Wat is het dat mij beweegt. Hoe kijkt een moeder die haar kind bloembollen voert naar mijn behoefte om te doen wat ik doe. Hoe kijkt zij naar mijn drang tot minder, mijn verlangen naar blote voeten in de modder en mijn luxe ver weg. De moeder die eten uit haar mond spaart. Die de honger in bruine oogjes ziet bijten, die het snakken in het lijfje ziet graven. Naast de wond in de ogen glinstert een sprankel. Het lichtje tot het willen zijn van een kind, te willen spelen. Te willen leven.
Met al mijn kansen voel ik een analogie die mij doet schamen.
De modder onder mijn voeten droogt op, ik sta weer op stevige grond.
