Wat niet weet, niet deert deel 2

Haddie
31 mei 2018 · 0 keer gelezen · 0 keer geliket

Regelmatig moet ze even gaan liggen. In de kostbare uren die ons nog resten halen we herinneringen op over ons gezamenlijk en over ons gescheiden leven.  

We staan versteld van het gelijklopende traject dat we later doorlopen hebben, in dat leven zonder elkaar. We begrijpen niet wat er in elk van ons gevaren is dat we dit allebei, los van elkaar, aangevat en doorgezet hebben. ‘Waar haalden we opeens die ambitie, dat doorzettingsvermogen?’, vragen we ons af, ‘Waar kwam opeens die levensdrift vandaan?’

 

We kijken naar de twee levenloze meisjes in die donkere kelderkamer die alleen maar wilden slapen en verdwijnen.

Nu pas kunnen we uitspreken wat we al die tijd van elkaar wisten. Hoe verloren we ons voelden, hoe slecht we ons konden aanpassen, hoe angstig en onzeker we waren.

We praten over onze moeder.

‘Ze vroeg nooit hoe het met ons ging in Gent’, zegt mijn zus, ‘Zelfs nu kan ze zich er niet toe brengen om te informeren hoe het met me gaat’, zucht ze.

Dansen bleek mijn zus haar natuur en werd haar passie. Beetje bij beetje moet ze loslaten wat ze beetje bij beetje opgebouwd heeft, haar dansschool.

Ook als ze uitgenodigd wordt, komt mijn moeder niet kijken naar haar dansende dochter. Opnieuw een dochter die de onuitgesproken gedragscode ‘onopvallend op de achtergrond blijven’ doorbreekt.

Daar wil mijn moeder geen getuige van zijn.

Wat niet weet, niet deert. 

 

Mijn huwelijk

Mijn huwelijk is een schuilplaats waar ik me onopvallend op de achtergrond kan houden, maar de controle op mijn middenrif verzwakt.

Ik heb drie kinderen. Ik probeer de moeder te zijn die mijn moeder niet was.

Voor het eerst lees ik niet de boeken uit de uitgebreide bibliotheek van mijn man. In de openbare bibliotheek ontdek ik andere boeken. Over opvoeding. Ik lees ze gretig maar ze brengen ook onrust. Over mijn eigen verleden. Wat altijd vanzelfsprekend was, is het niet meer.

Het drama van het begaafde kind.*

 

* Het drama van het begaafde kind. Alice Miller

 

Ik sta in de woonkamer van ons hoge herenhuis. Ik kijk naar buiten. Groepjes studenten in het stadspark lopen af en aan. Gelach, gebabbel, fietsgerinkel, leven. Het voelt alsof ik van hen gescheiden ben door een dikke glaswand. Mijn handen en voeten zijn geboeid. Ik begin te beseffen dat ik door de glaswand moet breken en dat ik mij moet bevrijden van de boeien. Ik heb geen idee hoe en of me dat ooit zal lukken. Het liefst zou ik op bed liggen en door het raam staren, net als mijn vader.

En wachten tot het allemaal overgaat.

 

In het programma ‘De wandeling’ * zegt schrijfster, Yvonne Keuls tegen de interviewer, Joris Linssen : “Een van onze grootste opdrachten is onze eigen natuur volgen’.

Ze lopen in een park waar ze een boom zoekt die ze tien jaar geleden gered heeft.

Werkmannen stonden op het punt om hem om te hakken.

‘Geef hem een kans’, overtuigde ze hen, ‘Hij doet zo zo’n best.’ Met zichtbaar genoegen kijkt Yvonne Keuls naar het boompje dat nu een boom geworden is. ‘Kijk, hoe hij aan zijn natuur beantwoordt’. Ze spreidt haar armen wijd uit en staat daar even met open armen te stralen naast de boom, met zijn takken wijd gespreid.

 

* NCRV programma ‘De Wandeling’ 30 december 2017

 

Ik ben dertig jaar en mijlenver verwijderd van mijn natuur.

