoofd. Dikke zwarte lokken. Zo glad dat het haast nooit gekamd hoeft te worden. Mama, deed dat graag. Mijn haar kammen. Ze kon als de beste vlechten. Uren hield ze zich ermee bezig en ik liet het toe. Met het ouder worden stopte het kammen en vlechten, maar ze hield van mijn haar en ik mocht het enkel laten knippen bij uiterste noodzaak. “Als een duister engeltje.” Zei ze vaak. Ze had altijd van mijn haar gehouden, maar op een dag was dat niet meer genoeg. Ik nam de borstel vast en ritmisch begon ik de slagen door mijn haar te tellen. 20, 21,.. Bij elke tel welde de woede en hysterie meer en meer in me op. 50! Gillend sloeg ik met de borstel tegen de spiegel. Als een gebroken droom viel het in scherven uiteen. Koud en scherp lagen de tientallen stukjes verspreid over de hele badkamer. Slechts 1 klein stukje hing er nog steeds. Betoverd door zijn koppigheid plukte ik het uit de kader. Het voelde warm aan, alsof het leefde, met één oog keek het me aan. Starend in de diepten van het glas voelde ik het brandend pulseren. Ik wilde het omvatten. Één worden en zien wat hij zag. Zachtjes gleden de randen door het warme vlees. Bloed liep over de weerspiegeling en vertroebelde mijn zicht. Het maakte me blind. Hevig slikkend staarde ik naar het glas rondom me heen. Gebroken dromen, gebroken vleugels. Verloren en onherstelbaar. Getormenteerd deins ik achteruit en voel de koude stenen tegen mijn rug. Ik besef dat het tijd is, mijn hart doet pijn. Alles doet pijn! Het moet stoppen! Het brand, het snijd! Het moet weg! Fronsend houd ik mijn handpalmen naar boven en staar naar de blauwe fijne lijntjes die er doorlopen. Kleine riviertjes leven. Mondjesmaat toegelaten doorheen de krochten van mijn lichaam. Kreunend en gillend neem ik de scherf vast en snijdt mijn pols van onder tot boven open. Het warme bloed welt op en deze keer neem ik de scherf in mijn andere hand en herhaal de beweging. Grinnikend liet ik het vallen. Glinsterend en vol met vegen bloed ligt het vergeten in het midden van de badkamer. Ik voel hoe het bloed mijn lichaam verlaat. De rivier droogt op en mond uit in de zee. Ik wilde mezelf erin onderdompelen. De dood vinden in mijn zee van leven. Ironisch genoeg. Langzaam laat ik me door mijn benen zakken op de grond en leg mijn armen op mijn benen. De dikke druppels leven spatten uiteen op de vloer, tikkend op het ritme van de klok. Het is stil. De tijd is het niet. Star en troebel leun ik tegen de witte tegels en kijk toe hoe de grote smalle secondewijzer verder tikt. Het nu verglijdend in het verleden, langzaam oplossend, tot stof vergaan, wegzinkend in het immer eindige verleden, dieper, dieper. Het is goed bedenk ik, het is goed. Dan stopt het getik en de tijd staat stil. De serene stilte slaat zijn vleugels om me heen. Het is goed. Shhhht. Het is goed.