Proloog
‘Je bent de eerste’ zegt Ewoud als ik wat aarzelend ‘De erfzonde’ binnenstap. Instinctmatig buig ik lichtjes het hoofd als ik de drempel over ga. Bovenaan, op de steilste helling van de Brugstraat lijken de huizen zo klein.
Ik ga alvast aan één van de tafeltjes zitten met uitzicht op de straat, zo kan ik iedereen zien aankomen.
‘Kan ik je al iets te drinken brengen?’
‘Het komt nog van de gezamenlijke rekening’, knipoogt Ewoud.
Wat zou ik kunnen drinken om die harde knoop in mijn maag te verzachten. Het liefst sloeg ik nu een paar borrels achterover maar ik wil mijn neef niet verontrusten met die bestelling om tien uur ’s morgens. En een dubbele tong is wel het laatste wat ik nu nodig heb.
“Een glaasje water graag’, bestel ik. Dat zal helpen tegen de droge mond.
Waarom moest ik het mezelf zo moeilijk maken. Ik had in alle gemoedsrust naar hier kunnen rijden, en er van kunnen genieten om iedereen nog eens terug te zien.
Eén glaasje water zal niet volstaan, voel ik, maar meer is ook niet aan te raden. Daar moet je van plassen.
Ik verwonder me over de toenemende spanning in mijn maag. Ik voel me licht misselijk worden.
Ik dacht dat ik dit ondertussen allang onder de knie had.
Langzaam druppelen ze binnen. Ik blijf uiteindelijk recht staan want telkens komt er weer een familielid binnen die ik moet begroeten. ’Lang geleden dat we elkaar zagen, hoe gaat het ondertussen met je?’ herhaal ik verschillende keren. Het leidt wat af, al blijft het gevoel in mijn maag zeuren.
Daar zijn ook mijn kinderen. Ze lijken groot in deze kleine ruimte. De volgende generatie in volle wasdom, midden in het leven, mooi en sterk.
Ik heb hen de fakkel niet doorgegeven. Soms kan ik niet geloven dat het me gelukt is.
‘ Zal het lukken, mam’, vraagt Marieke bezorgd. Ik glimlach geruststellend naar haar.
Het koffiehuisje raakt stilaan vol. Iedereen is er ongeveer. We moeten vertrekken, willen we op tijd zijn voor de dienst.
Ik zit vooraan tussen mijn broers en zussen, in de rug gesteund door mijn kinderen.
‘Je kan mailen met de voorganger’ had Ingrid, mijn schoonzus me laten weten. Voorganger, zo heet blijkbaar de man die de dienst leidt. Ik wilde zeker zijn dat er een lezenaar stond en dat er een goeie micro voorhanden was. Mijn stem heeft niet de draagkracht om een hele kerk te bedienen.
De voorganger leest een tekst uit De Korintiërs. Het gaat over sterke vrouwen. Hij had de tekst niet slechter kunnen kiezen. De opeenvolgende rituele handelingen zijn vertrouwd en tegelijk vreemd. Wierook en wijwater. Het duurt allemaal te lang.
Dan hoor ik mijn naam. Ik sta recht en loop naar voor. Alle ogen zijn op mij gericht. De lezenaar biedt een welkome steun. Ik kijk de kerk rond. Ik sta in haar schoenen. Zo moet zij zich gevoeld hebben, vijftig jaar geleden.
Voor mij op de lezenaar ligt de tekst die ik gisteravond moeizaam bij elkaar schreef.
Ik adem diep in en met de kracht die me nog rest, richt ik mij tot de aanwezigen in de kerk.
Beste familie en vrienden,
Onlangs was ik op bezoek bij mijn moeder. Het was in de vooravond. Zij lag al in bed. Ik schoof een stoel bij.
Ze praatte over de oorlog. De tocht met de tram door Aalst naar hun huis dat ze in puin aantrof. De herinnering aan de onzekerheid of haar moeder en een paar broers het overleefd hadden, verbleekte bij die van haar pop die in het bombardement bleef. ‘Vader vond dat ik te oud geworden was voor een nieuwe pop’, zei ze, na zoveel jaren nog steeds verongelijkt. Ze was vijftien.
De glazen kast vol poppen in haar woonkamer kon dat verlies nooit goedmaken.
Ze haalde anekdotes op, sommige had ik al meerdere keren gehoord, andere leken nieuw of was ik ze misschien vergeten?
Ze lachte bij de herinnering hoe nonkel Iwein hun tante Ella altijd nadeed als die op bezoek kwam. Haar broer, nonkel Iwein was de animator en imitator van de familie.
Ze vertelde over de trouwfeesten van haar broers en zussen. Ik begreep dat die nogal eens thuis gevierd werden en dat mijn moeder dan gewoonlijk in de keuken te vinden was, ver weg van het feestgedruis.
We haalden herinneringen op over tante Madeleine en het huis in de Vredestraat. Wij, een gezin met zeven puberende kinderen, trokken in bij de alleenstaande zus van mijn grootvader. Een hele uitdaging voor beide partijen.
Iedereen noemde mijn moeder, naast moeken zoals wij haar noemden, Bea of Beken. We lachten bij de herinnering hoe, dit keer mijn broer Maarten, tante Madeleine vaak nadeed en van Beatrijs, zoals ze mijn moeder altijd aansprak, Treabijs maakte.
Doorheen al die verhalen ging de vooravond ongemerkt over in de avond. ‘Het wordt laat’, zei ik, ‘Ik stap maar eens op’. Maar zij was nog niet moe en vreemd uitzonderlijk in een praatgrage bui. Het ene verhaal riep het andere op, en niet altijd in logische volgorde. Mijn moeder benadrukte dat haar rol in al die verhalen er bij voorkeur altijd één geweest was achter de coulissen.
En toen vertelde ze over de enige keren in haar leven dat ze, weliswaar niet van harte, toch vanachter de coulissen gekomen was en in de schijnwerpers gestaan had.
Al kwam het licht dan vooral van de kerkkaarsen.
Mijn broers en zussen zullen het zich nog herinneren dat onze ouders, in het laatste jaar dat we in Melsele woonden, lid waren van een bezinningsgroep. Deze ‘gezinsgroep’ zoals ze dat noemden, stond onder leiding van de onderpastoor. Zijn naam ben ik vergeten.
In vergelijking met haar dorpsgenoten had mijn moeder een mooie taal en een goeie uitspraak. Er werd in haar ouderlijk huis, zoals ook bij ons thuis, AN gesproken - toen heette dat nog ABN - wat in die tijd eerder uitzonderlijk was. Omwille van die mooie uitspraak stelde de onderpastoor mijn moeder voor om elke week voor te lezen in de mis. Mijn moeder was als de dood om dat te doen maar het kwam niet in haar op - en het was in die tijd ook niet gebruikelijk - om nee te zeggen tegen een pastoor of een onderpastoor.
Daar is gelukkig verandering in gekomen.
Ik pauzeer even, er wordt hier en daar wat gegniffeld. De voorganger staat schuin rechts voor me. Ik zie hoe zijn wenkbrauwen even de hoogte inschieten.
Ik ontspan mijn schouders, verplaats even mijn voeten en vervolg:
Elke week stierf mijn moeder duizend doden als ze vooraan in de kerk haar tekst voorlas. De spanning kondigde zich al aan halverwege de week en nam gestaag toe richting zondag. Het wende nooit en ze repte er ook nooit met één woord over. Ik zag als kind mijn moeder daar staan, totaal onwetend van de beproeving die ze doorstond vooraan in de kerk, met alle ogen op zich gericht.
Aan deze voorleeszondagen kwam er abrupt een einde met de grote tragedie die ons gezin trof. We verhuisden naar Geraardsbergen en daar was geen pastoor of onderpastoor die mijn moeder ertoe verleidde om die plek vooraan in de kerk terug in te nemen en jammer, er deden zich ook geen gelegenheden meer voor die haar er toe bewogen om zich nog eens op het voorplan te begeven.
Bescheiden. Het staat terecht op haar rouwbrief want deze kwaliteit heeft mijn moeder haar hele leven tot in de finesse gecultiveerd en zelfs tot kunst verheven.
Vandaag zijn we hier om afscheid te nemen van mijn moeder, om haar, even nog eens, in de schijnwerpers te zetten.
Daarom sta ik hier vooraan in de kerk op de plek waar zij zoveel jaar geleden zichzelf overtrof om zondag na zondag haar veilige plek achter de coulissen te verlaten om zich in het licht te wagen.
Ik wens haar toe dat ze zich nu in het licht mag vermeien, eindelijk bevrijd van alle schroom en angst.
Ik kijk de kerk rond. Ik voel opnieuw hoe alle ogen op mij gericht zijn. Het heeft nu iets geruststellend. Ik sta terug in mijn eigen schoenen. Deze plaats hoort mij toe. Langzaam loop ik terug naar mijn stoel. Ik zie de opluchting in de ogen van de familieleden op de eerste rijen.