Er zijn steeds meer momenten dat dit besef doorbreekt.  

Op een avond kom ik samen met mijn man terug van een concert. We zaten tussen mensen die hun natuur volgden en er plezier aan beleefden. Dit besef is als een gifpijl binnen gekomen. Op het voetpad ga ik door de knieën. Ik kan en wil geen stap meer verder. Ik wil hier ter plekke doodgaan. Ik sla mijn hoofd tegen de trottoirtegels. Vanuit mijn middenrif komt een diep verdriet omhoog. De schaamte achteraf zorgt dat ik het terug probeer in het slikken. Het lukt me steeds minder goed om het allemaal weggeslikt te krijgen.

 

Er begint iets te veranderen. Ik droom dat ik me samen met mijn man in een grote ruimte bevind. Ik neem slechts een klein hoekje van de ruimte in. Het is vanzelfsprekend dat de rest van de ruimte hem toebehoort.  In mijn droom kom ik in opstand. Het duurt nog even voor ik dat in het werkelijke leven ook doe. De incidenten zijn niet sterk genoeg om me uit de oude doctrine los te rukken.

Daar is een aardschok voor nodig.

 

Vakantie in Zuid-Engeland

Het is zachtjes beginnen regenen. We kwamen aan met regen. We vertrekken opnieuw met regen. Daar tussen liggen, als een oase, veertien zonnige dagen.

Mike zwaait ons uit. We blijven elkaar aankijken tot hij een wazige vlek geworden is.

We zullen elkaar nooit meer terugzien.

Hij weet het niet, en ik begrijp ook niet hoe hij het gedaan heeft, maar hij heeft bewerkstelligd waar ik zelf niet toe in staat was. Hij heeft me bevrijd van de demonen die mijn leven tot een hel maakten.

 

Nooit was ik er meer aan toe om even weg te zijn uit de vertrouwde omgeving.

‘Away from everything’ staat er in de aankondiging van het vakantiehuisje dat we, in het begin van de zomer, met het hele gezin huren.

Everything is de man die mijn leven binnengedrongen is.

 

Let it please be him

oh dear God it must be him,

it must be him,or I shall die’’

 

zingt Vikki Carr gepassioneerd en ik met haar, terwijl ik tegelijk bid en smeek om me te verlossen van deze gesel, van de onweerstaanbare drang om bij deze man te zijn, door hem bemind te worden. Mijn verstand weet dat het een verloren zaak is. Ik wil mijn veilige haven niet in gevaar brengen voor een man die enkel wil spelen, een man die ik even begeerlijk als weerzinwekkend vind.

Het verlangen drijft me naar buiten, uit de schulp waar ik me al jaren veilig schuil houd. De afkeer, de schaamte en de angst drijven me telkens terug, maar ik vind geen rust meer in mijn schuilplaats.

 

Mijn man slaapt gewoonlijk tot de middag. Hij is onwetend van de uitzichtloze strijd die ik dagelijks eenzaam voer tegen de monsterlijke verliefdheid waar ik me diep over schaam.

Mijn man heeft geen idee dat ik me soms voel alsof ik langzaam aan het sterven ben, dat ik voortdurend een krop in de keel heb die het slikken moeilijk maakt. Hij merkt niet dat ik kilo na kilo verlies, net zoals mijn moeder het ook niet merkte in dat eerste jaar na de dood van mijn vader. In het eerste jaar van het Lyceum. In het eerste jaar in Gent.

 

Ik was altijd ‘a master in disguise’. Maar het lukt me steeds minder goed. De onmogelijkheid en onwenselijkheid van de verliefdheid brengen de goed weggestoken gevoelens rond de dood van mijn vader naar de oppervlakte. Ik herken het oude verdriet, de angst en de schaamte. De oude onderdrukkingsmechanismen falen.

Ik ben een vogel voor de kat.

 

Een vakantie in Engeland, ver weg van de man die mijn leven op zijn kop zette, zal me een rustpauze geven en de nodige afstand om terug op krachten te komen.

