de nacht is ondragelijk jong
en ik sper mijn ogen open
aan de koudste kant van het bed
je lichaam ademt warmte maar
de muur van je rug splijt ons als een uraniumkern
in de twee enen die we blijken te zijn
of het halfje dat ik me voel
uur voor uur slentert voorbij
maar de duisternis blijft even bitter
ik hou het laken voor belegen
wat zou een mens er niet voor geven
om een druppel zee te zijn
of op zijn minst niet te bestaan
en de tand des tijds te weerstaan
die een gat boort in mijn hart
zo groot dat ik er zelf bijna uit val
ik wil me wenden tot en praten tegen
maar de andere kant van de lijn is zo stil
dat ik me afvraag of we nog verbonden zijn
de ijskast dan maar en
de illusie dat kraakchocolade
existentiële huidhonger kan stillen
ik smeek God om alsjeblief te bestaan
al was het maar om niet helemaal
alleen slaapwakker te zijn
te wachten op de zon en jouw terugkeer
jouw heerlijke terugkeer
en in eindelijk te zien
dat je nooit weg bent geweest