Ze kennen de strijd.
Ze vreesden een onverbloemd portret.
Het is niet wat ze denken: ‘Over de doden niets dan goeds’.
Het was de juiste symbolische handeling: ik raapte de draad op, vergeten op de oude kerkvloer. De draad die ook richting gegeven heeft aan mijn eigen leven.
Mijn moeder beleeft in haar laatste levensjaren de gelukkigste van haar leven. Niets moet meer. Ze is niet meer goed te been en ze heeft de ziekte van Ménière, die het risico op vallen verhoogt. Het biedt haar een uitstekend excuus om zich niet meer buiten de deur te begeven. Haar wereld is gekrompen tot dertig vierkante meter. Ik vraag haar of ze het niet mist, de wereld daarbuiten en of ze geen zin heeft om zich eens te laten rondrijden.
‘Oh nee, daar heb ik geen behoefte aan’, haast ze zich te zeggen, ‘Ik heb genoeg aan mijn boeken en aan mijn kruiswoordraadsels. Ik verveel mij nooit.’ Mijn moeder leest bij voorkeur thrillers en detectiveverhalen, al gaat het lezen steeds moeizamer.
‘De dokter heeft gezegd dat het heel goed is dat ik mijn geest blijf trainen en dat ik zo goed blijf bewegen’, zegt ze trots, terwijl ze enkel wat over en weer schuifelt op haar dertig vierkante meter.
Ze wil graag de dokter ter wille zijn. Gezagsgetrouw blijft ze tot haar laatste snik. ‘Als ik iets nodig heb, haal ik het zelf uit de kast’, zegt ze. ‘Mij niet gezien dat ik me laat dienen!’
Mijn moeder houdt er stiekem van om zich te laten dienen. Elke dag staat er een team klaar om haar te helpen. Haar eten wordt gebracht, haar kinderen doen de boodschappen en onderhouden de tuin, waar ze trouwens zelden in komt. De dames van Familiehulp helpen haar met het dagelijkse toilet en met de schoonmaak.
Ik gun haar deze luxe. Ze staat in schril contrast met de levensomstandigheden in haar jonge jaren waar ze moest zorgen voor een groot gezin in een huis zonder de gemakken die nu vanzelfsprekend zijn. Een huis zonder badkamer, zonder wasmachine en met enkel een buiten-wc.
Ik zie nog het beeld van mijn moeder op haar knieën, gebogen voor de kachel in de woonkamer, de enige verwarming in het huis. Elke ochtend maakte ze eerst de kachel leeg en schoon om hem daarna met papier en hout terug aan te steken en vervolgens de hele dag met kolen brandend te houden. Later kwam de continu-kachel die ’s nachts heel licht bleef smeulen. ’s Morgens moest dan enkel de asla geledigd, de kachel opgerakeld en opnieuw met kolen gevuld worden. De koperen kolenkit, die regelmatig in de kelder bijgevuld werd, stond altijd klaar naast de kachel.
Mijn moeder geniet op haar oude dag van een voor haar luxueuze situatie, met als belangrijkste element dat ze gevrijwaard is van alle sociale verplichtingen.
En voor mijn moeder zijn alle sociale contacten, verplichtingen.
Dat was altijd al zo.
Als ik tien jaar ben en mijn moeder bevraag over haar vriendinnen vroeger, zegt ze heel beslist:
‘Ik had geen vriendinnen’. ‘Met wie speelde je dan?’ vraag ik verwonderd. ‘Ik speelde met mijn pop’, zegt mijn moeder. ‘En met je broers en zussen dan?’, probeer ik nog.
‘Nee’, zegt mijn moeder, ‘Die speelden te wild. Ik breide poppenkleertjes en soms ook een trui’. Ze vertelt opnieuw het verhaal van de mooie trui die ze gebreid had en die ze vervolgens aan haar zus gaf omdat die de trui zo mooi vond.
‘Maar jij had daar al dat werk aan gedaan!’, zeg ik.
‘En dan’, zegt mijn moeder.
Mijn moeder praat bij voorkeur niet over zichzelf. Ze heeft het liever over haar familie. Niet over haar kinderen en kleinkinderen maar over de mensen uit haar ouderlijk huis. Ze is trots dat ze deel uitmaakt van deze familie. Ook al voelt ze zich de minste, iets van de mythische glans, die ze haar familieleden toebedeelt, straalt ook op haar af, denkt ze.
Als mijn moeder anekdotes vertelt over haar vader en moeder en over haar broers en zussen, zit er dezelfde ondertoon in haar stem als in de stem van zuster Remigia, als ze de verhalen vertelt over de Heilige Familie: Maria, Jozef, en Jezus.
Als ik tien jaar ben kan ik mij niet voorstellen dat mijn neven en nichten gewoon naar school gaan en de dagelijkse dingen doen die wij doen.
Alsof ze in een ander, verheven universum leven.
Het fotoalbum
Mijn broer Olav verzamelt foto’s en documenten over de familie. Ik ben op bezoek om zijn jongste kleindochtertje Mona te bewonderen.
‘Neem het fotoalbum gerust mee’, zegt hij, wijzend op het dikke, in rood leer gebonden boek dat op de tafel ligt. ‘We komen het in de zomer wel ophalen’, zegt Ingrid, ‘ Dan geraken we eens in Leuven.’
Het rood lederen fotoalbum is in twee delen opgesplitst. Het eerste deel is gewijd aan de familie van mijn vader, het tweede deel aan die van mijn moeder.
Daar start ik mee.
Ik bekijk zorgvuldig de foto’s van mijn jonge moeder, op zoek naar oude sporen van het extreme gedrag dat haar later zo kenmerkt.
De zwartwit foto, tweeëntwintig op zestien cm, is genomen in de tuin van haar ouderlijk huis in de Albert Liénartstraat in Aalst. Het huis dat niet lang daarna zal gebombardeerd worden. De tuin is een typische ommuurde stadstuin met gesnoeide boompjes die langs de muren opgroeien. Vooraan, op een tapijt in het gras, zitten vier jongere broers en zussen van mijn moeder.
Centraal op de foto staat een tuinbank. Aan de rechterkant zit mijn grootmoeder met haar jongste kind op schoot. Ik zie een mooie, fijngebouwde jonge vrouw. Het is haar niet aan te zien dat ze al tien kinderen gebaard heeft. Ze staan allemaal op deze foto. Naast haar zit haar oudste dochter, glimlachend naar haar jongste zusje op haar moeders schoot. Op de uiterste linkerkant van de tuinbank zit mijn moeder. Ik schat haar twaalf jaar. Ze laat een grote ruimte op de bank tussen haar en haar oudste zus, alsof ze zich wat distantieert. Dit effect wordt nog versterkt door de licht gebogen schouders. Ze heeft een donker kleedje aan met geruite kraag en manchetten. Haar handen rusten in haar schoot. Het hoofd met het donkere kroeshaar, uit haar gezicht gehouden met twee speldjes, is licht gebogen. Vanuit deze schuwe positie kijkt ze voorzichtig glimlachend in de lens.
Achter de tuinbank staat mijn grootvader met zijn gezicht in de richting van de twee rechtstaande oudste zonen. Hij kijkt glimlachend naar zijn jongste zoontje dat op de leuning van de tuinbank staat, gesteund door de oudste broer. Daardoor staat mijn grootvader in profiel. Op deze en ook op andere foto’s lijkt hij sprekend op Freud.
In het fotoalbum vind ik een paar vergeelde krantenknipsels uit 1982, naar aanleiding van het overlijden van mijn grootvader op 93 jarige leeftijd.
‘Patriarch van Vlaanderen overleden’.
De journalisten bespreken uitvoerig zijn levensloop als advocaat, zijn verdiensten als politiek activist – hij zette zich in voor de Vlaamse zaak – en zijn journalistieke carrière als lid van de politieke redactie van De Standaard.
Mijn grootvader had alle kwaliteiten van een patriarch, zowel thuis als in zijn publieke leven.
Dertig jaar later
Langzaam dunt de generatie uit. Mijn moeder was de vierde van de tien broers en zussen die overleed. Na haar volgden snel twee oudere zussen. Ze werden allemaal negentig en meer. Ik woon opnieuw een rouwdienst bij, deze keer van mijn tante Haddie.
‘We zijn hier samen om afscheid te nemen van Haddie’. Ze is de enige naamgenoot die ik ken. Het is vreemd om mijn naam zo veelvuldig, en dan nog in deze context, te horen noemen.
Ik zit in de kerk naast mijn nicht Vina. Ze was altijd een haantje de voorste en niet op haar mondje gevallen. Het lijkt me een eeuwigheid geleden dat ik haar nog sprak.