  

Mike, onze gastheer, werkt in Londen maar woont op zijn landgoed in Zuid Engeland waar wij deze zonnige zomer een paar kamers huren, die hij de flat noemt. Hij houdt van het buitenleven, van zijn honden, van het leven in zijn vijver.

Mike  is veertig jaar. Hij kan niet geloven dat hij al zo oud is. Hij zegt het vrolijk. Elke ochtend maakt hij thee met melk en suiker en praten we in zijn keuken over het leven.

Mijn man slaapt. De kinderen spelen in de tuin en met de honden en ik zit bij Mike in de keuken met de opengeslagen deuren. Doorheen de dagen kom ik stilaan terug tot leven. Ik bind een roze strik in mijn haar. De zon schijnt. We lachen en de laatste dag blijf ik achter om de flat schoon te maken voor ons vertrek. In plaats daarvan bedrijven we de liefde. De eerste en de laatste keer.

“My darling”, zegt hij ‘I don’t want to be rough but we have to dress up’.

 

Ik moet terug naar mijn leven. Ik ben voorlopig genezen. Deze keer heeft Mike me bevrijd van de demonen. De volgende keer zal ik het zelf moeten doen.

Tien jaar later zal een nieuwe fatale verliefdheid me opnieuw in de greep krijgen. Gelukkig zal ik dan al een stuk weerbaarder zijn.

 

 

Mijn man volgt wel zijn natuur. Hij gaat er vanzelfsprekend van uit dat zijn natuur mijn natuur is en ik spreek hem niet tegen. Ik weet nog niet wat mijn natuur is. Ik ben getraind om mij aan te passen. Dat doe ik met verve. Dat deed ik in mijn relatie al van bij de aanvang.

Mijn lief, die later mijn man zal worden, is Mr. Higgins*.

Ik lees alle boeken die hij me aanreikt. Ik ben volgzamer en gedweeër dan Elisa Dolittle*, maar een even goede leerling.

Hij kleurt de lege ruimte in en ik laat mij inkleuren met een kleur die niet de mijne is.

Ik heb geen kleur. Ik ga hoofdzakelijk in het zwart gekleed.

Vele jaren later ontdek ik, met mijn natuur, ook vele andere kleuren en alle tinten blauw.

Er is nu in mijn kleerkast bijna geen zwart meer te vinden.

 

*Georges Berhard Shaw, Pygmalion

 

In die laatste levensdagen vertelt mijn zus Annemie me dat haar man haar in hun eerste huwelijksjaren, leerde praten.

We waren opgevoed tot zwijgen. Daar waren we allebei meesterlijk in geworden.

Mijn man praat voor mij mee. Terugkijkend overvalt me het verkillend gevoel van schaamte bij diverse taferelen waar hij me meeneemt bij belangrijke kunstenaars en schrijvers. Mijn man voert breedsprakerig het woord en ik zit er zwijgend bij. Nog steeds als ik hem zie kan deze verkilling me overvallen.

 

We beseffen niet hoe deze herhaalde, voor mij vernederende taferelen, onze relatie diepgaand aantasten.

‘Waarom kwam ik niet in actie?’ vraag ik mezelf later terugkerend af.

Het is moeilijk mijn doorgedreven passiviteit te accepteren en om mezelf gevangen te zien in die strakke doctrine van mij onopvallend en zwijgend op de achtergrond te houden.

 

Veel jaren later zal ik mijn brood verdienen met praten.

‘Dat jij zo’n hele dag zo natuurlijk aan elkaar kunt praten’, zegt één van de deelnemers aan een infodag ‘voorbereiding op pensioen’, ‘Ik zou het niet kunnen’.

‘Ik heb dat ook moeten leren’, zeg ik, zonder er dieper op in te gaan.

