Waarom gelukkig zijn als je normaal kunt zijn. Jeanette Winterson

Haddie
21 jan 2018 · 0 keer gelezen · 0 keer geliket

Ik heb gekozen voor het boek van Jeanette Winterson ‘Waarom gelukkig zijn als je ook normaal kan zijn’.

 

Ik kies voor het eerste hoodstuk dat begint met volgende zin:

 

Als mijn moeder boos op me was, wat vaak gebeurde, zei ze: ‘De duivel heeft ons naar het verkeerde wiegje geleid’ het beeld van satan die tijd vrijmaakt van de Koude oorlog en het McCarthyisme om in 1960 een bezoek aan Mancester te brengen met het doel mevrouw Winterson om de tuin te leiden, bezit een flamboyante theatraliteit.

 

Het extreme gedrag van de ouders brengt de schrijfster in een verwarrende en vreemde wereld waar ze zich niet alleen moet leren handhaven maar ook haar eigen bestemming moet leren ontdekken.

 

 

Hieronder de scene die ik schreef vanuit de doorschrijfteksten geïnspireerd door het fragment van het boek van JW.

 

 

Langzaam dunt de generatie uit. Mijn moeder was de derde van de tien broers en zussen. Na haar volgden snel twee oudere zussen. Ze werden allemaal negentig en meer. Ik woon opnieuw een rouwdienst bij, deze keer van mijn tante Haddie.

‘We zijn hier samen om afscheid te nemen van Haddie’. Ze is de enige naamgenoot die ik ken. Het is vreemd om mijn naam zo veelvuldig, en  dan nog in deze context, te horen noemen.

 

 Ik zit in de kerk naast mijn nicht Vina. Ze was altijd een haantje de voorste en niet op haar mondje gevallen. Het lijkt me een eeuwigheid geleden dat ik haar nog sprak. ‘Hij kon zijn handen niet thuishouden’, zegt ze. Ze heeft het over mijn grootvader. Ik ben verbaasd dat ze, in de korte tijd dat we daar samen zitten, erin slaagt het gesprek op dit onderwerp te brengen. Ik verdenk haar ervan dat ze het er graag over heeft. Hoe groot het taboe was in de generatie van onze ouders, des te groter blijkt het genoegen bij de generatie erna om er omstandig over uit te wijden.

‘En als dat zo was bij zijn kleindochters, zal dat ook wel zo geweest zijn bij zijn dochters’, voegt ze er nog aan toe.

 

Mijn grootouders waren voor ons verre figuren met een heiligenstatus. De weinige keren dat ze op bezoek waren kwamen er koffiekoeken in huis. Een delicatesse voor ons, zelfs de oudbakken koeken twee dagen later. Mijn moeder liep zenuwachtig rond en sloofde zich uit om het hen naar de zin te maken.

Ze had iets goed te maken. Een vrouw was maar zo goed als ze van haar huwelijk een succes wist te maken en om precies te zijn, een materieel succes met de nodige aanzien.

 

‘Hij kan nog promotie maken in die verzekeringsmaatschappij’, oordeelde mijn grootvader over mijn vader. Zijn vijf dochters moesten  een goede partij huwen en dat vereiste wel wat koppelvaardigheden.

In vergelijking met de huwelijkskandidaten voor haar zussen was de kandidaat voor mijn moeder minder hoog gegrepen.  Maar mijn grootouders waren al blij dat ze onder de pannen was en het vooruitzicht op de promotie gaf toch een zeker perspectief.

Een perspectief dat mijn vader nooit waarmaakte.

 

Op de sepiafoto zie ik een tuin met op de voorgrond rozelaars. Het gebouw links op de foto doet me denken aan de Zweedse houten huizen. Op de achtergrond over bijna de hele breedte van de foto staat een volière. Als ik inzoom ontwaar ik takken waar ik vogels op vermoed. Centraal op de foto staat een smeedijzeren carrousel hoog uitlopend op een spits torentje. Op het ronde vlak hangen acht klokjes. In het midden van de carrousel, voor een hoge  takkenconstructie, staat mijn vader -  ik schat hem zo’n twaalf jaar – samen met een meisje dat iets jonger is. Vermits mijn vader geen broers  of zussen had, veronderstel ik dat het een buurmeisje is.

Als ik op mijn beurt twaalf jaar ben, is deze paradijselijke plek vervallen. Er is geen spoor meer van de rozelaars. Het gebouw links op de foto, staat er vervallen bij. De volière is afgebroken. Het torentje staat er triest bij. Er hangen maar twee klokjes meer onderaan de grote klok en ook die dreigen er af te vallen.

De tuin -  twee boomgaarden, een groenten en bloementuin, een kriekengaard en een voortuin, alles tezamen zo’n 70 are groot - is langzaam verwilderd.

Mijn vader werkt niet in de tuin. Hij ligt boven op zijn bed. Ik breng hem een bord met een peer die mijn moeder geschild heeft. Hij staart wat uit het raam. Ik kom even bij hem liggen terwijl hij de peer opeet. Daarna kan ik het bord terug naar beneden brengen. 

Hij is ziek maar we weten niet wat hij heeft. We hebben geleerd niks te vragen. Wat we moeten weten - zo weinig mogelijk - zal ons verteld worden. Vragen worden vaak op ongeduld en irritatie onthaald. We voelen snel feilloos aan wanneer een vraag niet gepast is. En een vraag blijkt bijna nooit gepast in mijn moeders wereld.

 

Geraakt door deze tekst? Maak het hartje rood of deel de woorden met je vrienden.

Zo geef je mee een stem aan de woorden van deze schrijver.

Haddie
21 jan 2018 · 0 keer gelezen · 0 keer geliket