Een gezicht met tinten van groen, geel en paars zoals een Rothko-schilderij. Een impasto penseelstreek van olijfgroen etter, als Grieks vuur in de infectiehaard. Het laatste beetje bloed dat spettert uit een donkere wonde in de nek. Stukken vel van het gezicht die er flauwer bijhangen dan de tieten van mijn grootmoeder. Een half afgerukte neus die bengelt met de wind en lippen die eruitzien als schuurpapier. Dat was het eerste beeld dat ik zag van een zombie.
Niemand weet precies vanwaar ze komen, alleen dat ze er zijn, in Antwerpen dan nog.
Werkelijk alles is verrot sinds de lijken terug beginnen stappen.
Ik probeer naar televisie te kijken en zie programma’s zoals Met Vier Onder Bed, Vlaanderen Zombieland en Blijf Thuis. Zelfs de openingszinnen op Temptation Island zijn er niet op verbeterd. Zo’n snotneus met een six-pack stapt naar een geplastificeerde blondine toe en vraagt:
“Wil je eens uw kleren uitdoen zodat ik je kan inspecteren op wondes?”
Zij reageert dan met: “Wat als ik geïnfecteerd ben, ga je dan dat groot mes uit uw broek halen?”
Alsof broekzakken een goede plek zijn om messen in op te bergen.
Niet dat ik zou huilen mocht die gast niet meer kunnen voortplanten.
“Zet die brol toch eens uit,” zegt m’n oma, half slapend, vanop haar zetel.
Een ooit mooie lederen zetel. Ingezakt door het gewicht van verdriet en van de crisis, maar ook door het gewicht van haar vet lijf.
Ik zet de tv uit en word geconfronteerd door het beeld van een zielig ventje dat, ondanks dit alles, de dagen verslijt voor een tv. Soms is een zwart scherm gruwelijker dan de zombies zelf.
“Heb je niets beter te doen?” vraagt m’n oma. “Zoek misschien een lief, het is in tijden zoals deze dat mensen meer fysiek contact nodig hebben. Weet ik zeer goed, want op mijn leeftijd heb ik al veel crisissen doorstaan.”
Een diepe zucht verlaat mijn mond.
“Ik ga boodschappen doen,” zeg ik haar.
In realiteit heb ik nood aan frisse lucht. Bovendien zou ik nog liever naar een “koken met zombies”-programma van Jeroen Meus kijken dan nog maar één seconde denken aan het seksleven van mijn oma — of aan liefde in het algemeen.
Op straat hoor ik mijn buren argumenteren over hoe ze zich gaan voorbereiden op de komst van de zombies. Gelukkig zitten we in West-Vlaanderen en is het lang stappen van Antwerpen naar Langemark. Toch is het leuk om hen in te beelden met een deegroller en een kapmes tegen een horde van hersenloze tweevoetigen.
Iets verder vanaf het trottoir hoor ik mijn naam. Ik krijg bijna een hartaanval van de enthousiaste toon waarop die is uitgesproken.
“Ah Robbe,” roept de jongeman die mijn richting uitstapt.
“Jeroom!” roep ik terug terwijl ik probeer te doen alsof ik het even leuk vind om hem weder te zien.
“Lang geleden,” knikt hij terwijl hij zijn zweterige hand uitstrekt.
“Inderdaad,” zeg ik terwijl ik, tegen mijn goesting in, zijn plakkerige armuiteinde vasthoud en er een zwaaiende beweging mee maak.
Jeroom was vroeger een goede vriend van mij. Hij is iets groter dan ik, wat niet moeilijk is met mijn goblinlichaam. Op school was hij altijd de populaire gast die constant meisjes meenam naar het huis van zijn ouders.
De laatste jaren verdronk hij zich in alcohol, waardoor onze band verwaterde.
“Laatste keer dat ik je zag, waren er nog geen zombies,” zeg ik met een poging tot humor. Gelukkig voor mij gebruikt de helft van Vlaanderen de komst van de zombies als ijsbreker.
“Ah, je hebt er ook van gehoord?” Zijn humor is duidelijk op hetzelfde niveau als het mijne.
“Wat houdt je bezig?” vraagt hij me. Alsof hem dat echt interesseert. Zoals de meeste ex-lotsgenoten brak hij de zandloper die men vriendschap noemt. Ik neem het hem niet kwalijk, maar ben zelf geen glasblazer.