 

Eindelijk in actie

We rijden de meer dan tweehonderd kilometer terug van Amsterdam naar huis. Ik heb stekende hoofdpijn, pijnlijk koude voeten, ik voel me misselijk en totaal uitgeput. Ook al kom ik elke keer in deze staat terug thuis, toch rijd ik vijf jaar lang, samen met Simone elke maand een weekend naar Amsterdam. We zijn de twee Belgen tussen de Nederlanders, dus carpoolen we samen naar onze bestemming. Emancipatoire ontwikkelingstherapie noemen ze het. Het is een intense combinatie van opleiding, studie en therapie. Er gaat een nieuwe, boeiende wereld voor me open maar tegelijk kan ik niet meer ontsnappen aan mijn eigen, zich langzaam ontsluitende binnenwereld.  

 

We zijn tegenpolen. Voor Simone is het leven één groot feest. Ze beweegt zich lichtvoetig door het leven. Elke stap die ik naar buiten zet, weegt loodzwaar. Elke millimeter winst in de veroveringstocht tegen het oude dogma van je gedeisd houden, moet bevochten worden. Ik weet dat ik op weg ben mijn natuur te volgen, zoals Yvonne Keuls het zo mooi zegt, maar het voelt alsof ik tegen mijn natuur inga. Ik wil het leven ontdekken maar tegelijk wil ik me voortdurend verstoppen. In mijzelf gaan er voortdurend oude alarmbellen af.

 

In therapie

Erica is mijn therapeute.

Ze herspeelt de rol van mijn moeder. Dat doet ze goed, maar uiteindelijk te goed.

Ze vergat eerst de fundamenten te versterken. De weerbaarheid op te bouwen.

Een noodzaak om overeind te blijven, want de doos van Pandora is geopend.

Ik word meegesleurd in een stroom van emoties. Soms lijkt het of de zwaartekracht geen vat meer heeft op mijn lichaam. De angst om alle controle te verliezen neemt soms psychotische vormen aan.

 

Vijf jaar eerder ben ik op bezoek bij Elga.

Ze is opgenomen in een psychiatrische inrichting. We zijn even oud en hebben allebei drie kinderen. Onze mannen zijn bevriend. Ze zit apathisch op de sofa in de bezoekersruimte. Kettingrokend, zoals de meeste andere aanwezige jonge vrouwen. Door de medicatie zijn haar gebaren vertraagd. Het zorgt voor een bevreemdend, robotachtig effect. Ze praat nauwelijks en enkel over het eten dat niet lekker is. Na een tijdje komen haar man en kinderen binnen. Ze reageert er flauw op.

Als ik terug buiten sta, stromen de tranen me over de wangen. Ik ben in shock, alsof ik net een luguber toekomstbeeld zag. ‘Nooit, maar dan ook nooit mag ik hier terecht komen’, herhaal ik voortdurend in mezelf, ‘Hier mogen mijn kinderen me nooit komen opzoeken.’ Als een bezwering blijf ik dit door mijn tranen heen voor me uit prevelen.

Dit verontrustende tafereel blijft op mijn netvlies gebrand. Het beeld van de vertraagde bewegingen en de uitdrukkingsloze gezichten van de rokende vrouwen, duikt daarna regelmatig op in mijn dromen.

Daar denk ik vijf jaar later aan terug. Het beeld werkt als een afweerschild tegen het verlangen om het op te geven, de regie uit handen te geven, te slapen en nooit meer wakker te worden.  

Gelukkig ben ik erin getraind te functioneren, ook al ga ik vanbinnen dood.

Ik wil niet, net als mijn vader, op bed gaan liggen en verdwijnen, ook al begrijp ik hem steeds beter en voelen zijn voetsporen aanlokkelijk vertrouwd.

Ik wil de fakkel niet doorgeven.

Ik wacht om in te storten tot ik alleen ben.

