HOOFDSTUK 1 – DE REIS
De hitte in het vrouwenvertrek van het ruim was bijna ondraaglijk. Wekenlang was het schip "De Boode" al onderweg van de Kaapkolonie naar het kleine eiland Mauritius.
Aan het einde van de reis hing er een dikke, muffe geur van vochtig hout, zout water, en ongewassen lichamen. Theuntje lag te slapen op haar smalle matras, volkomen uitgeput na weken van zeeziekte. Pieternella zat naast haar pleegmoeder in het schemerige licht van een kleine lantaarn die aan een balk boven hun hoofd bungelde. Om hen heen bewogen vrouwen en kinderen zich onrustig in hun slaap, terwijl het schip zwaar kraakte in het donkere water.
Er werd op de houten scheidingswand geklopt.
"Pieternella?" Het was Bartholomeus. Ze stond zachtjes op om Theuntje niet wakker te maken en schoof de deur open.
"Hoe gaat het met haar?" fluisterde hij. "Ze slaapt."
Bartholomeus knikte opgelucht. Zijn verweerde gezicht zag er vermoeid uit. “We naderen het eiland,” zei hij zachtjes. “Wil je mee naar het dek? We zouden voor zonsondergang moeten aankomen.” Pieternella aarzelde slechts een moment voordat ze hem volgde.
Terwijl ze naar het bovendek klommen, merkte ze meteen dat de beweging van het schip veranderd was. Het eindeloze, zware deinen van de open oceaan was verzacht tot kleinere, onregelmatige bewegingen. Toen ze op het dek aankwamen, werd ze bijna verblind door het sterke licht.
Verschillende kolonisten stonden al bij de reling. Onder hen stond Daniel Zaaijman naast gouverneur Lamotius en een paar VOC-officieren. Bartholomeus leidde Pieternella tussen hem en zijn vriend Daniel door, zodat ze vrij zicht had.
In eerste instantie zag ze weinig meer dan een donkere omtrek die oprees uit de zee onder wolken die goudkleurig werden verlicht door de ondergaande zon. Toen doemden geleidelijk de bergen op. De Pieter Both-piek stak scherp boven het dichte groene bos uit.
Toen het schip het rif naderde, veranderde de kleur van de zee. Diepblauw water werd doorschijnend turkoois boven koraalriffen vol beweging. Pieternella staarde vol verwondering naar flitsen van tropische vissen onder het oppervlak, terwijl zeevogels boven hen cirkelden.
De wind draaide. Plotseling bereikte de geur haar – vochtige aarde, bladeren, bloemen. Onverwacht schoten de tranen haar in de ogen. Na eindeloze weken van zout, teer en muffe lucht voelde de geur van land bijna overweldigend aan.
Daniel merkte haar uitdrukking op en glimlachte. "Je ruikt Mauritius voordat je het echt ziet," zei hij.
Zijn blauwe ogen fonkelden toen hij naar de beweging in het water bij het rif wees. "Kijk daar." Een groep dolfijnen volgde het schip, kwam boven water en verdween in het afnemende licht. Pieternella lachte.
Niet ver daarvandaan stond Isaac Lamotius zwijgend de kustlijn te observeren door de koperen telescoop die hij speciaal voor deze reis en voor zijn komende jaren op het eiland had gekocht. Naast hem stond zijn vrouw Andrea, die hun jonge dochter dicht tegen zich aan hield in de avondbries.
Toen Lamotius het fort eindelijk door de lens had gevonden, betrok zijn gezicht. Dit was niet de kolonie die hij zich had voorgesteld.
Fort Frederik Hendrik leek klein in vergelijking met de uitgestrektheid van het landschap — lage aarden wallen versterkt met houten palissaden, een paar bescheiden gebouwen met daken van palmbladeren, rook dat opsteeg van kookvuren. Achter het Fort verrees het donkere silhouet van de Leeuwenberg.
De aanblik vervulde hem met een lichte vrees. Deze kwetsbare buitenpost zou nu zijn verantwoordelijkheid zijn, en een thuis voor zijn gezin.
Daniel bekeek het eiland met het gemak van een man die naar huis terugkeerde.
“Daar,” zei hij, wijzend “Goede viswateren bij de riffen. En vruchtbaar land verder naar het noorden.” Zijn enthousiasme was aanstekelijk. Pieternella luisterde aandachtig terwijl hij sprak over rivieren, bossen, fruitbomen en vruchtbare vlaktes waar kolonisten zoete aardappelen en maniok verbouwden.
Het schip voer langzaam de baai binnen.
Naarmate de schemering inviel, namen de stemmen en de beweging aan boord van De Boode toe. Matrozen schreeuwden commando's terwijl ankers en touwen tegen de romp kraakten. Kleinere boten bewogen zich in de buurt van de haven, wachtend op het lossen de volgende ochtend.
Tegen de tijd dat het schip eindelijk voor anker ging, was de duisternis al over de baai gevallen. Niemand zou voor zonsopgang van boord gaan.
De passagiers verzamelden zich voor hun laatste warme maaltijd aan boord. Grote ijzeren potten met visstoofpot werden op het dek gebracht, samen met porties grove rijst. Hoewel het eten eenvoudig was en de gedroogde vis zwaar gezouten, klaagde niemand. Morgen zouden ze in het Fort verse groenten en vlees eten.
Na de maaltijd daalde Pieternella weer af naar het vrouwenruim. De geur benedendek leek nu nog sterker na de frisse lucht buiten. Theuntje sliep nog steeds diep, eindelijk rustig nu het schip niet langer zo zwaar op de oceaan deinde.
Pieternella ging naast haar liggen, maar de slaap wilde niet komen. Telkens als ze haar ogen sloot, zag ze opnieuw de koraalriffen onder het heldere water, de donkere bossen langs de kust en Daniel die naast haar op het dek stond met het zonlicht in zijn ogen.
Boven hen klonken nog steeds voetstappen, waar uitgeputte matrozen het schip klaarmaakten voor het lossen.
Elders aan boord lag gouverneur Lamotius wakker in hun krappe hut. Andrea reikte zachtjes naar zijn hand.
"Isaac," zei ze zachtjes, "maak je niet zo druk." Hij bleef stil.
"Ik wist al voor ons vertrek dat ik veel comfort zou moeten opgeven om je hierheen te volgen. Jouw benoeming tot gouverneur van de VOC is een belangrijke stap voorwaarts. We zullen dit eiland een aantal jaren verdragen en dan verder trekken."
Ze glimlachte.
"Ik zal ons verblijf in het Fort zo comfortabel mogelijk maken. Ga nu maar slapen, morgen wordt een drukke dag."
Voordat hij in slaap viel, noteerde kapitein Wobbema van de Boode in zijn grootboek: schip veilig aangekomen vandaag, 17 september 1677 in Fort Frederik Hendrik zonder noemenswaardige schade. We hebben tijdens de reis slechts vier slaven en twee matrozen verloren. Ik zal een volledig verslag geven wanneer De Boode hopelijk over een een aantal weken verder vaart naar Batavia.
Buiten, niet ver van het aangemeerde schip, wachtte de donkere omtrek van Mauritius in stilte.