‘Hij kon zijn handen niet thuishouden’ zegt ze. Ze heeft het over onze grootvader. Ik ben verbaasd dat ze, in de korte tijd dat we daar samen zitten, erin slaagt het gesprek op dit onderwerp te brengen. Hoe groot het taboe was in de generatie van onze ouders, des te groter blijkt het genoegen bij de generatie erna om er omstandig over uit te wijden.
‘En als dat zo was bij zijn kleindochters, zal dat ook wel zo geweest zijn bij zijn dochters’, voegt ze er nog aan toe.
Vina heeft haar hele jeugd in de Kasteelstraat gewoond, de straat waar ook onze grootouders woonden.
Voor ons gezin waren de ouders van mijn moeder verre figuren met een heiligenstatus. De weinige keren dat ze op bezoek waren heerste er spanning in huis. We hielden ons gedeisd. Mijn moeder liep zenuwachtig rond en sloofde zich uit om het hen naar de zin te maken.
Ze had iets goed te maken. Een vrouw was maar zo goed als ze van haar huwelijk een succes wist te maken en om precies te zijn, een materieel succes met de nodige aanzien.
‘Hij kan nog promotie maken in die verzekeringsmaatschappij’, had mijn grootvader geoordeeld over mijn vader. Mijn grootvader was niet alleen ambitieus voor zichzelf maar ook voor zijn kinderen. Zijn vijf dochters moesten een goede partij huwen en dat vereiste wel wat koppelvaardigheden.
In vergelijking met de huwelijkskandidaten voor haar zussen was de kandidaat voor mijn moeder minder hoog gegrepen. In vergelijking met zijn schoonbroers stond mijn vader op de laagste sport van de maatschappelijke ladder. Maar mijn grootouders waren al blij dat mijn moeder onder de pannen was en het vooruitzicht op de promotie gaf toch een zeker perspectief.
Een perspectief dat mijn vader nooit waarmaakte.
Het oude huis in Melsele
Op de sepiafoto zie ik een tuin met op de voorgrond rozelaars. Het gebouw links op de foto doet me denken aan de Zweedse houten huizen. Op de achtergrond over bijna de hele breedte van de foto staat een volière. Als ik inzoom ontwaar ik takken waar ik vogels op vermoed. Centraal op de foto staat een smeedijzeren carrousel hoog uitlopend op een spits torentje. Op het ronde vlak hangen acht klokjes. In het midden van de carrousel, voor een hoge takkenconstructie, staat mijn vader - ik schat hem zo’n twaalf jaar – samen met een meisje dat iets jonger is. Ik veronderstel een buurmeisje, mijn vader had geen broers of zussen.
Als ik op mijn beurt twaalf jaar ben, is deze paradijselijke plek vervallen. Er is geen spoor meer van de rozelaars. Het gebouw links op de foto, staat er vervallen bij. De volière is afgebroken. Het torentje staat er triest bij. Er hangen maar twee klokjes meer onderaan de grote klok en ook die dreigen er af te vallen.
De tuin - twee boomgaarden, een groenten en bloementuin, een kriekengaard en een voortuin, alles tezamen zo’n 70 are groot - is langzaam verwilderd.
Mijn vader werkt niet in de tuin. Hij ligt boven op bed. Ik breng hem een bord met een peer die mijn moeder geschild heeft. Hij staart wat uit het raam. Ik kom even bij hem liggen terwijl hij de peer opeet. Daarna kan ik het bord terug naar beneden brengen.
Hij is ziek maar we weten niet wat hij heeft. We hebben geleerd niks te vragen. Wat we moeten weten - zo weinig mogelijk - zal ons verteld worden. Vragen worden vaak op ongeduld en irritatie onthaald. We voelen snel feilloos aan wanneer een vraag niet gepast is.
En een vraag blijkt bijna nooit gepast in mijn moeders wereld.
Mijn kleindochtertje is anderhalf. Ze zit in de kinderstoel en houdt haar handjes voor haar ogen. Ze ziet niemand meer en ze denkt dat niemand haar ziet. ‘Waar is Finneke nu toch’ vraagt mijn dochter Marieke gespeeld bezorgd. Dan haalt ze haar handjes weg en kraait van plezier. Daar is ze terug!
Ze had haar oogjes toe en was er van overtuigd dat niemand haar zag.
Finneke is twee en ze begint te beseffen dat alleen haar oogjes sluiten niet voldoende is om niet gezien te worden.
Mijn moeder was een expert in haar ogen sluiten. Ze behield haar hele leven het kinderlijk magisch geloof dat, als ze er niks van wist, het ook niet bestond.
En, wat niet weet, niet deert.
Mijn moeder gaat er prat op dat ze niet nieuwsgierig is. De meest elementaire vraag: ’Hoe gaat het?’ heb ik haar nooit weten stellen.
Als ik op bezoek kom en ik op mijn beurt wèl vraag hoe het met haar gaat, is haar antwoord er gewoonlijk een in de pluralis majestatis en een variant op: ‘We mogen niet klagen. We laten het hoofd niet hangen. We houden er de moed in.’
Mijn moeder is in de voorbije dertig jaar welgeteld twee keer bij mij thuis geweest. Ze bracht haar kruiswoordpuzzels mee en zat wat ongemakkelijk in de zetel te wachten tot ze terug naar huis kon. Ik nam haar mee naar de winkelstraat waar ze in hoog tempo door beende. Af en toe bleef ik staan voor een winkel waar ik inschatte dat de uitgestalde waar haar zou kunnen interesseren. ‘Ik heb niks nodig’, zei ze, zonder een blik te werpen op de etalage en stapte verder. Ik gaf het op om haar uit te nodigen. Het was voor ons beiden een beproeving.
Ze belde me ook enkel als ze een praktische mededeling had.
Praktische mededelingen, die ons beiden aangingen, waren schaars.
Op een dag krijg ik telefoon van mijn moeder.
Het is een paar maanden geleden dat we elkaar nog hoorden. Het gaat slecht met mij en dan is mijn moeder het slechts denkbare gezelschap.
Als ik de stem van mijn moeder hoor, heb ik spijt dat ik de telefoon opgenomen heb. Ze valt meteen met de deur in huis. ‘Ik heb een nieuw telefoonnummer’ zegt ze ‘schrijf je het even op. Ik werd de afgelopen maanden regelmatig opgebeld en dan hoorde ik niks aan de andere kant van de lijn. Ik was er toch niet gerust in’ vervolgt ze, ‘Katrien heeft er voor gezorgd dat ik een nieuw nummer heb.’
Het blijft even stil. Ik heb een krop in mijn keel, ik kan niet vermijden dat er een snik in mijn stem zit. Ik kom niet uit mijn woorden.
Ze haakt onmiddellijk in.
Ik merk in de week daarna dat ze 50€ op mijn rekening gestort heeft. Daarmee is voor haar de kwestie afgesloten. Er wordt nooit meer op terug gekomen.
Wat niet weet, niet deert.
‘Hoe ging ze om met de problemen van mijn vader?’, vraag ik me af.
Vele jaren later peil ik er voorzichtig naar maar ze ontkent in alle toonaarden dat er wat aan de hand zou geweest zijn met mijn vader. Ze maakt van mijn vader een heilige en plaatst hem onbereikbaar hoog op een voetstuk. Het woord depressie voelt in haar bijzijn belachelijk misplaatst en ongewenst.
Mijn broer komt erachter dat mijn vader jarenlang patiënt was bij een psychiater. Hij zoekt hem op. Hij blijkt ondertussen overleden. De dossiers zijn vernietigd.
‘We leven in een maatschappij met meer taboes dan een tijd geleden, de jaren van de vrijheid zijn voorbij’, zegt Rik Torfs in een interview in Humo.*
Hij heeft mijn moeder niet gekend.
Wij, Beatrijs, de koningin der taboes.
* Humo nr.4035/01 van 2/1/2018
Op die vooravond, aan de rand van haar bed, deed de pijnstillende morfine zijn werk. Ze maakte mijn moeder uitzonderlijk praatgraag. Ze antwoordde me verrassend gewillig op vragen die vroeger onbeantwoord bleven.
Het is onbegonnen werk om op te sommen waar met mijn moeder niet over gepraat kon worden. Uiteindelijk bleef over: het weer, haar familie, de gezondheidsklachten - enkel de hare en zolang ze niet te intiem waren - het ophemelen van haar huishoudhulp en afkeurende commentaar op het gedrag van anderen en in het bijzonder op het gedrag van mijn oudste zus.
Mijn oudste zus
Behalve mijn broers Olav en Maarten hebben we allemaal plechtige namen. Mijn oudste zus heet Katharina. Ze wordt Kaatje genoemd, een naam die ze op haar zestien belachelijk vindt. Ze wil voortaan aangesproken worden met Katy, naar de hit van het moment van Marc Aryan. Na een tijdje vindt ze ook Katy te kinderachtig. Ze kiest uiteindelijk voor Katrien. Het duurt een tijd voor iedereen er aan gewend is. Maar als we haar met haar oude naam aanspreken, antwoordt ze niet.