 

In een interview met Adriaan Van Dis* vertelt Stephen Fry over een documentaire die hij maakte over bipolaire stoornis, een aandoening waarop hij zelf al op zijn veertiende gediagnostiseerd werd. Hij vertelt:

 

‘Ik sprak met een voormalige kapitein-luitenant ter zee. Hij deed een zelfmoordpoging door onder een grote vrachtwagen te lopen. Die verbrijzelden zijn benen. Hij heeft me de littekens laten zien. Het was gruwelijk. Tweeën een half jaar lang werden zijn benen voortdurend terug gebroken door de orthopedist om ze dan met pinnen terug vast te zetten. Deze kapitein-luitenant ter zee keek in de camera en zei: ik wil dat je lezers en kijkers goed beseffen dat de pijn in mijn benen die ik na mijn zelfmoordpoging drie jaar lang doorstond, niets was in vergelijking met de pijn die me ertoe gedreven had een eind aan mijn leven te maken’

 

 * DWDD NPO1 8 maart 2018  'Hier is Adriaan Van Dis'

 

Ik bevind me op een waterlijn. Er is een constante kracht die me onder de waterlijn dreigt te trekken. Ik moet alles op alles zetten om dit te verhinderen. Onder de waterlijn ben ik weerloos ten prooi aan demonische angsten en duistere wanhoop.

Alle lectuur van de afgelopen jaren studie en ontdekking haal ik uit mijn boekenkast. Ik voel bij elke zin die ik lees of hij me onder of boven de waterlijn brengt. Wat me eronder duwt, stop ik onmiddellijk. De zinnen die me erboven halen, schrijf ik op. Zo maak ik stilaan korte teksten. Bezweringsformules die ik voortdurend herschrijf en aanpas. Ik lees en herlees ze op elke vrije moment van de dag. Ze zitten in kleine briefjes in de zakken van mijn jassen, broeken en alles wat zakken heeft. Ik lees en herlees ze als ik onder de waterlijn dreig te geraken of er al onder zit. Soms moet ik een zin, waarvan ik weet dat hij helpt, tien keer herhalen tot hij binnen geraakt en ik terug boven de lijn uit kom.

Ik maak de teksten steeds persoonlijker en directer.

 

Voor ik naar het restaurant vertrek, steek ik een ondersteunend briefje in de zakken van mijn donkerblauwe uniformrok. Ik moet opletten dat het niet uit mijn zak valt. Het zou me in verlegenheid brengen.

Naast de opleiding die ik in Amsterdam volg, werk ik in een restaurant. Ik moet voor mezelf en voor mijn kinderen zorgen.

Er moet brood op de plank komen.

 

In het restaurant

Ik steek mijn hoofd om de hoek. Waar ik altijd al bevreesd voor was. Daar zitten ze, met zijn vieren gezellig babbelend, midden in zaal een.

Zo noemen ze dat hier: de zalen. Zaal een als er niet veel volk is, zaal twee, als er meer volk verwacht wordt. In het weekend, als ze met hele families komen aanzetten, wordt ook zaal drie in gebruik genomen.

Vandaag moeten we zaal een en twee bedienen. We zijn met drie vandaag, Thérèse, Liliane en ik, om het buffet aan te vullen, de borden af te ruimen, de dranken te bedienen. Ondertussen ken ik de belangrijkste wijnen en kan ik ze ook aanbevelen bij de juiste gerechten. Côte du Rhone, Côte de Baune, Sancerre, Matheus, enz. Ik heb ze ook allemaal geproefd. Regelmatig blijven er restjes in de fles achter.

 

De vier mensen in zaal een. Ik ken ze niet goed maar ze behoren tot de entourage van het leven dat ik achter me gelaten heb.

Ik kan de zaal niet ingaan. Ik kijk naar mezelf in mijn uniform: de donkerblauwe smalle rok, de bloemetjesbloes met het blauw strikje. Natuurlijk zullen ze me herkennen. Ik zal ook al over de tong gegaan zijn.

Een vrouw die geen reden had om zo’n goeie man in de steek te laten. Een gevallen vrouw die haar status verloren is.

Het zweet breekt me uit.

De koelkast van het restaurant is een kamer met schappen vol etenswaren. Ik vind er even verkoeling. Misschien kan ik mij ziek melden. Ik ben ziek van schaamte.

Daarvoor kan ik niet bij de dokter terecht.

 

‘Zit er al veel volk?’ Francis, als een engel doemt ze voor me op, ‘Ik heb mijn dienst gewisseld met Thérèse’, zegt ze. ‘Ik heb een feestje morgen’.