“In het algemeen?” antwoord ik. “Werken zodat ik mijn appartement kan betalen. Nu specifiek? Boodschappen doen voor mijn oma.”
“Amai, zo nobel,” reageert hij.
Nobel.
Een woord dat ik mezelf nooit zou toeschrijven. In realiteit is het vooral praktisch. Mijn grootmoeder woont twee straten weg van de supermarkt waar ik werk. Boodschappen en haar afwas doen is gewoon deel van de afspraak.
“Er moet iemand voor haar zorgen, eh,” zeg ik terug. “En jij, waar zijt gij beland na al die tijd?”
“Goh,” antwoordt Jeroom. “Ik maak websites voor landbouwbedrijven. Is veel achter de pc zitten, maar tegenwoordig doet AI al het werk.”
“Ah nice,” reageer ik terug met een glimlach. Ik beeld me meteen Langemark in, volgebouwd met datacenters die ons water slurpen en AI die zich voedt op ons denkvermogen. Hersenloze mummies in plaats van zombies.
Toch vind ik het goed dat Jeroom nog eens iets doet met zijn leven.
“Je ziet er wel goed uit met die oorpiercings en tattoos. Is anders,” zegt Jeroom, die mijn gedachten onderbreekt met een half geforceerde glimlach.
Een compliment krijgen is altijd leuk, net zoals de verhalen van Grimm leuk zijn.
“Anders” is het kernwoord hier. Raar, vreemd en niet thuishorend in Langemark.
Toch bedank ik hem met een simpele “Thanks.” Ik ben blij met mijn tattoos en piercings. Het zijn de enige onderdelen op mijn lichaam die er objectief goed uitzien. Allez, dat vind ik toch.
“Heb je die foto gezien van De Wever die zijn luchtdrukgeweer mikt op een zombie?” vraagt hij me. “Staat overal op het internet.”
“Ja, is een gruwelijk beeld,” antwoord ik terug.
“Toch stoer?” kijkt hij op.
“Stoer, tot wanneer de zombie in kwestie familie van je zou zijn. Iemand verliezen is altijd pijnlijk. Je vader in ontbindende staat zien op een virale foto is niet in te beelden.”
Jeroom slikt zijn glimlach in en knikt.
“Zou trouwens handig zijn mocht iedereen zo’n luchtdrukgeweer kunnen kopen,” ga ik verder. “Maar daar zijn simpele mensen als wij niet belangrijk genoeg voor.”
Alhoewel zijn ogen nog steeds wat triest lijken, kruipt er een gedeeltelijke glimlach terug over het gezicht van Jeroom.
“Mijn nonkel heeft een vergunning — en een volledige collectie in zijn schuur, die rode, hier om de hoek,” wijst hij.
“Handig, dan weet ik bij wie ik moet aankloppen,” zeg ik terwijl ik mijn mondhoeken voel opspannen.
“Klop niet té hard,” zegt Jeroom. “Ma bon, ik ga nekeer mijn Cheri opzoeken. Zie dat ze ongeduldig wordt.”
“Was goed u te zien, maatje,” zeg ik terwijl ik spontaan zelf mijn hand uitstrek. Zo snel dat ik bijna vergeet hoe onaangenaam die zweterige handdruk was.
“Van 'tzelfde Robbe" — klets.
We draaien elkaar de rug en stappen andere richtingen uit. Ik zou liegen als ik zei dat deze korte ontmoeting niet aangenaam was. Misschien geef ik hem nog een kans.
Ook een vogel die het raam begroet verdient het om binnengelaten te worden. Zelfs na twee of vier keer de bloedsporen te moeten wassen. De mensen die dit gek noemen vliegen vaak het snelst weg.
Ik grap regelmatig dat ik de persoonlijkheid heb van een golden retriever, een licht- getraumatiseerde retriever — but still.
“Ah Robbe,” zegt Jeroom weer, die zich ondertussen al enkele meters achter mij bevindt. Ik kantel mijn schouders en verwring mijn nek tot ik weer oogcontact maak.
“En hoe zit dat bij u in de liefde?” vraagt hij vanop afstand.
Daar is het weer, dat akelige woord.
Liefde.
Er is meer kans dat ik slaapwandel tot in Antwerpen en vermorzeld word door een zombie dan dat ik die term ooit echt zal begrijpen.
“Maak je geen zorgen,” roep ik terug terwijl ik hem uitzwaai en mijn nek terug in natuurlijke houding draai richting de winkel.