Mijn oudste zus krijgt voor haar zestiende verjaardag een dichtbundel met de titel ‘Mijn moeder was een heilige vrouw’, naar een gedicht van René de Clercq.
Mijn moeder was een heilige vrouw -
o daar ligt blijdschap in dien rouw -
mijn moeder was heilig, en rein, en zoet
als de melk van haar borst... O mijn moeder was
goed!
En schoon, schoon oud! Niet één groef in haar
wang,
haar oogen al ziel en haar woorden al zang!
…
Ze is verontwaardigd over zo’n ouderwets en stom cadeau. Ze droomt van heel andere dingen maar ze moet naar de bijeenkomsten van het katholieke Marialegioen.
Ze valt er theatraal flauw. Tegen ons, haar jongere broers en zussen, wijdt ze omstandig uit over de pijn van het langdurig bidden op de knieën en over de misselijkmakende geur van wierook. Ze hoopt dat dit haar vrijstelling geeft voor toekomstige bijeenkomsten van het Marialegioen.
Mijn zus heeft weinig op met de devotie van mijn moeder en diens pogingen om haar te behoeden voor de verlokkingen van het leven.
Mijn zus wil leven en lachen, en voordragen.
‘Langzaam gaat de trage man door de straten waar de matte stralen van de maan vallen.’
Ze leert ons, haar jongere broers en zussen, hoe het moet. De korte a moeten we uitspreken als o.
‘Longzaam gaat de trage mon longs de straten …’.
Wij oefenen graag mee. Mijn moeder vindt het maar niks dat voordragen en ook niet het babbelgrage van mijn zus, die iedereen in het dorp kent en hen aanspreekt in de Waaslandse tongval. Misprijzend noemt mijn moeder haar ‘de gazet van het dorp’.
Het verschil tussen moeder en dochter kan niet groter zijn. Mijn zus belichaamt alles wat mijn moeder niet kan, durft en wil zijn. Ze gaat daarmee in tegen mijn moeders devies: ‘Hou je onopvallend op de achtergrond’. De plaats op de voorgrond is enkel voorbehouden aan de mensen van haar familie. Onze plek is, samen met haar, op de achtergrond, in de milde schaduw van haar ouders en andere, in haar ogen gezaghebbende familieleden.
Het gebeurt niet vaak dat er volk over de vloer komt in ons huis in Melsele.
Pascal is bij iedereen een graag geziene gast. Hij brengt kleur in ons vlakke bestaan. Hij is fotograaf. Hij legt ons leven vast in zwart en wit. Hij komt voor mijn oudste zus. Mijn moeder is er blij mee, ze ziet in hem de gedroomde partij voor haar oudste dochter.
Ze hoopt dat hij de geest wel terug in de fles krijgt.
Pascal heeft flaporen. Het was ons niet opgevallen, maar mijn zus wel. Ze gruwt ervan. Ze behandelt hem heel koel.
Ze heeft een vrijer in het dorp.
‘Naar het volgende kerstfeest zal ik niet alleen komen’, vertrouwt mijn oudste zus me, veel jaren later, wat geheimzinnig toe. Ze doet haar uiterste best om de woorden van mijn moeder niet waar te maken.
‘Die geraakt nooit van de straat’, zegt mijn moeder terugkerend als mijn zus opnieuw komt aanzetten met een man die niet kan rekenen op haar goedkeuring.
Het kerstfeest gaat door in de Gasthuisstraat waar mijn moeder naar verhuisd is na de dood van tante Madeleine.
‘Dit is Jean-Pierre’ stelt mijn zus trots haar vriend aan me voor. Ik zie het al bij de eerste oogopslag maar ik wil de triomfantelijke overmoed van mijn zus niet kelderen dat ze kan ontsnappen aan de herhalingsdwang en aan de bepaaldheid van mijn moeders woorden.
Een paar maanden later ben ik op bezoek bij mijn moeder.
‘Katrien is terug alleen?’, vraag ik aan mijn moeder.
‘Ja, eindelijk. Ik begrijp niet, dat ze daar zo lang bij gebleven is’, zegt mijn moeder op die welbekende afkeurende toon, ‘Als een man je zo behandelt’.
‘Ik begrijp dat wel’, zeg ik.
Mijn moeder schuift onrustig op haar stoel. Ik houd mij niet aan de regels van het spel en ondertussen weet ze dat ze me dit niet meer kan verbieden. Ik ben een spelbreker.
Dit gesprek had als volgt moeten verlopen;
Mijn moeder: ‘Dat begrijp ik niet, enz.’ Ik: ‘Ja, t‘ is niet te verstaan’. Mijn moeder: ‘Dan moet ze achteraf ook niet komen klagen.’
Ik probeer mijn moeder duidelijk te maken dat menselijk gedrag soms door andere drijfveren dan de rede gestuurd wordt, dat relaties vaak bepaald worden door je verleden.
We bevinden ons op drijfzand.
‘Het gebeurt me ook altijd opnieuw dat ik verliefd word op een man die me niks te bieden heeft en waar ik terug afscheid moet van nemen, net als van mijn vader’, waag ik eraan toe te voegen.
Mijn moeder is een afwerende, gestolde, zwijgende massa geworden. De lucht tussen ons verdicht zich en slorpen de woorden op die in het bijzijn van mijn moeder volkomen misplaatst zijn.
‘Verliefd’ is zo’n woord en, ‘mijn vader’.
Vermits ze lang geleden gestopt is iets te drinken aan te bieden als er iemand op bezoek komt, kan ze dit niet als vluchtweg aangrijpen.
De winkelbel gaat. Mijn moeder woont in de Gasthuisstraat in een voormalig winkelpand. De winkelruimte vooraan gebruikt ze niet en heeft ze wat opgesmukt met zelf gebreide dieren en prullaria. Deze verder lege ruimte zonder bestemming vormt een buffer tussen de buitenwereld en haar leefruimte. Het is de gracht voor de burcht. De ophaalbrug kan desgewenst opgehaald, maar bij voorkeur neergelaten worden.
Mijn broer komt binnen, de verlosser van het moment. Mijn moeder kan terug opgelucht ademhalen.
‘En, alles goed hier?, vraagt hij, terwijl hij ons onderzoekend aankijkt. ‘We mogen niet klagen’, antwoordt mijn moeder, nog voor ik iets heb kunnen zeggen.
Ik ben niet de enige van de broers en zussen die af en toe probeert de burcht te betreden. Mijn broer Maarten neemt de moed in beide handen en vraagt mijn moeder wat er nu precies met onze vader gebeurd is. Het is een mooie dag en de deur naar de tuin staat open. Na een lange pijnlijke stilte waarin alleen de vogels in de tuin te horen zijn zegt mijn moeder uiteindelijk: ‘Het zijn dezelfde vogels van verleden jaar, ze zijn terug gekomen.’
De familie van mijn vader
Het huis in Melsele, mijn geboortehuis en het huis waar ik tot mijn dertiende woonde, was het voorste gedeelte van een grote boerenhoeve. Daar woonden vroeger mijn grootouders, Jules Geerts en Elodie De Coninck samen met hun enige zoon Louis, mijn vader. In het achterste gedeelte woonde nonkel Jef, de broer van mijn grootmoeder met zijn vrouw, tante Alice en hun twee dochters, Louise en Lucie. Mijn grootvader Jules overleed op drieënvijftigjarige leeftijd. Twaalf jaar later, twee jaar voor mijn geboorte, stierf ook mijn grootmoeder. Als enige zoon, erfde mijn vader het huis met de grote tuin.
In het fotoalbum bekijk ik andere, nog oudere foto’s van het huis en de tuin in Melsele.
Het woord ‘lusttuin’ komt in me op als ik de oude sepiafoto’s van de toenmalige tuin nauwkeurig bekijk. Het geeft me een nostalgisch gevoel ook al heb ik die tuin nooit in deze paradijselijke staat gekend.
Ik pak er het vergrootglas bij.
Op verschillende foto’s staan jaartallen geschreven, van 1922 tot 1924. Mijn vader is een blond jongetje op de arm van zijn vader. Ik zie details die me vroeger niet opgevallen waren. Mijn vader in een wit matrozenpakje. Voor zijn voeten staat een houten paardje op wieltjes dat nu in een antiquariaat een hoge prijs zou halen. Mijn vader houdt het touwtje vast om het voort te trekken. In gedachten zie ik hem rondlopen op de keurig onderhouden paadjes tussen de struiken en kleurrijke bloemperken, het paardje achter zich aan.
Op één van de foto’s staat aan de zijkant een man op klompen. Ik vermoed de tuinman, als ik zie hoe mooi en keurig verzorgd deze lusttuin oogt. De ouders van mijn vader moeten welstellend geweest zijn.