‘Ik ben nog nooit zo blij geweest je te zien’, zeg ik. ‘Nou, ik vind het ook fijn om je te zien’, lacht Francis, ’Wat is er aan de hand?’.

‘In zaal één’, zeg ik, ’Daar zitten ze. Ik kan ze niet bedienen.’

‘Geen probleem’, zegt ze, ‘Ik zorg voor dekking. Doe jij maar de andere kant van zaal twee. Ik zorg wel dat ze snel buiten zijn’, lacht ze. ‘Maak je maar geen zorgen.’

 

Ze heeft niet veel woorden nodig om te begrijpen. Die woorden hebben we al uitgebreid gewisseld. Na de late shiften, als alles opgeruimd en opgekuist was, als we alle lege flessen in de glasbak gekeild hadden, als we de drankkasten terug aangevuld hadden en we verse tafellakens gedekt hadden voor het ontbijt de volgende dag.

Er zijn weinig gezellige tafeltjes in dit grote restaurant. Eentje dat daar het dichtste bij aanleunt dekken we niet voor het ontbijt. We doven de grote lichten. Een klant stuurde me daarstraks terug met de fles Cabernet Sauvignon die ik net voor hem ontkurkt had. Hij beweerde een kurksmaak te proeven. Wij proeven er niks verkeerd aan. We klinken op een mooie toekomst, ook al ziet die er op dit moment voor ons beiden hoogst onzeker uit.

Er valt veel te vertellen.

We zijn twee drenkelingen aangespoeld op een vreemd eiland.

 

Francis komt uit Nederland.  Haar vriend is een Engelsman. Ze hadden samen een pub in Dublin. Toen die failliet ging kwamen ze in België terecht. Ondertussen heeft haar vriend haar verlaten. Ik vertaal  voor haar het sappige taaltje van vooral Angèle, die in haar enthousiasme altijd weer vergeet hoe onverstaanbaar haar zwaar Tienens dialect klinkt in de Hollandse oren.

Het restaurant is voor ons beiden een transitzone. Francis zal terugkeren naar Nederland. Later zal ik haar bezoeken op de woonboot.

Ik zal vanuit de donkere achtergrond voor het voetlicht treden.

 

Mijn eerste stappen voor het voetlicht

Tien mensen zitten me afwachtend aan te kijken. Ik doe mijn kurkdroge mond open. Er komt geen geluid uit. De paniek neemt toe. Ik weet niks meer. Ik kijk naar de deur. Een vluchtweg die me trekt. Ik hou mijzelf op mijn plaats. Ik slik, en dan heel langzaam begin ik te praten. Alles wat ik zorgvuldig voorbereid had komt stilaan terug. Ik ontspan een klein beetje. Ik doorsta de sessie. De mensen kijken uit naar de volgende. Het thema ‘Van overlevingspatronen naar levenspatronen’ heeft gevoelige snaren geraakt.

Ik ben zelf bezig dit in mijn eigen leven te leren. Het gaat niet vanzelf. Er moet heel wat overwonnen worden.

Als ik thuis kom ga ik recht naar bed. De gordijnen moeten toe. Ik verdraag geen licht en geen geluid. Pijnstillers en ontspanningsoefeningen moeten helpen om mijn bonkende hoofd rust te geven.

‘Hoe lang ga ik dat volhouden?’, vraag ik me af. Maar er is geen weg terug.

Ik heb een glimp opgevangen van mijn natuur en nu heeft ze me in de greep.

‘Waarom maak ik het mezelf zo moeilijk?’, vraag ik me bij herhaling af. Elke stap voor het voetlicht triggert diepe angsten: ‘Wie ben ik om…’, ‘Ze zullen me buitendragen’ en het voelt als, ‘Ze zullen me lynchen’.

Keer op keer moet ik terug de arena in. Ze lynchen me niet en ik leer de angst te overwinnen en met deze ervaring leer ik, jaren later, anderen hetzelfde te doen.

