Undar de Onbevreesde

Kristof
3 dec 2013 · 0 keer gelezen · 0 keer geliket

Voorzichtig ging het beest nog een stap verder op het ijs. Het was bang. Het had de voorbije jaren al heel wat van zijn soortgenoten zien sterven. Allen dachten ze de oversteek te kunnen wagen.

Het ijs zou dik en sterk genoeg zijn, het zou hem houden, het moest gewoon. Het beest keek voor zich uit, naar de overkant. Hoewel het een veel beter zicht had dan eender welke mens, kon het de overkant niet zien. Zover het oog reikte was er slechts een witte, besneeuwde vlakte, eindigend in een alles verhullende mistbank.

Het beest wist maar al te goed wat er onder deze schijnbaar vredige vlakte schuilde. Een enorme zee van water, donker en wild, met metershoge golven en witte schuimkoppen. Maar nu was het bevroren, getemd door de extreme winterkoude van de voorbije maanden. De voorbije jaren merkte hij al dat het waterpeil steeds maar zakte, en toen kwam het pakijs. Ijsschotsen die langzaam maar zeker over elkaar schoven en aan elkaar klitten. De moedigsten onder hun volk waagden de oversteek, maar de weg was dun en verraderlijk. Allen faalden, totdat niemand meer durfde.

Net als zijn soortgenoten kon hij niet zwemmen. Hij begon te hijgen, witte wolkjes makend in de ochtendlucht. Weifelend keek hij achterom, naar de veilige oever die maar enkele stappen achter hem lag. Duizenden van zijn volk staarden naar hem. Sommigen glimlachten gemeen, ervan overtuigd hem te zien sterven, een rivaal minder voor de troon. De meesten keken echter vol verwachting, met een mengeling van hoop en vrees. De spanning was voelbaar.

Hij draaide zich terug om en rechtte zijn rug. Hij had zijn besluit genomen. Het was nu of nooit.

Langzaam, stap voor stap, ging hij verder en verder, weg van de overkant. Eerst wandelend op twee poten, al gauw rennend op zijn vier machtige poten. Hij was snel.

Maar hoe snel het beest ook rende, de mistbank bleef onbereikbaar, oplossend in de ijle lucht om zich tientallen meters verder terug te formeren. Nog nooit was iemand zo ver op het water gekomen. Het beest brulde de angst uit zijn enorme lichaam.

Hoe lang hij gerend had, wist hij niet. De ochtend was haast onmerkbaar overgegaan in de avondschemering. Hij hijgde fel en zag kleurige vlekken voor zijn gele ogen opdoemen. Lange slierten kwijl dwarrelden uit zijn bek. En plots verschenen de kliffen aan de overkant. Hij herkende deze kliffen van de rotstekeningen in hun ijsholen. Grijnzend vertraagde hij en kwam langzaam terug op adem. De maan bood zijn ogen meer dan voldoende licht. Hij bestudeerde de steile rotsen, op zoek naar een ronde donkere vlek, net zoals op de rotstekeningen. Een tunnel door het gesteente. Eerst zag hij het niet, de paniek begon meester van hem te worden. Zonder tunnel zouden ze deze kliffen nooit kunnen betreden. En toen zag hij het, links van hem. Zijn hart maakte een sprongetje van ingehouden extase. Hij begon terug te kwijlen.

Behoedzaam verhief hij zich op zijn twee achterste poten en richtte zich in zijn volle gestalte op. Hij snoof: de wind bracht enkel maar koude mee. Er was niemand in de buurt.

De langzaam neerdwalende sneeuwvlokken bleven in zijn vuilbruine vacht zitten. Ze kwamen ook in zijn ogen. Hij had er geen last van.

Hij overbrugde het laatste stuk naar de overkant. Op zijn hoede naderde hij de tunnel.

Geraakt door deze tekst? Maak het hartje rood of deel de woorden met je vrienden.

Zo geef je mee een stem aan de woorden van deze schrijver.

Kristof
3 dec 2013 · 0 keer gelezen · 0 keer geliket