Daar blijft later helaas niets meer van over.
Het paard van nonkel Jef
Nonkel Jef is een boer. Ik zie hem vaak met paard en kar het erf afrijden naar een veld een eind verderop. Soms staat het paard bij ons om de boomgaarden af te grazen. Eén boomgaard ligt naast het huis, de andere is het verste stuk van onze tuin. Behalve dat het paard de boomgaard afgraast en nonkel Jef af en toe met de zeis onze voormalige groenten en bloementuin afmaait, gebeurt er verder geen onderhoud in onze tuin. Bij stormweer waait er al eens een boom om. De bomen blijven liggen en worden voor ons een paard, een evenwichtsbalk, deel van een kamp, al naargelang het spel van het moment.
Ik zit met mijn broer Maarten op een omgevallen boomstam in de achterste boomgaard. Het paard van nonkel Jef staat een eind van ons rustig te grazen. We zijn geen van beiden op ons gemak. We willen naar huis. ‘Als we heel rustig naast elkaar naar het hek stappen, zal het paard wel gewoon blijven grazen’, zeg ik geruststellend. ‘Denk je?’, vraagt mijn broer wat angstig. Hij is twee jaar jonger dan ik. Langzaam stappen we richting het hek. Plots, als een pijl uit een boog, spurt mijn broer de boomgaard over. In een reflex ga ik hem achterna. Het paard heft de kop op, krijgt ons in het vizier en stuift dan onze richting uit. ‘Snel, snel,’ gil ik terwijl ik mijn broer bij de hand pak. We horen het roffelende geluid van de hoeven steeds dichterbij komen. Op het laatste nippertje schuiven we allebei onder de prikkeldraad door. Ik hoor het geluid van scheurend textiel. We staan allebei te trillen op onze benen. Dan zie ik het. Een scheur over de hele breedte van het hemdje van mijn broer.
Wat me pas veel jaren later opvalt. We stonden even doodsangsten uit maar ik sla mijn armen niet om mijn trillende broertje hoewel ik bezorgd om hem ben en opgelucht dat we veilig zijn. We rennen niet naar onze moeder om te vertellen wat er gebeurd is. We sluipen het huis in. Mijn broer verstopt zijn hemdje in een hoekje van zijn kast en doet een ander aan. Mijn moeder moet achteraf dit hemdje gevonden hebben. Ze heeft er nooit over gesproken, net zomin als mijn broer en ik.
Wat niet weet, niet deert.
Mijn ijsman
In de verte weerklinkt het vrolijk deuntje van de ijskar. Op slag laat ik mijn pop vallen wiens haren ik net nog zo zorgvuldig aan het borstelen was. Ons huis, met vooraan de symmetrische houtconstructie, in het midden oplopend naar een punt, ligt zo’n twintig meter dieper dan de straat. De voortuin en de boomgaard ernaast zijn omzoomd met een haag. Van de voordeur tot aan de straat loopt een paadje dat uitkomt op een hek.
Ik snel het paadje af naar de straat. Het is een rustige straat. Verkeer kennen we nog niet. Zelf hebben we geen auto en slechts een paar buren hebben al een auto op de oprijlaan.
Soms gaan we naar de hoek van onze straat die uitkomt op de Schoolstraat, de hoofdstraat van het dorp. We wachten geduldig en roepen dan: ‘Daar is er weer één!’ en schrijven de nummerplaat op van de auto die voorbij rijdt.
Het kan wel even duren voor ons blaadje vol is. Zelden draait een van deze auto’s onze straat in.
Het tingelende muziekje klinkt steeds harder en dwingender. De ijskar rijdt heel langzaam onze straat door om iedereen de tijd te geven de werkzaamheden even te staken, de portemonnee te pakken en de straat op te lopen.
Ik zie de bovenkant van de ijskar al opdoemen boven de haag. Ik open het hek – het is gelukkig niet op slot - en zonder te kijken storm ik de straat op.
Met gierende banden komt de camionette van de brouwer, vanuit de andere richting, in de sloot voor ons huis tot stilstand.
De therapeute noemde het een geleide fantasieoefening. We moesten onze ogen sluiten en de ogen van onze moeder zoeken. Ik vond ze niet. Geen enkele situatie kwam me voor de geest waarin ik haar ogen op me gericht wist. Er kwamen me wel andere ogen voor de geest: de buurvrouw van een tante waar ik logeerde en die meer deed dan alleen mijn gekneusde knie verzorgen. ‘Ach, die jongens kunnen zo wild zijn’ zegt ze vriendelijk. De ogen van Claire, de monitrice. Ze draagt me in haar armen. Er zitten splinters in mijn voet van het houten podium. Ze neemt de tijd om ze voorzichtig één voor een met een pincet uit te trekken. De pijn deert me niet.
De vriendelijke ogen van de ijsman. Ook als ik geen ijs koop mag ik in zijn ijskar klimmen. Hij heeft zwart haar en een snor. Hij is altijd vrolijk en vertelt verhalen. Af en toe krijg ik een kartonnen reclamebord van Ola. Ik ben de koning te rijk.
Hij is mijn ijsman.
Ik zit samen met mijn broers en zussen in de speelkamer als de deur openzwaait. De imposante verschijning van de brouwer vult de deuropening. ‘Wie was dat stoute kind dat voor mijn auto sprong zodat ik bijna verongelukte?’, vraagt hij terwijl hij ons één voor één streng aankijkt.
Ik wil in het kleinste hoekje kruipen maar ik kan me niet bewegen. Hij speculeert nog wat over een mogelijke straf voor dit stoute kind. Dan zegt hij: ‘De volgende keer, eerst goed links en rechts kijken voor je naar je ijsman snelt.’ Hij knipoogt naar mijn moeder. Ze lachen. Iedereen lacht.
Ik voel mijn wangen warm worden.
Het hek zal wel weer op slot gaan.
Ik kom van school en ben op weg naar huis. Opeens hoor ik het bekende tingelmuziekje.
Uit de andere richting nadert de ijskar. Ik durf niet op te kijken maar vang toch nog een glimp op van de man achter het stuur. Een oude, norse man zonder snor.
Mijn ijsman komt niet meer naar onze straat.
Hij zal wel boos op me zijn.
Het zesde leerjaar
Ik zie ze nog allemaal voor me, de juffen van de lagere school.
In het vijfde leerjaar is onze juf een non.
Zuster Remigia heeft een lief, blozend gezicht. Halverwege het jaar verlaat ze ons. De directrice van de lagere school, die we Moeder Overste noemen, komt in onze klas. Ze vertelt dat zuster Remigia ziek is en herstelt in een ander klooster. De aanwezigheid van Moeder Overste is zo imponerend dat niemand een vraag durft te stellen, bijvoorbeeld welke ziekte ze heeft en of ze dit jaar nog terug naar onze klas komt.
Zuster Remigia komt niet meer terug naar onze klas. Ze schrijft een brief waarin ze voor ieder van ons een attent woordje heeft. Een paar maanden later weet een meisje uit de hogere klas te vertellen dat zuster Remigia uit het klooster getreden is.
Juffrouw Thérèse is de onderwijzeres van het zesde leerjaar. De vrouwen van haar generatie moesten stoppen met lesgeven als ze trouwden. De oudere onderwijzeressen in onze school zijn ofwel nonnen ofwel ongehuwde dames. Jonge dochters worden ze genoemd.
Juffrouw Thérèse is een jonge dochter op leeftijd. Als ze voor de klas staat zijn haar wenkbrauwen altijd gefronst. Haar rechter boventand staat ingedrukt op haar onderste lip. Het geeft haar iets verbetens. De hoofdtonen van juffrouw Thérèse zijn grijs en bruin, ook al zijn de aanbevolen kleuren van de school blauw en wit, de kleuren van de maagd Maria, die ons tot voorbeeld moet strekken. Onze schorten zijn blauw en wit geruit, onze plooirokken zijn donkerblauw, net als onze blazers, jassen en truien. De bloezen en kousen mogen wit zijn.
Er zijn twee zesde klassen. Juffrouw Rosa leidt de andere klas. Ze is van dezelfde leeftijd als juffrouw Thérèse. Haar hoofdkleur is oudroze.
Als we in de rij staan te wachten om naar onze klas te gaan, spreken ze Frans met elkaar. In hun jonge jaren was het onderwijs Franstalig. In het boerendorp waar we wonen is dit de enige mogelijkheid om deze vaardigheid te oefenen. Dat wij hen dan niet begrijpen, is mooi meegenomen.
Juffrouw Thérèse heeft zich tot missie gesteld om de jeugd te behoeden voor ijdelheid en zelfoverschatting. Ze gebruikt graag het woord ‘hovaardigheid’. Daar zal ze ons van verlossen. Daarvoor neemt ze elke gelegenheid te baat om ons eraan te herinneren dat we niks voorstellen, niks kunnen en niks weten, ‘ook al zitten jullie nu al in het zesde leerjaar’, voegt ze er aan toe. Het komt niet in ons op om haar er op te wijzen dat haar onderwijs dan wel jammerlijk gefaald heeft.