 

Tien jaar later

De deelnemers moeten op het einde van het leertraject een presentatie geven. Mijn collega’s en ik begeleiden het hele jaar drie groepen bankmedewerkers die allemaal op één of andere manier wat op een zijspoor terecht zijn gekomen. Soms was het een reorganisatie, soms was het een ziekte, soms een slechte relatie met het diensthoofd die hen op een zijspoor zette. Ieder heeft zijn eigen verhaal waarom ze deelnemen aan dit een jaar durende leertraject. Sonja brengt hen inzicht in belangrijke economische principes, Laura spijkert hen bij in de IT en Anita en ik helpen hen in het herstel van hun zelfvertrouwen en in de versterking van hun communicatievaardigheden. Ik begeleid hen ook naar de presentatie die ze op het einde moeten geven.

‘Voor een groep staan, over mijn lijk’, zegt Nathalie kordaat.

‘Dat durf ik nooit’, zegt Francine. ‘Een presentatie geven voor een groep. Het zweet breekt me nu al uit’.

Allemaal hebben ze hun eigen argumenten om dit nooit te durven.

Ik begrijp ze, ik ken elke variatie van plankenkoorts. Ik leer er hen stilaan mee omgaan en het belangrijkste wat ik zelf ook leerde: angst is geen reden om iets niet te doen. 

En elk jaar opnieuw staan ze daar op het podium. En al trilt de stem en wordt er veel geslikt, ze doorstaan de test iedere keer.

En wij, de trotse leraren zitten op de eerste rij naar onze leerlingen te kijken. En iedere keer opnieuw herinner ik mij de talloze keren dat ik er ook stond, soms terwijl de zenuwen door mijn lijf gierden. Ik leer mijn leerlingen: de angst wordt nooit zo door de anderen opgemerkt als ze door jou gevoeld wordt.

 

 

Steeds meer mensen vragen een persoonlijke begeleiding. Wat mij boven de waterlijn hielp, blijkt ook te werken bij anderen.

Ik luister aandachtig naar vele verhalen. Ik schrijf ze uit, met ondersteunende teksten. Ik schrijf voor het leven, om op terug te vallen als ze terug onder de lijn dreigen te geraken.

Ik schrijf hele boekwerken vol en leer mensen hun eigen hulpteksten te schrijven.

Regelmatig moet ik ook voor mezelf opnieuw aan het schrijven.

Als de oude angsten me weer eens in de greep dreigen te krijgen.  

 

Afscheid van het oude huis

Ik moet afscheid nemen van het hoge herenhuis.

Ik moet mijn veilige schuilplaats verlaten. Ik kom eindelijk in opstand tegen de tweederangspositie in mijn eigen leven. Ik slaag er niet meer in om, net als mijn moeder, tevreden te zijn met een figurantenrol. Ik kan geen verlengstuk meer zijn van iemand anders. Ik moet mijn eigen natuur ontdekken.

 

Ik droom dat ik op een platgebrande vlakte sta. Als ik omkijk zie ik in de verte de stad met de warme lichtjes. Maar de poorten zijn gesloten.

Het verleden biedt geen schuilplaats meer, de toekomst is versluierd. Ik moet mijn woonst opbouwen op de kale vlakte die zich voor me uitstrekt. Ik strijd tussen het gevoel van bevrijding en ontmoediging. Ik heb zelfs geen schop om een put te graven. Ik zal het met mijn blote handen moeten doen.

 

Nooit heb ik een moment spijt van de beslissing om mijn eigen leven te gaan leven. Nooit had ik gedacht dat het verlies van de veiligheid mij zo zwaar zou vallen. Alle energie is nodig om het heden te overleven, om stand te houden. Ik ben door het glas heen gebroken. De scherven haalden mijn huid open. De wonden bloeden nog. Ik beweeg me langzaam strompelend voorwaarts.

 

Er zijn nog meer intense dromen.

