Ze hebben een tas nu
een eigen parfum en al een rimpel
plus een kamerscherm
waarlangs een man, een vrouw voorbij kan.
Maar hun lach klatert
nog steeds als de Niagara
tegen de klasmuur,
het haar gebaad
in het zonlicht van de verwondering,
hun madelieven gestrooid
in het wonder van mijn tuin.
Lang reeds voor de laatste les,
in een moment gebogen
naar wat er geschreven stond,
heb ik hun hoofden gezegend,
hun bakens gezet.
moniek de vis