Er is een uitstap gepland: met de bus naar het zwembad in Sint-Niklaas. Ik kan niet zwemmen en ik heb ook geen badpak dus ik blijf samen met nog een paar meisjes, die elk hun eigen reden hebben om niet mee te gaan naar het zwembad, achter bij juffrouw Thérèse in de klas. We krijgen rekenoefeningen. Ik had gehoopt op iets vrolijker, iets wat meer in de lijn van het zwemuitstapje.
Ik krijg mijn aandacht niet op de rekensommen gericht. Ik stel me voor hoe mijn klasgenootjes zich vermaken. Eerst in de bus – naast wie zou Linda zitten? - daarna spelend in het water en daarna met een flesje chocolademelk in de hand. Het rekenblad blijft onaangeroerd. Juffrouw Thérèse kloft door de klas. Haar schoenen lijken een maat te groot. Bij elke stap dreigen ze uit te vallen. Ze ziet mijn leeg rekenblad. Zelfs zonder naar haar te kijken weet ik hoe ze kijkt. De gefronste wenkbrauwen, de tand die wat dieper boort in de onderlip.
Ik ben geen held. Ik ben opgevoed tot strikte gehoorzaamheid, een grote deugd volgens mijn moeder en volgens juffrouw Thérèse. Mijn oudste zus wordt thuis dagelijks opgevoerd als voorbeeld hoe het niet moet. In onze klas is het Rita Verstappen die deze niet benijdenswaardige rol speelt. Soms moet ze helemaal alleen achteraan in de klas gaan zitten, soms vooraan op haar knieën op de trede met een boek op haar hoofd. Om te leren stil zitten. Dat leidt tot hilarisch taferelen waarbij sommige meisjes hun lach niet kunnen inhouden en juffrouw Thérèse steeds bozer wordt.
Juffrouw Thérèse staat naast mijn bank. Juffrouw Godelieve van het vierde leerjaar rook naar eau de cologne. Juffrouw Thérèse ruikt muf en vreugdeloos. Er is een kortsluiting in mijn hoofd. De cijfers dansen en springen op en neer, ze zwemmen!
‘Komt er nog wat van’, klinkt het naast me. Ik kan niet geloven dat ik mezelf hoor zeggen: ‘Nee’.
Als door een wesp gestoken springt Juffrouw Thérèse op.
‘Alsof je deze extra oefeningen niet nodig hebt. Deze hovaardij zal ik je wel eens afleren!’, roept ze door de klas.
Het komt vanuit mijn middenrif in schokkende bewegingen. Ik kan het niet tegenhouden. Ik slik en slik, ik trek mijn spieren samen, ik buig naar voor, ik probeer mijn adem in te houden. Het helpt niet, mijn hele lichaam schokt. ‘Ga naast je bank staan en je mag pas terug gaan zitten als je gestopt bent met deze belachelijke vertoning’, zegt ze. Ze kijkt me koud en kwaad aan. Ik sta lang naast de schoolbank. De andere meisjes zijn doodstil en buigen het hoofd boven de rekensommen. Juffrouw Thérèse is oppermachtig, ze wint de strijd. Ik krijg, na een bovenmenselijke inspanning, het uitstulpende verdriet ingeslikt en afgegrendeld.
Het wordt een levenswerk om dat middenrif terug ontgrendeld te krijgen.
Een jaar later
Elke ochtend als we nog aan de ontbijttafel zitten, vertrekt mijn vader met de fiets naar de Grote Baan. Daar neemt hij de bus naar Antwerpen. Mijn vader werkt in Securitas, een verzekeringsmaatschappij.
Zoals elk jaar gaat ook dit jaar het hele gezin met een grote taxi naar het sinterklaasfeest in Antwerpen. Ik kijk er naar uit, ook al word ik misselijk achteraan in de auto en in de lange tunnel. Op het feest krijgt elk kind tot twaalf jaar een mooi cadeau van sinterklaas. Het is de laatste keer dat ik een cadeau krijg. De vorige jaren was het speelgoed. Voor de twaalfjarigen is het een passer in een lederen etui.
We eten rozijnenbrood en drinken chocolademelk.
Mijn vader neemt ons mee naar zijn werkplek. Met de bureaustoelen op wieltjes rijden we langs de grote donkerbruine houten bureaus. We klimmen op de ladders langs de hoge muren met de archiefkasten. Mijn broer zit aan het eerste bureau en ik aan het laatste. Elk met een donkergroen vilt op het bureaublad. Mijn vader toont hoe we elkaar kunnen opbellen. Ik hoor de stem van mijn broer dicht aan mijn oor. We kunnen er niet genoeg van krijgen maar we moeten nog naar de voorstelling. Er komt een goochelaar.
Een maand later
Het hele dorp loopt uit, de kerk zit vol. Er wordt gefluisterd en gefezeld. Iedereen wil een glimp opvangen van de weduwe achter de zwarte voile, omringd door haar kinderen. Er gebeurt niet veel in het dorp. Een drama brengt leven in de brouwerij en zorgt voor gespreksstof.
Ik ben voorzanger in het koor van pastoor Sabot. Onlangs nog zongen we in de rouwdienst van het kleine blonde jongetje. Drie jaar was hij net geworden. Hij stak de straat over. Zijn vader zag hoe de aankomende auto hem dodelijk trof. De grote, zware man zat op zijn knieën voor het kistje en huilde hartverscheurend.
Het raakte me diep.
Nu voel ik vooral de priemende ogen van mijn dorpsgenoten.
We weten dat er iets mis is met het ongeval van onze vader.
Verdronken in de Schelde op een koude, mistige maandagochtend in januari.
Er wordt gekletst in het dorp. Ze hebben hun oordeel klaar.
Er was discussie over de begrafenis. Het was niet zeker of hij in de gewijde grond van de begraafplaats mocht liggen.
Een verzorgde mevrouw in mantelpak komt bij ons thuis onze maten nemen. Na de dood van mijn vader zal de verzekeringsmaatschappij ons allemaal in het nieuw steken. Voor de meisjes een donkerblauwe rok en blazer en een witte bloes. Voor de jongens een donkerblauwe broek en blazer en een wit hemd. ‘Maak het maar op de groei’, zegt mijn moeder.
Een tijd later krijgt mijn moeder een brief. ‘Tot onze spijt kan de levering van de kleding niet doorgaan.’ De verzekeringsmaatschappij heeft geoordeeld dat het niet om een bedrijfsongeval gaat. Mijn vader was te ver afgeweken van de dagelijkse route naar zijn werk.
Mijn moeder blijft haar hele leven angstvallig vasthouden aan de versie van een ongeluk. Maar er wordt bij voorkeur nooit meer over gesproken.
Een nieuw groot taboe doet zijn intrede in ons leven.
Het verblijf bij tante Lieve
Een paar maanden na de dood van mijn vader blijft mijn moeder overdag in bed liggen. Dat is nog nooit gebeurd. We weten niet wat er scheelt. Mijn oudste zus zegt dat het iets met de zenuwen te maken heeft. We begrijpen niet wat ze daarmee bedoelt. We weten ook niet of dat ernstig is.
Mijn moeder keert voor een tijd terug naar haar ouderlijk huis. De zeven kinderen worden verdeeld tussen de huishoudens van haar broers en zussen.
Mijn zus is een jaar ouder dan ik. Anna-Maria staat er op haar identiteitskaart. We noemen haar Annemien. Later valt de laatste n van haar naam weg. We komen samen terecht bij de oudste zus van onze moeder.
Tante Lieve is vriendelijk en welwillend maar wij zijn onbereikbaar.
We weten nog altijd niet zeker wat er precies met onze vader gebeurd is. We vrezen dat hij iets slecht gedaan heeft. We schamen ons diep. Hij is dood en wij zwijgen hem dood.
We weten niet wat er met onze moeder aan de hand is. We weten niet hoelang we bij tante Lieve moeten blijven. We vragen niks. We wachten. We schuilen in de boeken die we meegenomen hebben. ’s Avonds liggen we in bed. Ik hoor Annemien zachtjes huilen. Ik huil stil met haar mee. We troosten elkaar niet. Dit verdriet bestaat niet.
De twee dochters van tante Lieve zijn een paar jaar ouder dan wij. Ze zijn heel zelfbewust en maken zich mooi. Ze laten ons duidelijk voelen dat we twee oninteressante en saaie huisgenoten zijn. We doen niets om dit beeld te veranderen. Het liefst willen we, net als onze vader altijd deed, op bed liggen, door het raam staren of lezen, of stilletjes huilen als niemand het hoort of ziet.