In de droom zie ik kinderen spelen in een mooi vredig landschap, een groene wei met madeliefjes. De zon schijnt, hoge wolkjes aan de blauwe hemel. In de verte bergruggen met besneeuwde bergtoppen. De ouders zitten op een rood-wit geblokt doek met de resten van de picknick. Ze kijken glimlachend naar hun spelende kroost.

Het besef dat ik een bom moet gooien op dit vredig tafereel, vervult me met afschuw.

 

Mijn constante zorg is dat het goed gaat met mijn kinderen maar ik kan niet vermijden dat er een barst komt in hun veilige basis.

 

De liefde

De liefde blijft een moeilijk te bevaren zee.

Als het gevoel aan het roer staat is het storm op zee en worden de oude scenario’s herspeeld. De herhalingsdwang blijkt zeer hardnekkig.

Als het verstand stuurt is er geen wind in de zeilen.

 

Jan is twee jaar ouder dan ik en ook gescheiden. Hij heeft een vriendelijk gezicht en een goede inborst. Hij spreekt met liefde over zijn drie zonen.

We fietsen samen in de zon en gaan ‘s avonds dansen op het plein.

Ik weet het, maar ik wil het niet toegeven. Ik heb de regie aan mijn verstand gegeven. Jan zal me geen pijn doen. We kunnen samen wandelen en naar de film gaan.

We zitten op het plein. Het is mooi weer. Zo wil ik het houden. Hij wil praten. Ik vrees wat hij wil zeggen.

Ik probeer het kaartenhuis recht te houden.

‘Het is leuk samen’, zegt Jan, ‘we komen ook goed met elkaar overeen’. Ik bevestig het gretig.

‘Maar,’ vervolgt hij, ‘we zijn niet verliefd op elkaar.’ ‘Dat gaat problemen geven als één van beiden op iemand verliefd wordt’, zegt hij verstandig.

Hij heeft gelijk maar ik wil hem geen gelijk geven.

Ik dacht de herhalingsdwang te omzeilen en zo de oude demonen te slim af te zijn.

Ik had opnieuw een veilige schuilplaats gevonden.

Ik weet dat ik ze terug moet opgeven

 

Epiloog

Ik hoor mensen vaak beweren: ‘Als ik mijn leven zou herdoen, zou ik net hetzelfde doen als ik gedaan heb’,

‘Als ik mijn leven zou herdoen, zou ik het totaal anders doen’, is mijn eerste reactie. Maar dan weet ik, met de identieke ingrediënten, zou ik misschien wel hetzelfde handelen.

 

Ik zou mijn leven onder geen beding willen herdoen.

Ik kan enkel opgelucht ademhalen dat ik aanbeland ben op het punt waar ik me nu bevind.

Op geen enkel punt in het verleden zou ik me terug willen bevinden.

Misschien wil ik me ook in geen enkel ander ‘nu’ bevinden al had ik dat ‘nu’ graag langs meer zonnige en vrolijke paden bereikt, maar misschien is dat nu juist het resultaat van het bewandelen van de vele duistere paden. Ik herinner me diverse momenten waarop een doodlopend roemloos eindpunt schemerde maar gelukkig kwam het nooit zo ver. Ik heb dan toch, na veel dwaalwegen, mijn natuur gevonden en geleefd.

En met ontelbare mensen, wiens pad ik kruiste in de voorbije twintig jaar, ben ik het pad een eind meegelopen, als gids, op de weg naar hun eigen natuur.

Soms in groep, soms alleen.

 

Ik ben een gids geworden.

En mijn kompas is het woord.

Geschreven en gesproken.

 

In den beginne was het woord.

 

Ik maakte van zwijgen zilver en van spreken goud.

Ik leerde de kracht van woorden.

The Power of Words *

 

*  https://www.youtube.com/watch?v=Hzgzim5m7oU

 

 

                                                                                                      Leuven, 21 mei 2018

 

 

 

 

 

Geraakt door deze tekst? Maak het hartje rood of deel de woorden met je vrienden.

Zo geef je mee een stem aan de woorden van deze schrijver.

Haddie
31 mei 2018 · 0 keer gelezen · 0 keer geliket