Op een dag mag iedereen terug naar huis. Er is een belangrijk besluit genomen waar mijn moeder beter van wordt. Ze gaat terug naar haar geboorteplek, in Geraardsbergen. We krijgen een nieuw huis waar niemand weet heeft van ons grote geheim.
Nonkel Herman, de broer van mijn moeder, heeft een brandstapel gemaakt in onze tuin in Melsele. Het vuur laait hoog op. Alles wat we niet meenemen naar het nieuwe huis wordt verbrand. ‘Eén pop mogen jullie houden’, zegt mijn moeder tegen mijn zus en mij. Ik kan niet kiezen. ‘Toch niet die met dat afgeknipte haar en nog maar een oog’, zegt mijn moeder. De pop komt op de brandstapel terecht. Ze brandt niet, ze smelt langzaam weg.
Eerste buitenlandse reis
Met elk onze kartonnen valies in de hand zet nonkel Herman mijn zus en mij af bij de trein. Het is onze eerste treinreis en onze eerste buitenlandse reis. We gaan tien dagen naar Zwitserland De mutualiteit organiseert elk jaar een reis voor de veertienjarigen. Ik ben nog maar dertien maar ik mag mee met mijn veertienjarige zus. Terwijl wij in Zwitserland zijn, zal de verhuis doorgaan.
In de barak in Melchtal slapen we in stapelbedden. De tweede nacht krijg ik een bloedneus. Het stopt maar niet. ‘Dat komt door de hoogte’, zegt de dokter. Ik krijg dikke watten in mijn neus. ‘Zonder de toestemming van de ouders mogen we het niet dichtbranden’, zegt hij.
Mijn moeder is onbereikbaar. Ze is aan het verhuizen, naar het nieuwe huis. We hebben nog geen telefoon. Die zal pas een paar jaar later zijn intrede doen in ons huis. Als hij bij uitzondering al eens rinkelt durft niemand de hoorn op te nemen.
De rest van de dagen breng ik door op bed in de ziekenboeg. Ik probeer af en toe iets mee te doen maar na elke inspanning wordt de bloeding erger. Ik krijg bezoek van de monitrice, mijn zus en een paar meisjes van mijn groep. Ik vind het best. Ik lees en droom van het nieuwe huis terwijl ik door het raam naar de besneeuwde bergtoppen kijk.
Het zal klaar zijn als we terug naar huis moeten.
Behalve mijn zus zal niemand thuis ooit weten dat ik mijn eerste buitenlandse vakantie doorbracht op bed met dikke proppen watten in mijn neus. Niemand vraagt iets, wij vertellen niets.
Wat niet weet, niet deert.
Het nieuwe huis
Het nieuwe huis is donker en vochtig. Alle lichte beelden die ik droomde in Zwitserland verdwijnen als sneeuw voor de zon. Het huis is van tante Madeleine, de ongetrouwde zus van mijn grootvader. Ze is mager en benig. Elke avond daalt ze de trappen af van de tweede verdieping helemaal naar de kelder. Ze heeft dan haar haar, dat anders in een knot gedraaid achter op haar hoofd zit, in een lange grijze vlecht. Haar kleren zijn op verschillende plaatsen netjes versteld met stukjes stof, soms in een iets andere kleur als ze blijkbaar geen stofje kon vinden in dezelfde kleur. In de kelder schept ze op haar knieën water uit de waterput. Nu zouden we dit milieubewust noemen maar tante Madeleine is vooral zuinig. Ze had vroeger een kruidenierszaak in dit huis. Nu woont ze op de tweede verdieping van haar eigen huis. Wij wonen beneden en slapen op de eerste verdieping. Een kamer voor de drie jongens, een kamer voor de drie meisjes en een kamer voor mijn moeder en onze kleinste zus, die pas vier is. De jongenskamer is klein. Met de twee bedden en een commodekast staat ze propvol. De grauwe, vochtige muren worden doorheen de jaren volledig bedekt met de posters uit het poptijdschrift ‘Salut les Copains’. De meisjesslaapkamer is de grootste. In de plompe, donkerbruine houten kleerkast hangen voor elk van ons een paar zondagse kleren. Ze hangen wat verloren in de grote kast. Tegenover de kast staat een eenpersoonsbed voor mijn oudste zus en daar tegenover een tweepersoonsbed voor mij en Annemien, die ondertussen Annemie geworden is.
Mijn oudste zus is er niet blij mee. Ze had in het oude huis een eigen klein kamertje. Nu moet ze de kamer met ons delen. Ze hangt een laken tussen onze bedden. Zo kan ze zich weer even in haar kleine kamertje in het grote, oude huis wanen.
Voor het eerst in ons leven hebben we een ligbad. Beter gezegd, tante Madeleine heeft een ligbad en wij mogen er gebruik van maken. Ik vind het zalig om in het bad te drijven. Ik kan er niet genoeg van krijgen maar het moet vlug gaan. Eén na één moeten we op zaterdag in bad. We mogen tante Madeleine niet teveel storen, dus we doen het snel en mijn moeder zorgt ervoor dat de badkamer schoon blijft na die zaterdagse invasie. Het helpt niet. Op een dag komt tante Madeleine naar beneden. ‘Beatrijs’ galmt het door de lange gang. Mijn moeder zucht. ‘Die kinderen maken zoveel lawaai’ klaagt tante Madeleine, ‘Ik kom op zaterdag niet meer aan mijn middagdutje toe.’
Het zaterdagse badritueel verplaatst zich van dan af naar de keuken. De gordijnen gaan toe, de deur gaat op slot. Er worden doorlopend grote potten water op het gasfornuis gewarmd. Op de keukentafel staat het plastic kinderbadje waar mijn jongste zus ondertussen uitgegroeid is.
Ik droom van het ligbad op de tweede verdieping.
Pas als tante Madeleine overleden is, een paar jaar later, mogen we terug in bad. Ik loop even haar woonkamer in. In de ligstoel waar ze haar dagelijks dutje deed, liggen twee kussens en een dekentje netjes opgevouwen. De kachel die ze elke dag oprakelde met welgeteld zeven bewegingen over en weer, is koud.
De badkamer heeft zijn glans verloren.
Een nieuwe school
Behalve mijn oudste zus die het laatste jaar van haar middelbare school op internaat gaat in haar oude school, moeten we allemaal naar een nieuwe school.
Ik sta op de speelplaats. Ik kijk naar de spelende meisjes in hun hemelsblauwe schorten. Ik denk aan mijn oude school. Daar waren onze schorten blauw en wit geruit. Ik voel me niet thuis in dat hemelsblauwe. Een meisje komt naar me toe. ‘Hoe heet je’, vraagt ze. Ik twijfel wat ik moet zeggen. Thuis heet ik Haddie. Op school ben ik Hadewijch. Welke naam ik ook zeg, ik moet hem altijd verschillende keren herhalen. Ik zwijg. ‘Weet je niet hoe je heet?’, lacht ze.
Het is ongewoon dat er zomaar in het tweede jaar van de middelbare school iemand nieuw in de klas komt. Geraardsbergen is een klein provinciestadje zonder noemenswaardige industrie, buiten dan de Union Allumettière, in de volksmond, de stekskesfabriek. Ze is nieuwsgierig wat ons gezin naar deze plek brengt. ‘Wat doet je vader?’ vraagt ze belangstellend. Ik verstar. Ik heb me niet voorbereid op die vraag. En zelfs als ik er me probeer op voor te bereiden krijg ik het antwoord niet geformuleerd.
Maar ik wen langzaam, ook al is deze school strenger dan mijn oude school. Als we op onze knieën op een stoel zitten moet onze rok het zitvlak van de stoel raken. Ik zie een meisje op de speelplaats met een strook papier onderaan haar rok gespeld tot op de juiste lengte. Ze doorstond de stoeltest niet. Ze zorgt er wel voor dat ze de volgende dag een andere rok aan heeft, om niet uitgelachen te worden. Broeken zijn niet toegestaan. Enkel als het ’s winters heel koud is mogen sommige meisjes, die van ver komen met de fiets, boven hun collant een broek aantrekken. Die moet dan wel bij aankomst in de school, terug uit.
Om geen aanstoot te geven.
Deze en andere kledingvoorschriften deren me niet. Ik heb ondertussen twee vriendinnen, Hélène en Chantal. Ik kom regelmatig bij hen thuis. Hélène haar moeder gaat uit werken. Als ik na school met haar mee naar huis ga, is haar moeder nog niet thuis en kijken we samen tv. Thuis hebben we nog geen televisie. Die komt er pas een aantal jaar later, als ik het ouderlijk huis al verlaten heb.
Met Chantal ga ik de hele zomer fietsen. Er is een nieuwe rage: de minifiets. Als bij wonder hebben we er één, de enige fiets die we ooit bezaten. Behalve dan de fiets van mijn vader.
Die fiets is niet mee verhuisd naar het nieuwe huis.
Ik vraag me af waar hij gebleven is.
Maar dat kan ik niemand vragen.
Opnieuw een nieuwe school
In de nonnenschool waar Annemie in het derde en ik in het tweede jaar van de middelbare school zit is er een probleem met de punten van mijn zus. In plaats van dit uit te praten besluit mijn moeder zonder overleg om mijn zus en mij naar een andere school te sturen.
Ik wil niet weg uit de school waar ik me, na een moeilijke start, eindelijk thuis voel en ik vriendinnen heb. Maar het besluit is al genomen dat we de vier volgende jaren in het Lyceum zullen doorbrengen. Annemie doet haar derde jaar over zodat we in dezelfde klas zitten.
Het lyceum is een cultuurshock. Alle meisjes spreken plat dialect. De tweede dag spreekt Myriam, één van onze klasgenoten, mijn zus en mij aan: ‘Zorg er maar voor dat jullie zo snel mogelijk normaal gaan spreken. Hier spreken we niet in dat bekakte Nederlands’, zegt ze in haar platste dialect. In de nonnenschool waren er ook meisjes die dialect spraken maar de voertaal was algemeen Nederlands. De eerste weken zwijgen we tot we beginnen te begrijpen hoe we de klanken moeten vervormen. Maar zwijgen is voor ons geen probleem. We zijn erin getraind.
Spreken is zilver, zwijgen is goud.
Mijn moeder heeft haar eigen problemen. Ze moet het huishouden draaiende houden met het kindergeld en een overlevingspensioen. En ze moet voortdurend rekening houden met de bemoeienissen van tante Madeleine. Ze heeft dan ook wel wat anders aan haar hoofd dan ons te vragen hoe het gaat op de nieuwe school. We vertellen weinig. Nochtans komen we elke middag thuis eten. Heel vaak is het pasta of rijst met een rode saus erbij en gehaktballen of koteletten van de slager die een paar huizen verderop woont.
Ik vind het niet erg want ik heb geen honger. Ik heb opnieuw een krop in de keel. Ik slik veel, soms tot de tranen me in de ogen schieten.
Elke avond schommel ik mezelf in slaap.
Ik weet nog niet dat mijn hechtingsstijl *, die al in de eerste drie levensjaren gevormd werd, me in de weg zit om me gemakkelijk aan te passen aan veranderende omstandigheden.
Ik weet nog niet dat de boodschap van mijn moeder, ‘je onopvallend op de achtergrond te houden’, geen goede ingesteldheid is om me in de buitenwereld te begeven.
* A secure Base John Bolwby
Ik ben het vierde kind van mijn ouders in vijf jaar tijd.
Na mijn geboorte adviseerde de dokter om het bij vier kinderen te houden.
Er kwamen nog drie kinderen na.
Als ik twee jaar ben is er geen plaats op de schoot van mijn moeder. Mijn jongste broertje is pas geboren. Hij ligt aan de borst. Na dat zesde kind is mijn moeder uitgeput. Mijn andere broertje dat elf maanden jonger is dan ik, begint net wat schommelend te lopen. Ik vind troost op het schommelpaardje waar ik zelf op en af kan kruipen en waar ik mezelf in slaap schommel.
Ik heb niemand nodig voor troost en veiligheid.
Het duurt lang maar ook in het lyceum maken mijn zus en ik uiteindelijk vriendinnen en we leren stilaan de finesses van de plaatselijke taal.
Verliefd
Ik ben 16 jaar. Ik ben verliefd op een jongen die een paar straten verder woont. Als ik van school kom loopt hij vaak met een paar vrienden voor mij uit naar huis. Soms blijven ze ergens staan dan vertraag ik mijn pas om ze niet voorbij te moeten steken. Soms steek ik de straat over.
Ik kijk hem nooit aan. Ik spreek ook met niemand over deze verliefdheid en niemand merkt wat aan mij hoewel het vaak pijn doet aan mijn hart. Het is een opluchting als het gevoel langzaam slijt en op een dag helemaal weg is. Ik hoop dat dit gevoel me nooit meer in de greep krijgt. Het geeft me enkel onrust, angst, schaamte en pijn.
Ik ben 17 jaar. Ik ben verwonderd dat Hugo verliefd op me is. Hij wordt mijn eerste vriendje. Hij kiest dat, niet ik. Dat is veiliger. Ik hou me op de vlakte. Ik ben de perfecte kopie van mijn moeder. Ik blijf onopvallend op de achtergrond. Als iemand me in die achtergrond opmerkt, ben ik verwonderd en onwennig.
Als iemand me op dat moment zou vertellen dat ik me op een dag vanuit die achtergrond op de voorgrond zal werken om voor een groep te staan, zou ik vol ongeloof het hoofd schudden.
Op dat moment ben ik nog lichtjaren verwijderd van deze toekomst.
Dertig jaar later sta ik in het ondertussen vertrouwde opleidingslokaal van de bank in de Kreupelenstraat in Brussel. Twaalf deelnemers heb ik deze keer. Zoals gewoonlijk zijn er meer vrouwen dan mannen die ingeschreven hebben op de opleiding sociale vaardigheden. Vaak zijn het de mensen in de kantoren. De druk op de mensen in de bank is groot. Een tweedaagse is te kort maar ik geef ze zoveel mogelijk praktische bagage mee. Al de vaardigheden en hulpmiddelen die ik zelf moeizaam verworven heb, verwerk ik er in.
‘Dat kan ik met mijn puberzoon ook gebruiken’ zegt een vrouw opgelucht als we het territoriummodel bespreken en oefenen met de principes van geweldloze communicatie.
Ik kijk naar de naamkaartjes. Rita, haar gezicht komt me bekend voor. Ze lacht me vriendelijk toe. In de pauze komt ze naar me toe. ‘Ken je me niet meer?’ vraagt ze.
Rita Liekens. We volgden twintig jaar geleden samen een bijscholingscursus. Ze is wat ouder geworden, maar ze heeft nog altijd hetzelfde vriendelijke gezicht.
We lunchen samen. ‘Ik ben verbijsterd, zegt ze ‘Waar is het verlegen meisje van 20 jaar geleden gebleven?’ ‘Je sprak niet’, herinnert ze zich,’ ‘Hoe ben je ooit zover gekomen?’ vraagt ze oprecht verwonderd. Het is een lang verhaal. Zelfs met twee lunchpauzes hebben we niet genoeg. Ze verzorgt nog steeds liefdevol haar man die na een ongeval in een rolstoel belandde.
Na elke opleiding moet elke deelnemer een evaluatieformulier invullen en op verschillende items punten geven. Ze geeft overal tienen met een uitroepteken.
‘Ik kan het nog steeds niet geloven’, zegt ze bij het afscheid, ‘Je doet dit fantastisch, maar ik had het nooit kunnen denken. Het is onvoorstelbaar. Blijf dit vooral doen!’ Ze omhelst me krachtig.
Verder studeren
Na vier jaar zijn voor mijn zus en mij de lyceumjaren voorbij. We zijn geen briljante studenten maar we halen met weinig inspanning de eindmeet.
Ik denk terug aan het vijfde leerjaar hoe ik op een dag thuis kwam met mijn rapport. Mijn moeder zette het op de schouw bij de rapporten van mijn broers en zussen, voor mijn vader om ze te tekenen als hij thuis kwam van het werk. Ik keek stiekem naar de cijfers in de andere rapporten. Mijn ouders zouden nu wel merken dat ik echt hoge cijfers had.
’s Morgens lagen de rapporten ondertekend klaar om terug mee naar school te nemen. ‘Steek maar in de boekentas’, zei mijn moeder, zonder verder commentaar.
Schoolresultaten waren niet belangrijk.
Er is niets om je best voor te doen.
Er wordt in het lyceum gepraat over de studierichting die we moeten kiezen.
Mijn zus en ik weten het niet. We hebben geen ambities. Thuis is het geen onderwerp van gesprek.
We maken uiteindelijk toch een keuze. Mijn zus gaat binnenhuisarchitectuur doen en ik schrijf me in in de sociale hogeschool.
We gaan samen op kot in Gent.
Het studentenkot ligt in de kelder. Vanuit ons bed zien we voeten en benen tot aan de knie passeren en af en toe fietswielen, die ook vaak voor het kleine getraliede raam blijven staan. De lamp boven de tafel, die ook dienst doet als bureau, brandt de hele dag en dan nog wordt het nooit helemaal licht.
We verlaten deze schuilplaats steeds minder. Zonder het uit te spreken weet ik dat Annemie, net als ik, niet kan aarden in de nieuwe school. We praten niet.
We zijn een zwijgend verbond.
Veertig jaar later praten we wel. We hebben niet veel tijd meer. We klinken op onze laatste gezamenlijke verjaardag. We schelen een jaar en een dag. Mijn zus krijgt thuis palliatieve zorgen. Haar krachten nemen snel af. R